← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080625.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080625.20 Rolnummer: 2006-0758 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-06-08 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 17:43 Fiche Een persoon die illegaal op het grondgebied verblijft, heeft enkel recht op dringende medische hulp. Het O.C.M.W., dat mag nagaan of de gevraagde hulp wel voldoet aan de wettelijke voorwaarden, mag de dringendheid van de medische hulp in vraag stellen maar deze beoordeling kan getoetst worden door de arbeidsrechtbank. Aangezien uit de voorgelegde documenten niet kan afgeleid worden of de gevraagde hulp medisch dringend noodzakelijk was in de zin van het K.B. van 12 december 1996 - er werd enkel een standaardvermelding gebruikt - wordt een geneesheer als deskundige aangesteld. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Vreemdelingen OCMW Vrije woorden: Sociale voorzorg - O.C.M.W. - taken van het O.C.M.W. - algemene taken en uitvoering - illegaal in het land verblijvende vreemdeling - dringende medische hulp - dringendheid van de behoefte - aanstelling deskundige - X E Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Koninklijk Besluit - 12-12-1996 - 1 - 37 ELI link Pub nr 1996022721 Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 2 - blz. 90-91 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060758 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG JUNI TWEE-DUIZEND EN ACHT In de zaak van: M.A.E.S.S., appellant, vertegenwoordigd door mr. A.D.P., advocaat te A., tegen: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer B.C., maatschappelijk werker, volmachtdrager. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 10 januari 2007 en 28 mei

  1. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 20 november 2006 uit-gesproken door de veertiende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., aan de heer A.E.S.S. ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 22 november 2006; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 15 december 2006 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 19 december 2006; * de conclusies voor het OCMW van Antwerpen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 11 oktober 2007; * de conclusies voor de heer A.E.S.S., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 december
  2. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 28 mei
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 15 december 2006, tekende de heer A.E.S.S. hoger beroep aan tegen een vonnis van 20 november 2006 (AR 389.714) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan de heer A.E.S.S. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief van 22 november
  4. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
  5. Feiten en voorafgaande procedure De heer A.E.S.S. is afkomstig uit E. en zou vanaf 2005 in België verblijven. Hij heeft nooit enige aanvraag gedaan tot het bekomen van een verblijfsvergunning en verblijft derhalve illegaal op het grondgebied (zie ook brief Dienst Vreemdelingenzaken, 17 oktober 2006, stuk 6, auditoraatsdossier bij het rechtsplegingsdossier van de arbeidsrechtbank). Op 9 februari 2006 ging hij op consultatie bij een geneesheer van Artsen zonder Grenzen die het nodig achtte om ter uitsluiting van een chronisch probleem hem een endocrino te laten ondergaan en bovendien zou er verschillende keren bloed moeten gecontroleerd worden. Hiervoor werd een formulier "dringende medi-sche hulp" ingevuld (stuk 3a, bundel A.E.S.S.), waarna de vraag werd gesteld aan het OCMW om deze medische onderzoeken ten laste te willen nemen. Het bijzonder comité voor sociale bijstand besliste op 20 maart 2006 de waar-borg voor verpleging en verzorging in ziekenhuizen van het OCMW van Ant-werpen te weigeren vanaf 1 maart 2006, met als reden: "De wet bepaalt dat u maar recht op OCMW hulpverlening hebt nadat u uw rechten hebt uitgeput: U hebt dit niet gedaan." Deze beslissing werd aan de heer A.E.S.S. ter kennis gebracht met een aangetekende brief op niet gekende datum. De heer A.E.S.S. tekende verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 9 juni
  6. In hun vonnis van 20 november 2006 verklaarden de eerste rechters de vorde-ring ontvankelijk doch ongegrond en ze bevestigden de beslissing van het bij-zonder comité voor sociale bijstand van 20 maart 2006; de kosten van het ge-ding werden overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger.W., ten laste van het OCMW van Antwerpen gelegd. De heer A.E.S.S. kwam tegen dit vonnis in hoger beroep met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 15 december
  7. Eisen in hoger beroep De heer A.E.S.S. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw recht doende, de bestreden beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 20 maart 2006 teniet te doen; de kosten van het geding ten laste te leggen van het OCMW van Antwerpen. Het OCMW van Antwerpen vraagt het bestreden vonnis te bevestigen en te stellen dat de heer A.E.S.S. niet in aanmerking komt voor dringende medische hulp.
  8. Ten gronde Het wordt niet betwist dat de heer A.E.S.S. illegaal in België verblijft. Voor personen in illegaal verblijf die steun vragen aan het OCMW geldt artikel 57, §2, OCMW-Wet. Dit artikel bepaalt: "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot: 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft." Aan deze bepaling werd uitvoering gegeven door het KB van 12 december 1996 betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maat-schappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven (BS 31 december 1996, 3de ed.), dat in artikel 1 bepaalt wat moet verstaan worden onder dringende medische hulp: "De dringende medische hulp, bedoeld in artikel 57, §2, lid 1, van de or-ganieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maat-schappelijk welzijn, betreft hulp die een uitsluitend medisch karakter ver-toont en waarvan de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt aangetoond. Deze hulp kan geen financiële steunverlening, huisvesting of andere maatschappelijke dienstverlening in natura zijn. Dringende medi-sche hulp kan zowel ambulant worden verstrekt als in een verplegingsin-stelling, zoals bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 2 april 1965 be-treffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare cen-tra voor maatschappelijk welzijn. Dringende medische hulp kan zorgver-strekking omvatten van zowel preventieve als curatieve aard. In geval van besmettelijke ziekten die door de bevoegde overheden als zodanig erkend zijn en onderworpen zijn aan profylactische maatregelen, moet de dringende medische hulp die aan de patiënt verstrekt wordt de nazorg inhouden die noodzakelijk is voor de algemene volksgezondheid". 4.
  9. Toetsing door het arbeidshof De heer A.E.S.S. verwijt de eerste rechters dat zij zich op het pad van de geneeskunde begeven door te oordelen dat de gevraagde medische tussenkomst niet dringend was in de zin van voormelde wetgeving. Het zou enkel aan de betrokken geneesheer toekomen om het dringend karakter te beoordelen, aangezien de samenleving er belang bij heeft om zo snel mogelijk in te grijpen om verdere kosten te voorkomen. In het verzoekschrift in hoger beroep wordt verder vastgesteld dat de dringende medische hulpverlening behoort tot de harde kern van minimale rechten of waarborgen die aan iedereen, ongeacht het verblijfsstatuut, moeten gegaran-deerd worden. Hierbij zou de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager geen rol mogen spelen. De heer A.E.S.S. stelt dus dat het enkel de verantwoordelijkheid van de behandelend geneesheer is om uit te maken of de verleende medisch hulp een dringend karakter heeft en dat het OCMW, noch de rechter, hierover enige uitspraak mag doen. Het arbeidshof is het met deze stelling niet eens. Artikel 57, §2, OCMW-Wet, bepaalt dat het de taak is van het OCMW om drin-gende medische hulp te verstrekken, en in het KB van 12 december 1996 wordt vervolgens verduidelijkt wat hieronder verstaan dient te worden. Het OCMW moet bij elke aanvraag telkens nagaan of aan alle wettelijke voor-waarden voldaan is alvorens een beslissing te nemen. Nergens wordt vermeld dat het OCMW geen toetsingsbevoegdheid zou hebben ten aanzien van deze vorm van maatschappelijke dienstverlening. Indien tegen de beslissing van het OCMW vervolgens beroep wordt aangete-kend bij de arbeidsrechtbank, die overeenkomstig artikel 580, 8°, Ger.W., ken-nis neemt van de geschillen betreffende de weigering van de maatschappelijke dienstverlening, moet de arbeidsrechtbank, en dus ook het arbeidshof, onder-zoeken of de beslissing van het OCMW terecht werd genomen aangezien het recht op maatschappelijke dienstverlening enkel erkend kan worden indien de aanvrager aan alle wettelijke vereisten voldoet. (Cass. 27 juni 2005, Soc. Kron. 2008, 88). De rechter oefent dit toezicht uit met volle rechtsmacht, waardoor hij in de be-oordeling van de feiten kan treden. (Cass. 27 juni 2005, Soc. Kron. 2008, 88). Het arbeidshof kan en moet derhalve nagaan of de gevraagde steun overeen-komstig het KB van 12 december 1996 mocht geweigerd worden door het OCMW. 4.
  10. Recht op dringende medische hulp Om in aanmerking te komen voor dringende medische hulp dient de gevraagde hulp een uitsluitend medisch karakter te hebben, waarvan de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt aangetoond. Dat de verleende hulp een louter medisch karakter heeft wordt door niemand betwist en blijkt uit het medisch getuigschrift. Vervolgens moet nagegaan worden of de gevraagde medische hulp "dringend" is. Met de eerste rechters kan vastgesteld worden dat onder "dringende" medische hulp dient verstaan te worden: de medische hulp die geen uitstel lijdt (Van Dale Woordenboek), die onmiddellijk moet toegediend worden. Het voorgelegde medisch attest vermeldt "endocrino ter uitsluiting v/e chro-nisch probleem er zal ook verschillende keren bloed gecontroleerd moeten w(orden)" en vermeldt onderaan de voorgedrukte vermelding: "DEZE ZOR-GEN ZIJN ONMISBAAR EN DRINGEND". Deze vermeldingen zijn onvoldoende om het dringend medisch karakter van de aanvraag te kunnen nagaan. Er wordt immers niet gemotiveerd waarom de voorgeschreven onderzoeken onverwijld dienen te gebeuren en niet uitgesteld kunnen worden. Een toetsing aan de voorwaarden van het KB van 12 december 1996 is niet mo-gelijk. Het arbeidshof moet evenwel de beslissing van het OCMW beoordelen en moet dus kunnen nagaan of de gevraagde medische hulp "dringend" was. Deze beoordeling is evenwel een medische beoordeling en het arbeidshof dient noodzakelijkerwijze een beroep te doen op het advies van een deskundige. Alvorens kan besloten worden of de gevraagde verstrekking beantwoordt aan het begrip "dringende medische hulp", stelt het arbeidshof een deskundige aan met de opdracht zoals hierna omschreven. De verwijzing in het verzoekschrift in hoger beroep naar een aantal internatio-nale bepalingen, zoals artikel 3 EVRM, artikel 11 I.V.E.S.C.R. en artikel 13 Europees Sociaal Handvest, die van toepassing zouden zijn, brengt hierin geen verandering. Te meer daar niet aangegeven wordt dat de Belgische regeling strijdig zou zijn met deze bepalingen. Het arbeidshof meent dat de Belgische regeling de toets met voormelde internationale bepalingen, voor zover ze al rechtstreekse wer-king zouden hebben, kan doorstaan. Pas nadat zal besloten worden over het al dan niet dringend karakter van de ge-vraagde medische verstrekking, dient nagegaan te worden of de behoeftigheid al dan niet onderzocht moet worden. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 28 mei 2008, waarover partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Alvorens ten gronde te oordelen, beveelt, in toepassing van artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek, een deskundigenonderzoek. Stelt aan als deskundige: dokter R.M. De deskundige dient zijn opdracht uit te voeren overeenkomstig de artikelen 966 tot en met 991bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwet-boek, en onder volgende modaliteiten:
  11. Opdracht: Na kennis te hebben genomen van het medisch getuigschrift van dokter E.B. van 9 februari 2006 en na gebeurlijk onderzoek van de heer A.E.S.S., wonend te, na te gaan of de medische verstrekking (endocrino ter uitsluiting van een chronisch probleem, er zal ook verschillende keren bloed gecontroleerd moeten worden) een dringende medische verstrekking was in de zin van het KB van 12 december
  12. Meer bepaald na te gaan of de gevraagde medische verstrekking dringend was in die mate dat ze niet uitgesteld kon worden en onverwijld diende uitgevoerd te worden. Indien de verstrekking toch uitgesteld kon worden, te bepalen hoe lang deze verstrekking kon uitgesteld worden. Machtigt de deskundige om zich indien nodig te laten bijstaan door een andere geneesheer-specialist.
  13. Aanvang der werkzaamheden: Gelet op de welomschreven medische opdracht ziet het arbeidshof, met instem-ming van partijen, af van het houden van een installatievergadering. Na kennisgeving van huidig arrest door de griffier beschikt de deskundige over acht dagen om de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren. Bij aanvaarding van de opdracht deelt de deskundige binnen de acht dagen de plaats, de dag en het uur mee waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvangen. De deskundige geeft hiervan kennis bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en per gewone brief aan de raadslieden en het arbeidshof.
  14. Advies en eindverslag Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige ter lezing zijn bevin-dingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, aan het arbeidshof, de par-tijen en hun raadslieden. De deskundige bepaalt een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmer-kingen kunnen laten gelden aangaande zijn voorlopig verslag. De deskundige ontvangt de opmerkingen van de partijen en van hun technische raadgevers voor het verstrijken van deze termijn en beantwoordt de tijdige opmer-kingen op het verslag in voorlezing. De termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op vier maanden vanaf datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden aanvat. Het eindverslag wordt gedagtekend en vermeldt de tegenwoordigheid van de par-tijen bij de werkzaamheden, hun mondelinge verklaringen en hun vorderingen. Het bevat bovendien een opgave van de stukken en nota's die de partijen aan de deskundige hebben overhandigd. Het verslag wordt op straffe van nietigheid door de deskundige ondertekend en de handtekening van de deskundige wordt voorafgegaan door de volgende eed: "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk heb vervuld." Het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige worden ter griffie neerge-legd. Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige bij een ter post aangetekende brief, een afschrift van het verslag en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon aan de partijen en bij gewone brief aan hun raadslieden.
  15. Begroting kosten en ereloon van het deskundigenonderzoek Bij de begroting van de kosten en het ereloon dient de aangestelde deskundige rekening te houden met het koninklijk besluit van 14 november 2003 tot vast-stelling van het tarief van de erelonen en kosten voor de deskundigen aangewe-zen door de arbeidsgerechten in het kader van medische deskundige onderzoe-ken inzake de geschillen betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, de gezinsbijslag voor werknemers en zelfstandigen, de werkloosheidsverzeke-ring en de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Verwijst de zaak naar de bijzondere rol van de vierde kamer en houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer R. PEETERS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door de heer R. SMETS, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in open-bare terechtzitting van vijfentwintig juni tweeduizend en acht. R. SMETS G. SCHAMPAERT R. PEETERS D. TORFS PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080625.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.