id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080901.16 Rolnummer: 2007-0592 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 17:50 Fiches 1 - 2 Uit artikel 136 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994 blijkt dat men slechts rechthebbende is op de in de Wet omschreven geneeskundige verstrekkingen wanneer men werkelijk op Belgisch grondgebied verblijft. Dit impliceert dat de betrokkene tijdens gans zijn arbeidsongeschiktheid moet bewijzen dat hij wettelijk en feitelijk in België verblijft. Het afhankelijk stellen van het gerechtigd zijn op uitkeringen blijkt ook uit artikel 134 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994 dat zegt dat de uitkeringen worden stopgezet wanneer de gerechtigde niet voldoet aan de controleverplichtingen. Het bestuur moet op elk moment kunnen nagaan of de zelfstandige wegens letsels of functionele stoornissen een einde heeft gesteld aan zijn beroepsbezigheid die hij uitoefende voor zijn arbeidsongeschiktheid en aan om het even welke andere beroepsbezigheid die onverenigbaar is met het ontvangen van uitkeringen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Algemeen Vrije woorden: sociale zekerheid voor zelfstandigen - coördinatie ziekte- en invaliditeitsverzekering - arbeidsongeschiktheid zelfstandigen - controleerbaarheid Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 134 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 136 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: VII DN Gerangschikt onder VIII DN - artikel 134 en onder VIII DN - artikel
- Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070592 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: G C, wonende te, appellant, verschijnend bij mr. I. MALFAIT loco mr. G. SUSTRONCK, advocaat te Kortrijk, tegen : DE LCM, gevestigd te, geïntimeerde, verschijnend bij mr. E. DEVROE advocaat te 2050 Antwerpen, Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen gewezen op tegenspraak tussen partijen op 8 oktober 2007 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 11 oktober 2007 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 9 november 2007; - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 27 maart 2008 en de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 22 februari
- Gehoord partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 20 mei
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging
- Appellant is arbeidsongeschikt sedert 15 april 1994 en werd door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit verder als invalide erkend tot 31 maart 2005; hij ontving op grond hiervan ziekte- en invaliditeitsuitkeringen van geïntimeerde.
- Op 22 en 23 juni 2004 werd door het RIZIV bij geïntimeerde een controle uitgevoerd waarbij vastgesteld werd dat appellant tot en met 27 december 2001 in het Rijksregister ingeschreven was op het adres: te doch sedert 28 december 2001 hierin ambtshalve werd geschrapt, zodat geïntimeerde sindsdien niet meer over enig gegeven omtrent de werkelijke verblijfplaats of gezinssamenstelling van appellant beschikte. Het RIZIV stelde vast dat geïntimeerde toch verder invaliditeitsuitkeringen is blijven betalen wat in strijd is met de bepalingen van artikel 136 § 1 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli
- Geïntimeerde werd dan ook door het RIZIV aangemaand de ten onrechte betaalde en niet verjaarde uitkeringen van appellant terug te vorderen.
- Gevolggevend aan voormelde aanmaning stelt geïntimeerde appellant: - bij aangetekend schrijven van 3 september 2004 in gebreke de uitkeringen aan hem uitbetaald over de periode 1 juni 2004 tot 31 juli 2004 ten bedrage van 1.339,84 EUR terug te betalen; - bij aangetekend schrijven van 13 september 2004 in gebreke de uitkeringen aan hem uitbetaald over de periode 1 juli 2002 tot 31 mei 2004 ten bedrage van 15.049,28 EUR terug te betalen.
- Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Kortrijk d.d. 3 december 2004 neemt appellant verhaal tegen voormelde beslissingen.
- Bij vonnis van 8 juni 2005 verklaart de arbeidsrechtbank te Kortrijk zich territoriaal onbevoegd om kennis te nemen van de vordering en verwijst ze de zaak naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen om reden dat appellant woonachtig is te .
- Hangende de procedure voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen stelt geïntimeerde bij conclusies ontvangen ter griffie d.d. 5 juli 2006 een tegenvordering in en verzoekt de arbeidsrechtbank appellant te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte uitgekeerde prestaties ten bedrage van 16.389,12 EUR.
- Bij vonnis van 8 oktober 2007: - verklaart de arbeidsrechtbank te Antwerpen de vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond; - bevestigt ze de administratieve beslissingen van geïntimeerde d.d. 3 september 2004 en 13 september 2004; - verklaart ze de tegenvordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond; - veroordeelt ze appellant te betalen de som van 16.389,12 EUR; - verwijst ze geïntimeerde in de kosten van het geding. De eerste rechters oordeelden dat: - in casu, niettegenstaande appellant een werknemer is, de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (werknemers), gecoördineerd op 14 juli 1994, van toepassing is en dit ingevolge de bepalingen van artikel 82 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten; - artikel 136 Gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994 dient gelezen te worden in het licht van artikel 32, 13° lid 1 van diezelfde wet dat het volgende bepaalt: "Rechthebbenden op de in Titel III, hoofdstuk III van deze gecoördineerde wet omschreven geneeskundige verstrekkingen onder de voorwaarden die ze bepaalt, zijn: (...) 13° de personen die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven en wegens hun gezondheidstoestand als ongeschikt zijn erkend om arbeid ter verkrijging van inkomen te verrichten"; - meer algemeen in het kader van sociale zekerheid de inschrijving in het rijksregister essentieel is teneinde de uitkerende organen toe te laten een controle uit te oefenen; appellant onttrok zich in feite voortdurend aan controle.
- Met verzoekschrift ontvangen ter griffie van het hof d.d. 9 november 2007 stelt appellant hoger beroep in tegen voormeld vonnis. II. In rechte
- Appellant verwijt de eerste rechters verkeerdelijk geoordeeld te hebben dat het territorialiteitsbeginsel zoals bepaald in artikel 136 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994 (werkelijk verblijven op Belgisch grondgebied) moet gelezen worden in het licht van artikel 32, 13° lid 1 (inschrijving in het Rijksregister). Door zo te oordelen voegen de eerste rechters een voorwaarde toe die in artikel 136 niet is opgenomen. Het is immers niet omdat men ingeschreven is in het Rijksregister dat men werkelijk op het Belgisch grondgebied verblijft, hetgeen nochtans krachtens artikel 136 een essentiële voorwaarde is om recht te hebben op prestaties, aldus appellant die zijn stelling bevestigt ziet door artikel 1 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen. Appellant blijft erbij dat de enige voorwaarde die in artikel 136 gesteld wordt om aanspraak te kunnen maken op prestaties is dat men werkelijk moet verblijven op het Belgisch grondgebied.
- Het hof is het eveneens oneens met het standpunt van de eerste rechters doch niet op grond van de redenering van appellant maar wel omwille van een argument gehaald uit de tekst zelf van artikel 32, 13° van de Gecoördineerde Wet van 14 juli
- Artikel 32, 13° van voornoemde wet stelt immers dat rechthebbenden op de in Titel III, hoofdstuk III van de Gecoördineerde Wet omschreven geneeskundige verstrekkingen onder de voorwaarden die ze bepaalt, zijn: de personen die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven en wegens hun gezondheidstoestand als ongeschikt zijn erkend om arbeid ter verkrijging van inkomen te verrichten. Dit artikel heeft evenwel uitsluitend betrekking op Titel III van voornoemde wet, namelijk de verzekering voor geneeskundige verzorging en niet op de uitkeringsverzekering die wordt behandeld in Titel IV van de wet. Artikel 32, voornoemd, is dan ook niet rechtstreeks van toepassing op huidige casus. In casu is artikel 136, voornoemd, van toepassing. Uit de tekst blijkt dat men slechts rechthebbende is wanneer men werkelijk op Belgisch grondgebied verblijft. Dit betekent dat de betrokkene tijdens gans zijn arbeidsongeschiktheid ten allen tijde moet kunnen aantonen dat hij wettelijk en feitelijk in België verblijft. Deze bepaling heeft zoals de eerste rechters ook gesteld hebben te maken met de controleerbaarheid onder meer van de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 19 en 20 van het KB van 20 juli
- De ratio legis van artikel 136, voornoemd, is dat het bestuur op elk moment moet kunnen nagaan of de zelfstandige wegens letsels of functionele stoornissen een einde heeft gesteld aan zijn beroepsbezigheid die hij uitoefende vóór zijn arbeidsongeschiktheid en aan om het even welke andere beroepsbezigheid die onverenigbaar is met het ontvangen van uitkeringen. Het afhankelijk stellen van het gerechtigd zijn op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de controleerbaarheid blijkt ook uit artikel 134 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994 dat zegt dat de uitkeringen worden stopgezet wanneer de gerechtigde niet voldoet aan de controleverplichtingen. Welnu in casu blijkt uit de aangevochten beslissingen dat de controle niet kon worden uitgevoerd omdat appellant ambtshalve werd geschrapt in het Rijksregister, zonder nieuwe inschrijving. Met andere woorden, door van de aardbodem te verdwijnen werd appellant niet traceerbaar voor de ziekteverzekering en was elke vorm van controle zelfs tijdelijk onmogelijk. Er is geen enkel element in het dossier waaruit blijkt dat appellant iets van zich heeft laten horen in de kwestieuze periode van bijna twee jaar. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen behoort tot de openbare orde wat als gevolg heeft dat noch de burger, noch het bestuur beschikt over zijn rechten en dat laatstgenoemde slechts voordelen kan toekennen aan eerstgenoemde indien de wettelijke voorwaarden (artikel 19 en 20 van voornoemd KB) daartoe vervuld zijn, een aangelegenheid waarop de rechter met volle rechtsmacht controle uitoefent. Het gaat hier immers over de toekenning van het beschermd subjectief recht van appellant op uitkeringen. Het is de taak en de plicht van het bestuur (en nadien van de rechter) dit subjectief recht enkel te erkennen indien de sociaal verzekerde zich in de wettelijk omschreven situatie bevindt die het recht op prestaties opent, iets wat in casu niet kan worden nagegaan voor de periode vanaf 1 juli 2002 tot en met 1 juni 2004, aangezien appellant onvindbaar was. Artikel 136, voornoemd, valt onder de toekenningsvoorwaarden van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (Titel IV: voorwaarden tot toekenning van prestaties). Deze voorwaarden zijn de grenzen die door de Belgische overheid bij de uitoefening van die rechten getrokken worden en vormen als het ware de organisatie van die rechten zelf, die uit zijn aard restrictief is. Verder acht het hof het niet opportuun in te gaan op het door appellant aangeboden getuigenverhoor van familie en verwanten nu het zeer twijfelachtig is of dit verhoor objectieve gegevens zal opleveren. Sociale uitkeringen zijn steeds gerelateerd aan een ononderbroken controleerbaarheid van de sociaal verzekerde. Die controleerbaarheid kan in casu niet ongedaan gemaakt worden door een getuigenverhoor dat zeven jaar na de feiten zou plaatsvinden. Tenslotte wat de door appellant geformuleerde kritiek op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie betreft, wenst het hof het volgende op te merken: Vooreerst wordt niet ingezien op welke wijze het openbaar ministerie door te stellen dat artikel 136 van de ZIV-wet met de controleerbaarheid van de verzekerde te maken heeft een voorwaarde zou toevoegen aan het gerechtigd zijn op ziekteuitkeringen; het openbaar ministerie geeft hiermee immers enkel de ratio legis aan van de betreffende bepaling van artikel 136, ratio legis die door het hof wordt bijgetreden. Anders dan appellant voorhoudt blijkt uit het feit dat hij ambtshalve afgevoerd werd uit het Rijksregister wel degelijk dat hij nergens kon bereikt worden voor geïntimeerde. Het is verder niet de taak van geïntimeerde op zoek te gaan naar onvindbare verzekerden en het feit dat geïntimeerde appellant gedurende de periode van zijn ambtshalve uitschrijving geen initiatief genomen heeft om appellant aan een controle te onderwerpen is in casu niet relevant. Appellant bewijst ook niet dat het een algemeen bekend feit was dat hij na het afbranden van zijn huis naar Malle verhuisde, alleszins toont hij niet aan dat geïntimeerde hiervan op de hoogte was. Tevens diende appellant te weten dat wanneer hij wegens onbewoonbaarheid van zijn huis in verhuisde naar hij deze woonstverandering diende te officialiseren door een nieuwe inschrijving te nemen in de bevolkingsregisters. Het hof aanvaardt ook niet dat appellant zich gedurende twee jaar op de brand kan beroepen als reden van niet-inschrijving in de bevolkingsregisters te . Last but not least blijft het hof bij zijn reeds eerder ingenomen standpunt dat het getuigenverhoor om de hoger aangehaalde redenen niet kan toegestaan worden. Het hoger beroep is ongegrond. O P D I E G R O N D E N, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer P. V. D. B., advocaat-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de buitengewone openbare terechtzitting van 17 juni 2008, waaromtrent appellant schriftelijk repliceerde en geïntimeerde niet meer repliceerde. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 8 oktober
- Verwijst geïntimeerde in de kosten van de procedure in hoger beroep. Laat deze onvereffend aan de zijde van beide partijen bij gebreke aan afgifte kostenstaten. Aldus gewezen door: de heer G. V., kamervoorzitter, de heer D. T., raadsheer, de heer P. S. raadsheer in sociale zaken, zelfstandige, bijgestaan door mevrouw L. K., e.a. adjunct-griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in buitengewone openbare terechtzitting van één september tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080901.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.