id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080520.5 Rolnummer: 2000-0488 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 17:30 Fiches 1 - 2 Het auteursrecht houdt verband met het reproductierecht dat elke exploitatievorm beheerst die verband houdt met het materieel verveelvoudigen van de oospronkelijke creatie, in casu televisieprogramma's. Dit reproductierecht behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de auteur en dit geldt voor alles wat gereproduceerd wordt van de originele creatie, zelfs als die ingrijpend wordt gewijzigd. Aangezien de creaties van de betrokkene aan het publiek werden getoond en zij naar aanleiding daarvan (relatief) belangrijke inkomsten heeft genoten die onder de toepassingssfeer vallen van de auteurswetgeving, geven deze inkomsten aanleiding tot onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen in de reglementering waarvan de genieters van auteursrechten apart worden benaderd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Toepassingsgebied Vrije woorden: toepassingsgebied - de zelfstandigen - maker van televisieprogramma's - auteursrechten - onderwerping Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 5 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Verplichtingen Vrije woorden: de verplichtingen - bedrag van de bijdrage voor de pensioenleeftijd - de zelfstandigen - maker van televisieprogramma's - auteursrechten - onderwerping Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 12 § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Koninklijk Besluit - 19-12-1967 - 37 § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967121910 Nota: VIII A Gerangschikt onder VIII A - artikel 5 en onder VIII A - artikel 12 § 2. Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 10 - blz. 537-538 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2000488 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: M D P, wonende te, appellante, verschijnend bij mr. H. VAN ORSHAEGEN loco mr. J. IMPENS, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen : HET RSVZ, gevestigd te, geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. HERTOGHS, advocaat te 2100 Deurne. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis geacht op tegenspraak te zijn gewezen conform artikel 751 Ger. W. van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 21 februari 2000 en waarvan geen betekening voorligt; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 19 juni 2000; - de conclusies, aanvullende, tweede en derde aanvullende conclusies van appellante respectievelijk ontvangen ter griffie op 9 september 2002, 10 december 2002, 25 november 2003 en 24 augustus 2004 en de eerste, tweede, derde en syntheseconclusies van geïntimeerde respectievelijk ontvangen ter griffie op 3 april 2002, 26 november 2002, 22 mei 2003 en 13 september 2004. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 18 maart 2008. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging 1. Naar aanleiding van de door de bevoegde belastingsdiensten eind januari 1996 aan geïntimeerde overgemaakte informatie dat appellante tijdens de jaren 1992 en 1993 inkomsten heeft genoten uit een zelfstandige beroepsactiviteit, wordt door de adjunct-inspecteur van geïntimeerde op 1 oktober 1996 een onderzoek uitgevoerd op het plaatselijk belastingskantoor te Antwerpen (stuk 2 geïntimeerde). Door de controleur wordt vastgesteld dat appellante volgende inkomsten genoot als freelance cineaste:
- a)jaar 1992: 156.860 BEF bruto samengesteld als volgt: 146.360 BEF auteursrechten betaald door SABAM 10.500 BEF honorarium betaald door BRTN of 125.488 BEF netto
- b)jaar 1993: 166.579 BEF samengesteld als volgt: 126.579 BEF auteursrechten betaald door SABAM 40.000 BEF honorarium betaald door BRTN of 133.421 BEF netto
- c)jaar 1994: geen inkomsten. 2. Met aangetekend schrijven d.d. 29 november 1996 stelt geïntimeerde appellante in gebreke als volgt: "MEVROUW, Uit inlichtingen die ons werden verstrekt, blijkt dat U een beroepsbezigheid als zelfstandige of als helper uitoefent of hebt uitgeoefend (als hoofdberoep of als bijkomend beroep). Aangezien die bezigheid uw verzekeringsplicht in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen tot gevolg heeft, bent U verplicht U bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen aan te sluiten. Indien U aan deze verplichting nog niet voldaan hebt, geldt dit schrijven als ingebrekestelling beoogd bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat luidt als volgt: 'De zelfstandige die nalaat, binnen de negentig dagen na de aanvang van zijn beroepsbezigheid, keuze te doen van een sociaal verzekeringsfonds, wordt in gebreke gesteld door middel van een ter post aangetekend schrijven verstuurd door het Rijksinstituut. Indien hij binnen de dertig dagen na de datum van de verzending over de post van de ingebrekestelling niet vrijwillig aansluit bij een sociale verzekeringskas, wordt hij ambtshalve aangesloten bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen'. Wij vestigen uw aandacht op het feit dat onderhavige aangetekende brief de verjaring stuit krachtens artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het werd vervangen door artikel 2 van de wet van 3 december 1984 (B.S. 19 december 1984), (...) In die omstandigheden verzoeken wij U de bijgaande aanvraag om aansluitingsformulier dringend te zenden aan het sociale verzekeringsfonds voor zelfstandigen dat U uit de hierbijgevoegde lijst zult gekozen hebben. Met hoogachting" (stuk 1 geïntimeerde). 3. In de loop van het jaar 1997 wordt appellante door de NHSVZ regelmatig in gebreke gesteld voor de betaling van sociale bijdragen. 4. Met brief van 12 september 1997 protesteert de echtgenoot van appellante deze aanmaningen als volgt: "(...) Mijn vrouw is geen zelfstandige, ze heeft geen werk, is zelfs niet werkloosheidsgerechtigd. Ze heeft enige jaren geleden hogere studies hervat en die studies kosten bovendien een hoop geld. Een vijftal jaren geleden heeft ze echter enkel teksten voor de BRT geschreven en héél af en toe een klein schrijf- of regie-jobje aangenomen en that's it ! Ze heeft daar destijds een honorarium voor gekregen en geniet sporadisch wat auteursrechten als haar programma's worden (her)uitgezonden. Verder heeft ze sinds de geboorte van ons zoontje P (°06.11.92) geen enkel inkomen meer gehad! In het begin van de jaren negentig was haar bijverdienste een welkome hulp bij mijn ook al niet zo denderend loon. Het totaal van haar inkomsten die voor haar hele leven in aanmerking zou kunnen komen als zelfstandige baten, overschrijdt voor zover ik het kan nagaan waarschijnlijk niet eens het half miljoen dat uw diensten nu integraal terug willen vorderen. Het spreekt aan de andere kant voor zich, dat zij bereid is te betalen voor de twee jaren dat ze werkelijk teveel zou verdiend hebben, maar dan een som die in proportie staat tot wat ze reëel verdiend heeft. En zelfs dàn, zou er over een breed verspreid afbetalingsplan moeten gesproken worden: wij komen amper rond met mijn eigen inkomen... (...)" (stuk 7 geïntimeerde). 5. Op 5 november 1997 voert de inspecteur van geïntimeerde een nieuw onderzoek uit bij de bevoegde belastingsdiensten te Antwerpen waarbij hij vaststelt dat appellante voor het jaar 1995 inkomsten heeft verworven ten bedrage van 146.485 BEF bruto of 117.188 BEF netto (stuk 2 geïntimeerde). 6. Op 26 januari 1998 ondertekent appellante bij de NHSVZ volgende verklaring: "Ik ondergetekende M D P .................................. geboren op 6.2.'55 .................................................................. - datum van huwelijk 13.1.'90 ...................................................(*) - echgteno(o)t(
- e)van P B ....................................(*) - weduw(naar)e van ................................................................(*) - student vanaf 1993 (OKT) tot HEDEN .................................... (*) wens het voordeel te genieten van de bepalingen voorzien bij artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38. Ik heb tevens kennis genomen van de gevolgen die uit die beslissing voortvloeien. Bovendien verbind ik mij ertoe U in kennis te stellen van ieder wijziging in de activiteit van mijn echtgeno(o)t(e), mijn burgerlijke staat (*) - hoedanigheid van student of gelijkgestelde (*)" (stuk 6 geïntimeerde). 7. Bij gebreke aan minnelijke betaling der sociale bijdragen laat geïntimeerde appellante dagvaarden bij exploot d.d. 30 juni 1998 van het ambt van gerechtsdeurwaarder J. H met standplaats te Antwerpen voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van een bedrag van 115.376 BEF meer een verhoging van 3% per kwartaal op de som van 78.696 BEF (bijdragen sociaal statuut) vanaf 1 april 1998 tot het einde van het kwartaal voorafgaand aan datgene in de loop waarvan de dagvaarding werd betekend, meer de gerechtelijke interesten op 115.376 BEF en op de voormelde verhogingen, meer de kosten van het geding uit hoofde van achterstallige sociale bijdragen zelfstandigen statuut over de jaren 1992, 1993, 1995 en 1996. 8. Bij vonnis dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen conform artikel 751 Ger. W. d.d. 21 februari 2000 veroordeelt de arbeidsrechtbank te Antwerpen appellante te betalen aan geïntimeerde de som van 115.376 BEF meer de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding. 9. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof d.d. 19 juni 2000 stelt appellante hoger beroep in tegen voormeld vonnis. II. In rechte 1. Appellante betwist de vordering van geïntimeerde stellende dat zij niet voldoet aan de criteria van artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, meer bepaald zou geïntimeerde niet aantonen dat zij op een continue basis prestaties als zelfstandige heeft verricht; in de periode 1992 tot 1996 waarvoor de sociale bijdragen worden gevorderd was zij studente en huisvrouw. De inkomsten welke zij genoot zijn voor het grootste gedeelte auteursrechten die voortvloeiden uit de twee uiterst beperkte opdrachtjes die zij voor haar voormalige werkgever, de BRTN, uitvoerde met name het schrijven van dialoogtekstjes voor de schoolradio waarvoor zij in 1992 een remuneratie ontving op jaarbasis van 12.000 BEF en in 1993 van 40.000 BEF, zo betoogt zij. Tenslotte voert zij aan dat zowel uit het door haar voorgelegde attest van de auteursvereniging SABAM als uit de meegedeelde bestuurlijke inlichtingen vanwege de Administratie van Inkomensfiscaliteit blijkt dat zij auteursrechten genoot van 1992 tot en met 2000 met uitzondering voor het jaar 1994 en 1998, zodat het vaststaat dat geïntimeerde uitsluitend bijdragen vordert op basis van de inkomsten genoten vanwege de BRTN, waardoor het debat omtrent het verschuldigd zijn van bijdragen uit zelfstandige arbeid uit hoofde van auteursrechten zou vervallen. 2. Het hof is het niet eens met de argumentatie van appellante. Artikel 3, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hierna KB nr. 38 genoemd, definieert een zelfstandige als "ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of een statuut is verbonden". Geïntimeerde, die de betaling van sociale zekerheidsbijdragen vordert, dient het bestaan van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofde van appellante in principe te bewijzen (Cass. 25 januari 1982, T.S.R. 1983, 85). Geïntimeerde kan zich hierbij bedienen van het fiscaal vermoeden dat teruggevonden kan worden in artikel 3 § 1 van het KB nr. 38 van 27 juli 1967. Volgens dit artikel wordt geacht, tot bewijs van het tegendeel, zich in de voorwaarden van onderwerping aan het statuut der zelfstandigen te bevinden, ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent, die inkomsten kan opleveren bedoeld in artikel 23, § 1, 1° of 2°, of in artikel 30, 2° of 3° van het wetboek van Inkomstenbelastingen 1992. Het belang van dit fiscaal vermoeden ligt bij de omkering van de bewijslast. Is het fiscaal vermoeden aanwezig dan moet de betrokkene zelf bewijzen dat de inkomsten niet voortvloeien uit een zelfstandige activiteit. Het fiscaal vermoeden levert een vermoeden van de uitoefening van een zelfstandige activiteit op tot het bewijs van het tegendeel en kan enkel worden verlaten van zodra het door de sociologische werkelijkheid wordt tegengesproken. In casu blijkt uit een aanvullend onderzoek van het openbaar ministerie bij de FOD-financiën dat appellante, na aftrek van kosten, hierna volgende nettowinsten als zelfstandige heeft genoten in de periode 1 januari 1992 tot en met 31 december 1996: * 1992: 3.127,77 EUR * 1993: 3.307,42 EUR * 1994: 0 (voor dit jaar worden geen bijdragen gevorderd) * 1995: 2.905,02 EUR * 1996: 636,69 EUR De genoten inkomsten spruiten voor het grootste gedeelte voort uit auteursrechten uitbetaald door SABAM. Alleen in 1992 en 1993 kreeg appellante boven op haar auteursrechten respectievelijk 247,89 EUR en 991,57 EUR uitgekeerd voor opdrachten uitgevoerd voor rekening van haar voormalige werkgever, de BRTN. Ten onrechte betoogt appellante dus in haar aanvullende conclusies in hoger beroep ontvangen ter griffie van het hof d.d. 10 december 2002 dat "de Rijksdienst moet aantonen dat de betrokkene op een continue basis prestaties als zelfstandige heeft verricht". Door het hoger vermeld fiscaal vermoeden is het integendeel appellante zelf die moet aantonen dat zij dit niet gedaan heeft, waarin zij, naar oordeel van het hof, niet slaagt door enkel te verklaren dat zij student en huisvrouw was in de betreffende periode. Immers afgezien van het feit dat de hoedanigheid van student of huisvrouw de uitoefening van een zelfstandige activiteit niet uitsluit, wordt het standpunt van appellante tegengesproken door de brief van 12 september 1997 uitgaande van haar echtgenoot en gericht aan de NH, waaruit blijkt dat appellante ereloon heeft ontvangen voor schrijf- en regieopdrachten en auteursrechten genoot wanneer haar programma's werden heruitgezonden. Verder benadrukt de echtgenoot van appellante nog in zijn brief dat de bijverdienste van appellante een"welkome hulp" was bij zijn ook al niet zo denderend loon. Doch er is niet alleen de brief van haar echtgenoot maar ook de door haar ondertekende verklaring van 26 januari 1998 waarbij zij aan de verzekeringskas duidelijk maakte aanspraak te willen maken op het voordeel van de bepalingen voorzien bij artikel 37 § 1 van het KB van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het KB nr. 38 (gelijkstelling art. 12 § 2 - KB nr. 38). Bovendien geldt voor appellante niet alleen het fiscaal vermoeden maar tevens artikel 5 van het KB nr. 38 waaruit blijkt dat voor personen die auteursrechten genieten, zoals in casu appellante, alleen tot niet-onderworpenheid aan het KB nr. 38 wordt besloten indien deze personen tevens genieten van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen (Cass. 2 oktober 1989, R.W. 1989, 987). Appellante bewijst niet zulk gelijkwaardig statuut te bezitten; het "statuut" van student en huisvrouw dat door haar wordt ingeroepen komt hiervoor niet in aanmerking nu hierdoor geen rechten op het vlak van rust- en overlevingspensioen, de familiale uitkeringen en ziekte- en invaliditeitsuitkeringen worden toegekend. Voor de uitsluiting uit het sociaal statuut der zelfstandigen is voor personen die auteursrechten genieten een sociaal statuut vereist wegens persoonlijke beroepsarbeid en volstaat een sociaal statuut op grond van de beroepsactiviteit van de echtgenoot niet (Cass. 26 mei 2003, R.W. 2005-2006, p. 222), m.a.w. het genieten van afgeleide rechten van de activiteit van de echtgenoot is onvoldoende. Dit laatste geeft eventueel wel aanleiding tot het aanrekenen van een verminderde bijdrage (toepassing art. 37). In casu geniet appellante over de ganse periode van aansluiting reeds van de toepassing van artikel 37 doch haar referte-inkomsten zijn te hoog om vrijgesteld te worden van bijdragen. Rekening houdend met het voorgaande bestaat er voor appellante geen aanleiding om het KB nr. 38 op haar niet van toepassing te verklaren. Tevens toont appellante niet aan dat de door haar ontvangen auteursrechten niet in het kader van de uitoefening van een beroepsactiviteit werden genoten. Voor het hof lijkt het onwaarschijnlijk dat deze auteursrechten, zoals appellante beweert, enkel en alleen zouden voortvloeien uit de activiteiten waarvoor ze in 1992 en 1993 bescheiden erelonen heeft genoten van de BRTN nu deze auteursrechten cijfermatig een veelvoud uitmaken van deze erelonen. Overigens heeft het weinig belang voor de oplossing van het geschil wat precies de oorzaak is van de auteursrechten. De essentie is dat ze bestaan en dat ze niet onaanzienlijk zijn, m.n. in vier jaar meer dan 11.000 EUR, wat als substantieel kan beschouwd worden. Verder stemmen de inlichtingen, zoals ingewonnen door het openbaar ministerie, volledig overeen met de gegevens van het onderzoeksverslag van geïntimeerde en hieruit blijkt dat de bijdrage wel degelijk op de juiste inkomsten werden berekend. Appellante kan in genen dele gevolgd worden waar ze stelt dat geïntimeerde enkel bijdragen zou berekend hebben op de inkomsten van de BRTN waar het toch duidelijk is dat de bijdragen berekend werden op het globale netto-inkomen. Dit is immers de kern van de discussie: auteursrechten komen wel in aanmerking wanneer men geen ander gelijkwaardig statuut heeft. Tenslotte kan het hof zich volledig aansluiten bij hetgeen de advocaat-generaal inzake huidig geschil heeft overwogen in zijn schriftelijk advies dat hij neerlegde ter griffie van het hof op 28 maart 2008, overwegingen die luiden als volgt: "Dat genieters van auteursrechten aparte aandacht krijgen in de reglementering inzake het sociaal statuut der zelfstandigen is niet verwonderlijk. Het behoort immers tot de specifieke eigenschap van auteursrechten dat ze niet noodzakelijk rechtstreeks voortspruiten uit een actuele beroepsactiviteit. Auteursrechten zijn de patrimoniale rechten van de auteur die verbonden zijn aan de exploitatie van zijn werk door derden. Vaak komt die exploitatie er nog lange tijd na de creatie en lange tijd na de professionele activiteit die daarvoor nodig was. Het auteursrecht van appellante houdt verband met het reproductierecht dat elke exploitatievorm beheerst die verband houdt met het materieel verveelvoudigen van haar oorspronkelijke creatie. Dit reproductierecht behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de auteur en dit geldt voor alles wat gereproduceerd wordt van de originele creatie van appellante, zelfs als die ingrijpend wordt gewijzigd. Kortom, het kan moeilijk ontkend worden dat de creaties van appellante publiek werden vertoond en dat zij daarvan niet onbelangrijke inkomsten heeft genoten die onder de toepassingssfeer vallen van de auteurswetgeving en dienvolgens aanleiding geven tot onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen in de reglementering waarvan de genieters van auteursrechten apart worden benaderd". Uit al hetgeen voorafgaat dient besloten dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde gegrond is en het bestreden vonnis dient bevestigd. O P D I E G R O N D E N, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gezien het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer PVDB, advocaat-generaal, neergelegd ter griffie van het arbeidshof d.d. 28 maart 2008, waaromtrent partijen niet meer repliceerden. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 21 februari 2000. Verwijst appellante in de kosten van de procedure in hoger beroep. Vereffent deze zowel aan de zijde van appellante als aan de zijde van geïntimeerde conform artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007, tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. (i.w. 01.01.2008) op 650 EUR zijnde het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding hoger beroep voor in geld waardeerbare vorderingen gelegen tussen 2.500 EUR en 5.000 EUR. Aldus gewezen door: de heer GV, kamervoorzitter, de heer DT, raadsheer, de heer PS, raadsheer in sociale zaken, zelfstandige, bijgestaan door mevrouw LK, e.a. adjunct-griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in buitengewone openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080520.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div