id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080625.10 Rolnummer: 2007-0278 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-07-03 11:03 Fiches 1 - 2 Het begrip 'indienen van een met redenen omklede klacht' werd als zodanig noch in de Welzijnswet (versie van toepassing op de casus), noch in het K.B. van 11 juli 2002 gedefinieerd. Het 'indienen van een met redenen omklede klacht' dient, gelet op het geheel en de samenhang van de bepalingen die de bescherming van de werknemers op het werk regelen en de filosofie die daaraan ten grondslag ligt, begrepen worden als de verplichting om de klacht afdoende te motiveren, zodat in de klacht zelf de elementen kunnen worden teruggevonden, die het de preventieadviseur mogelijk moeten maken om zich een beeld te vormen omtrent de feiten die door de klager als pestgedrag werden ervaren en die het hem ook mogelijk moeten maken de werkgever in te lichten en hem passende maatregelen voor te stellen om hieraan te verhelpen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: arbeidsreglementering - welzijn op het werk - pesten op het werk - met redenen omklede klacht Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32nonies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet - 04-08-1996 - 32tredecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: III AB Gerangschikt onder III AB - artikel 32nonies en op III AB - artikel 32tredecies. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070278 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT S. V. K., wonende te, appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Verstraeten, advocaat te 3000 Leuven, tegen : De A O I U A, met zetel gevestigd te, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. K. Crauwels, advocaat te 2018 Antwerpen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 27 maart 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 27 april 2007; * de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 2 juli 2007 en 10 september 2007 voor geïntimeerde en op 26 juli 2007 en 12 juni 2008 voor appellant; * de beschikking d.d. 12 juni 2007 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; * de verbeterende beschikking d.d. 19 november 2007 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; * de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 4 juni 2007 en 21 mei 2008; * het schriftelijk advies van de heer P. V D B neergelegd ter griffie op 4 juni
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 4 maart 2004, vorderde de heer V K de veroordeling van de A O I U A, hierna genoemd de U A, tot betaling van : - 18.601 EUR achterstallig loon - 20.532 EUR forfaitair bepaalde vergoeding van 6 maanden loon als gevolg van het miskennen van de bepalingen van de Welzijnswet van 04.08.1996 - 20.532 EUR schadevergoeding van 6 maanden loon als gevolg van het misbruik van het ontslagrecht te vermeerderen met de vergoedende intrest sedert 25.06.2003 tot aan de datum van dagvaarding, de gerechtelijke intrest tot aan de effectieve datum van betaling en de kosten van het geding. Bij bestreden vonnis van 27 maart 2007 verklaarden de eerste rechters de vordering van de heer V K ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelden hem tot de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de heer V. K. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de U.A. te veroordelen tot : - 18.601 EUR achterstallig loon - 20.532 EUR forfaitair bepaalde vergoeding van 6 maanden loon als gevolg van het miskennen van de bepalingen van de Welzijnswet dd. 04.08.1996 - 20.532 EUR schadevergoeding van 6 maanden loon als gevolg van het misbruik van ontslagrecht te vermeerderen met de vergoedende intrest sedert 25.06.2003 tot aan de datum van dagvaarding en de gerechtelijke intrest tot aan de effectieve datum van betaling. Verder akte te verlenen aan de heer V. K. dat hij voorbehoud maakt voor het invorderen van de schade die hij te lijden heeft ingevolge de negatieve informatie die door de U.A. verstrekt wordt aan mogelijke werkgevers bij wie hij heeft gesolliciteerd. Ten slotte de U.A. te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Bij conclusie van 26 juli 2007 bood de heer V. K. in ondergeschikte orde aan met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen te bewijzen : - dat hij op 30.06.2003 werd ontslagen door de U.A. nadat hij persona non grata was geworden omwille van de aangifte die hij in september 2001 deed bij de overheid met betrekking tot verwaarlozing van dieren - dat zowel eind 2002 als in april/mei 2003 de inbeslagname van proefdieren tegen hem werd gebruikt door zijn oversten die bovendien hierop steeds opnieuw terugkwamen - dat hij tijdens de periode van tewerkstelling bij de U.A. sedert 01.01.2000 tot 30.06.2003 langdurige en herhaaldelijk systematisch weekendprestaties verrichtte, meer in het bijzonder aangaande de cultuur van embryonale stamcellen - dat hij tijdens de periode van tewerkstelling bij de U.A. sedert 01.01.2000 tot 30.06.2003 nooit een tikkaart heeft ontvangen vanwege de U.A. - dat hij tijdens zijn tewerkstelling bij de U.A. door zijn oversten onrechtmatig werd aangewezen als verantwoordelijke voor het verdwijnen van onderzoeksmateriaal uit het laboratorium transgenese. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer V. K. is dierenarts van opleiding. Op 1 oktober 2000 trad hij in dienst van U.A., toen nog U I A, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij werd aangenomen met het oog op het opzetten van een "Transgene Core Faciliteit" voor de aanmaak van genetisch gewijzigde muizen, proefdiermodellen voor biomedisch onderzoek. Artikel 1 van de op 28 september 2000 ondertekende arbeidsovereenkomst bepaalt dat de heer V. K. wordt aangeworven "in graad 7(schaal 7.1.)(bestuurssecretaris)(100%)ten behoeve van geconcerteerde onderzoeksactie, promotor Prof. Dr. J. M., departement Biochemie". M.b.t. het loon bepaalt artikel 7 van de overeenkomst: "De bezoldiging wordt op het einde van de maand uitbetaald. Zij wordt vastgesteld volgens de weddeschaal 849.885 BEF - 1.310.759 BEF die bij de UIA van kracht is. Index van uitbetaling : zie salarisfiche." Reeds tijdens de eerste maanden van zijn tewerkstelling rapporteerde de heer V. K. inbreuken op de wetgeving betreffende proefdieren en dierenverwaarlozing aan de academische overheid van U.A.. Begin september 2001 meldde hij ernstige dierenverwaarlozing op de dienst nefrologie aan de bevoegde inspectiedienst. Het staat niet ter discussie dat de bevoegde inspectiedienst als gevolg van de klacht van de heer V. K. de verwaarloosde dieren in beslag liet nemen en de erkenning van het proefdierenlaboratorium introk. Op 18 februari 2003 vond een evaluatiegesprek plaats tussen de heer V. K. en zijn evaluatoren, Prof. Dr. J. M., Prof. Dr. D. S. en Prof. Dr. C. V. B.. In het evaluatieverslag scoorde de heer V. K. volgens zijn evaluatoren "normaal" voor de criteria functionele kennis, aanpak van het werk kwantiteit van het werk en kwaliteit van het werk. Voor communicatievaardigheden en houding op het werk scoorde hij volgens zijn evaluatoren "redelijk" en voor sociale vaardigheden "slecht". Het evaluatieverslag eindigt met de volgende suggesties voor remediëring: "De GOA promotoren moedigen S. V. K. aan tot een kritisch zelfonderzoek met betrekking tot zijn sociaal functioneren in een academische kontekst. Naast technische, wetenschappelijke competentie zijn sociale vaardigheden zeer belangrijk voor het verder uitbouwen van een op service gerichte faciliteit, wat de transgene eenheid op termijn beoogt te zijn. Daarom wordt voorgesteld om binnen drie maanden het sociaal gedrag van S. V. K. opnieuw te beoordelen i.v.m. : attitude t.a.v. opdrachtgevers, contacten met derden (dierverzorgers, gebruikers animalarium, academische diensten...) inlevings- en samenwerkingsvermogen. Hierbij zal vooral gelet worden op positieve benaderingsmethoden en het correct inschatten van zijn persoonlijke bevoegdheid en verantwoordelijkheid. " Op dit verslag werden door de heer V. K. schriftelijk opmerkingen geformuleerd. Op 20 juni 2003 vond opnieuw een evaluatiegesprek plaats. Het verslag van dit gesprek werd goedgekeurd en ondertekend op 25 juni
- Op 24 juni 2003 verzond de heer V. K. een aangetekende brief gericht aan "de bevoegde preventieadviseur van de dienst preventie en bescherming op het werk van U.A.", waarvan de inhoud luidt als volgt: "Geachte, Sinds oktober 2000 ben ik in dienst op de U I A, thans U.A., te . In het kader van de uitoefening van mijn werk heb ik noodgedwongen een aantal bedenkelijke toestanden gesignaleerd. Sinds dan ben ik het slachtoffer van het onrechtmatige gedrag van Mijnheer J. M., Mijnheer D. S en Mevrouw C. V. B. Deze mensen creëren een permanente beledigende en kwetsende omgeving en brengen bovendien mijn betrekking in gevaar. In het kader van een evaluatiegesprek heb ik met name in een document met klem gereageerd tegen de talrijke beschuldigingen en aantijgingen komende van bovenvermelde personen. De Personeelsdienst is reeds in het bezit van het document "Opmerkingen van het personeelslid bij het Evaluatieformulier ATP, met bijlagen 1 tot en met 10" door mij opgesteld in maart
- Mag ik u verzoeken de nodige maatregelen te willen treffen teneinde aan hogervermelde toestand een einde te stellen. Bij deze vraag ik u ook een onderzoek te willen inleiden. Ik maak alle voorbehoud voor de schade die ik reeds geleden heb ingevolge de bestaande praktijken. Met achtingsvolle groeten, S. V. K." Met een brief van 25 juni 2003 betekende de U.A. een opzeggingstermijn aan de heer V. K. van 6 maanden, ingaand op 1 juli
- Met een brief van 30 juni 2003 beëindigde U.A. de arbeidsovereenkomst onmiddellijk, met betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 6 maanden. Het werkloosheidsattest C4 vermeldt als juiste oorzaak van de werkloosheid "uitputting financiering van het project"
- De beoordeling 2.
- Achterstallig loon Het staat als zodanig niet ter discussie dat de heer V. K. steeds een loon heeft ontvangen in overeenstemming met de loonvoorwaarden, die uitdrukkelijk werden opgenomen in de geschreven individuele arbeidsovereenkomst. Dat tijdens de besprekingen, voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst, op een bepaald ogenblik een andere loonschaal met een hoger loon werd onderhandeld is mogelijk, maar doet geen afbreuk aan de vaststelling dat partijen op het ogenblik van het sluiten van de arbeidsovereenkomst hebben ingestemd met de loonvoorwaarden zoals die zijn terug te vinden in de arbeidsovereenkomst. Verder bevat het dossier geen elementen die toelaten te besluiten dat de instemming van de heer V. K. bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst was aangetast door een wilsgebrek. Wanneer de heer V. K. voorhoudt dat hij recht had op een hoger loon dan het in de arbeidsovereenkomst bedongen loon, draagt hij hiervan de bewijslast. In dit verband dient er vooreerst op gewezen te worden dat de verplichting voor een contractspartij om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren haar niet verplicht tot het leveren van prestaties boven hetgeen uitdrukkelijk werd overeengekomen. Artikel 1134 B.W. kan dan ook op zichzelf geen rechtsgrond vormen om U.A. te verplichten tot betaling van een hoger loon dan het overeengekomen loon. Dit arbeidshof stelt verder vast dat het dossier geen elementen bevat waaruit blijkt dat partijen na het sluiten van hun arbeidsovereenkomst een hoger loon zijn overeengekomen en het blijkt al evenmin dat U.A. zich daartoe eenzijdig zou hebben verbonden. Hoewel de toekenning van de graad "bestuurssecretaris" aan een dierenarts in een wetenschappelijk onderzoeksproject inderdaad bevreemdend voorkomt, impliceert deze vaststelling niet dat de heer V. K. belast was met een andere taak dan de taak die bij zijn indiensttreding was overeengekomen. A fortiori kan en mag hieruit niet afgeleid worden dat hij onvoldoende werd betaald voor de taak waarmee hij daadwerkelijk werd belast. Verder blijkt niet dat U.A. gebonden was door een salarisschaal of barema op basis waarvan zij verplicht was aan de heer V. K. een hoger loon te betalen dan het met hem overeengekomen loon. Tevergeefs verwijst de heer V. K. in dit verband naar de zogeheten "overeenkomst GOA". Zoals zeer juist werd opgemerkt door het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies, was de heer V. K. geen partij bij deze overeenkomst en vormt deze overeenkomst slechts de organisatorische omkadering, waarbinnen afspraken kunnen gemaakt worden met medewerkers en budgetten financieel kunnen worden verantwoord. Daarentegen kan een individuele werknemer uit die overeenkomst geen rechten putten op betaling van een bepaald loon. Tevergeefs ook meent de heer V. K. een argument te kunnen putten uit het feit dat zijn voorgangster, mevrouw G. een hoger loon zou hebben verdiend voor "een identieke functie op de werkvloer". Niets laat immers toe te besluiten dat op U.A. de verplichting rustte om de heer V. K. op dezelfde wijze te verlonen als mevrouw G. die, volgens de niet betwiste gegevens verstrekt door U.A., alleszins hogere kwalificaties bezat en postdoctoraal medewerkster was. Dit onderdeel van de vordering werd dan ook terecht ongegrond verklaard. 2.
- Forfaitaire vergoeding ontslagbescherming na klacht wegens pesten Bij wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk werd een hoofdstuk V bis toegevoegd aan de Welzijnswet van 4 augustus
- Deze wet bevat enerzijds een preventief en informatief luik en anderzijds een repressief luik. De werknemer/ambtenaar die meent dat hij het slachtoffer is van pestgedrag in de zin van de Welzijnswet heeft verschillende actiemogelijkheden. Hij kan gebruik maken van een interne procedure door zich te richten tot de vertrouwenspersoon of tot de preventieadviseur, hij kan zich richten tot de met het toezicht belaste ambtenaren en hij kan een vordering instellen voor het bevoegde rechtscollege. Artikel 32 nonies van de Welzijnswet bepaalt desbetreffend: "De werknemer die meent het slachtoffer te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kan zich ofwel richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersonen die hem bijstaan ofwel tot de met het toezicht belaste ambtenaren bedoeld in artikel 80 en, in voorkomend geval, bij die personen een met redenen omklede klacht indienen volgens de voorwaarden en de nadere regels vastgesteld met toepassing van artikel 32quater, § 2." De nadere regels m.b.t. de zogeheten interne procedure zijn terug te vinden in de artikelen 10 tot 14 van het K.B. van 11 juli 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, hierna het K.B. van 11 juli 2002 genoemd, waarvan de inhoud luidt als volgt: "Art.
- Wanneer een vertrouwenspersoon is aangeduid, wendt de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zich tot deze persoon, behalve indien hij verkiest zich rechtstreeks te richten tot de bevoegde preventieadviseur. De vertrouwenspersoon hoort het slachtoffer en bemiddelt op zijn verzoek met de dader van het geweld, de pesterijen of het ongewenst seksueel gedrag op het werk. Indien de bemiddeling tot geen resultaat leidt of onmogelijk blijkt, neemt de vertrouwenspersoon, op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer, de met redenen omklede klacht in ontvangst, die hij onmiddellijk doorzendt aan de bevoegde preventieadviseur. Art.
- Wanneer geen vertrouwenspersoon is aangeduid wendt de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zich tot de bevoegde preventieadviseur. Art.
- De bevoegde preventieadviseur hoort het slachtoffer en bemiddelt op zijn verzoek met de dader van het geweld, de pesterijen of het ongewenst seksueel gedrag op het werk. Indien de bemiddeling tot geen resultaat leidt of onmogelijk blijkt neemt de bevoegde preventieadviseur op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer de met redenen omklede klacht in ontvangst. Art.
- De met redenen omklede klacht wordt opgenomen in een document dat wordt gedateerd en waarin de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen worden opgenomen en in voorkomend geval het resultaat van de bemiddeling. Het slachtoffer en de getuige ontvangen een afschrift van hun verklaring. Art.
- Van zodra een met redenen omklede klacht is ingediend brengt de bevoegde preventieadviseur de werkgever hiervan op de hoogte door hem een afschrift van het in artikel 13 bedoelde document te bezorgen en nodigt hij de werkgever uit om passende maatregelen te nemen. De bevoegde preventieadviseur onderzoekt volledig onpartijdig de met redenen omklede klacht en doet aan de werkgever een voorstel betreffende de toe te passen passende maatregelen. De werkgever treft de passende maatregelen om een einde te stellen aan de feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. In voorkomend geval, past de bevoegde preventieadviseur de maatregelen bedoeld in artikel 32septies van de wet toe." De Welzijnswet bevat ten slotte in artikel 32 tredecies, §1 een bijzondere bescherming tegen ontslag, die als volgt werd geformuleerd: "De werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het toezicht belaste ambtenaren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op grond van dit hoofdstuk, mag de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering." Bij miskenning van dit ontslagverbod kan de werknemer een verzoek richten tot zijn werkgever om hem opnieuw in de onderneming op te nemen. Wanneer de werkgever weigert hieraan gevolg te geven en de rechter van oordeel is dat het ontslag werd gegeven met miskenning van het bepaalde in artikel 32, tredecies, §1 van de Welzijnswet, moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade. Om aanspraak te kunnen maken op de in artikel 32 tredecies van de Welzijnswet bedoelde forfaitaire vergoeding moet de heer V. K. het bewijs leveren dat hij behoort tot de in artikel 32 tredecies, §1 van diezelfde wet bedoelde werknemers, wat het bewijs veronderstelt dat hij voorafgaand aan zijn ontslag "een met redenen omklede klacht" heeft ingediend, ofwel dat de met toezicht belaste ambtenaren voor hem zijn opgetreden, ofwel dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld. Dat er in deze zaak geen sprake is geweest van een voorafgaand optreden van bedoelde ambtenaren en dat ook geen rechtsvordering werd ingesteld staat als zodanig niet ter discussie, de betwisting tussen partijen blijft in dit kader beperkt tot de vraag of de heer V. K. voorafgaand aan zijn ontslag al dan niet "een met redenen omklede klacht" heeft ingediend. Het begrip "indienen van een met redenen omklede klacht" werd als zodanig noch in de Welzijnswet (in de versie zoals van toepassing in deze zaak), noch in het K.B. van 11 juli 2002 gedefinieerd. Naar het oordeel van dit arbeidshof moet het indienen van een met redenen omklede klacht, gelet op het geheel en de samenhang van de bepalingen die de bescherming van werknemers op het werk regelen en de filosofie die daaraan ten grondslag ligt, worden begrepen als de verplichting om de klacht afdoende te motiveren, zodat in de klacht zelf de elementen kunnen worden teruggevonden, die het de preventieadviseur mogelijk moeten maken om zich een beeld te vormen omtrent de feiten die door de klager als pestgedrag werden ervaren en die het hem ook mogelijk moeten maken de werkgever in te lichten en hem passende maatregelen voor te stellen om hieraan te verhelpen. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd tevens benadrukt dat de op de werknemer rustende motiveringsplicht mee werd ingegeven vanuit de bedoeling om het misbruiken van de procedure tegen te gaan. (Par. St. Kamer, nr. 1583/001,11) Zoals de eerste rechters en het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies is ook dit arbeidshof van oordeel dat de brief van de heer V. K. van 24 juni 2003 niet kan worden gekwalificeerd als een met redenen omklede klacht. Deze brief bevat slechts een aantal generieke verwijten aan het adres van de drie genoemde personen, die bijna een letterlijke weergave vormen van de wettelijke definitie van pestgedrag. Alleszins is het op basis van de inhoud van deze brief niet mogelijk om te achterhalen welke feiten de heer V. K. aan de drie betrokken personen meent te kunnen verwijten. De verwijzing in de brief naar de schriftelijke opmerkingen van de heer V. K. bij zijn evaluatieformulier, die echter niet bij zijn brief werden gevoegd, kan daaraan niet verhelpen. Het is dan ook slechts ten overvloede dat dit arbeidshof wenst op te merken dat de zeer uitvoerige opmerkingen van de heer V. K. op zijn evaluatieverslag evenmin verduidelijken wat hij precies als pestgedrag heeft ervaren en wenst aan te klagen. In dit verband kan tevens nog worden opgemerkt dat de preventieadviseur de brief van de heer V. K. ook niet heeft beschouwd als een met redenen omklede klacht en zich ertoe beperkt heeft om de heer V. K. uit te nodigen voor een gesprek, dat ook effectief heeft plaatsgevonden op 27 juni
- De heer V. K. heeft bijgevolg geen recht op de door hem gevorderde vergoeding en dit ongeacht de vraag of hij tijdens zijn tewerkstelling het slachtoffer is geweest van pesterijen. 2.
- Misbruik van ontslagrecht Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het de heer V. K. die het bewijs moet leveren van zijn bewering dat U.A. zich bij de uitoefening van haar ontslagrecht schuldig heeft gemaakt aan rechtsmisbruik en dat hij hierdoor een schade heeft geleden die verschilt van de schade die op forfaitaire wijze wordt gedekt door de toegekende opzeggingsvergoeding. Rechtsmisbruik, dat het ontslag van een bediende aantast, kan ontstaan uit de uitoefening van het ontslagrecht op een wijze die de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam werkgever. De opzeggingsvergoeding dekt op forfaitaire wijze alle schade die uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit, zowel de materiële als de morele, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik buitengewone schade dekt die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf. (vgl. Cass., 7 mei 2001, nr. S.00.0047.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6, http://www.cass.be op datum) Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan de vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, dienvolgens voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden. (vgl. Cass. 26 september 2005, nr. S040176N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.4, http://www.cass.be op datum) Zoals de eerste rechters en het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies is dit arbeidshof van oordeel dat de heer V. K. faalt in deze op hem rustende bewijslast. Ongetwijfeld werd de klacht van de heer V. K. die geleid heeft tot de inbeslagname van dieren en de intrekking van de vergunning van het laboratorium hem door een aantal personen niet in dank afgenomen. Gelet op tijdsverloop tussen dit incident en het ontslag kan echter niet zonder meer worden aanvaard dat dit ontslag nog geheel of zelfs maar gedeeltelijk zijn oorsprong vond in de melding van dierenverwaarlozing en met name werd gegeven als represaillemaatregel. De bewijzen die door de heer V. K. worden aangereikt om zijn standpunt te ondersteunen kunnen dit arbeidshof niet overtuigen. Ook de bewering dat de heer V. K. hardhandig werd begeleid naar de parking vindt geen steun in het dossier en wordt geenszins bewezen door de eenzijdige stukken waarnaar hij in dit verband verwijst. Bovendien levert de heer V. K. hoe dan ook niet het bewijs van een bijzondere schade die verschilt van de schade die op forfaitaire wijze wordt gedekt door de opzeggingsvergoeding, die de heer V. K. inmiddels ontving. Zo is er met name geen enkel bewijs dat door de motieven of de omstandigheden waarin de heer V. K. werd ontslagen zijn goede naam in opspraak werd gebracht of dat hij gezondheidsproblemen heeft gekend. Het blijkt al evenmin dat het beweerd misbruik van ontslagrecht een negatieve invloed heeft uitgeoefend op de wedertewerkstellingskansen van de heer V. K., waarbij meteen moet worden opgemerkt dat de opzeggingsvergoeding geacht wordt de schade als gevolg van het verlies van de betrekking te vergoeden. 2.
- Bewijsaanbod Dit arbeidshof meent niet te moeten ingaan op het door de heer V. K. in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod, nu de feiten waarvan het bewijs werd aangeboden deels onnauwkeurig zijn en voor het overige, zelfs indien bewezen, geen afbreuk kunnen doen aan hoger vermelde overwegingen en besluitvorming. BESLISSING OP TEGENSPRAAK, De voorschriften de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. De heer P. V D B heeft een eensluidend schriftelijk advies neergelegd. Het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond. Het vonnis van 27 maart 2007 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt bevestigd. De heer V. K. wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden begroot. voor de heer V. K. op : 2500 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof voor de U.A. op : 2500 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni tweeduizend en acht, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer I. BIEGS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer S. HENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw A. HERTOGS, adjunct-griffier met opdracht (art. 330ter§2 Ger. W.) PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080625.10 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div