id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080626.21 Rolnummer: 2006-0787 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-12-21 Raadplegingen: 136 - laatst gezien 2026-07-02 17:44 Fiches 1 - 3 Nu een vereniging zonder winstoogmerk geen commerciële onderneming is, kan de uitoefening ten kostenloze titel van het mandaat van voorzitter niet gelijkgesteld worden met een kosteloos mandaat van beheerder of zaakvoerder in een commerciële vennootschap, zodat hieruit geen zelfstandige activiteit blijkt die aanleiding geeft tot de aangifteplicht. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - toekenningsvoorwaarden - wordt als arbeid beschouwd - kosteloos mandaat van bestuurder of zaakvoerder in een commerciële vennootschap - aangifteplicht - voorzitter van een vzw - geen arbeid Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 45 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Procedure - Administratieve sancties Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - administratieve sancties - uitsluiting wegens onverschuldigde uitkeringen - kosteloos mandaat van bestuurder of zaakvoerder in een commerciële vennootschap - aangifteplicht - voorzitter van een vzw - geen arbeid Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 153, 1ste lid - 50 ELI link Pub nr 1991013192 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Toepassingsgebied Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - SOICAAL STATUUT - toepassingsgebied - de zelfstandigen - kosteloos mandaat van bestuurder of zaakvoerder in een commerciële vennootschap - aangifteplicht - voorzitter van een vzw - geen arbeid Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Koninklijk Besluit - 19-12-1967 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1967121910 Nota: V AN - VIII A Gerangschikt onder V AN - artikel 45, onder V AN - artikel 153, 1ste lid en onder VIII A - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 4, blz. 176-179 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060787 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINIG JUNI TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: F. B., appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. W. T., advocaat te 2610 Wilrijk, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 februari 2007, 11 oktober 2007, 24 april 2008 en 22 mei 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 4 december 2006 (A.R. 387.755); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 december 2006; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 15 maart 2007; - de conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 mei 2007; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 22 mei 2008, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 22 mei
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 3 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen), de bundel van de raadsman van F. B. bestaande uit 20 genummerde stukken en de bundel van de raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bestaande uit een kopie van een arrest van het arbeidshof Luik d.d. 5.11.1996 - A.R. 23.743/
- Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 24 april
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 22 mei 2008 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 december 2006, tekende F. B. hoger beroep aan tegen een vonnis dat door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd uitgesproken op 4 december 2006 (A.R. 387.755). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 6 december
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Met conclusies ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 15 maart 2007 stelt geïntimeerde incidenteel beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 4 december
- Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging F. B. genoot werkloosheidsuitkeringen vanaf 5 maart 2003 als volledig werkloze. Met formulier C1 van 11 maart 2003 verklaarde hij geen enkele activiteit uit te oefenen. Dit werd later bevestigd met formulieren C1 van 17 maart 2004 en 26 april
- Uit een onderzoek door de controledienst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bleek: - dat F. B. vanaf 1 augustus 2003 voorzitter is van de vzw Solidarité et Développement en Afrique - dat F. B. noch bij zijn uitbetalingsinstelling, noch bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aangifte deed van deze activiteit als voorzitter en hij nooit schrappingen heeft aangebracht op zijn controlekaart. Op 11 juli 2005 werd F. B. door de sociaal controleur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verhoord en legde in de franse taal een verklaring af die door de sociaal controleur werd vertaald als volgt (stuk 8 administratief dossier: verhoorblad C25.2): "Ik ben werkloos sinds maart
- Ik heb op 01/08/2003 een VZW opgericht, genaamd Solidariteit en Ontwikkeling in Afrika waarvan ik voorzitter ben. Het doel van de VZW in het ontwikkelen van banden tussen de Afrikaanse diaspora en de landen van herkomst. In het begin was er geen activiteit maar de VZW huurt sinds 01/06/05 officieel een café. Daarvoor hadden we werkelijk geen activiteiten. Vanaf 1/6/05 dient Dambruggestraat 44 2060 Antwerpen als een ontmoetingsplaats door de leden van de VZW. Het café is open alle dagen van 15 tot 23 uur. De mensen die werken in het café zijn leden die niet worden betaald. Alle soorten drank worden geschonken (ook alcohol, bieren) maar geen likeuren zoals whisky, enz. We vragen voor de normale dranken 1,5 euro en voor grote bieren 2,5 euro. We gebruiken het geld dat we verdienen met de drankverkoop om de huur van het gebouw te betalen. Ik heb het HVW er niet van op de hoogte gebracht dat ik voorzitter was van VZW Solid'Af omdat ik niet wist dat ik dit moest doen. Ik heb op 5/7/2005 een toelating gevraagd op het HVW om gratis te mogen werken als voorzitter van de VZW." F. B. werd vervolgens uitgenodigd om zich op 19 oktober 2005 aan te bieden op het werkloosheidsbureau te Antwerpen om hem de mogelijkheid te geven meer uitleg te geven over het volgende feit: "U deed geen aangifte van uw mandaat als voorzitter van VZW Solidarité et Développement en Afrique vanaf 01.08.2003 en u brengt geen schrappingen op uw stempelkaart aan" (stuk 9 administratief dossier: formulier C 36). Hij verklaarde op 4 december 2001 (stuk 10 administratief dossier: formulier C 25.2): "Ik bevestig de verklaring die ik reeds verder aflegde aan de controleur op 11.07.
- Wat ik nog wil toevoegen is het feit dat er verschillende sportieve en culturele activiteiten door de vzw georganiseerd worden. Ik heb daarvoor verschillende papieren opgestuurd naar de RVA na het onderhoud met de controleurs." Vervolgens besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen op 16 december 2005, - in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 139, 142, 144, 153, 158 en 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering - : - F. B. vanaf 1 augustus 2003 uit te sluiten van het recht op uitkeringen (artikelen 44, 45 en 71 van voormeld K.B.); - F. B. vanaf 19 december 2005 gedurende een periode van 6 weken uit te sluiten van het recht op uitkeringen omdat hij een verplichte verklaring niet heeft afgelegd (artikel 153 van voormeld K.B.); - de uitkeringen die F. B. vanaf 1 augustus 2003 onrechtmatig ontving terug te vorderen (artikel 169 van voormeld K.B.). Met schrijven van 23 februari 2006 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van zijn beslissing C29 van 16 maart 2006, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 1 augustus 2003 tot en met 31 oktober 2005 ten bedrage van 22.337,86 euro terug te betalen (stuk 13 administratief dossier: terugvordering C31). Met verzoekschriften, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 24 maart 2006 tekende F. B. verhaal aan tegen de beslissing van de directeur van 23 februari 2006, met als ref. C31/711/2006/00388 en de beslissing van 15 december 2005 met als ref. C29/71122/45/CS. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 4 december 2006 werd(en): - de vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard; - de beslissing van 16 december 2005 en de terugvorderingbeslissing van 23 februari 2006 van de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen bevestigd; - F. B. gemachtigd om het door hem verschuldigde bedrag te betalen met maandelijkse afkortingen ten bedrage van 75,00 euro, waarvan de eerste werd vastgesteld op 15 februari 2007; - voor recht gezegd dat bij niet betaling op een vastgestelde vervaldag, het verschuldigd saldo onmiddellijk opeisbaar zal worden zonder voorafgaande aanmaning; - de kosten van het geding in toepassing van artikel 1017, tweede lid Ger. W. ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gelegd, aan de zijde van F. B. vereffend op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 december 2006, tekende F. B. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep F. B. (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - dienvolgens de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende: * de oorspronkelijke vordering van F. B. in te willigen; * in hoofdorde, de beslissing C29/71122/45/CS van 16 december 2005 van geïntimeerde en de beslissing C31/711/2006/00388 van 23 februari 2006 van geïntimeerde te vernietigen en te zeggen voor recht dat F. B. geen sancties kunnen opgelegd worden omdat hij voorzitter is van Solid'af vzw; * in ondergeschikte orde, de beslissing C29/71122/45/CS van 16 december 2005 van geïntimeerde en de beslissing C31/711/2006/00388 van 23 februari 2006 van geïntimeerde minstens te hervormen en de door F. B. terug te betalen bedragen te verminderen tot de laatste honderdvijftig dagen, welke bedragen in schijven van 75,00 euro per maand mogen afgelost worden; - recht doende op het incidenteel beroep van geïntimeerde, dit ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren en hem ervan af te wijzen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van F. B. begroot op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. De raadsman van appellant verklaart ter openbare terechtzitting van 24 april 2008 dat hij, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, het maximum bedrag vordert. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep als ongegrond af te wijzen; - de administratieve beslissingen C29 van 16 december 2005 en C31 van 23 februari 2006 integraal te bevestigen; - het incidenteel beroep gegrond te verklaren en de beschikking van het vonnis a quo waarbij maandelijkse afkortingen t.b.v. 75,00 euro werden toegestaan, te vernietigen.
- Ten gronde 5.
- Hoofdberoep 5.1.
- Toekenningsvoorwaarden Overeenkomstig artikel 44 van het van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna afgekort Werkloos-heidsbesluit) moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Het begrip 'arbeid' wordt gedefinieerd in artikel 45 van het Werkloos-heidsbesluit. De wetgever onderscheidt twee soorten activiteit: - enerzijds een activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit (artikel 45, eerste lid, 1°); - anderzijds de activiteit verricht voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen (artikel 45, eerste lid, 2°). De activiteit die door een werkloze wordt uitgeoefend ressorteert hetzij onder de regels die gelden voor activiteiten voor eigen rekening, hetzij onder de regels die gelden voor de activiteit voor een derde. Uit de feitelijke gegevens van het administratief dossier blijkt: - dat appellant vanaf 5 maart 2003 werkloosheidsuitkeringen genoot als volledig werkloze; met formulieren C1 van 11 maart 2003, 17 maart 2004 en 26 april 2005 verklaarde appellant dat hij geen nevenactiviteit uitoefende; - dat appellant tijdens een periode van werkloosheid, meer bepaald op 1 augustus 2003, samen zijn echtgenote en twee andere personen een vereniging zonder winstoogmerk heeft opgericht, genaamd 'Solidarité et Développement en Afrique' (afgekort SOLID'AF vzw); - dat in de oprichtingsakte van de vzw SOLID'AF het doel van de vereniging als volgt wordt omschreven: "Het doel van de vereniging is te werken aan de versterking van de banden tussen België en de regio van de Grote meren met het oog op een oprechte en vriendschappelijke wederzijdse hulp; De concrete doelstelling zijn: * de uitbouw van uitwisselingsbanden tussen de Afrikaanse diaspora en de moederlanden; * de organisatie van netwerken van inzameling van alle vormen van materiële en/of financiële hulp die het lijden van deze bevolkingen kan verlichten; * de medewerking aan elk gezamenlijk initiatief van de diaspora ten voordele van de arme Afrikaanse bevolkingen; * het uitbouwen van samenwerkingsverbanden met locale organisaties om de noden vast te stellenen de ingezamelde hulp efficiënt te kunnen verdelen; * de promotie van de eerlijke handel met het oog op een betere vergoeding voor de Afrikaanse producenten; * het verzamelen en verspreiden van alle relevante informatie bij het Belgische publiek in het algemeen en bij de hulporganisaties in het bijzonder om tot een betere allocatie van de middelen te komen" - dat appellant bij de oprichting van de vereniging benoemd werd tot voorzitter van de vzw SOLID'AF; op de algemene vergaderingen van 27 juli 2004 en 27 mei 2005 werd hij herbenoemd als voorzitter; dit mandaat was onbezoldigd. Overeenkomstig vaststaande cassatierechtspraak wordt de uitoefening van een mandaat als bestuurder of zaakvoerder van een vennootschap beschouwd als arbeid verricht voor zichzelf die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewoon beheer van eigen bezit, met andere woorden een activiteit in de zin van artikel 45, lid 1, 1° van het Werkloosheidsbesluit (zie Cass. 22 oktober 2001, Arr. Cass.2001, 1740 en J.T.T. 2002, 22; Cass. 30 september 2002, J.T.T. 2003, 11 en Arr. Cass. 2002, 2000; Cass. 3 januari 2005, J.T.T. 2005, 233, concl. LECLERCQ, J., en R.W. 2006-07, 723). Geïntimeerde, zich steunend op voormelde rechtspraak, houdt voor dat appellant, van wie vaststond dat hij het kosteloze mandaat van voorzitter van de vzw "Solidarité et Développement en Afrique" vervulde sinds 1 augustus 2003, al die tijd een activiteit verrichtte zoals bedoeld in artikel 45, lid 1, 1°, zodat hij daarvan ook aangifte had moeten doen om gerechtigd te blijven op uitkeringen. In onderhavige zaak stelt zich evenwel de vraag of de uitoefening van een kosteloos bestuursmandaat in een vereniging zonder winstgevend oogmerk kan gelijkgesteld worden met de uitoefening van een mandaat in een handelsvennootschap en dus ook als een activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit moet beschouwd worden. In het bestreden vonnis wordt deze vraag positief beantwoord; daarbij wordt overwogen dat "het feit dat de activiteit van voorzitter onbezoldigd is, niet relevant is omdat ingevolge artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 er een onweerlegbaar vermoeden bestaat dat een activiteit als zelfstandige wordt uitgeoefend door al wie een mandaat bekleedt in een vennootschap". De arbeidsrechters verliezen daarbij wel uit het oog dat het onweerlegbaar vermoeden waarvan sprake in genoemde bepaling enkel geldt voor de uitoefening van een mandaat in een vereniging of vennootschap naar rechte of in feite die zich met de exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt. Een vereniging zonder winstgevend oogmerk houdt zich normalerwijze niet bezig met 'de exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard'. Wanneer een vzw geen commerciële onderneming uitmaakt kan de uitoefening ten kostenloze titel van het mandaat van voorzitter ten aanzien van de werkloos- heidsreglementering niet gelijkgesteld worden met een kosteloos mandaat van beheerder of zaakvoerder in een commerciële vennootschap, zodat hieruit geen zelfstandige activiteit blijkt die aanleiding geeft tot de aangifteplicht (Arbh. Antwerpen 17 juni 1996, (A.R. nr. 95275), www.juridat.be.) Overeenkomstig artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek dient geïntimeerde, die beweert dat het voorzitterschap van een vzw onderhevig is aan de aangifteplicht in het kader van de werkloosheidsreglementering, het bewijs te leveren dat in concreto het vervullen van een mandaat in een vereniging zonder winstoogmerk een economische of commerciële activiteit inhield. Dit bewijs wordt door geïntimeerde niet geleverd voor wat betreft de periode vanaf 1 augustus 2003 (datum oprichting van de vzw) tot 1 juni
- In de door appellant voorgebrachte processen verbaal van de vergadering van de raad van beheer van vzw Solid'Af van 27 juli 2004 en 27 mei 2005 (zie stukken gehecht aan het inleidend verzoekschrift arbeidsrechtbank in de zaak A.R. 387.755: Proces verbal de la réunion du conseil d'administration du 27/07/2004 en proces verbal de la réunion du conseil d'administration tenue le 27/05/2005) wordt melding gemaakt dat de vereniging sedert datum van oprichting geen activiteiten heeft ontwikkeld. Dit wordt ook bevestigd door appellant in zijn verklaring van 11 juli 2005 afgelegd ten overstaan van de sociaal-inspecteur van het werkloosheidsbureau Antwerpen (stuk 8 administratief dossier: verhoorblad C25.2). Bij gebreke aan bewijs van enige activiteit in de schoot van de vzw in de periode van 1 augustus 2003 tot 1 juni 2005 kan de uitoefening van de functie van voorzitter binnen deze vereniging in voormelde periode niet beschouwd als een activiteit in de zin van artikel 45, lid 1, 1° van het Werkloos-heidsbesluit. Voor de periode vanaf 1 juni 2005 is de situatie echter anders. Uit de gegevens van het administratief dossier en de bundel van appellant blijkt dat de vzw Solid'Af vanaf 1 juni 2005 een eigendom huurt gelegen te 2060 Antwerpen, Dambruggestraat 44, omvattende een café, toiletten en keuken, voor een maandelijkse basishuurprijs van 400 euro (stuk 6 bundel appellant: huurovereenkomst van 1 juni 2005). Het café, dat alle dagen geopend is van 15.00 tot 23.00 uur, doet dienst als ontmoetingsplaats voor de leden van de vzw. Er worden allerlei soorten dranken geschonken voor een prijs variërend van 1,50 tot 2,50 euro. Appellant verklaarde tevens op 4 december 2001 (stuk 10 administratief dossier: formulier C 25.2) dat de vereniging, naast de uitbating van dit café ook verschillende sportieve en culturele activiteiten organiseert. Zo heeft ondermeer de vzw Solid'Af, in samenwerking met de vzw Rama Burundi, op 8 april 2006 te Wilrijk een "Burundese dag" georganiseerd met op het programma verschillende sprekers, debatten, basketbaltornooi, Afrikaanse maaltijd en dansavond (zie ongenummerd stuk getiteld 'Invitation Journée Burundaise', gehecht aan het inleidend verzoekschrift arbeidsrechtbank Antwerpen). Aan de hand van voormelde gegevens dient besloten te worden dat sedert 1 juni 2005 het door appellant uitgeoefend mandaat van voorzitter van een vereniging zonder winstoogmerk - wiens activiteiten niet alleen bestaan in het dagelijks bestuur de van de vereniging, de organisatie van sportieve en culturele activiteiten en de leiding en coördinatie van de uitbating van een café met commerciële doeleinden - ontegensprekelijk als een activiteit in de zin van artikel 45, lid 1, 1° van het Werkloosheidsbesluit dient beschouwd te worden, meer bepaald een activiteit voor eigen rekening ingeschakeld in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten die de grenzen van het gewoon beheer van eigen bezit te buiten gaat. Dienvolgens voldoet appellant vanaf 1 juni 2005 niet aan de toekenningsvoorwaarden van artikel 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit zodat hij voor de periode vanaf 1 juni 2005 tot en met 31 oktober 2005 dient uitgesloten te worden van het recht op uitkeringen. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, gedeeltelijk gegrond. 5.1.
- Terugvordering Overeenkomstig artikel 169, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald. Gelet op voormelde overwegingen inzake 'toekenningsvoorwaarden' kunnen slechts de onrechtmatig ontvangen uitkeringen teruggevorderd worden vanaf 1 juni
- Appellant verzoekt om toepassing van artikel 169, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit hetwelk bepaalt dat de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen kan beperkt worden tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning wanneer vaststaat dat de werkloze te goeder trouw was. Aangezien appellant in de periode 1 juni 2005 tot en met 31 oktober 2005 slechts 129 daguitkeringen heeft ontvangen voor een totaal bedrag van 4.406,18 euro (zie formulier C32 gehecht aan het inleidend verzoekschrift arbeidsrechtbank Antwerpen: gedetailleerd overzicht van de ten onrechte ontvangen bedragen) is zijn verzoek tot toepassing van artikel 169, tweede lid, zonder voorwerp. De terugvorderingbeslissing van 23 februari 2006 (C 31 nr 711/2006/00388) dient hervormd te worden derwijze dat de terugvordering van onrechtmatig ontvangen uitkeringen herleid wordt tot een bedrag van 4.406,18 euro zijnde de uitkeringen over de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 oktober
- Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, gedeeltelijk gegrond. 5.1.
- Administratieve sanctie Overeenkomstig de bepaling van artikel 153, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit wordt de werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft ontvangen doordat hij een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd, of een verplichte verklaring niet of te laat heeft afgelegd, van het genot van de uitkeringen uitgesloten gedurende ten minste één week en ten hoogste 13 weken. De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van artikel 153, 154 of 155 (artikel 157 bis, §§ 2 en 3). Bij bestreden administratieve beslissing van 16 december 2005 werd aan appellant een sanctie opgelegd van 6 weken aangezien hij geen aangifte deed dat hij belast was met het dagelijks bestuur van de vzw Solid'Af. Aangezien de opgelegde sanctie minder bedraagt dan de gebruikelijke gemiddelde sanctie van 7 weken en appellant evenmin aantoont dat er bijzondere omstandigheden zijn waarmee de directeur onvoldoende rekening heeft gehouden dient de duur van de administratieve sanctie bevestigd te worden. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
- Incidenteel beroep Bij bestreden vonnis van 4 december 2006 werd appellant gemachtigd de onrechtmatig genoten uitkeringen te betalen met maandelijkse afkortingen van 75,00 euro met de eerste betaling vastgesteld op 15 februari
- Geïntimeerde gaat niet akkoord met het feit dat de eerste rechters afbetalingsfaciliteiten hebben toegestaan voorhoudende enerzijds dat dit tot de discretionaire bevoegdheid behoort van de directeur en anderzijds dat de draagwijdte van artikel 1244, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek beperkt is tot de verbintenissen uit overeenkomst. Ondergeschikt laat geïntimeerde gelden dat met een afbetaling van 75 euro per maand het 25 jaar zou duren vooraleer de hoofdsom zou zijn afbetaald, hetgeen bezwaarlijk kan bestempeld worden als een gematigd uitstel. Op grond van artikel 1244, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, hebben de hoven en rechtbanken de bevoegdheid om gematigd uitstel van betaling toe te kennen aan de schuldenaar die ongelukkig en te goeder trouw is; de toekenning van een uitstel tot betaling mag er echter niet toe leiden dat de schuldenaar van zijn verbintenis wordt bevrijd (Cass., 25 oktober 1990, Pas., 1991, I, 208). In tegenstelling met wat appellant voorhoudt beschikt de directeur niet over een discretionaire bevoegdheid in verband met het al dan niet verlenen van een gematigd uitstel van betaling; de bepalingen met betrekking tot de terugvordering van uitkeringen (hoofdstuk IX, titel II van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering) verzetten zich niet tegen de toepassing door de arbeidsgerechten van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek. Uit het feit dat de bepaling van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek voorkomt onder de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de contracten en de verbintenissen uit overeenkomst valt niet af te leiden dat de arbeidsgerechten geen uitstel van betaling mogen verlenen voor de ten onrechte genoten werkloosheidsvergoedingen. De arbeidsgerechten zijn dienvolgens bevoegd, op grond van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, gematigd uitstel van betaling te verlenen ingeval van terugvordering van onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen, hierbij rekening houdend met de toestand van partijen en met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten. Rekening houdend met de omvang van de (herleide) terugvordering (4.406,18 euro) en met de termijnen van respijt die appellant reeds heeft genoten (terugvordering dateert van 23 februari 2006) en met zijn maandelijkse werkloosheidsvergoeding als samenwonende werknemer (vanaf 1 december 2006: daguitkering van 15,58 euro) dient de door de arbeidsrechtbank aan appellant toegekende afbetalingsfaciliteit te worden bevestigd. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond 5.
- Kosten van het geding Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, wordt de overheid of instelling die belast is met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden, in de kosten verwezen behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. Overeenkomstig artikelen 1018, eerste lid, 6° omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek werden vastgesteld in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 (B.S. 09.11.2007, 56834). Appellant vordert in beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van dit hof op 16 mei 2007 de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 145,78 euro zijnde het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de vorderingen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare eisen (artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007). Ter openbare terechtzitting van 24 april 2008 verklaarde de raadsman van appellant echter dat, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, het maximum bedrag gevorderd wordt. Overeenkomstig artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, kan de rechter, op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verhogen zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Het hof stelt ten deze vast dat in huidig geschil er zich geen bijzondere processuele verwikkelingen hebben voorgedaan zodat er geen aanleiding is om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gedeeltelijk eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 22 mei
- Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond. Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 4 december 2006 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 387.755) behalve in zoverre de vordering van F. B. ontvankelijk werd verklaard, hij gemachtigd werd de onrechtmatig genoten uitkeringen terug te betalen met maandelijkse afkortingen ten bedrage van 75 euro vanaf 15 februari 2007 en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld werd tot de gedingkosten in hoofde van F. B. vereffend op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding. Opnieuw recht doende. Hervormt de administratieve beslissing van 16 december 2005 van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen derwijze: - dat F. B. uitgesloten wordt van het recht op uitkeringen vanaf 1 juni 2005 in toepassing van de artikelen 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit; - dat de uitkeringen die F. B. onrechtmatig ontving dienen teruggevorderd vanaf 1 juni
- Bevestigt voor het overige de administratieve beslissing van 16 december 2005 van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen. Hervormt de terugvorderingbeslissing van 23 februari 2006 van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen derwijze dat F. B. de onrechtmatig genoten uitkeringen van 1 juni 2005 tot en met 31 oktober 2005 ten bedrage van 4.406,18 euro dient terug te betalen. Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellant op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van geïntimeerde worden de kosten niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig juni tweeduizend en acht door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080626.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div