id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080624.18 Rolnummer: EV/23 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-01-26 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-02 17:43 Fiche Om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling mag de schuldenaar zijn onvermogen niet kennelijk bewerkt hebben. Het plegen van een misdrijf, hier valsheid in geschriften, die een oorzaak van de schuldenlast vormen, is onvoldoende om te besluiten dat de schuldenaar zijn onvermogen bewerkstellligd heeft. Het misdrijf werd immers niet gepleegd met het opzet zich onvermogend te maken. Nu de schuldenaar in het verzoekschrift inkomsten uit tewerkstelling niet heeft vermeld en evenmin heeft vermeld dat zij nog verschillende betalingen kon uitvoeren, heeft de schuldenaar zich om deze reden onvermogend gemaakt waardoor hij niet toelaatbaar wordt geacht. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Algemeen (collectieve schuldenregeling) Vrije woorden: Recht - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - collectieve schuldenregeling - toelaatbaarheid - zelf onvermogen bewerkstelligen - verzwijgen van inkomsten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/3 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 9, blz. 471-473 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen Collectieve schuldenregeling Beschikking van niet-toelaatbaarheid ZITTING IN RAADKAMER VAN VIERENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT Eenzijdig verzoekschrift tot hoger beroep, ingeschreven op het arbeidshof Antwerpen onder nummer EV/
- In de zaak: H. H., appellante, - tegen een beschikking van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 mei 2008, - aanwezig in raadkamer, bijgestaan door mr. E. M., advocaat te 2600 Berchem. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgende beschikking in raadkamer uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het inleidend eenzijdig verzoekschrift van mevrouw H. H. voor het bekomen van een collectieve schuldenregeling, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 9 mei 2008; - het afschrift van de beschikking van niet toelaatbaarheid gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 mei 2008 (nummer 08/408/B); - het eenzijdig verzoekschrift tot hoger beroep van mevrouw H. H. voor het bekomen van een collectieve schuldenregeling, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 30 mei 2008; - de oproeping van verzoekster en haar raadsman door de griffier bij gerechtsbrief van 30 mei 2008 overeenkomstig artikel 1028 van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van de bundel van de raadsman van appellante bestaande uit 5 genummerde stukken (neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 30 mei 2008), en verzoekster en haar raadsman gehoord in raadkamer op 10 juni
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een eenzijdig verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 30 mei 2008, tekende mevrouw H. H. hoger beroep aan tegen de beschikking uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen 16 mei
- Overeenkomstig artikel 1030 van het Gerechtelijk Wetboek werd de beschikking op 19 mei 2008 bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan mevrouw H. H. en bij gewone brief aan mr. E. M. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Eisen in hoger beroep Mevrouw H. H. vordert: - het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - de beschikking van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 mei 2008 te hervormen en de oorspronkelijke vordering tot het bekomen van een collectieve schuldenregeling toelaatbaar te verklaren.
- Beoordeling 4.
- Situering van het geschil Middels een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling, ingediend bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 9 mei 2008, verzocht appellante in toepassing van artikel 1675/2 e.v. Ger.W. om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling. Bij beschikking van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 mei 2008 werd het verzoek van appellante niet-toelaatbaar verklaard wegens het kennelijk bewerken van haar onvermogen. Appellante acht zich geriefd door de bestreden beschikking en laat gelden: - dat de strafbare feiten geenszins gepleegd werden met het oogmerk zich onvermogend te maken; - dat zij zich geenszins heeft trachten te onttrekken aan de schuldeisers door het stellen van bedrieglijke handelingen ten nadele van de schuldeisers of door elementen te onttrekken uit haar vermogen of door vermindering van activa; - dat zelfs wanneer de schuldenlast te wijten is aan de financiële gevolgen van de door de debiteur opzettelijk gepleegde misdrijven, dit niet steeds een grond oplevert tot uitsluiting zoals bedoeld in artikel 1675/2 Ger.W.; zij is trouwens reeds zwaar gestraft doordat alle gelden zijn verbeurdverklaard. 4.
- Beoordeling Appellante vordert toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling. In toepassing van artikel 1675/2 Gerechtelijk Wetboek kan elk natuurlijk persoon, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen. De procedure van collectieve schuldenregeling strekt ertoe de debiteur met een problematische schuldenlast uitzicht te bieden op financiële gezondmaking door middel van een aanzuiveringregeling. Deze aanzuivering-regeling moet, overeenkomstig artikel 1675/3 derde lid van het Gerechtelijk Wetboek, leiden tot een herstel van de financiële toestand van de schuldenaar, met name hem in staat stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hijzelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden (E. Dirix en P. Taelman, Collectieve schuldenregeling in de praktijk, Intersentia Rechtswetenschappen Antwerpen-Groningen, pag. 24, nr. 10). Uit het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 9 mei 2008, blijkt dat appellante voldoet aan de objectieve toelaatbaarheidsvoorwaarden tot de collectieve schuldenregeling: appellante is een natuurlijk persoon die op het ogenblik van het indienen van het verzoek of in een periode van zes maanden voorafgaand aan het indienen van het verzoek, geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel. Naast de objectieve toelaatbaarheidsvoorwaarden moet de schuld-bemiddelingsrechter ook de inhoudelijke toelaatbaarheidsvoorwaarden onderzoeken, meer bepaald de aanwezigheid van een overmatige schuldenlast en het niet kennelijk zijn onvermogen bewerkt hebben. In het verzoekschrift tot hoger beroep schetst appellante haar huidige gezins-, inkomens- en vermogenssituatie als volgt: - zij is een 59-jarige alleenstaande vrouw (geboren te Tanger in 1949) van Marokkaanse nationaliteit; zij is uit de echt gescheiden van A. M. sedert 17 januari 1980 (stuk 1 bundel appellante: attest samenstelling van gezin afgeleverd op 30 april 2008 door de stad Antwerpen); - zij verklaart zonder beroep te zijn, geen schuldenaars te hebben en te leven van de steun van familie en voedselpakketten; - zij verklaart geen onroerende goederen te bezitten en haar roerende goederen werden verkocht op 24 april 2008 door gerechtsdeurwaarder Jennes; - zij begroot haar kosten voor huisvesting en levensonderhoud op een bedrag van 426,14 euro per maand (huishuur + Electrabel); - de totale schuldenlast, zoals opgegeven in de akte van hoger beroep, bedraagt 676.542,35 euro samengesteld uit schulden ten overstaan van Ontvanger der Directe Belastingen (666.091,51 euro), OCMW Antwerpen (6.370,22 euro), VZW Ambumed (590,98 euro), ZNA (165 euro), Klinisch Labo (12,96 euro) en UZA (3.331,68 euro). De schulden ten overstaan van de Ontvanger der Directe Belastingen zijn het gevolg van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 december 2006 waarbij appellante werd veroordeeld wegens:
- tussen 1 januari 1988 en 1 januari 2004 het valselijk opmaken van verklaringen ten behoeve van het OCMW stellende dat zij niet beschikte over enige inkomsten en vermogensbestanddelen terwijl zij in werkelijkheid wel over bedrijfsinkomsten, namelijk uit 'zwart werk', en roerende vermogensbestanddelen en inkomsten beschikte; op burgerrechtelijk gebied werd de teruggave bevolen van de ten onrechte door OCMW betaalde sommen t.b.v. 3.906.679 oude Belgische franken of 98.367,18 euro);
- het witwassen van uit misdrijf voortkomende vermogensbestanddelen (uit de stukken van het strafdossier bleek dat in de periode van 3 januari 1994 tot 31 december 2002 de KBC-rekeningen van appellante werden gecrediteerd met bedragen waarvan de totaliteit meer dan 28 miljoen oude Belgische franken bedroeg en dat zij begin 2002 effecten aankocht voor een totale waarde van meer dan 22 miljoen ouden Belgische franken; op strafgebied werd bij toepassing van artikel 4, lid 2 van het K.B. van 31 mei 1933 een som van 98.367,18 euro verbeurd verklaard en bij toepassing van artikel 64 en artikel 505, lid 3 S.W. een som van 832.812,42 euro verbeurd verklaard hierin begrepen het creditsaldo op de geblokkeerde KBC-rekening nr. 402-0569049-44 en de effecten op de KBC-effectenrekening nr. 727-5432686-66). Op basis van voormelde correctionele veroordeling heeft de fiscus bijkomende aanslagen gevestigd voor de aanslagjaren 1999 tot en met
- Uit het geheel van de door appellante voorgelegde stukken inzake globale activa en passiva blijkt dat zij zich in een toestand van overmatige schuldenlast bevindt en niet in staat is om op duurzame wijze haar opeisbare en/of nog vervallen schulden te betalen; de globale schuldenlast overtreft het vermogen van appellante om haar verbintenissen na te komen zodat voldaan is aan de inhoudelijke toelaatbaarheidsvoorwaarden inzake het bestaan van een structurele financiële problematiek. Naast een financiële problematiek moet tevens onderzocht worden of appellante niet kennelijk haar onvermogen heeft bewerkstelligd. Er is een bewerking van het onvermogen wanneer de schuldenaar een of meer handelingen heeft verricht ter benadeling van de rechten van zijn schuldeisers of elementen uit zijn vermogen op bedrieglijke wijze aan de schuldeisers heeft onttrokken. De wil of de bedoeling van de schuldenaar om zich onvermogend te maken is van doorslaggevende aard. Deze wil kan door de rechter afgeleid worden uit elke omstandigheid of handeling of combinatie van omstandigheden of handelingen die in het concrete geval de wil zich onvermogend te maken doet blijken. De omstandigheid dat de schuldenlast te wijten is aan de financiële gevolgen van het door appellante gepleegde misdrijf van valsheid in geschriften en het witwasmisdrijf levert ten deze geen grond tot uitsluiting op als bedoeld in artikel 1675/2 vermits bezwaarlijk kan voorgehouden worden dat appellante voormelde misdrijven heeft gepleegd met het opzet zich onvermogend te maken. In de Memorie van Toelichting (Parl. St. Kamer, 1996-97, p. 17, nrs 1073/1-1074/1) wordt wel benadrukt dat in de praktijk de rechter oplettend zal dienen te zijn voor een hele reeks van elementen die, alleen of gecombineerd, toelaten te denken dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt. De collectieve schuldenregeling mag immers geen toevluchtsoord worden voor debiteuren die zich proberen te onttrekken aan hun schuldeisers (Eric Dirix, Boeven en schuldsanering, noot onder arrest hof van beroep Antwerpen, 11 januari 2006, R.W. 2007-08, 1114). Op basis van hiernavolgende elementen besluit het arbeidshof dat appellante ten dezen kennelijk haar onvermogen bewerkt:
- In het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling geeft appellante te kennen dat zij zonder beroep is, geen inkomsten heeft en geen schuldenaars. Uit nazicht van de door appellante zeer selectief voorgebrachte bankuittreksels (Fortis) over de periode 7 september 2007 tot 6 februari 2008 blijkt nochtans dat er gelden op haar bankrekening worden gestort door NV Van Fabricom GTI, gevestigd te 1180 Brussel, Gatti De Gamondstraat met als mededeling 'VOORSCH ARB - AVANCES OUVRIERS 01/2008 en 10/2007; deze mededeling laat er geen twijfel over bestaan dat het hier gaat om storting van een loon zodat appellante verdoken beroepsinkomsten blijkt te genieten.
- In het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling geeft appellante te kennen dat ze leeft van steun van familie en voedselpakketten terwijl uit een bankuittreksel met nr. 011/002 van 26 september 2007 blijkt dat de werkgever ook een betaling heeft verricht op 7 september 2007 met mededeling 'MAALTIJDVER. COR. 16/08/2007 - 30/08/
- In het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling geeft appellante te kennen dat ze leeft van steun van familie terwijl uit verschillende bankuittreksels (meer bepaald uittreksels 012/004 van 25 oktober 2007 en 010/013 van 7 september 2007) blijkt dat zij nog in staat is doorlopende opdrachten uit te voeren ten gunste van een rekeningnummer dat niet achterhaald kan worden aangezien appellante die met dikke stift onleesbaar heeft gemaakt. Aangezien appellante niet voldoet aan alle inhoudelijke toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 1675/2, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, is haar verzoek tot collectieve schuldenregeling niet-toelaatbaar. De bestreden beschikking van de arbeidsrechtbank van 16 mei 2008 dient, met gewijzigde motieven, bevestigd te worden zodat het hoger beroep ongegrond is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Doet uitspraak op eenzijdig verzoekschrift en na appellante en haar raadsman gehoord te hebben in raadkamer. Ontvangt het hoger beroep en verklaart het ongegrond. Bevestigt de beschikking van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 mei
- Stelt vast dat aan huidige procedure geen kosten zijn verbonden voor appellante. Uitgesproken op vierentwintig juni tweeduizend en acht in raadkamer van de achtste kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080624.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div