id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080626.15 Rolnummer: 2007-0355 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-30 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 17:44 Fiches 1 - 2 Een CAO die in zijn bewoordingen of zijn interpretatie afwijkt van de imperatieve bepalingen van het K.B. dat de toekenning van werkloosheidsuitkeringen regelt ingeval van conventioneel brugpensioen is niet verenigbaar met de principes van de hiërarchie van de rechtsbronnen. Wanneer de opzeggingstermijn verstrijkt na de periode tijdens dewelkde de CAO van toepassing was die een verkorte opzeggingstermijn voorzag, kan de betrokkene niet meer genieten van deze verkorte opzeggingstermijn en kan hij zich niet beroepen op overmacht. De storting door de uitbetalingsinstelling van de ingehouden bedrijfsvoorheffing in de schatkist namens de werkloze, houdt een betaling in van een gedeelte van de onderbrekingsuitkeringen waarop de betrokkene gerechtigd is en moet dus beschouwd worden als een 'ontvangen uitkering' die kan worden teruggevorderd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Collectieve arbeidsovereenkomsten - Algemeen Vrije woorden: brugpensioen - toepassing CAO - verkorte opzeggingstermijn - hiërarchie van de rechtsbronnen - geen overmacht - ingehouden bedrijfsvoorheffing - terugvordering Wettelijke bepalingen: Wet - 05-12-1968 - 51 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Werkgelegenheid - Tewerkstelling - Beroepsopleiding - Tewerkstelling - Nationaal - Arbeidsvoorziening en werkloosheid Vrije woorden: toekenningsvoorwaarden - wordt als loon beschouwd - brugpensioen - toepassing CAO - verkorte opzeggingstermijn - hiërarchie van de rechtsbronnen - geen overmacht - ingehouden bedrijfsvoorheffing - terugvordering Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 46 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: IV B - V AN Gerangschikt onder IV B - artikel 51 en onder V AN - artikel
- Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070355 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: I. V. H., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. A. R., loco mr. A. B., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 september 2007, 10 april 2008, 8 mei 2008 en 26 juni 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 14 mei 2007 (A.R. 390.064); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 14 juni 2007; - de beschikking in toepassing van artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt te Antwerpen door de kamervoorzitter op 11 september 2007; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 3 oktober 2007; - de conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 31 januari 2008; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 8 mei 2008, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 8 mei
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van de administratieve dossiers van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 3 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen A.R. 390.064 + stuk 3 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen A.R. 390.065) en de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit 10 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 10 april
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 8 mei 2008 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 14 juni 2007, tekende I. V. H. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 14 mei 2007 (A.R. 390.064 en A.R. 390.065). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 16 mei
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De heer I. V. H. was als directeur in dienst van de nv C.M.K. Europe: - voltijds vanaf 8 februari 1988 tot 31 december 2003; - deeltijds (31,20/39) vanaf 1 januari 2004 (1/5de loopbaanvermindering). Ingevolge beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen van 15 december 2003 (stuk 2 administratief dossier: formulier C62 beslissing) was I. V. H. -ingevolge de loopbaanvermindering in het kader van het tijdskrediet- gerechtigd op onderbrekingsuitkeringen vanaf 1 januari 2004 tot 31 januari 2009 ten bedrage van 220,28 euro per maand. Dit bedrag kon wijzigen ten gevolge van een indexaanpassing. Op 23 september 2004 werd tussen nv C.M.K. Europe te Geel en de vakorganisaties (LBC en BBTK) een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten tot invoering van een bijzonder brugpensioenstelsel voor bedienden van een onderneming in herstructurering, geldig van 1 oktober 2004 tot 30 september
- Er werd overeengekomen en aanvaard wat volgt (stuk 3 bundel appellant: C.A.O. van 23.09.2004): Art. 1 Doel Deze C.A.O. voorziet in de uitwerking van een belangrijk onderdeel van de C.A.O. van 23 september 2004, waarbij partijen een aantal sociale voorzieningen overeenkwamen die de sluiting van CMK Europe NV moeten begeleiden. Met dit akkoord wensen partijen de erkenning van CMK Europe NV als onderneming in herstructurering te verkrijgen, waardoor brugpensionering vanaf de leeftijd van 50 jaar mogelijk wordt. Art. 2 Toepassingsgebied Deze C.A.O. is van toepassing op de bedienden die verbonden zijn met de bovenvermelde werkgever met een overeenkomst van onbepaalde duur, en die tijdens de duur van deze C.A.O. de leeftijd van 50 jaar of meer bereiken. Deze bedienden kunnen het brugpensioenstatuut (conform C.A.O. 17) verkrijgen indien zij worden ontslagen. Art. 3 Opzeggingstermijn De opzeggingstermijn die in acht zal genomen worden stemt overeen met de wettelijke opzeggingstermijn zoals voorzien in de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Deze opzeggingstermijn kan in uitvoering van de CAO herstructurering ingekort worden tot 6 maanden (3 maanden voor bediende met minder dan 5 jaren dienst) voor zover het bedrijf erkend wordt als zijnde in herstructurering. Eveneens wordt individueel afgerekend: vast loon, eventueel niet opgenomen dagen anciënniteitverlof, arbeidstijdverkortingdagen, vakantiegeld "uit dienst", eindejaarspremie... Art. 4 Duur Deze C.A.O. gaat in voege op 1 oktober 2004 en verstrijkt op 30 september
- De bepalingen van deze C.A.O. hebben slechts uitwerking tijdens de duur van de erkenning als onderneming in herstructurering en de vrijstelling van vervangingsplicht door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. (....). Met en aangetekende brief van 21 juni 2005 werd de arbeidsovereenkomst tussen I. V. H. met C.M.K. Europe beëindigd door de werkgever wegens herstructurering met een opzeggingstermijn, ingaande op 1 juli 2005 (stuk 1 bundel appellant: ontslagbrief CMK Europe). Op 27 juni 2005 werd tussen de werkgever en I. V. H. een 'overeenkomst inzake opzeggingstermijn' afgesloten met volgende inhoud (stuk 2 bundel appellant): "
- Ingevolge de herstructurering is het ontslag van dhr V. H. noodzakelijk.
- De heer V. H. opteert er voor gebruik te maken van de CAO van 23 september 2004 inzake brugpensioen voor bedienden ingevolge de herstructurering van Cmk Europe NV en stemt in met de in de CAO voorziene opzegtermijn van 6 maanden.
- Dientengevolge wordt de opzegtermijn vastgelegd op 6 maanden met ingang van 1 juli
- De opzegtermijn eindigt op 31 december
- De opzegtermijn van 6 maanden wordt door de heer V. H. aanvaard." Met een formulier C4 brugpensioen van 26 december 2005 vroeg I. V. H. werkloosheidsuitkeringen aan vanaf 1 januari
- Met schrijven van 10 februari 2006 deelde de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen aan I. V. H. mee dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn aanvraag om werklozensteun vanaf 2 januari 2006 niet aanvaardde (ondermeer) omdat hij 17 jaar in dienst was en dus recht had op een opzegperiode van minimum 12 maanden in plaats van 6 maanden (stuk 5 administratief dossier: formulier COC29 brief HVW + bijlagen). Met een aangetekend schrijven van 15 februari 2006 gericht aan HVW antwoordde I. V. H. als volgt: "Betreft: Niet aanvaarde aanvraag - Dossier teruggestuurd door RVA Uw referenties: C51 van 31/01/2006 - Aanvraag van 2/01/2006 - Limiet 22/08/2006 RRN 440119/241-23 Mevrouw, Ik kan hoegenaamd niet akkoord gaan met de verwerping door RVA van mijn steunaanvraag. Ik werd immers ontslagen met een opzegtermijn van 6 maanden zulks ingevolge een CAO Brugpensioen ingevolge herstructurering van ons bedrijf. Die CAO voorziet expliciet in een opzegtermijn van 6 maanden voor ons bedrijf dat erkend werd als zijnde bedrijf in herstructurering. Ik voeg hierbij trouwens een kopie van deze CAO alsmede een kopie van de neerlegging. Deze CAO werd goedgekeurd door de Minister van Werk. Toen ik mij op 02/01/2006 bij HVW (Mevr. Leys) aanbood heb ik bijgaande documenten trouwens overhandigd doch die waren vlgs. Mevr. Leys niet noodzakelijk. Besluit: de opzeggingstermijn bedroeg geen 12 doch slechts 6 maanden. (...)" Met schrijven van 9 maart 2006 werd I. V. H., in toepassing van artikel 144 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna afgekort Werkloosheidsbesluit), uitgenodigd op het werkloosheidsbureau teneinde meer uitleg te geven over het feit dat ingevolge zijn ontslag van CMK Europe, de opzeggingstermijn niet werd gerespecteerd door de gewezen werkgever (stuk 7 administratief dossier: formulier C36 uitnodiging tot verhoor). Tijdens het verhoor op 24 maart 2006 legde I. V. H. volgende verklaring af stuk 8 administratief dossier: formulier C25.2 verhoor): "Ik ben verbaasd dat de opzeggingstermijn niet correct werd gegeven door mijn gewezen werkgever CMK EUROPE. Ik ben ervan overtuigd dat als je ontslagen wordt in de periode van herstructurering de opzeg mag worden verkort. Dat het niet de einddatum van deze opzeggingstermijn is die in de periode van herstructurering moet liggen. Ik ben niet akkoord dat ik geen recht heb op werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 2.1.2006 t/m 25.5.
- Ik ga i.v.m. mijn dossier contact opnemen met de vakbond BBTK." Vervolgens besliste de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen op 29 maart 2006 aan I. V. H. het recht op werkloosheidsuitkeringen te ontzeggen van 2 januari 2006 tot en met 25 mei
- De directeur nam deze beslissing op grond van volgende motivering (stuk 10 administratief dossier): "U maakt aanspraak op uitkeringen. Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn ( art. 44 van het bovenvermeld K.B.). Wordt inzonderheid als loon beschouwd: de vergoeding of de schadevergoeding, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade, waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (art. 46, §1, eerste lid, 5° van het bovenvermeld K.B.). Bij de beëindiging van uw arbeidsovereenkomst met CMK EUROPE werden de wettelijke bepalingen in verband met de opzegging niet nagekomen. Volgens de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten kan u immers aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding van tenminste 12 maanden ipv. 6 maanden, vermits er geen verkorte opzeg mogelijk is omdat de opzegging eindigt na de periode erkenning in herstructurering. De opzeggingstermijn loopt dus van 01.07.2005 tot en met 30.06.
- Gelet op het feit dat u in deze periode gedeeltelijke loopbaanon-derbreking had, dient de periode van 01.01.2006 tot en met 30.06.2006 geproportionaliseerd te worden zodat de periode loopt van 01.01.2006 tot en met 25.05.
- U hebt geen vordering ingesteld om de opzeggingsvergoeding te eisen die overeenstemt met het loon tijdens de opzeggingstermijn. U bent dus niet wegens omstandigheden onafhankelijk van uw wil zonder loon gedurende deze periode en voldoet dus niet aan de hiervoor vermelde vereiste van art. 44 van het bovenvermeld K.B. (...)". Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 juni 2006, tekende I. V. H. beroep aan tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 29 maart
- Dit verzoekschrift werd ingeschreven in de algemene rol onder het nummer 390.
- Met schrijven van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 5 april 2006 werd I. V. H. uitgenodigd voor een verhoor op 18 april 2006 omdat uit nazicht van zijn dossier bleek dat hij voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 februari 2006 geen recht had op uitkeringen loopbaanonderbreking aangezien hij met brugpensioen was. Met schrijven van 17 april 2006 legde I. V. H. volgende schriftelijke verklaring af (stuk 4 administratief dossier: formulier C36 verklaring + bijlage): "
- Ik werd ontslagen op 21 juni 2005 ingevolge herstructurering van het bedrijf. De ontslagperiode ging in op 1 juli
- Ingevolge mijn ontslag opteerde ik toen voor brugpensioen. Op dat ogenblik was er een geldige CAO - brugpensioen ingevolge herstructurering die voorzag in een verminderde opzegtermijn van 6 maanden. Bijgevolg liep de opzegperiode af op 31/12/
- Sedert 01/01/2004 werkte ik bovendien in een systeem van 1/5° loopbaanvermindering ingevolge landingsbaan.
- Normaal had ik dus vanaf 01/01/2006 werkloosheidsuitkeringen moeten ontvangen als voltijdse bruggepensioneerde en zouden de uitkeringen voor loopbaanvermindering vanaf die datum ophouden.
- RVA heeft echter de uitkeringen met ingang van 1/1/2006 geweigerd om volgende reden: "de CAO herstructurering van het bedrijf liep af op 30/09/2005". Bijgevolg kan ik slechts uitkeringen krijgen na een opzegperiode van 12 maanden (ipv 6 maanden) ttz vanaf 1 juli 2006 (ipv 1 januari 2006). Die termijn werd echter teruggebracht naar 25/05/2006 omdat ik op het ogenblik van het ontslag in loopbaanvermindering was. Om deze redenen komt het mij over dat ik de uitkeringen loopbaanvermindering zou blijven ontvangen tot 25/05/
- Het lijkt mij inderdaad onlogisch dat ik enerzijds niet erkend wordt als werkloze voor de periode van 01/01/2006 tot 25/05/2006 en dat ik tevens mijn uitkering 'loopbaanvermindering' voor de zelfde periode zou verliezen. Dat zou immers inhouden dat men de principes in beide gevallen anders interpreteert. Ik heb dan ook navraag gedaan bij het sociaal secretariaat van de firma nl. SD Worx te Geel. Deze hebben contact opgenomen met RVA-Turnhout. Volgens SD Worx wordt door RVA Turnhout in zulk geval de uitkering loopbaanonderbreking toegekend tot op de dag dat de werkloosheidsuitkeringen een aanvang nemen. BESLUIT Het komt mij over dat er slechts 2 mogelijkheden zijn nl.:
- Ofwel wordt ik als voltijdse bruggepensioneerde erkend met ingang van 1 januari (in de praktijk 2 januari omdat de werkgever mij de feestdagen binnen de eerste 30 dagen werkloosheid verschuldigd is) en worden de uitkeringen loopbaanvermindering met ingang van 1 januari stopgezet
- Ofwel wordt ik pas als bruggepensioneerde erkend met ingang van 26/05/2006 en dienen mij de uitkeringen voor loopbaanvermindering te worden toegekend tot 25/05/2006." Op het verhoor van 18 april 2006 verzocht I. V. H. om redenen van billijkheid toch de uitkeringen tijdskrediet te kunnen krijgen tot en met 25 mei 2006 aangezien hij voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 25 mei 2006 geen inkomen had (stuk 5 administratief dossier: brief van 21 april 2006 van het werkloosheidsbureau Antwerpen gericht aan het hoofdbestuur RVA, directie loopbaanonderbreking). De aanvraag 'overmacht' werd geweigerd door het hoofdbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening met volgende motivering (stuk 7 administratief dossier: beslissing hoofdbestuur van 8 mei 2006): "Betreft: Tijdskrediet: dossier V. H. I. (RRNR .........) De heer V. H. genoot een 1/5de vermindering van de arbeidsprestaties van 01/01/2004 tot 31/01/
- Artikel 2§1 van de CAO 77bis van 19/12/2001 stelt dat het tijdskrediet enkel van toepassing is op werknemers met een arbeidsovereenkomst. Omwille van herstructureringen werd betrokkene echter ontslagen op 31/12/
- Dit ontslag impliceert dan ook het einde van zijn arbeidsovereenkomst en bijgevolg ook het verlies van zijn tijdskrediet vanaf deze datum. Het is bijgevolg voor de RVA onmogelijk een tijdskrediet en de daaraan verbonden onderbrekingsuitkeringen toe te kennen voor een duurtijd die het bestaan van een arbeidsovereenkomst overschrijdt. Betrokkene diende, zoals reeds vermeld in de beslissing van het WB Antwerpen van 29/03/2006, een vordering in te stellen om de verschuldigde opzeg te eisen. Betrokkene kan eveneens in beroep gaan bij de betrokken arbeidsrechtbank wegens het niet toekennen van werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 02/01/2006 tot en met 25/05/2006." De directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen heeft vervolgens aan I. V. H. het volgende meegedeeld (stuk 8 administratief dossier: brief van 15 mei 2006 gericht aan I. V. H.): "Naar aanleiding van het uit dienst gaan bij uw werkgever, werd u op 18.04.06 uitgenodigd in verband met een terugvordering van te veel betaalde uitkeringen tijdskrediet. Tijdens dit onderhoud heeft u ons medegedeeld "overmacht" te willen aanvragen, gezien uw specifieke situatie bij het einde van uw arbeidsovereenkomst. Uw brieven d.d. 17.04.06 en 02.05.06 werden respectievelijk op 21.04.06 en 05.05.06 aan ons Hoofdbestuur om beslissing overgemaakt. Op 10.05.06 kregen wij het bericht dat het in uw geval onmogelijk is overmacht toe te staan. Uitkeringen tijdskrediet kunnen immers enkel worden toegekend als de arbeidsovereenkomst niet is afgelopen. Artikel 2, §1 van CAO 77bis d.d. 19.12.05 stelt dat tijdskrediet enkel van toepassing is op werknemers met een arbeidsovereenkomst. Het staat u echter wel vrij in beroep te gaan bij de arbeidsrechtbank wegens het niet toekennen van werkloosheidsuitkeringen. Eerstdaags zal u van onze dienst Kas een stortingsformulier toegestuurd krijgen waarmee u de terug te betalen som kan vereffenen." Vervolgens werd bij beslissing van 30 mei 2006 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen aan I. V. H. het recht op onderbrekingsuitkeringen ontzegd vanaf 1 januari 2006 en de onrechtmatig genoten uitkeringen teruggevorderd van 1 januari 2006 tot en et 28 februari 2006 (stuk 9 administratief dossier: formulier C62 beslissing). Bij administratieve beslissing van 30 mei 2006 (stuk 10 administratief dossier: formulier C31 nr. 711/2006/01412, terugvorderingbeslissing) werd in uitvoering van de beslissing C62 van 30 mei 2006, de loopbaanonderbrekinguitkeringen van 1 januari 2006 tot en met 28 februari 2006 ten bedrage van 458,38 euro teruggevorderd. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 juni 2006, tekende I. V. H. beroep aan tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 30 mei
- Dit verzoekschrift werd ingeschreven in de algemene rol onder het nummer 390.
- Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 14 mei 2007 werd, na samenvoeging van de vorderingen ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 390.064 en 390.065 : - de vordering van I. V. H. ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de administratieve beslissing van de directeur van 29 maart 2006 en 30 mei 2006 evenals de terugvorderingbeslissing van 30 mei 2006 van de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau Antwerpen bevestigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van I. V. H. vereffend op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding en op 4,82 euro aantekenrecht. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 14 juni 2007, tekende I. V. H. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep I. V. H. (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - de bestreden beschikking, behoudens wat betreft de samenvoeging van de dossiers gekend onder A.R. 390.064 en A.R. 390.065 en de ontvankelijkheid van de vorderingen, te vernietigen en opnieuw recht doende: * de administratieve beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoor-ziening d.d. 29 maart 2006 en 30 mei 2006 te vernietigen; * te zeggen voor recht dat de heer V. H. gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen vanaf 2 januari 2006; * te zeggen voor recht dat de heer V. H. gerechtigd is op de teruggevorderde onderbrekingsuitkeringen * subsidiair te zeggen voor recht dat de heer V. H. slechts gehouden is tot terugbetaling van de met de gevorderde brutobedragen overeenstemende nettogedeelten; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen in de kosten van beide instanties, aan de zijde van V. H. begroot op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 4,82 euro aantekenrecht eerste aanleg en 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep als ongegrond af te wijzen; - de administratieve beslissingen d.d. 29 maart 2006 en 30 mei 2006, alsmede het vonnis a quo d.d. 14 mei 2007, integraal te bevestigen. Op de openbare terechtzitting van 10 april 2008 verklaarden partijen zich, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, akkoord met het basisbedrag zoals voorzien in het KB van 26 oktober
- Ten gronde 5.
- Administratieve beslissing van 29 maart 2006 5.1.
- Situering van het geschil Bij administratieve beslissing van 29 maart 2006 werd appellant het recht op werkloosheidsuitkeringen ontzegd van 2 januari 2006 tot en met 25 mei 2006 op grond van de artikelen 44 en 46 van het Werkloosheidsbesluit. Overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit dient de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon te zijn. Artikel 46, §1, eerste lid, 5° bepaalt dat voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon wordt beschouwd: de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereen-komst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering. Volgens geïntimeerde kon appellant, overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, aanspraak maken op een opzeggingstermijn van ten minste 12 maanden in plaats van op 6 maanden, aangezien er geen verkorte opzeg mogelijk was vermits de opzegging een einde nam na de periode van erkenning in herstructurering van de onderneming waar appellant werkzaam was. Rekening houdend met de omstandigheid dat appellant tijdens de opzeggingstermijn van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 genoot van gedeeltelijke loopbaanonderbreking werd de periode van ontzegging van het recht op werkloosheidsuitkeringen in de administratieve beslissing geproportionaliseerd van 1 januari 2006 tot en met 25 mei
- Appellant van zijn kant houdt staande dat hij recht heeft op een verkorte opzeggingstermijn van 6 maanden en hij verwijst hiervoor naar de CAO van 23 september 2004 gesloten in CMK Europe betreffende het brugpensioen, toepasselijk op het bediendepersoneel, geldig van 1 oktober 2004 tot 30 september 2005; artikel 3 van deze CAO bepaalt dat de opzeggingstermijn van de wet van 3 juli 1978, in uitvoering van de CAO herstructurering ingekort kan worden tot 6 maanden voor zover het bedrijf wordt erkend als zijnde in herstructurering. Gelet op voormelde standpunten dient ter worden onderzocht of appellant aanspraak kon maken ofwel op een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 12 maanden dan wel op een opzeggings-vergoeding overeenstemmend met een opzeggingstermijn van 6 maanden. 5.1.
- Beoordeling Artikel 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités bepaalt de hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers. Krachtens dit artikel hebben dwingende wetsbepalingen bij de toepassing ervan voorrang op de toepassing van de bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen verbindend verklaard of niet. Hoewel artikel 51 van de CAO-wet het enkel heeft over de wet moeten daaronder ook de koninklijke en ministeriële besluiten en de internationale verdragen en verordeningen worden verstaan (Parl. St. Senaat, 1966-67, nr. 148, 60). Gelet op voormelde hiërarchie van de rechtsbronnen kan de CAO van 23 september 2004 noch in zijn bewoordingen, noch in zijn interpretatie afwijken van de imperatieve bepalingen van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen (B.S., 11 december 1992). Overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 kan voor de werknemers die behoren tot een bedrijf in herstructurering, in afwijking van artikel 46 van het Werkloosheidsbesluit en dus met behoud van hun recht op uitkeringen, worden voorzien in de inkorting van de opzeggingstermijn of van de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode: 1° door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst; 2° bij gebrek daaraan, door een collectieve arbeidsovereenkomst of collectief akkoord gesloten voor de toepassing van dit besluit en door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid goedgekeurd; 3° en voor zover de opzeggingstermijn of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode van de ontslagen werknemer verstrijkt gedurende de periode tijdens dewelke zowel de collectieve arbeidsovereenkomst als het collectief akkoord die een aanvullende vergoeding voorziet, als de toelating bedoeld in artikel 9, §5 van toepassing zijn. In huidig geschil betwisten partijen niet dat de voormalig werkgever van appellant erkend werd als bedrijf in herstructurering bij beslissing van 9 december 2004 en dit voor een periode van 12 maanden om te eindigen op 30 september
- Op 27 juni 2005 sloten appellant en zijn werkgever CMK Europe NV een overeenkomst waarin appellant opteerde om gebruik te maken van de CAO van 23 september 2004 inzake brugpensioen voor bedienden ingevolge de herstructurering van CMK Europe NV. In voormelde overeenkomst werd de opzeggingstermijn vastgelegd op 6 maanden met ingang van 1 juli 2005 zodat de opzeggingstermijn een einde zou nemen op 31 december
- Aangezien de opzeggingstermijn van appellant of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode verstreek na de periode tijdens dewelke de collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing was kan geen rekening gehouden worden met de verkorte opzegging van 6 maanden en dient een opzeggingstermijn van 12 maanden gerespecteerd te worden (artikel 82, §2 arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978). De opzeggingstermijn loopt dus van 1 juli 2005 tot 30 juni 2006 maar vermits appellant in deze periode gedeeltelijke loopbaanonderbreking had werd de opzeggingstermijn in de administratieve beslissing van 29 maart 2006 terecht geproportionaliseerd zodat de opzeggingstermijn liep tot en met 25 mei
- Om vooralsnog in aanmerking te komen voor het recht op werkloosheids-uitkeringen vanaf 2 januari 2006 beroept appellant zich op overmacht of onoverwinnelijke dwaling bij het opstellen van de overeenkomst tot inkorting van de opzeggingstermijn. Appellant kan zich hierop evenwel niet beroepen aangezien hij vrijwillig geopteerd heeft voor de verkorte opzegging; de bij CAO voorziene regeling inzake de verkorte opzeggingstermijn voor de ontslagen bediende maakt een facultatieve regeling uit en appellant was niet verplicht de verkorte opzeggingstermijn te aanvaarden. De tekst van het koninklijk besluit van 7 december 1992 is duidelijk en de onwetendheid hierover volstaat niet om toch toegelaten te worden tot de werkloosheidsuitkeringen tijdens de in betwisting zijnde periode. Het volstaat immers niet dat appellant niet wist, vereist wordt tevens dat het niet-weten onoverkomelijk werd gemaakt door omstandigheden buiten de wil om van appellant. Appellant bewijst geenszins dat zijn onwetendheid te wijten is aan een onoverkomelijke gebeurtenis waarop hij geen vat had noch dat hij gehandeld heeft als ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou gehandeld hebben. Samenvattend dient besloten dat appellant in de periode van 2 januari 2006 tot en met 25 mei 2006 niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van het Werkloosheidsbesluit, meer bepaald niet wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder loon zijn, zodat de eerste rechters terecht de administratieve beslissing van 29 maart 2006 bevestigd hebben. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
- Administratieve beslissingen van 30 mei 2006 5.2.
- Situering van het geschil Bij administratieve beslissingen van 30 mei 2006 (C62 + C31) werd: - enerzijds het recht op onderbrekingsuitkeringen ontzegd vanaf 1 januari 2006 op grond van artikel 2, §1 van de Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis van 19 december 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking; - anderzijds de onrechtmatig genoten loopbaanonderbrekinguitkeringen van 1 januari 2006 tot en met 28 februari 2006 ten bedrage van 458,38 euro teruggevorderd op grond van artikel 103bis van de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari
- Bij bestreden vonnis van 14 mei 2007 werden de administratieve beslissingen van 30 mei 2006 (zowel de C62 als de C31) bevestigd en appellant formuleert hiertegen geen enkele beroepsgrief; hij vordert subsidiair enkel te zeggen voor recht dat hij slechts gehouden is tot terugbetaling van de met de gevorderde brutobedragen overeenstemmende nettogedeelten. 5.2.
- Beoordeling Ingevolge een aanvraag voor een loopbaanonderbreking besliste de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen om aan appellant onderbrekingsuit-keringen uit te betalen vanaf 1 januari 2004 tot 31 januari 2009 ten bedrage van 220,28 euro per maand. Dit bedrag kon wijzigen ten gevolge van een indexaanpassing. Vanaf de betaling van de maand december 2003 werd een bedrijfsvoorheffing ingehouden (17,15% ingeval van vermindering van de prestaties) (stuk 2 administratief dossier: C62 van 15 december 2003). Er bestaat tussen partijen geen betwisting over het feit dat appellant in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 februari 2006 onderbrekings-uitkeringen heeft genoten; deze uitkeringen vormen een beroepsinkomen in de zin van artikel 23, §1, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en zijn derhalve belastbaar. Uit een samenlezing van artikel 270 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en artikel 87 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 blijkt dat bedrijfsvoorheffing aan de bron verschuldigd is op de werkloosheidsuit-keringen "door de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde belastingplichtigen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betalen of toekennen (...)". Deze inhouding geschiedt door de uitbetalingsinstellingen vermits, in toepassing van artikel 7, §2 van de Besluitwet van 28 december 1944, de werkloosheidsuitkeringen aan de gerechtigden worden uitbetaald: - hetzij door bemiddeling van uitbetalingsinstellingen welke opgericht worden door representatieve werknemersorganisaties en die daartoe door de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, erkend zijn en wegens dit feit rechtspersoonlijkheid verkregen hebben; - hetzij door bemiddeling van een openbare instelling beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De aldus ingehouden bedragen hebben tot doel de belastingen te voldoen die verschuldigd zijn door de sociaal verzekerde op ontvangen werkloosheidsver-goedingen; artikel 276 W.I.B. 92 bepaalt immers: "De in artikel 1 vermelde belastingen worden naar de mate als hierna is bepaald gekweten door verrekening van de onroerende, de roerende en de bedrijfsvoorheffing, het forfaitaire gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingskrediet". De bedrijfsvoorheffing vormt bijgevolg een voorafbetaling in naam en voor rekening van de belastingplichtige en het bedrag van deze voorheffing wordt bij de uiteindelijke vaststelling van de belastingsschuld daarmee verrekend. De storting door de uitbetalingsinstelling van de ingehouden bedrijfsvoor-heffing in de schatkist ten name van de werkloze/belastingplichtige houdt dienvolgens wel degelijk een betaling in van een gedeelte van de onderbrekingsuitkeringen waarop appellant gerechtigd is; het bedrag van deze voorheffing moet dan ook beschouwd worden als een door appellant 'ontvangen som' of ontvangen uitkering welke van hem kan teruggevorderd worden op grond van artikel 169 van de werkloosheidsreglementering. Samenvattend besluit het hof dat het bedrag van de bedrijfsvoorheffing deel uitmaakt van de 'ten onrechte ontvangen som' zodat appellant gehouden is de onrechtmatig genoten loopbaanonderbrekingsuitkeringen over de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 februari 2006 ten bedrage van 458,38 euro terug te betalen. De in ondergeschikte orde geformuleerde eis, meer bepaald 'te zeggen voor recht dat hij slechts gehouden is tot terugbetaling van de met de gevorderde brutobedragen overeenstemmende nettogedeelten', is derhalve ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 8 mei
- Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 14 mei 2007 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 390.064). Verklaart de in ondergeschikte orde geformuleerde eis, meer bepaald 'te zeggen voor recht dat hij slechts gehouden is tot terugbetaling van de met de gevorderde brutobedragen overeenstemmende nettogedeelten', ongegrond. Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van I. V. H. op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080626.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div