← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080606.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080606.5 Rolnummer: 2006-0651 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-20 Raadplegingen: 142 - laatst gezien 2026-07-02 17:36 Fiches 1 - 2 Uit artikel 94 bis van het KB van 19 december 1967 blijkt dat de kwartalen die het voorwerp zijn van een vrijstelling van bijdragen, niet meer het bewijs vormen van de uitoefening van een beroepsbezigheid als zelfstandige met het oog op de vaststelling van de rechten op rustpensioen, het overlevingspensioen of het pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot. De uitspraak in beroep in een fiscaal geschil is zonder enige invloed op de toekenning van pensioenrechten aangezien het arrest geenszins stelt dat er in de betrokken periode geen inkomsten waren en de fiscale aanslag enkel werd vernietigd omdat hij buiten de wettelijke termijn werd gevestigd en er geen inkomstengegevens meer voorhanden waren. Het opleggen van verplichte sociale zekerheidsbijdragen is in overeenstemming met artikel 1 van het Aanvullend Protocol, op voorwaarde dat de maatregel een wettelijke grondslag kent een proportioneel is. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Verplichtingen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - sociaal statuut - de verplichtingen - betaling van bijdragen - vrijstelling van bijdragen - invloed arrest in fiscaal geschil - geen schending aanvullend protocol van 20 maart 1952 - VIII A Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 11, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Koninklijk Besluit - 19-12-1967 - 44, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967121910 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Andere SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - rust- en overlevingspensioen - basisvoorwaarden tot toekenning van het rustpensioen - het overlevingspensioen - de aanpassingsvergoeding - vrijstelling van bijdragen - invloed arrest in fiscaal geschil - geen schending aanvullend protocol van 20 maart 1952 - VIII B Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 72 - 10-11-1967 - 3, § 2 bis - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Koninklijk Besluit - 19-12-1967 - 94 bis - 01 ELI link Pub nr 1967121910 Nota: Gerangschikt onder VIII A - artikel 11, § 3 en onder VIII B - artikel 3, § 2 bis. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060651 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: AG, wonende te x, x, appellant, verschijnende bij mr. S. GIBENS, advocaat te x, tegen : RSVZ, met zetel gevestigd te x, x geïntimeerde, verschijnende bij mr. R. VERMEIREN, advocaat te x. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het hiernavolgende arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 1 december 2006, 4 mei 2007, 1 februari 2008 en van 7 maart 2008; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 6 oktober 2006 (A.R. 86992); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 7 november 2006; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het hof op 13 februari 2007; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van het hof op 3 mei 2007; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het hof op 24 mei 2007; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van het hof op 29 mei 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 7 maart 2008 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek; - de schriftelijke repliek van appellant op het advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie van dit hof op 9 april
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit 7 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 1 februari
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 7 maart 2008 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 7 november 2006 tekende de heer AG hoger beroep aan tegen het vonnis gewezen door de arbeidsrechtbank te Mechelen op 6 oktober 2006 (A.R. nr. 86992). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 12 oktober
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer AG was tijdens zijn beroepsloopbaan werkzaam als bediende en als zelfstandige. Hij diende een pensioenaanvraag in op 27 mei
  7. Gelet op zijn gemengde beroepsloopbaan volgde er twee beslissingen: - enerzijds een beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen van 2 oktober 1995 waarbij een rustpensioen in het stelsel der werknemers werd toegekend en betaalbaar gesteld ten belope van jaarlijks 375.000 BEF (bedrag alleenstaande) vanaf 1 januari 1996 op basis van een beroepsloopbaan van 42/45; - anderzijds een beslissing van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (hierna afgekort RSVZ) van 14 juli 1995 waarbij het jaarlijks bedrag van het rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel der zelfstandigen vastgesteld werd op 4.547 BEF op 1 juli 1994 op basis van een loopbaanbreuk als zelfstandige van 1,25/
  8. Met een aangetekend schrijven van 15 mei 2003 heeft de heer AG bij het RSVZ een aanvraag ingediend tot herziening van het rustpensioen ten laste van het pensioenstelsel van de zelfstandigen op grond van volgende motivering (stuk B9a administratief dossier: aangetekend schrijven van AG aan RSVZ van 15 mei 2003 met in bijlage kopie arrest hof van beroep te Antwerpen van 22 oktober 2002): "Op 14/05/2003 heb ik bij de "Dienst Bevolking" van de stad Mechelen een aanvraag ingeleid voor herziening van mijn pensioen. In 1984 en 1985 heb ik als werkzoekende werkloze, met behoud van al mijn rechten van werkzoekende werkloze, de activiteit van zelfstandige uitgeoefend na overname van een bestaand kantoor in Dendermonde voor 3.200.000 BEF. Na vruchteloos pogingen ondernomen te hebben om de nadien ontdekte onregelmatigheden van de overlater te herstellen, heb ik mijn zelfstandige activiteit stopgezet en heb ik mijn status van werkzoekende werkloze hernomen. Achteraf werd er door de Administratie van Belastingen te Mechelen supplementaire aanslagen m.b.t. mijn inkomen gevestigd. Ten gevolge daarvan heeft de Kas voor Zelfstandigen waarbij ik aangesloten was een supplementaire vordering ingesteld. Vordering die ik niet kon betalen en waarvoor ik destijds vrijstelling gekregen heb. Op 22 oktober 2002 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de complementaire aanslag van het aanslagjaar 1985 (inkomsten 1984) vernietigd. De vernietiging van de aanslag m.b.t. aanslagjaar 1986 (inkomsten 1985) werden eerder vernietigd bij directoriale beslissing d.d. 3 juni
  9. Dientengevolge verzoek ik U beleefd het onrecht dat mij destijds aangedaan werd, lastens overmaking van onjuiste bedragen van inkomsten uit de vernoemde zelfstandige activiteit in 1984 en 1985, te herstellen. In concreto de jaren 1984 en 1985 te laten gelden voor de berekening van mijn pensioen en de daaruit voortvloeiende regularisatie door te voeren." Met (ongedateerde) beslissing van het RSVZ (stuk A 13 administratief dossier: kopie beslissing met ingang 1/6/03 verzonden met beslissing van 19/11/04) werd de herzieningsaanvraag - in toepassing van het artikel 151 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen - ontvankelijk doch ongegrond verklaard op grond van de motivering dat de nieuwe pensioenaanvraag van 14 mei 2003 niet gestaafd werd met nieuwe bewijselementen die voordien nog niet werden voorgelegd. Bij beslissing van 19 november 2004 (stuk A 15 administratief dossier: beslissing rustpensioen met ingang 1/5/96 van 19/11/04) werd aan AG, ingevolge de wijziging op 1 mei 1996 van zijn toestand ten opzichte van de betalingsvoorwaarden van het pensioen, een rustpensioen ten belope van 208,49 euro per jaar aan indexcijfer 99,14 toegekend en betaalbaar gesteld vanaf 1 mei 1996 (ambtshalve beslissing). Met een verzoekschrift van 16 februari 2005, per aangetekende post ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 17 februari 2005, tekende de heer AG beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van het RSVZ van 19 november
  10. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Mechelen van 6 oktober 2006 werd de vordering van AG ontvankelijk doch ongegrond verklaard, de beslissing van het RSVZ van 19 november 2004 bevestigd en het RSVZ veroordeeld tot de betaling van de kosten van het geding. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 7 november 2006, tekende de heer AG hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.
  11. Eisen in hoger beroep AG (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en de bestreden beslissing van het RSVZ van 19 november 2004 te vernietigen; - opnieuw recht doende, te zeggen voor recht dat hij van 1 maart 1983 tot en met 31 maart 1986 een beroepsbezigheid als zelfstandige bewijst in de zin van artikel 15, §1, 3° van het K.B. nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en het overlevingspensioen der zelfstandigen en van artikel 13 K.B. van 22 december 1967 houdende het algemeen reglement betreffende het rust- en het overlevingspensioen der zelfstandigen; - in ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat de beslissing van het RSVZ een inbreuk maakt op het ongestoord genot van eigendom, zoals beschermd door artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; - dienvolgens te zeggen voor recht dat hij voor de periode vanaf het tweede kwartaal 1983 tot en met het eerste kwartaal van 1986 recht heeft op een rustpensioen als zelfstandige; - het RSVZ te veroordelen tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op 291,52 euro rechtsplegingsvergoeding. Het RSVZ vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
  12. Ten gronde Bij bestreden administratieve beslissing van 19 november 2004 werd aan appellant met ingang van 1 mei 1996 een rustpensioen als alleenstaande in het stelsel der zelfstandigen toegekend ten bedrage van 208,49 euro voor een bewezen beroepsloopbaan als zelfstandige van 1 januari 1971 tot 31 december
  13. Appellant vordert thans de periode van 1 april 1983 tot 31 maart 1986 eveneens in aanmerking te nemen voor de berekening van zijn pensioen als zelfstandige. Uit de notificatie inzake het pensioen als zelfstandige blijkt dat geïntimeerde voormelde periode niet in aanmerking heeft genomen voor de berekening van het rustpensioen als zelfstandige omdat voor deze periode een vrijstelling van regularisatiebijdragen gevraagd en toegestaan werd (stuk A 15 administratief dossier: beslissing rustpensioen met ingang van 01.05.1996 van 19.11.2004). Overeenkomstig artikel 15, §1, lid 1, 3° van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen wordt het bewijs van de beroepsbezigheid als zelfstandige vanaf 1968 geleverd door de betaling van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen gelden de bijdragen bedoeld in artikel 15, §1, 2° en 3° als een bewijs van de beroepsbezigheid als zelfstandige op voorwaarde dat ze betaald zijn in hoofdsom en toebehoren, en voorzover hun bedrag niet werd vastgesteld, ermee rekening houdend, hetzij dat de onderworpene benevens zijn activiteit als zelfstandige een andere beroepsbezigheid uitoefende of zich in een toestand bevond die daarmee kon worden gelijkgesteld, hetzij dat de onderworpene de normale pensioenleeftijd had bereikt of een vervroegd rustpensioen genoot. Uit de feitelijke gegevens van het administratief dossier blijkt dat appellant een zelfstandige activiteit in hoofdberoep heeft aangevat vanaf 1 april
  14. Overeenkomstig artikel 40, §1, 1° van het koninklijk besluit van 19 december 1967 betaalt de onderworpene in geval van begin van bezigheid in de zin van artikel 38, §1, 'voorlopige bijdragen'. Overeenkomstig artikel 41 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 worden de bijdragen geïnd op de voorlopige basis bedoeld in artikel 40 zolang er geen refertejaar is in de zin van artikel 11, §2 van het koninklijk besluit nr.
  15. Het eerste van de refertejaren is datgene dat 4 kwartalen onderwerping bevat sedert het begin van activiteit in de zin van artikel 38, §
  16. De voorlopige bijdragen met betrekking tot het eerste kalenderjaar dat 4 kwartalen onderwerping bevat en deze met betrekking tot de kwartalen die er desgevallend aan voorafgaan, worden geregulariseerd op basis van de bedrijfsinkomsten van dat eerste kalenderjaar onderwerping. De voorlopige bijdragen met betrekking tot de volgende kalenderjaren worden geregulariseerd op basis van de bedrijfsinkomsten van respectievelijk het tweede en het derde kalenderjaar onderwerping. Uit de feitelijke gegevens van het administratief dossier blijkt dat appellant voor de periode van 1 april 1983 tot en met 31 maart 1986 in hoedanigheid van zelfstandige in hoofdberoep de voorlopige bijdragen betaald heeft (stuk D 3 administratief dossier: verzoek opheffing verjaringstermijn regularisatie van 23/8/94). Met een herzieningsbericht van 30 januari 1987 uitgaande van het sociaal verzekeringsfonds 'De Zelfstandige Arbeiders van België' werd appellant verzocht een bedrag van 2.007,54 euro [80.984 BEF] te betalen ten titel van regularisatiebijdragen over de periode tweede kwartaal 1983 tot en met eerste kwartaal 1986 (stuk 2 bundel appellant: herzieningsbericht van 30/01/87). Deze regularisatiebijdragen werden op grond van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 en het (toenmalig) artikel 41 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 berekend op basis van de beroepsinkomsten van 1984 (aanslagjaar 1985) zoals meegedeeld door de Administratie der Directe Belastingen, zijnde 13.039,19 euro [526.000 BEF]. Appellant heeft bij de Commissie voor vrijstelling van bijdragen een verzoek ingediend tot vrijstelling van betaling van regularisatiebijdragen. Bij beslissing van 2 juni 1988 van het Ministerie van Middenstand - Commissie vrijstelling van bijdragen - werd de vrijstelling van de betaling van regularisatiebijdragen toegekend voor het tweede kwartaal 1983 tot en met het eerste kwartaal 1986 (stukken D 3 en D 4 administratief dossier: verzoek opheffing verjaringstermijn regularisatie van 23/8/94 en toekenning vrijstelling betaling regularisatiebijdragen van 28/6/1988). Met schrijven van 12 augustus 1994 gericht aan het sociaal verzekeringsfonds HDP verzocht appellant alsnog deze vrijgestelde regularisatiebijdragen te betalen teneinde zijn rechten in het sociaal statuut der zelfstandigen te vrijwaren. Op 23 augustus 1994 verzocht het sociaal verzekeringsfonds ZAB aan het Ministerie van Middenstand om appellant de toestemming te verlenen de betreffende regularisatiebijdragen met inbegrip van de verhogingen te betalen (stuk D 3 administratief dossier: verzoek opheffing verjaringstermijn regularisatie van 23/8/94). Met schrijven van 8 september 1994 van het Ministerie van Middenstand werd aan het sociaal verzekeringsfonds ZAB geen goedkeuring verleend om de betaling van regularisatiebijdragen nog te aanvaarden voor de periode van 1 april 1983 tot 31 maart 1986 (stuk B 11b administratief dossier: beslissing Ministerie van Middenstand van 8/9/04). Vermits aan appellant een vrijstelling van de regularisatiebijdragen voor de periode van 1 april 1983 tot en met 31 maart 1986 werd toegekend voldoet hij dienvolgens niet aan artikel 13 van het koninklijk besluit van 22 december 1976 daar het toebehoren van de bijdragen (= regularisatiebijdragen) niet betaald zijn. Uit artikel 94 bis van het koninklijk besluit van 19 december 1967 blijkt dat de kwartalen vanaf 1 januari 1981, die het voorwerp zijn van een vrijstelling van bijdragen, niet meer het bewijs vormen van de uitoefening van een beroepsbezigheid als zelfstandige met het oog op de vaststelling van de rechten op rustpensioen, het overlevingspensioen of het pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot. Appellant, onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 22 oktober 2002, houdt voor dat hij tijdens het refertejaar 1984 geen groter inkomen verwierf dan het fictief inkomen, zodat er geen regularisatiebijdragen verschuldigd waren en de 'voorlopige' bijdragen alsdan 'definitieve' bijdragen worden. Samen met het openbaar ministerie, zoals uiteengezet in het schriftelijk advies gelezen ter zitting van 7 maart 2008 (stuk 15 dossier rechtspleging arbeidshof), is het arbeidshof van oordeel dat het voorgebrachte arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 22 oktober 2002 zonder enige invloed is op de toekenning van pensioenrechten aan appellant aangezien het arrest geenszins stelt dat er in de betrokken periode geen inkomsten waren; het arrest doet alleen de aanslag teniet omdat hij buiten de wettelijke termijn werd gevestigd en er geen inkomstengegevens meer voorhanden waren. Overeenkomstig artikel 41, §5 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 wordt voor de toepassing van §2, 1° onder 'bedrijfsinkomsten' verstaan: het bedrag meegedeeld door de administratie der directe belastingen overeenkomstig artikel 11, §2 van het koninklijk besluit nr.
  17. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 14 januari 2002 geoordeeld dat de beroepsinkomsten die voor de berekening van de bijdragen in aanmerking moeten genomen worden de inkomsten zijn die de administratie der directe belastingen heeft vastgesteld of, bij betwisting, die de overheid of het gerecht die kennisnemen van het belastingberoep, bij het einde van het geschil vastleggen (Cass., 14 januari 2002, S010009F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020114.6). Ten deze werd in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 oktober 2002 geen inkomsten vastgelegd; de aanslag werd alleen vernietigd wegens prescriptie door rechtsverval. Bij afwezigheid van andere gegevens over de inkomsten van appellant valt men terug op de gegevens die bekend waren op het ogenblik dat de regularisatiebijdragen werden opgevorderd. In verband met de door appellant in ondergeschikte orde ingeroepen inbreuk op het ongestoord genot van eigendom onderschrijft het arbeidshof volledig volgende overwegingen van het openbaar ministerie: "De administratieve beslissing van 19 november 2004 is volledig in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Appellant kan maar aanspraak maken op een rustpensioen als zelfstandige met betrekking tot de jaren waarin hij een beroepsbezigheid als zelfstandige bewijst. Het rustpensioen wordt immers berekend in functie van de loopbaan en het bewijs van de loopbaan gebeurt voor de betrokken periode door aan te tonen dat de verschuldigde bijdragen integraal, d.w.z. in hoofdsom en toebehoren werd betaald, quod non in casu. Het toekennen van een hoger pensioen aan appellant dan datgene waar hij krachtens de wettelijke reglementering aanspraak kan op maken is in strijd met de openbare orde want hierdoor worden gelden afgewend van hun wettelijke bestemming en aan de gemeenschap van gerechtigden onttrokken, hetgeen de werking van de openbare dienst (de RSVZ) in het gedrang brengt. De toekenningsvoorwaarden van de pensioenrechten zijn de grenzen die door de overheid bij de uitoefening van deze rechten worden getrokken en vormen als het ware de organisatie van deze rechten zelf, die uit haar aard restrictief is (Gosseries, Ph., noot bij Arbh. Luik, 20 februari 1990, 1982-1983; Arbh. Antwerpen, 20 november 1998, A.R. nr. 97/787). Van enige schending van artikel 1 van het aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is dan ook geen sprake. De Europese Commissie stelt dat de tweede § van artikel 1 van het aanvullend Protocol uitdrukkelijk de staat het recht voorbehoudt om wetten op te leggen die noodzakelijk zijn om de betaling van belastingen en bijdragen te waarborgen (KAPUY, K., PIETERS, D., SCHOUKENS, P. en VAN LEUFFEL, L., "Het EVRM en de sociale zekerheid", in Themis, socialezekerheidsrecht, vormingsonderdeel 45, academiejaar 2007-2008, die keure, Brugge, pag., 59.). Om die reden is het opleggen van verplichte sociale zekerheidsbijdragen in overeenstemming met artikel 1 van het aanvullend Protocol, op voorwaarde dat de maatregel een wettelijke grondslag kent en proportioneel is. De bijdragen moeten dus evenredig zijn met het inkomensniveau. Artikel 1 van het aanvullend Protocol creëert geen recht op betaling van een sociale zekerheidsuitkering van om het even welke aard. Als in een staat een wetgeving van kracht is die de betaling van sociale zekerheidsuitkeringen voorziet dan creëert deze wetgeving wel een eigendomsbelang dat ressorteert onder de toepassing van artikel 1 van het aanvullend Protocol, maar op voorwaarde dat de persoon voldoet aan alle wettelijke vereisten. Dit is in casu niet het geval." Samenvattend besluit het arbeidshof dat voor de periode van 1 april 1983 tot 31 maart 1986 niet voldaan is aan de vereisten van artikel 15, §1, lid 1, 3° van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 en artikel 13 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 zodat appellant voor deze periode geen aanspraak kan maken op een rustpensioen als zelfstandige. Het bestreden vonnis heeft dienvolgens terecht de bestreden administratieve beslissing van 19 november 2004 bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijk advies, gelezen ter openbare terechtzitting van 7 maart
  18. Appellant heeft op 9 april 2008 schriftelijk gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 6 oktober
  19. Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van appellant op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van geïntimeerde worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zes juni tweeduizend en acht, waar aanwezig waren: mevrouw x, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer x, raadsheer, de heer x, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, mevrouw x, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080606.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020114.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.