id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080616.4 Rolnummer: 2007-0481 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-31 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 17:39 Fiche 1 Het feit dat de kandidaat-personeelsafgevaardigde de vereisten van verkiesbaarheid niet vervulde op de dag van de verkiezing, kan door de werkgever ook nog na de verkiezingsprocedure worden ingeroepen, wanneer de werknemer werd ontslagen zonder naleving van de bij artikel 2 tot 11 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden voorziene voorwaarden en procedures. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Andere Vrije woorden: voorwaarden tot verkiesbaarheid - verkiesbaarheidsvereisten - mogelijkheid om deze in te roepen na verkiezingsprocedure Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 59 § 1, 3° - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Fiche 2 Wanneer, bij gebreke van voldoende verkozenen, geen Comité voor Preventie en Bescherming op het werk is opgericht, is dit orgaan nooit samengesteld en kan de enige verkozen kandidaat in de zin van artikel 1 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden niet worden aangezien als 'personeelsafgevaardigde', nu deze het personeel niet vertegenwoordigde. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: inleidende bepalingen - toepassingsgebied - personeelsafgevaardigde - begrip - niet oprichting van comité Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 1 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: III AB - IV BIS C Gerangschikt onder III AB - artikel 59, §1, 3°, onder IV BIS C - artikel 1 en onder IV BIS C - artikel 2 (telkens met andere korte inhoud). Fiche 3 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 2 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 1, blz. 48-50 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070481 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT BVBA, met maatschappelijke zetel gevestigd te, appellante vertegenwoordigd door mr. S. V, advocaat te, tegen : X, wonende te, geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. M. L, advocaat te. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. DE STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING * het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 december 2006 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen, * het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 9 augustus 2007, * de beschikking van 23 oktober 2007 van dit arbeidshof overeenkomstig artikel 747 §2 van het Gerechtelijk Wetboek, * de conclusie van de heer X, waarbij incidenteel hoger beroep werd ingesteld, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 december 2007, * de conclusie van de BVBA, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 25 februari 2008, * de conclusie van de heer X, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 maart 2008, * de conclusie van de BVBA, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 15 april 2008, * de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 17 september 2007, 23 oktober 2007 en 19 mei
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met dagvaarding, betekend op 23 februari 2005 vorderde de heer X de veroordeling van de BVBA, hierna kortweg de BVBA genoemd, tot betaling van 101.793,28 EUR beschermingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met conclusie en tevens akte van gedinghervatting van 23 februari 2006 vorderde de BVBA akte te verlenen van de hervatting van het geding door de BVBA. De BVBA vorderde de vordering van de heer X ontvankelijk te verklaren doch af te wijzen als ongegrond en de heer X te veroordelen tot de kosten van het geding. Louter in ondergeschikte orde vorderde de BVBA de vordering van de heer X slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren ten belope van 85.550,15 EUR verbrekingsvergoeding. Met vonnis van 12 december 2006 werd de BVBA veroordeeld tot betaling van 85.550,15 EUR beschermingsvergoeding overeenkomstig de wet van 19 maart 1991, verminderd met de wettelijk sociale en fiscale inhoudingen in de mate dat deze verschuldigd zijn, inhoudingen waarvan de werkgever (zijnde de BVBA) moet doen blijken aan de hand van de door de wet voorgeschreven bescheiden, en vermeerderd met de wettelijke intrest sedert 25 februari 2004 en de gerechtelijke intrest vanaf de datum van de dagvaarding, deze intresten te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van voormeld brutobedrag. De BVBA werd verwezen in de kosten van het geding en er bestond geen aanleiding om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 18 maart 2008 vordert de heer X de hoofdvordering ontvankelijk te verklaren doch af te wijzen als ongegrond. In ondergeschikte orde vordert de heer X volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: " Schenden de art. 2,§2 en 2,§3 van de Wet d.d. 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden de art. 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat een werknemer die niet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldeed en toch kandidaat was ten tijde van de sociale verkiezingen en niet verkozen werd door het annuleren van deze verkiezingen geen bescherming geniet (art. 2,§3 van de Wet d.d. 19 maart 1991), terwijl diezelfde werknemer die eveneens niet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldeed en ook kandidaat was ten tijde van de sociale verkiezingen maar wel verkozen werd, wel bescherming geniet (art. 2,§2 van de Wet d.d. 19 maart 1991)?" De heer X vordert het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens de BVBA te veroordelen tot betaling van 161.638,45 EUR beschermingsvergoeding vermeerderd met de wettelijke intresten sedert 25 februari 2004 en de gerechtelijke intresten. De heer X vordert ten slotte de BVBA te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 15 april 2008 vordert de BVBA het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer X ongegrond te verklaren, minstens deze te verminderen tot het door de eerste rechter toegekende bedrag. De BVBA vordert het incidenteel hoger beroep van de heer X ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. De BVBA vordert tevens de heer X te veroordelen tot de kosten van beide instanties. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat beide ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer X trad op 1 januari 2000 in dienst van de NV, rechtsvoorganger van de BVBA. Hij werd aangeworven als "divisiemanager training" waarvan de taken bestonden in het leiding geven aan de afdeling Training. De overeenkomst voorzag dat voor wat betreft de anciënniteit de startdatum van 2 juli 1995 als bestuurder van de NV telde. (stuk 1 van de BVBA) Bij de sociale verkiezingen van 2000 deelden de NV en de NV op 13 januari 2000 hun beslissing mee dat zij samen één technische bedrijfseenheid vormden en dat sociale verkiezingen zouden georganiseerd worden voor de samenstelling van een Comité voor Preventie en Bescherming op het werk. Op 17 februari 2000 werden de werknemers en de vakorganisaties ingelicht van de beslissing om op 17 mei 2000 sociale verkiezingen te houden. De laatste dag voor het indienen van de kandidatenlijsten was 17 maart
- Op 17 maart 2000 diende enkel het ACLVB een kandidatenlijst in waarbij alleen de heer X voorgedragen werd als kandidaat. Op 3 mei 2000 besliste het kiesbureau de kiesprocedure stop te zetten omdat slechts één kandidaat was voorgedragen. Het kiesbureau besliste dat geen Comité voor Preventie en Bescherming op het werk werd ingesteld omdat het aantal kandidaat-personeelsleden niet minstens twee bedroeg en er derhalve geen Comité kon worden ingesteld. Op 25 februari 2004 beëindigde de BVBA onmiddellijk de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden, met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 11 maanden loon. Op 23 februari 2005 dagvaardde de heer X de BVBA voor de arbeidsrechtbank te Mechelen in betaling van hetgeen hiervoor sub II is weergegeven. Met vonnis van 12 december 2006 verklaarden de eerste rechters de eis van de heer X deels gegrond. Tegen dit vonnis tekende de BVBA op 9 augustus 2007 hoger beroep aan. Op zijn beurt tekende de heer X met conclusie van 18 december 2007 beperkt incidenteel beroep aan.
- De beoordeling 2.
- Bescherming van de kandidaat personeelsafgevaardigde die niet voldoet aan de verkiesbaarheidvereisten wanneer geen sociale verkiezingen werden gehouden? De heer X is van oordeel dat hij aanspraak kan maken op de betaling van een beschermingsvergoeding zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden van 19 maart
- Hierbij gaat hij uit van de premisse dat, vermits hij kandidaat was bij de sociale verkiezingen van 2000, en hij zonder dat de bij de artikelen 2 tot 11 bedoelde voorwaarden en procedures werden nageleefd, op 25 februari 2004 werd ontslagen, aanspraak kan maken op de in artikel 16 van voormelde wet voorziene vergoeding van twee jaar loon. In deze wordt niet betwist dat de heer X kandidaat personeelsafgevaardigde was voor het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk voor de sociale verkiezingen van 2000, die zouden gehouden worden op 17 mei
- Evenmin wordt betwist dat die verkiezingen geen doorgang hebben gevonden, en dat de kiesprocedure op initiatief van het kiesbureau werd stopgezet omdat er maar één kandidaat voor dit orgaan voorhanden was. De BVBA op haar beurt voert aan dat de heer X geen aanspraak kan maken op de betaling van de door hem gevorderde beschermingsvergoeding, omdat hij niet voldeed aan alle vereisten voorzien in artikel 2, §3, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, meer bepaald omdat hij als kandidaat personeelsafgevaardigde niet voldeed aan de vereisten van verkiesbaarheid zoals bedoeld in artikel 59 van de Welzijnswet. Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de heer X niet kan beschouwd worden als "personeelsafgevaardigde" in de zin van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, nu volgens artikel 1 voor de toepassing van die wet onder personeelsafgevaardigde wordt verstaan de gewone en plaatsvervangende leden die het personeel in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen vertegenwoordigen. In deze werd bij gebreke van voldoende verkozenen geen Comité voor Preventie en Bescherming op het werk opgericht, zodat dit orgaan nooit is samengesteld en de heer X, ondanks het feit dat hij verkozen was, het personeel niet vertegenwoordigde. Verder is het volgende van belang. Volgens artikel 2, §3, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden genieten de kandidaat personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2, zo het hun eerste kandidatuur betreft. Krachtens artikel 59, §1, 3°, van de Welzijnswet (wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk), moeten de werknemers om als personeelsafgevaardigde bij de Comités verkiesbaar te zijn, op de datum van de verkiezingen aan de volgende voorwaarden voldoen: - ofwel minstens zes maanden ononderbroken tewerkgesteld zijn in de juridische entiteit waar de onderneming toe behoort of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door verschillende juridische entiteiten in de zin van artikel 50 - ofwel tewerkgesteld geweest zijn in een juridische entiteit waartoe de onderneming behoort of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door verschillende juridische entiteiten in de zin van artikel 50 in het jaar dat voorafgaat aan dit waarin de verkiezingen plaatsvinden, gedurende in totaal minstens negen maanden tijdens verscheidene periodes; voor de berekening van deze periode van negen maanden, wordt rekening gehouden met alle periodes gedurende welke de werknemer tewerkgesteld is geweest, hetzij krachtens een arbeids- of een leerovereenkomst, hetzij onder gelijkaardige voorwaarden als bedoeld in artikel 49, vierde lid. De heer X laat desbetreffend gelden dat hij wel degelijk aan deze vereiste voldeed, nu in zijn arbeidsovereenkomst zijn anciënniteit conventioneel werd bepaald vanaf 2 juli 1995, datum vanaf dewelke hij als werkend vennoot (zelfstandige) werkzaam was voor de NV te ... en vanaf 1 januari 2000 met een arbeidsovereenkomst in dezelfde technische bedrijfseenheid. Het arbeidshof kan die visie echter niet bijtreden, nu een tewerkstelling als werkend vennoot niet in aanmerking komt voor de beoordeling van de in artikel 59, §1, 3°, van de Welzijnswet bedoelde ononderbroken tewerkstelling. Het arbeidshof stelt vast dat de heer X inderdaad niet aan voormelde voorwaarde van verkiesbaarheid voldeed vermits zijn anciënniteit slechts begon te lopen vanaf 1 januari 2000, zodat hij op de datum waarop de verkiezingen waren voorzien, 17 mei 2000, niet aan de wettelijk vereiste anciënniteit van zes maanden voldeed. Verwijzend naar een arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni 1992 (A.C. 1991-92, 1016, advies proc.-gen. H. LENAERTS) voert de heer X echter aan dat de BVBA thans niet meer kan inroepen dat de heer X niet voldeed aan de vereiste van verkiesbaarheid omdat zij dit tijdens de procedure van de sociale verkiezingen nooit heeft ingeroepen. Het arbeidshof kan ook die visie niet delen. Vooreerst werd in voornoemd arrest geoordeeld dat de vordering waarbij de geldigheid van een kandidatuur wordt betwist, moet ingesteld worden binnen de termijn voorzien in artikel 37 van het KB van 18 oktober 1990 (thans het KB van 25 mei 1999 waarin een gelijkluidende bepaling is opgenomen). Die betwisting is evenwel niet aan de orde, vermits niet de geldigheid van de kandidatuur van de heer X wordt aangevochten, maar de vraag of hij, om aanspraak te kunnen maken op de bijzondere beschermingsvergoeding, aan de wettelijke vereisten terzake voldeed. Artikel 2, §3, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en artikel 59 van de Welzijnswet zijn daarover duidelijk. De kandidaat personeelsafgevaardigde moet op het tijdstip van de verkiezingen voldoen aan de voorwaarden van verkiesbaarheid. Of er de facto al dan niet verkiezingen worden gehouden doet daar naar het oordeel van het arbeidshof niets aan af. Bijgevolg moest de heer X, om te kunnen genieten van het voordeel van de bepalingen van artikel 2, §1, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, op het ogenblik waarop de verkiezingen zouden worden gehouden (in deze 17 mei 2000) voldoen aan (onder meer) de door artikel 59, §1, 3° van de Welzijnswet gestelde voorwaarde van verkiesbaarheid. Nu de heer X daaraan niet voldeed, vervult hij niet de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de door hem gevorderde beschermingsvergoeding. 2.
- Schending van het gelijkheidsbeginsel? De heer X voert verder aan dat de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden een ongelijke behandeling in het leven roept in de mate waarin kandidaat personeelsafgevaardigden op grond van artikel 2, §2, van de wet slechts beschermd zijn tegen ontslag wanneer zij voldoen aan de vereisten van verkiesbaarheid, terwijl verkozen personeelsafgevaardigden, op grond van artikel 2, §3, van diezelfde wet tegen ontslag beschermd zijn ongeacht of zij aan die voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen. Desbetreffend vraagt hij dat het arbeidshof volgende prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof: " Schenden de art. 2,§2 en 2,§3 van de Wet d.d. 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden de art. 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat een werknemer die niet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldeed en toch kandidaat was ten tijde van de sociale verkiezingen en niet verkozen werd door het annuleren van deze verkiezingen geen bescherming geniet (art. 2,§3 van de Wet d.d. 19 maart 1991), terwijl diezelfde werknemer die eveneens niet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldeed en ook kandidaat was ten tijde van de sociale verkiezingen maar wel verkozen werd, wel bescherming geniet (art. 2,§2 van de Wet d.d. 19 maart 1991)?" Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt. Terecht merkt de NV op dat de heer X van een onjuiste premisse vertrekt, door voorop te stellen dat de verkozen personeelsafgevaardigde die niet aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoet toch ontslagbescherming geniet. De werknemer die werd verkozen, maar op de datum van de verkiezingen niet voldeed aan de voorwaarden van verkiesbaarheid, geniet geen ontslagbescherming, zelfs wanneer tijdens de verkiezingsprocedure geen klacht werd geformuleerd. (MERGITS, B. en I. VAN PUYVELDE, De bescherming van de (kandidaat)- personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en comités voor preventie en bescherming op het werk, SD Worx, 1999, 15-16; D. VOTQUENNE en C. WANTIEZ, Beschermde werknemers. Tien jaar toepassing van de wet van 19 maart 1991, Larcier, 2001, 7-8) Verder gaat de heer X nog uit van de veronderstelling dat, wanneer verkiezingen zouden georganiseerd zijn, hij in ieder geval zou verkozen zijn en als personeelsafgevaardigde beschermd zou zijn tegen ontslag. Te dezen blijkt uit het proces-verbaal van het kiesbureau van 3 mei 2005 dat de heer X van rechtswege als enige kandidaat verkozen was, maar hij verliest echter uit het oog dat hij in die omstandigheden niet als personeelsafgevaardigde kon beschouwd worden en niet de bescherming genoot bedoeld in artikel 2, §2, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden (zie hiervoor sub 2.
- 6de alinea). Er bestaat geen aanleiding om de prejudiciële vraag te stellen. Het hoger beroep is gegrond. BESLISSING OP TEGENSPRAAK De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk. Het vonnis van 12 december 2006 van de arbeidsrechtbank te Mechelen wordt vernietigd. Het arbeidshof oordeelt opnieuw en verklaart de eis van de heer X ontvankelijk maar ongegrond. De heer X wordt veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen, die als volgt worden vereffend: voor de heer X begroot op - 133,24 EUR dagvaarding - 218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg - 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep voor de BVBA begroot op - 218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg - 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J.G., kamervoorzitter, de heer R.B., raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer H.V.R., raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A.H., adjunct-griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2008 door de heer J.G., raadsheer en in aanwezigheid van mevrouw A.H., adjunct-griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080616.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div