← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080422.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080422.9 Rolnummer: 2006-0044 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 17:21 Fiche Uit de samenlezing van de voorwaarden waaronder de verstrekkingen provisioneel worden verleend (artikel 14 en 15 van het Algemeen Reglement van de ziekte- en invaliditeitsverzekering van de zeelieden) en artikel 115 van het K.B. van 24 oktober 1936, volgt dat, in het sociale zekerheidsstelsel van de zeelieden ter koopvaardij, de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering een subsidiair karakter heeft en dat de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden, ingeval van cumulatie over dezelfde periode van ziektevergoedingen met de schadeloosstelling op grond van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, gerechtigd is tot terugvordering ten laste van de verzekerde. De zeevarenden en de werknemers behoren tot verschillende categorieën die niet vergelijkbaar zijn in een context van een mogelijke grondwettelijke schending. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - R.I.Z.I.V. Vrije woorden: arbeidsongeschiktheid zeevarenden - subsidiair - andere categorie dan werknemers. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 136 § 2, lid 7 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 24-10-1936 - 115, lid 1 - 01 ELI link Pub nr 1936102401 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060044 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: A. S. S., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. D. S., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: HULP- EN VOORZORGSKAS VOOR ZEEVARENDEN, instelling van openbaar nut onder toezicht van de minister van sociale zaken, met zetel gevestigd te 2060 Antwerpen, Maritiem Huis, Olijftakstraat 7-13, bus 1 geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. H. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 1 maart 2006, 26 februari 2008 en 11 maart 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 13 december 2005 (A.R. 373.716); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 januari 2006; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 4 september 2006; - de conclusies voor appellant, per fax ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 10 december 2007; - de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 18 december 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 11 maart 2008 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 11 maart 2008; - de schriftelijke repliek van appellant op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, per fax ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 25 maart
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden (stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen) en de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 26 februari
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 maart 2008 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op maandag 16 januari 2006, tekende A. S. S. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 13 december 2005 (A.R. 373.716). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid Ger. W. werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 15 december
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer A.S.S. was als matroos in dienst van de nv Tecto toen hij slachtoffer werd van een arbeidsongeval op donderdag 20 november
  7. Na aangifte van het arbeidsongeval bij de adviserend geneesheer heeft de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden aan A.S.S. uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid betaald over de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 oktober 2003 ten bedrage van 63.566,83 euro. Na een gerechtelijke procedure, ingeleid door A.S.S. lastens het Fonds voor Arbeidsongevallen, werd bij vonnis van de arbeidsrechtbak te Antwerpen van 16 oktober 2003: * de volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid aanvaard van 29 november 1997 tot en met 31 mei 1999; * de blijvende arbeidsongeschiktheid op 1 juni 1999 geconsolideerd op 75%; * het basisloon vastgesteld op 23.452,71 euro. Op basis van voormeld vonnis van de arbeidsrechtbank Antwerpen is het Fonds voor Arbeidsongevallen overgegaan tot afrekening en uitbetaling van de vergoedingen voor de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid en de blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op basis van een arbeidsongeschikt-heidsgraad van 75%, verhoogd met de wettelijke intresten op de netto-vergoedingen. Bij beslissing van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden, aan A.S.S. aangetekend ter kennis gebracht op 25 augustus 2004, werd op grond van artikel 115 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 lastens A.S.S. een terugvordering betekend ten bedrage van 63.566,83 euro. Deze beslissing luidde als volgt: "De verzekerde zeeman kan, als slachtoffer van een arbeidsongeval, onder voorbehoud van terugbetaling, prestaties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering ontvangen (art. 115 K.B. 24/10/1936). De H.V.K.Z. heeft u voor de periode van 01/08/1999 tot en met 31/10/2003 uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend. Het bedrag ervan beloopt 63.566,83 euro zoals blijkt uit bijgevoegde opgave. Het fonds voor Arbeidsongevallen heeft u ingevolge vonnis d.d. 16/10/2003 van de Arbeidsrechtbank van Antwerpen voor dezelfde periode en ter vergoeding van dezelfde schade uitkeringen uitbetaald. Hiermede verzoeken wij U beleefd in uitvoering van artikel 115 (K.B. 24/10/1936 het bedrag van 63.566,83 euro zo spoedig mogelijk terug te willen betalen ... (...)" Met een verzoekschrift, aangetekend verzonden op 25 november 2004 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 26 november 2004, tekende A.S.S. verhaal aan tegen voornoemde terugvorderingbeslissing. Bij besluiten, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank Antwerpen op 29 juni 2005, vorderde de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden bij tegeneis de heer A.S.S. te veroordelen tot betaling van de som van 63.566,83 euro te vermeerderen met de moratoire/vergoedende interesten vanaf de onderscheiden data van betaling en de gerechtelijke intresten. Bij vonnis van 13 december 2005 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd(en): - de hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de terugvorderingbeslissing van 25 augustus 2004 van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden bevestigd; - de tegenvordering ontvankelijk en gegrond verklaard en A.S.S. veroordeeld tot terugbetaling aan de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden van een bedrag van 63.566,83 euro ten titel van ten onrechte uitbetaalde uitkeringen; - de kosten van het geding, bij toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden gelegd, aan de zijde van A.S.S. begroot op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding en op 5,00 euro aantekenrecht. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 januari 2006, stelt A.S.S. hoger beroep in tegen voornoemd vonnis.
  8. Eisen in hoger beroep A.S.S. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - de bestreden beslissing van 25 augustus 2004 te vernietigen; - in ondergeschikte orde volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "maakt artikel 115 van het koninklijk besluit van 24 december 1936 in de interpretatie dat die bepaling het aan de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden mogelijk maakt voorlopige uitkeringen van de uitkeringsgerechtigde zelf terug te vorderen, een schending uit van het gelijkheidsbeginsel vervat in artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet, in vergelijking met andere sociaal verzekerden in dezelfde situatie die vallen onder het (gemeen) recht van de GVU-wet?" - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van appellant begroot op 331,50 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. De Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep af te wijzen als ongegrond; - derhalve het vonnis waartegen beroep te bevestigen; - appellant, wegens tergend en roekeloos geding, te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde begroot op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,50 euro rechtsplegings-vergoeding hoger beroep. Ter openbare terechtzitting van 26 februari 2008 verklaart de raadsman van appellant dat hij, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, het basisbedrag vordert zoals voorzien in het KB van 26 oktober
  9. Beoordeling 5.
  10. Terugvordering Het voorwerp van huidig geschil betreft de terugvordering van de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid die geïntimeerde aan appellant heeft uitbetaald voor de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 oktober
  11. Artikel 115 eerste lid van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten der Hulp- en Voorzorgkas voor zeevarenden bepaalt: "De verzekerde of het lid van zijn gezin, slachtoffer van een ongeval dat door een bijzondere wetgeving wordt gedekt, of van enig ander ongeval dat de burgerlijke aansprakelijkheid van een derde medebrengt, wiens recht op schadeloosstelling wordt betwist, kan verstrekkingen als bedoeld in dit besluit ontvangen onder voorbehoud van terugvordering, hetzij ten laste van de verzekerde zelf, hetzij van hem die tot herstel gehouden is, mits de verzekerde: 1° aangifte deed van het ongeval bij de adviserend geneesheer van de Kas; 2° in de bij reglement bepaalde voorwaarden bewijst dat hij de vereiste vordering heeft ingesteld ten einde zijn recht op schadevergoeding overeenkomstig vorenvermelde wettelijke bepalingen te doen erkennen." Op basis van voormeld artikel 115 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 kan de zeeman als slachtoffer van een arbeidsongeval, onder voorbehoud van terugvordering, prestaties van de uitkeringsverzekering ontvangen. In hoofdstuk V van het Algemeen Reglement van de ziekte- en invaliditeitsverzekering van de zeelieden van 14 april 1958 worden de voorwaarden opgesomd waaronder de verstrekkingen provisioneel worden verleend in toepassing van artikel 115 van de statuten. De voorwaarden daartoe zijn ondermeer dat de verzekerde zeeman een kwijtschrift van indeplaatsstelling ondertekent (artikel 14) en het bewijs levert dat hij de vereiste vordering heeft ingesteld ten einde zijn recht op herstel krachtens wetsbepalingen te doen erkennen om bij ongeval dat door een bijzondere wetgeving wordt gedekt, de verstrekkingen onder voorbehoud van terugvordering te bekomen wanneer het recht op herstel wordt betwist (artikel 15). Uit de samenlezing van de voorwaarden waaronder de verstrekkingen provisioneel worden verleend (artikel 14 en 15 van het Algemeen Reglement van de ziekte- en invaliditeitsverzekering van de zeelieden) en artikel 115 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 volgt dat, in het sociale zekerheidsstelsel van de zeelieden ter koopvaardij, de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering een subsidiair karakter heeft en dat de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, ingeval van cumulatie over dezelfde periode van ziektevergoedingen met een schadeloosstelling op grond van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, gerechtigd is tot terugvordering ten laste van de verzekerde. Er bestaat tussen partijen geen betwisting dat appellant naar aanleiding van zijn arbeidsongeval van 20 november 1997 niet alleen provisionele ziektevergoedingen heeft ontvangen van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden over de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 oktober 2003 maar tevens, na vonnis van de arbeidsrechtbank van Antwerpen van 16 oktober 2003, een schadeloosstelling van het Fonds voor Arbeidsongevallen voor de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid vanaf 29 november 1997 tot en met 31 mei 1999 en een blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juni 1999 op basis van een arbeidsongeschiktheidsgraad van 75%. Appellant heeft dienvolgens over de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 oktober 2003 tweemaal vergoeding bekomen voor identiek dezelfde schade, voortspruitende uit zijn arbeidsongeval van 20 november
  12. Het door appellant geciteerde arrest van het Hof van Cassatie van 19 december 1988 (Cass. 19 december 1988, R.W. 1988-89, pag. 1059-1060) is niet dienstig ter oplossing van huidig geschil aangezien het betrekking heeft op het artikel 70 van de oude ZIV-Wet (huidige artikel 136 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen) zijnde de subrogatoire vordering van de mutualiteit waarvan in het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 geen sprake is. Bovendien blijkt uit lezing van voormeld arrest dat het een situatie betrof waarbij de mutualiteit uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid terugvordert van de betrokkene die hem werden betaald tijdens een periode dat die ongeschiktheid niet effectief werd vergoed op grond van het gemene recht door de auteur van de schade of diens verzekeraar; in casu werd appellant wel degelijk vergoed door het Fonds voor Arbeidsongevallen. Het bestreden vonnis heeft op voormelde redenen terecht de terugvorderingbeslissing van 25 augustus 2004 van geïntimeerde bevestigd met veroordeling van appellant tot terugbetaling van een bedrag van 63.566,83 euro ten titel van ten onrechte uitbetaalde uitkeringen. 5.
  13. Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Appellant houdt voor dat de terugvordering van de provisionele uitkeringen op basis van artikel 115 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936, een discriminatie uitmaakt in zoverre een dergelijke regeling alleen toepasselijk is voor de zeelieden en niet voor andere sociaal verzekerde werknemers die vallen onder het toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 14 juli 1991, inzonderheid artikel 136, §2, zevende lid. Dienvolgens formuleert appellant, in ondergeschikte orde, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreffende de bestaanbaarheid van artikel 115 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Noch artikel 26 van de Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Grondwettelijk Hof de bevoegdheid prejudicieel uitspraak te doen over de vraag of een koninklijk besluit al dan niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; het arbeidshof dient derhalve zelf de rechtsnorm te toetsen aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel wordt in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof als volgt omschreven (zie Alen, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer rechtswetenschappen België, 1995, nr. 307): "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel." Een toetsing aan het gelijkheidsbeginsel begint met de vergelijkbaarheidstoets: het gelijkheidsbeginsel geldt enkel ten aanzien van personen die zich in voldoende vergelijkbare situaties bevinden. Samen met het openbaar ministerie stelt het arbeidshof vast dat 'zeevarenden' en 'werknemers' tot verschillende categorieën behoren die niet vergelijkbaar zijn in een context van een mogelijke grondwettelijke schending. Het ontstaan van een afzonderlijke regeling inzake de sociale zekerheid der zeelieden ter koopvaardij is te verklaren zowel wegens historische redenen als wegens de bijzondere omstandigheden waarin het beroep van zeeman wordt uitgeoefend. Het verschil tussen de categorie van personen ressorterend onder het algemeen stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers en de categorie van personen ressorterend onder de regeling voor de zeelieden ter koopvaardij komt tot uiting in de verschillende takken van de sociale zekerheid. Op het vlak van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen wordt zowel het begrip arbeidsongeschiktheid als de berekening van de uitkeringen op basis van bij koninklijk besluit vastgestelde eenvormige dagbezoldigingen als bijzondere elementen van de regeling voor de zeelieden aangemerkt. Ook inzake werkloosheid hebben de zeelieden, ingevolge de verplichte inschrijving in de Belgische Pool van de zeelieden ter koopvaardij, een bijzonder regime dat hun in de koopvaardij een ruime vastheid van betrekking verleent. In de sector arbeidsongevallen is er een onderwerping aan de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 maar de premies, vergoedingen en renten worden berekend op forfaitaire lonen volgens de categorie en de graad van de zeeman. Inzake jaarlijkse vakantie worden de zeevarende officieren als bedienden aangezien, die het vakantiegeld rechtstreeks van de reders ontvangen. Voor de scheepsgezellen en de shoregangers geldt een regeling zoals voor de handarbeiders, waarbij een redersbijdrage verschuldigd is van 15,72% en een uitbetaling geschiedt door de "Compensatiedienst voor betaald verlof der zeelieden". Aangezien de categorie 'zeevarenden' en de categorie 'werknemers' geen vergelijkbare categorieën zijn kan de bestreden bepaling in dat verband geen schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 5.3 Tegeneis wegens tergend en roekeloos hoger beroep Geïntimeerde vordert bij tegeneis, in afwijking van de regeling van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, appellant te veroordelen tot de kosten van hoger beroep wegens tergend of roekeloos hoger beroep. Krachtens artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden, steeds in de kosten verwezen behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. In het kader van het sociaal recht dient iedere burger de mogelijkheid geboden te worden om een ernstig verweer te voeren en zijn rechten te vrijwaren of op te eisen t.o.v. de betrokken overheid of de instelling en de wetgever voorziet een bijzondere regeling waardoor de gerechtskosten, zelfs wanneer de rechtzoekende in het ongelijk wordt gesteld, in principe ten laste gelegd worden van de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek. Het instellen van hoger beroep is ook een recht dat slechts bij roekeloosheid, kwaadaardigheid of kwader trouw zal leiden tot verwijzing in de kosten wegens tergend of roekeloos geding (artikel 1017, lid 2 Ger.W.). Gelet op de door appellant ingeroepen beroepsgrieven tegen het bestreden vonnis werd het hoger beroep geenszins ingeleid met een schuldige lichtzinnigheid; de vordering wegens tergend en roekeloos ingesteld hoger beroep dient derhalve te worden afgewezen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 maart
  14. A.S.S. heeft op 25 maart 2008 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de tegeneis in tergend en roekeloos geding ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 13 december 2005 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 373.716). Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van A.S.S. op 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, W. BOGAERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, F. CONVENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van tweeëntwintig april tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080422.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.