← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080905.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080905.5 Rolnummer: 2006-0724 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-01-14 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-02 17:51 Fiche De uit de echt gescheiden echtgenoot die hertrouwt heeft geen recht op pensioen, zelfs wanneer het nieuwe huwelijk ontbonden werd, tenzij er na de ontbinding van dit tweede huwelijk geen rechten op een overlevingspensioen kunnen vastgesteld worden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Overlevingspensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Zelfstandige - Gescheiden echtgenoot Vrije woorden: Sociale zekerheid voor zelfstandigen - rust- en overlevingspensioen - basisvoorwaarden tot toekenning van het rustpensioen, het overlevingspensioen, de aanpassingsvergoeding - uit de echt gescheiden echtgenoot - VIII B Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 72 - 10-11-1967 - 6 - 04 ELI link Pub nr 1967111030 Koninklijk Besluit - 22-12-1967 - 94 - 01 ELI link Pub nr 1967122222 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 10 - blz. 548 Tekst van de beslissing Rep. nr.Eindarrest op tegenspraakVijfde kamerPensioen zelfstandige ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARRESTA.R. nr. 2060724OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ACHTIn de zaak:RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN,met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 6,eiser in hoger beroep, incidenteel geïntimeerde,voor wie verschijnt: mr. T. D'ESPALIER loco mr. R. VERMEIREN, advocaat te 2018 ANTWERPEN,tegen :x xwonende te x, x,verweerder in hoger beroep, incidenteel appellant,voor wie verschijnt: mr. L. DOCKX loco mr. S. GIBENS, advocaat te 2060 ANTWERPEN.Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest.Gelet op de zittingsbladen van 2 februari 2007, 5 oktober 2007 en 6 juni 2008;Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder op:· het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 3 november 2006, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Mechelen, betekend aan partijen in toepassing van artikel 792 van het Ger.W. op 9 november

  1. · het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 29 november 2006 en vervolgens zoals artikel 1056 van het gerechtelijk wetboek voorschrijft, op 30 november 2006 ter kennis gebracht aan wie het behoort;· de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 1 februari 2007;· de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 8 februari 2007;· de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 19 februari 2007;· de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 13 maart 2007;· de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 9 november 2007;· de conclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 6 februari 2008;· de synthese conclusie voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 6 maart 2008;· het schriftelijke advies van het openbaar ministerie neergelegd ter griffie van dit hof op 18 juni 2008 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek waarop partijen niet gerepliceerd hebben.Gelet op de stukken van het administratief dossier dat zich bevindt in het rechtsplegingsdossier van de arbeidsrechtbank.Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van mevrouw x. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 6 juni 2008;Gezien het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie van dit hof op 18 juni 2008.De ontvankelijkheidHet hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.Bij conclusie van 16 februari 2007, neergelegd ter griffie van 19 februari 2007, stelt mevrouw x incidenteel beroep tegen het tussenvonnis van 5 mei 2006 in zoverre dit tussenvonnis vaststelt dat mevrouw x het rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna: RSVZ) niet zou hebben ingelicht over dit nieuwe huwelijk. Incidenteel beroep kan slechts ingesteld worden in zoverre het gericht is tegen het hoofdberoep (Cass. 20 september 2001, www.cass.be). Het hoofdberoep is evenwel gericht tegen het vonnis van 3 november 2006 en niet tegen het tussenvonnis van 5 mei 2006.De vordering tot het instellen van het incidenteel beroep is niet ontvankelijk.Indien het beroep dient beschouwd te worden als een hoofdberoep tegen het tussenvonnis van 5 mei 2006, moet nagegaan worden of dit hoger beroep tijdig werd ingediend. Aangezien het beroep tegen het vonnis van 5 mei 2006 slechts werd ingesteld bij conclusie van 16 februari 2007, kan alleen de laattijdigheid van het hoger beroep vastgesteld worden.Overeenkomstig artikel 1051 Ger.W. bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen immers één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W.Artikel 792, tweede lid Ger.W. bepaalt dat voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid Ger.W., de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis brengt van de partijen. Het recht op pensioen, dat hier betwist wordt, is een materie die genoemd wordt in artikel 581, 2° Ger.W. en valt dus onder de zaken die opgesomd worden in artikel 704, eerste lid Ger.W. De beroepstermijn van één maand begint dus te lopen de dag na de aanbieding van de kennisgeving per gerechtsbrief.Deze beroepstermijn is voorgeschreven op straffe van verval (artikel 860, tweede lid, Ger.W.) en de rechter dient dit ambtshalve op te werpen (Cass. 12 december 1996, RW 1996-97, 1379). Aangezien kennis werd gegeven van het vonnis van 5 mei 2006 op 11 mei 2006 en het beroep tegen dit vonnis pas werd ingesteld op 16 februari 2007, is dit beroep laattijdig en dus niet ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaatMevrouw x ontving sedert 1 november 1996 een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot. Omdat zij opnieuw in het huwelijk is getreden op 19 december 1997, werd dit pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot geweigerd bij beslissing van 10 november 2005.Het RSVZ stelt dat mevrouw x dit nieuwe huwelijk niet gemeld had en beslist dat de bestreden beslissing uitwerking heeft op 1 januari
  2. Mevrouw x meent dat het RSVZ de toepasselijke wetgeving verkeerd interpreteert en tekent beroep aan bij de arbeidsrechtbank te Mechelen. Het bestreden vonnisDe eerste rechter verklaarde bij vonnis van 3 november 2006 de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de bestreden beslissing en zegde voor recht dat mevrouw x het haar voorheen toegekend overlevingspensioen behoudt. Het RSVZ werd verwezen in de kosten. Eisen in hoger beroepHet RSVZ tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 29 november 2006.Het verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden administratieve beslissing van 10 november 2005 te bevestigen, het incidenteel beroep niet ontvankelijk te verklaren en het rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op 145,78 euro. Bij aanvullende syntheseberoepsbesluiten, ontvangen op de griffie van dit hof op 6 februari 2008, vordert mevrouw x het hoger beroep af te wijzen als zijnde toelaatbaar doch ongegrond en indien de hoofdvordering toch gegrond verklaard zou worden, akte te verlenen van het incidenteel beroep tegen het tussenvonnis van 5 mei 2006, de oorspronkelijke vordering toe te staan en gegrond te verklaren, de bestreden beslissing te vernietigen zodat zij het voorheen toegekende overlevingspensioen kan behouden. Het RSVZ te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.Volgens het rechtHet RSVZ meent dat uit artikel 94 van het koninklijk besluit van 22 december 1967, houdende het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen enkel kan afgeleid worden dat mevrouw x haar pensioen als uit de echt gescheiden echtgenote verliest indien ze hertrouwt.Mevrouw x stelt dat uit deze bepaling juist kan afgeleid worden dat ze een recht heeft op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenote.Artikel 94 KB 22 december 1967 bepaalt:"De uit de echt gescheiden echtgenoot kan, als zodanig, geen aanspraak maken op het pensioen : 1° indien hij van het ouderlijk gezag vervallen werd verklaard; 2° indien hij veroordeeld werd om zijn echtgenoot naar het leven te hebben gestaan; 3° indien hij hertrouwd is, zelfs zo het nieuw huwelijk ontbonden werd; 4° indien hij, uit hoofde van een vorig huwelijk, aanspraak kan maken op een overlevingspensioen in de regeling voor zelfstandigen of in een andere regeling in de zin van artikel 19, vierde lid, van het koninklijk besluit nr.
  3. De onder 3° bedoelde uitsluiting is niet van toepassing zo de belang-hebbende uit hoofde van dit huwelijk geen aanspraak kan maken op een overlevingspensioen of zo hij slechts een tijdelijk overlevingspensioen heeft kunnen bekomen omdat hij, bij het overlijden, niet ten minste één jaar gehuwd was. Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot kan evenwel niet toegekend worden over het tijdvak dat gedekt is door het in het vorig lid bedoeld tijdelijk overlevingspensioen".Artikel 94, lid 2 KB 22 december 1967 bepaalt dus dat er geen recht is op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot, indien men hertrouwt. Deze uitsluiting is evenwel niet van toepassing indien er uit hoofde van "dit huwelijk" geen aanspraak is op een overlevingspensioen.Mevrouw x, hierin gevolgd door de eerste rechters, leidt hieruit af dat aangezien zij geen recht heeft op een overlevingspensioen, zij het pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot kan behouden. Het RSVZ meent evenwel dat met "dit huwelijk" het tweede huwelijk wordt bedoeld. Er zou dan slechts een recht zijn op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot indien bij ontbinding van dit tweede huwelijk zou blijken dat er geen rechten op een overlevingspensioen kunnen worden vastgesteld.Uit de lezing van artikel 94 KB 22 december 1967 leidt het arbeidshof, hierbij onder meer verwijzend naar het schriftelijk advies van de eerste advocaat-generaal af, dat er slechts recht kan zijn op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot indien het tweede huwelijk ontbonden is en er geen rechten op een overlevingspensioen kunnen vastgesteld worden.Artikel 94 KB 22 december 1967 bepaalt immers de gevallen in dewelke het recht op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot verloren gaat. Eén van deze gevallen is het herhuwelijk.Het tweede lid van deze bepaling kan alleen gelezen worden als een uitzonderingsbepaling op de algemene regel dat personen die hertrouwen geen recht hebben op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot.De uitzonderingsbepaling wordt dan ook enkel toegepast indien het huwelijk van de persoon die opnieuw gehuwd is ontbonden wordt en er geen recht is op een overlevingspensioen om de redenen in deze bepaling vermeld.De stelling van mevrouw x dat in de uitzonderingsbepaling niet gesteld wordt dat "dit huwelijk" moet ontbonden zijn vooraleer de rechten op een overlevingspensioen dienen onderzocht te worden is dan ook een foute stelling.Hiervoor kan verwezen worden naar artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen waarin bepaald wordt dat het genot van het overlevingspensioen geschorst wordt wanneer de langstlevende echtgenoot hertrouwt en dit voor de duur van het huwelijk. Een recht op een overlevingspensioen kan dan ook pas onderzocht worden na ontbinding van het huwelijk. Door deze interpretatie wordt er niets toegevoegd aan artikel 94 KB 22 december 1967, zoals mevrouw x beweert, maar wordt louter toepassing gemaakt van het principe dat een recht op een overlevingspensioen pas ontstaat nadat het huwelijk ontbonden is. Er anders over oordelen zou van een uitzonderingsbepaling de algemene regel maken. Ook de lezing van artikel 94, 3° KB 22 december 1967 als zou uit de woorden "zelfs zo" kunnen afgeleid worden dat de ontbinding van het huwelijk een bijkomende mogelijkheid is, kan om dezelfde reden niet aanvaard worden.Er is immers geen recht op een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot, zelfs zo indien het nieuwe huwelijk ontbonden werd, tenzij er na de ontbinding van dit huwelijk geen rechten op een overlevingspensioen zouden kunnen vastgesteld worden. De bestreden beslissing dient bevestigd te worden.De kostenTen aanzien van de rechtsplegingsvergoeding vroeg mevrouw x in haar aanvullende syntheseberoepsbesluiten het bedrag van 1.200 euro. Ter zitting verklaart ze zich desbetreffend naar de wijsheid van het arbeidshof te gedragen.Er dient toepassing gemaakt te worden van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 (KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, B.S. 9 november 2007). De huidige betwisting gaat over het recht op een pensioen in de regeling van zelfstandigen en is dus een materie die geregeld wordt door artikel 581, 2° Ger.W. en dus door artikel 1017, tweede lid Ger.W.Voor de betwistingen die vallen onder artikel 1017, tweede lid Ger.W. bepaalt het KB van 26 oktober 2007 dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor het arbeidshof voor vorderingen die betrekking hebben op een niet in geld waardeerbaar geschil, zoals in deze zaak, 145,78 euro bedraagt. De rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro kan enkel gevraagd worden in materies die niet vallen onder artikel 1017, tweede lid Ger.W. OP DIE GRONDEN,HET HOF,Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.Gezien het schriftelijk advies van de heer P. Van den Bon, advocaat-generaal, neergelegd ter griffie van dit hof op 18 juni 2008 waarover partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd. Recht doende op tegenspraak.Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.Verklaart het incidenteel beroep onontvankelijk.Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 3 november 2006 behalve wat de kosten betreft.Opnieuw rechtdoende, bevestigt de administratieve beslissing van 10 november 2005.Legt de kosten van hoger beroep overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van het RSVZ.Vereffent de kosten aan de zijde van mevrouw x op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding beroep.De kosten aan de zijde van het RSVZ werden niet begroot. Ze worden door het hof niet vereffend. Aldus gewezen door de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer,de heer D. TORFS, raadsheer,de heer P. SPEETJENS, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige,bijgestaan door mevrouw L. VAN CALSTER, griffier.en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vijfde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijf september tweeduizend en acht: L. VAN CALSTER P. SPEETJENSD. TORFS J. VERHAVERT PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080905.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.