id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080911.11 Rolnummer: 2007-0113 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-27 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 17:54 Fiches 1 - 3 Ter terechtzitting verklaarde de volmachtdrager van de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen dat omwille van een systeemfout (informatica) niet tijdig de nodige informatie aan eiser te hebben verstrekt. Een duidelijker erkenning van haar fout en schuld kan het hof zich niet indenken. De Hulpkas stelt nu echter dat zij niet alleen fout heeft doch dat de RVA in casu eveneens een verantwoordelijkheid draagt doordat de RVA er niet heeft op toegezien dat R.H. de werkloosheidsuitkeringen heeft gekregen waarop hij recht had, verplichting die volgens de Hulpkas enerzijds blijkt uit de terminologie van artikel 7 van de Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders dd. 28 december 1944 waarin bepaald is dat de RVA de uitbetaling van de uitkeringen verzekert en anderzijds blijkt uit een interview van de administrateur-generaal van de RVA in het tijdschrift Accent. Het hof is het niet eens met voormeld standpunt van de Hulpkas welke er op neerkomt dat doordat de RVA de uitbetaling verzekert derhalve ook controleplichtig is. Met deze zin in de wet wordt de RVA niet de plicht opgelegd voor de werkloze uit te zoeken of hij niet terecht kan in een hogere uitbetaalcode. De wetgever heeft hiermee enkel bedoeld dat de RVA de 'betaling' verzekert van de gevraagde werkloosheidsuitkeringen, na controle op hun wettelijkheid. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - vordering op grond van artikel 1382 BW - informatieplicht uitbetalingsinstelling - fout RVA - recht Op werkloosheidsuitkeringen - schadevergoeding gelijk aan gederfde anciënniteitstoelagen - fout uitbetalingsinstelling - I B Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - organisatie en werking - recht op hogere werkloosheidsuitkeringen - schadevergoeding gelijk aan gederfde anciënniteitstoelagen - fout uitbetalingsinstelling - vordering op grond van artikel 1382 BW - informatieplicht uitbetalingsinstelling - fout RVA - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-12-1944 - 7 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Rijksdienst voor arbeidsvoorziening Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - organisatie en werking - opdracht - recht op hogere werkloosheidsuitkeringen - schadevergoeding gelijk aan gederfde anciënniteitstoelagen - fout uitbetalingsinsteling - informatieplicht uitbetalingsinstelling - fout RVA - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 24 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1382, onder V A N - artikel 7 en onder V A N - artikel
- Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070113 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: HVW, gevestigd te, appellante, verschijnend bij mr. M. MARTENS, advocaat te 1040 Brussel, tegen :
- RH wonende te, eerste geïntimeerde, verschijnend in persoon,
- RVA, gevestigd te, tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. A. VANDERVELPEN, advocaat te Diest. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 7 maart 2007 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 12 maart 2007 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 10 april 2007; - de conclusies van appellante neergelegd ter griffie op 27 februari 2008, de conclusies van eerste geïntimeerde ontvangen ter griffie op 13 maart 2008 en de conclusies van tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 13 december
- Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 12 juni
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging
- De heer RH, eerste geïntimeerde, geboren op 25 juni 1945, was werkloos sedert 1993 en ontving ten gevolge hiervan uitkeringen vanwege zijn uitbetalingsinstelling, huidig appellant.,
- Vanaf oktober werd zijn werkloosheidsuitkering plots verhoogd en ontving hij een schrijven van de H met volgende inhoud: "Betaling van achterstallige uitkeringen Mevrouw, mijnheer, Uit een controle van onze bestanden blijkt dat u een beroepsverleden hebt van meer dan 20 jaar hierdoor had u recht op een hogere werkloosheidsuitkering. Deze uitkering bedraagt .........EUR per dag aan de index van toepassing op 01 augustus
- Eerstdaags ontvangt u een bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de uitkering waarop u werkelijk recht had en het lagere bedrag dat u reeds betaald werd. Dit bedrag betreft de periode van ....... tot en met ......, vanaf deze datum gebeurde de betaling van uw uitkering op correct wijze. Gelieve ons te verontschuldigen voor de ongemakken die uit deze vergissing voortvloeien. Voor alle informatie betreffende deze brief verzoeken wij u om contact op te nemen met ons hoofdbestuur op het onderstaande adres en niet met het uitbetalingsbureau waarvan u gewoonlijk afhankelijk bent (ongenummerd stuk dossier H).
- Op 3 november 2005 ontving hij dan de achterstallige uitkeringen over de periode oktober 2002 en tot en met september 2005 zo.
- Op 1 februari 2006 schreef RH volgend e-mail bericht aan de H: "Mevrouw, Meneer, Begin november 2005 kreeg ik een opslag van mijn maand allocatie van 20% (van 31.84 tot 38.2 euro ) met achterstallige effect tot oktober
- Eind vorige week heb ik mijn dopkaart terug gebracht en gezien dat er uiteindelijk weinig volk aanwezig was, heb ik gevraagd waarom ik opslag had gekregen. Het scheen dat ik geen opslag gekregen had maar dat ik mijn 'normaal' 38.2 euro had gekregen! Dus dacht ik dat ik sinds oktober 2002 te weinig betaald was! Dan heb ik een tabel gemaakt van alle uitkeringen die ik gekregen had sinds 2002 om er beter aan uit te kunnen. Vandaag ga ik terug naar de HVW om meer uitleg te vragen en ze zeggen me dat ik te weinig betaald was daar ze niet wisten dat ik meer dan 20 jaar beroepsverleden had! Gezien dat ik sinds 1993 werkloos ben vroeg ik of ik niet recht had om een bijkomende achterstallige uitkering tot
- Maar ze waren enkel toegelaten 3 achterstallige jaren uit te betalen en als ik meer wenste moest ik me tot het hoofdbestuur van de HVW richten en dus deze brief. Hier bij is er een tabel van mijn uitkeringen en toeslagen van augustus 2002 tot oktober
- In afwachting van uw reactie dank ik u bij voorbaat" (ongenummerd stuk dossier H)
- Hierop antwoordde de H middels e-mail d.d. 10 februari 2006 het volgende: "Mijnheer, uw verzoek tot aanpassing van uw uitkering met terugwerkende kracht hebben wij in goede orde ontvangen. In dit dossier dat onderworpen is aan de regels van de verjaring is er geen algemeen gelde procedure ter beschikking. Onze diensten onderzoeken de mogelijkheden die ons wettelijk worden aangereikt ten einde een en ander op te lossen. Wij houden u op de hoogte. Ik stel mij graag ter beschikking als verantwoordelijke contactpersoon" (ongenummerd stuk dossier H).
- Op 20 februari 2006 antwoordde RH hierop het volgende: "Op uw mail van 10 februari zegt u dat er geen regeling is om toestand te behandelen. Toch zegt u dat het onderhevig is aan verjaring! Wel, ik denk dat u van plan bent om uw beslissing uit te stellen tot dat mijn geval verjaard is! Sorry maar de fout ligt bij u en dus hoop ik dat u binnen kort de juiste beslissing zal nemen" (ongenummerd stuk dossier H).
- De H antwoordde hierop het volgende: "uw dossier en dat van een aantal aangeslotenen is inderdaad verjaard. Achterstallen kunnen in principe maximaal met 3 jaar terugwerkende kracht worden uitbetaald. Deze verjaring heeft dus niet te maken met de tijd die u wacht op een antwoord op uw mail. De oplossing die aan dit probleem moet gegeven worden is een begrotingsprobleem en kan niet meteen worden opgelost" (ongenummerd stuk dossier H).
- Op 21 februari 2006 reageerde RH hierop als volgt: "Dank voor uw antwoord. Ik begrijp goed uw probleem gezien dat we hier over zo wat 17600 euro spreken. Dus ben ik akkoord dat uw mij in schijven zou terugbetalen, bvb zoveel per maand. Wel ben ik niet van plan om er zo maar een kruis op te maken of orale afspraken te maken die later niet zouden uitkomen!" (ongenummerd stuk dossier H).
- De H antwoordde op 22 februari 2006 hierop het volgende: "uw dossier en dat van een aantal aangeslotenen is inderdaad verjaard. Achterstallen kunnen in principe maximaal met 3 jaar terugwerkende kracht worden uitbetaald. Deze verjaring heeft dus niet te maken met de tijd die u wacht op een antwoord op uw mail. De oplossing die aan dit probleem moet gegeven worden is een begrotingsprobleem en kan niet meteen worden opgelost" (ongenummerd stuk dossier H).
- Bij gebreke aan minnelijke regeling legde RH op 24 februari 2006 ter griffie van de arbeidsrechtbank te Hasselt een verzoekschrift neer waarbij hij de veroordeling vroeg van de H tot betaling van de te weinig ontvangen uitkeringen sinds 1 juni 1995 (maand waarin hij 50 jaar werd) en door hem berekend op het bedrag van 13.700 EUR.
- Met akte neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 25 oktober 2006 kwam de RVA, huidige 2e geïntimeerde, vrijwillig tussen in het geding.
- Bij vonnis d.d. 7 maart 2007 verklaarde de arbeidsrechtbank te Hasselt: - de vordering ontvankelijk; - zegde ze voor recht dat RH recht heeft op de betaling van een schadevergoeding gelijk aan de gederfde anciënniteitstoeslagen voor de periode 1 juni 1995 tot en met 30 september 2002; - heropende ze de debatten teneinde de H toe te laten te laten weten of zij het gevorderde bedrag van 13.700 EUR betwist en zo ja alsdan een overzicht te geven van de anciënniteitstoeslagen die RH voor de periode 1 juni 1995 tot en met 30 september 2002 heeft moeten derven. De eerste rechters erkenden dat de verjaringstermijn van 3 jaar voor de vordering van achterstallige uitkeringen in casu toepasselijk is; zulks neemt volgens de eerste rechters niet weg dat RH op grond van artikel 1382 B.W. een schadeloosstelling kan vragen voor de door de H gemaakte fout en deze is volgens hen in hoofde van de H voldoende bewezen. De eerste rechters overwogen hieromtrent het volgende: ".... Verweerster heeft krachtens de artikelen 3 en 4 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde en krachtens art. 24 § 1, 2° en 3° van het KB van 25/11/1991 houdende de werkloosheidsreglementering de plicht om aan werklozen kosteloos duidelijke en vooral tijdige dienstige inlichtingen te verstrekken betreffende hun plichten en rechten m.b.t. de werkloosheidsreglementering en dus ook betreffende hun mogelijke aanspraken. (cf. J. ANDRE, 'Fout, schade en gemeenrechtelijk schadeherstel in de sociale zekerheid', Soc. Kron. 2006, 501 e.v. en J. PUT, 'Administratie sancties in het socialezekerheidsrecht' die Keure 1998, 313 e.v.). Verweerster is zich hiervan bewust want op de zitting van 10/1/2007 gaf ze toe dat het de normale gang van zaken was dat ze in de loop van de uitkeringsperiode de nodige informatie diende te verstrekken aan eiser en erkende ze ook dat ze ingevolge een nalatigheid van harentwege, die te wijten zou zijn aan een computerprobleem, eiser en ook andere werklozen die zich in dezelfde situatie bevonden, niet tijdig had ingelicht over hun recht op een anciënniteitstoeslag. Het staat dus vast dat verweerster geen of onvoldoende en laattijdige informatie aan eiser heeft verstrekt aangaande zijn aanspraak op anciënniteitstoeslag. De schending van deze op verweerster wegende verplichting maakt een fout uit in de zin van art. 1382 B.W. die noopt tot herstel van de daaruit voortvloeiende schade". Verder is het bestaan van schade, namelijk het verlies van een voordeel, volgens de eerste rechters duidelijk aangezien RH naast een aanzienlijk bedrag aan anciënniteitstoeslag heeft gegrepen. Tevens staat ook het causaal verband tussen de fout van de H en de door RH geleden schade volgens hen onmiskenbaar vast, aangezien de H RH niet tijdig heeft geïnformeerd op diens aanspraak op een anciënniteitstoeslag, zodat hij de nodige bewijsstukken in verband met zijn beroepsverleden, waarvan het bestaan niet betwist wordt, niet tijdig heeft kunnen vergaren en indienen, en hij hierdoor vanaf 1 juni 1995 de uitkeringsopslag heeft gemist. De geleden schade kan volgens de eerste rechters begroot worden op het bedrag dat RH aan anciënniteitstoeslag heeft moeten derven. Tenslotte wat de door de H opgeworpen gedeelde aansprakelijkheid van de RVA betreft oordeelden de eerste rechters dat deze laatste niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor het foutief gedrag van de H omdat het niet de wettelijke taak van de RVA is om te waken over de belangen van de werkloze en dat op hem geen informatieplicht rust, wat wel bij uitstek de taak is van een uitbetalingsinstelling zoals de H er een is.
- Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof d.d. 10 april 2007 stelt de H hoger beroep in tegen voormeld vonnis. II. In rechte
- De H betoogt dat de eerste rechters verkeerdelijk oordeelden dat RH recht heeft op de betaling van een schadevergoeding gelijk aan de gederfde anciënniteitstoeslag voor de periode 1 juni 1995 tot en met 30 september 2002, zijnde de periode waarvoor de betaling van de anciënniteitstoeslag verjaard is. Artikel 7 § 13 van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de werknemers voert immers een specifieke verjaringstermijn in van 3 jaar voor de betaling van de werkloosheiduitkeringen. Derhalve geldt deze specifieke termijn met uitsluiting van elke andere en kan er niet van afgeweken worden. De toepassing van deze wettelijke bepaling kan geen fout vormen die kan leiden tot rechtsherstel, aldus de H. Het principe van de integrale vergoeding en in concreto de schadevergoeding is immers geen dwingend recht (Cass. 29 september 1972, Pas. 1973, I, 124) terwijl de regels betreffende de verjaring wel van dwingend recht zijn. Door het toekennen van een schadevergoeding omzeilt men de toepassing van een wettelijke bepaling, ingesteld ten behoeve van de rechtszekerheid (Arbh. Brussel, 18 november 2004, RVA, werkloosheid, 149.RJ.01), zo besluit de H.
- Het hof is van oordeel dat voormelde argumentatie enkel nuttig kan aangewend worden door de schuldenaar van de anciënniteitsuitkeringen, met name door de RVA en dit tegen een vordering door de werkloze tegen hem ingesteld; in casu heeft de werkloze, met name RH, zijn vordering ingesteld tegen de uitbetalingsinstelling welke niet de schuldenaar is van de uitkeringen (Cass. 3e K 3 april 1989, R.W. 1989-90, 16). De door de H aangehaalde rechtspraak toont dit ook aan en betreft de rechtstreekse verhouding tussen eiser en schuldenaar. RH heeft een vordering in schadevergoeding ingesteld tegen de H op grond van artikel 1382 B.W. waarbij RH de H als uitbetalingsinstelling verwijt haar zorgvuldigheids- en informatieplicht niet te zijn nagekomen, fout welke ertoe geleid heeft dat RH vanaf 1 juni 1995, zijnde de maand waarin hij 50 jaar werd, geen anciënniteitstoeslag op zijn werkloosheidsvergoeding ontving alhoewel hij daar ingevolge een 20-jarige beroepsloopbaan recht op had. RH kan deze ook niet meer opvorderen van de schuldenaar, namelijk de RVA, voor de periode 1 juni 1995 tot 30 september 2002 omdat deze zich beroept op de 3-jarige verjaringstermijn. Het komt er derhalve op neer dat de H door de niet-nakoming van haar zorgvuldigheids- en informatieplicht het mogelijk gemaakt heeft dat het recht van RH op betaling van de anciënniteitstoeslagen vanwege de RVA over de periode 1 juni 1995 tot 30 september 2002 kon verjaren. Dat de H de plicht had RH in te lichten met betrekking tot zijn recht op anciënniteitstoeslag vanaf zijn 50ste levensjaar blijkt uit artikel 24 § 1, eerste lid, 3° KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Voormeld artikel bepaalt immers dat de uitbetalingsinstellingen de werknemer kosteloos moeten raad geven en alle dienstige inlichtingen verstrekken betreffende zijn rechten en plichten met betrekking tot de werkloosheidsverzekering. De "dienstige inlichtingen" betreffen inzonderheid:
- de wachttijd- en toekenningsvoorwaarden;
- het uitkeringsstelsel; de berekeningswijze en het bedrag van de uitkering;
- de door de werknemer na te leven formaliteiten inzake de tijdelijke indiening van een volledig dossier en aangifte van de persoonlijke toestand;
- de behandelingsprocedure van het dossier;
- de rechten en de plichten van de werkloze. Terecht hebben de eerste rechters er op gewezen dat de H zich bewust was van het feit dat zij een informatieplicht had en hieraan tekort is geschoten nu zij op de zitting van 10 januari 2007 enerzijds toegaf dat het de normale gang van zaken was dat ze in de loop van de uitkeringsperiode de nodige informatie diende te verstrekken aan RH en anderzijds erkende dat ze ingevolge een nalatigheid van harentwege te wijten aan computerproblemen, RH niet tijdig had ingelicht over zijn recht op anciënniteitstoeslag. Op de openbare terechtzitting van 10 januari 2007 verklaarde de heer JD, volmachtdrager van de H, namelijk het volgende: "Het HVW erkent omwille van een systeemfout (informatica) niet tijdig de nodige informatie aan eister te hebben verstrekt. Zij verklaart dat het de normale gang van zaken is dat in de loop van de uitkeringsperiode aan de werkloze de nodige informatie wordt verstrekt. Zij erkent nagelaten te hebben eiser, op het ogenblik dat het mogelijk recht op een anciënniteitstoeslag ontstond, tijdig te informeren. Bij de laattijdige vaststelling van een mogelijk recht op een anciënniteitstoeslag heeft het HVW op eigen initiatief de nodige stukken voor toekenning van deze toeslag opgevraagd bij de betrokken instanties" (PV van openbare terechtzitting van 10.01.2007 - stuk 22 c rechtsplegingsdossier arbrb. Hasselt). Een duidelijker erkenning van haar fout en schuld kan het hof zich niet indenken.
- De H stelt nu echter dat zij niet alleen fout heeft doch dat de RVA in casu eveneens een verantwoordelijkheid draagt doordat de RVA er niet heeft op toegezien dat RH de werkloosheidsuitkeringen heeft gekregen waarop hij recht had, verplichting die volgens de H enerzijds blijkt uit de terminologie van artikel 7 van de Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders d.d. 28 december 1944 waarin bepaald is dat de RVA de uitbetaling van de uitkeringen verzekert en anderzijds blijkt uit een interview van de administrateur-generaal van de RVA in het tijdschrift Accent. Het hof is het niet eens met voormeld standpunt van de Hs welke er op neerkomt dat doordat de RVA de uitbetaling verzekert derhalve ook controleplichtig is. Met deze zin in de wet wordt aan de RVA niet de plicht opgelegd voor de werkloze uit te zoeken of hij niet terecht kan in een hogere uitbetaalcode. De wetgever heeft hiermee enkel bedoeld dat de RVA de 'betaling' verzekert van de gevraagde werkloosheidsuitkeringen, na controle op hun wettelijkheid. Bij een ingediende aanvraag heeft de RVA inderdaad de plicht de werkloze desgevallend er op te wijzen dat hij bepaalde bewijsstukken moet bijbrengen alvorens gerechtigd te zijn, zoals de administrateur-generaal in zijn interview Accent stelt. Zijn verklaring moet niet uitgebreid worden naar een plicht tot controle naar een recht op hogere uitkering. Het is een wezenlijk element in de wet op de werkloosheidsuitkeringen dat de werkloze werkloosheidsuitkeringen vraagt en dat hij krijgt wat hij vraagt indien het gevraagde hem wettelijk kan worden toegekend. Het behoort niet aan de RVA te onderzoeken of de werkloze eventueel op nog meer recht heeft. Het hof benadrukt verder dat er geen ambtshalve uitkering is aan wie werkloos wordt. De RVA betaalt - na controle - de werkloosheidsuitkeringen die worden gevraagd of met andere woorden: zonder aanvraag geen uitkering. Vandaar dat elke werkloze de nodige aanvraagformulieren moet invullen. Hij moet daarbij gebruik maken van een erkende uitbetalingsinstelling waarvan de H er één is. De RVA heeft daarbij geen benaarstigingsplicht en heeft geen wettelijke verplichting om over de belangen van de werkloze te waken (Cass. 13 januari 1992, Soc. Kron. 09.1992, nr. 7). De uitbetalingsinstellingen hebben de plicht de werkloze volledig in te lichten omtrent zijn plichten en rechten. Zij zijn de eersten om de rechten van de werkloze te toetsen aan de wet, en overeenkomstig beroepsverleden, leeftijd en andere gezinstoestanden aan de RVA de best mogelijke uitkering te vragen. Het is niet de RVA die de dossiers samenstelt, of onderzoekt of iemand buiten het gevraagde ook nog andere rechten heeft. De diensten van de RVA beperken zich tot het controleren of het gevraagde overeenstemt met de wet en zullen dan de passende "uitbetaalcode" aan de uitbetalingsinstelling meedelen. Aldus kan aan de RVA geen fout in deze worden verweten.
- Dat RH door de fout of nalatigheid van de H schade geleden heeft kan niet ernstig betwist worden. Hij heeft namelijk de anciënniteitstoeslag over de periode 1 juni 1995 tot 30 september 2002 waarop hij recht had vanwege de RVA, moeten ontberen. Het oorzakelijk verband tussen de fout van de H en de geleden schade staat ook vast. Immers doordat de H RH niet tijdig heeft geïnformeerd met betrekking tot diens aanspraak op de anciënniteitstoeslag, heeft RH niet tijdig zijn aanvraag kunnen indienen bij de RVA en heeft hij hierdoor vanaf 1 juni 1995 de opslag gemist. De eerste rechters hebben correct de omvang van de schade bepaald als zijnde het bedrag van de gederfde anciënniteitstoeslag en tevens terecht geoordeeld dat de H haar standpunt dient kenbaar te maken omtrent de door RH vooropgestelde begroting van 13.700 EUR en de heropening der debatten zich hiertoe opdringt. RH laat thans in hoger beroep bovendien nog gelden dat hij ondertussen vastgesteld heeft dat de H vanaf november 2001 zijn daguitkering met 20% verlaagd heeft (35.3/29.41 = 1.200272) zodat hij derhalve de facto geen verhoging gekregen heeft integendeel zou hij van november 2001 tot september 2002 20% verloren hebben. Zijn schade is dan ook veel hoger en hij doet een uitbreiding van eis die per 31 mei 2008 30.527,16 EUR of, rekeninghoudend met een interest van 3%, zelfs 35.943,37 EUR zou bedragen. Eveneens zo stelt RH zou zijn daguitkering moeten herzien en verhoogd worden tot 48,62 EUR ipv 40,54 EUR. Ook hieromtrent dienen de debatten heropend teneinde het standpunt van de H te kennen. O P D I E G R O N D E N, HET HOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer R.N, advocaat-generaal, in zijn mondeling advies op de openbare terechtzitting van 12 juni 2008, waaromtrent de H en de RVA nog repliceerden en RH niet meer wenste te repliceren. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt van 7 maart
- De zaak naar zich toe trekkend ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep conform artikel 1068 Ger. W. Geeft R H akte van zijn uitbreiding van eis. Verklaart deze ontvankelijk doch alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van zijn eis. Beveelt de heropening der debatten overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek en bepaalt dat partijen hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan uitwisselen en op de griffie van dit arbeidshof zullen neerleggen uiterlijk op 26 februari
- Bepaalt de rechtsdag op de openbare terechtszitting van de vierde kamer van donderdag 26 maart 2009, om 14.30 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen door de heer G V, kamervoorzitter, de heer T K, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer W M, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw L K, e.a. adjunct-griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van elf september tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080911.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div