← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080911.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080911.12 Rolnummer: 2007-0038 Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2008-10-31 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 17:53 Fiches 1 - 4 Uit voorgelegde gegevens van het Rijksregister of van de Kruispuntbank blijkt dat beide polygame huwelijken op dezelfde wijze een betekenisvolle band met België hadden en bovendien dat ook voor de beide huwelijken er éénzelfde band was met de vreemde rechtsorde en cultuur. Zowel de overleden echtgenoot als de beide weduwen verbleven om beurt in Marokko en om beurt in België en woonden samen. Ingevolge het tweede huwelijk in 1973 verhuisde geïntimeerde (eerste weduwe) naar Marokko voor een vijftal jaren en de tweede weduwe op 26 september 1978 weer naar Marokko vertrok en diezelfde dag geïntimeerde weer in België arriveerde. De tweede weduwe keerde op 15 september 1980 weer naar België terug en een maand later op 21 oktober 1680 geïntimeerde dan weer naar Marokko vertrok en de tweede weduwe op 21 februari 1981 weer naar Marokko vertrok en een dag later op 25 februari 1981 geïntimeerde in België was. Verkeerd is de argumentatie van geïntimeerde dat het tweede huwelijk ongeldig is. Geïntimeerde bekwam pas in 2004 de Belgische nationaliteit, daar waar het tweede huwelijk al in 1973 plaatshad en alle betrokken partijen in de driehoeksverhouding op dat ogenblik de Marokkaanse nationaliteit bezaten. Tevens behield geïntimeerde naast de Belgische nationaliteit ook de Marokkaanse nationaliteit. De toepassing van artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek is in casu niet dienend. Het tweede polygame huwelijk - rechtsgeldig in Marokko afgesloten en als rechtsgeldig erkend in België - kan zelfs niet nietig worden verklaard. Het personeel statuut van alles partijen in aanmerking nemend op het ogenblik van de beslissing, dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde op dat ogenblik de Belgische nationaliteit heeft. Bijgevolg, op het moment dat appellant zijn beslissing neemt verleent hij rechtsgevolgen aan de bigamie dewelke door het Belgisch recht absoluut verboden is, met andere woorden appellant erkent de bigamie ten aanzien van een Belgische onderdaan, aldus geïntimeerde. Er bestaat volgens haar dan ook geen twijfel dat appellant op dat ogenblik haar op discriminerende wijze behandelt ten opzichte van alle andere Belgische weduwen. Het referentiekader van het openbaar ministerie is in deze dan ook verkeerd; het gaat met name niet over de vraag of er een schending is door een verschillende behandeling van geïntimeerde ten aanzien van andere Marokkaanse vrouwen maar wel ten aanzien van andere Belgische vrouwen. Het antwoord hierop dient volgens geïntimeerde volmondig ja te zijn. Bigamie is in België zelfs ten strengste verboden, zo stelt zij. Op verzoek van geïntimeerde stelt het hof de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof : 'Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in strijd met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11 bis van de gecoördineerde grondwet

(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 147 B.W. en met de Belgische en/of internationale openbare, in zoverre het van toepassing is op een weduwe met de Belgische nationaliteit'. Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in overeenstemming met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11 bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het een verschil aan behandeling inhoudt tussen de Belgische weduwe getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot en een Belgische echtgenoot dewelke niet getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot ?'. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Algemeen (huwelijk) Vrije woorden: sociale zekerheid der werknemers - rust- en overlevingspensioenen - echtgenoot van Marokkaanse nationaliteit - eerste huwelijk in Marokko met Marokkaanse die tevens de Belgische nationaliteit heeft bekomen - tweede huwelijk in Marokko met Marokkaanse - overlijden van echtgenoot - aanvraag van het overlevingspensioen door eerste weduwe van Marokkaanse nationaliteit - toekenning aan iedere weduwe van de helft Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 147 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Algemeen (grondwet) Vrije woorden: sociale zekerheid der werknemers - rust- en overlevingspensioenen - echtgenoot van Marokkaanse nationaliteit - eerste huwelijk in Marokko met Marokkaanse die tevens de Belgische nationaliteit heeft bekomen - tweede huwelijk in Marokko met Marokkaanse - overlijden van echtgenoot - aanvraag van het overlevingspensioen door eerste weduwe van Marokkaanse nationaliteit - toekenning aan iedere weduwe van de helft Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Bilaterale verdragen Vrije woorden: sociale zekerheid der werknemers - rust- en overlevingspensioenen - echtgenoot van Marokkaanse nationaliteit - eerste huwelijk in Marokko met Marokkaanse die tevens de Belgische nationaliteit heeft bekomen - tweede huwelijk in Marokko met Marokkaanse - overlijden van echtgenoot - aanvraag van het overlevingspensioen door eerste weduwe van Marokkaanse nationaliteit - toekenning aan iedere weduwe van de helft Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1970 - 24 6 2 - 04 ELI link Pub nr 1970072056 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Andere (mensenrechten - EVRM) Vrije woorden: sociale zekerheid der werknemers - rust- en overlevingspensioenen - echtgenoot van Marokkaanse nationaliteit - eerste huwelijk in Marokko met Marokkaanse die tevens de Belgische nationaliteit heeft bekomen - tweede huwelijk in Marokko met Marokkaanse - overlijden van echtgenoot - aanvraag van het overlevingspensioen door eerste weduwe van Marokkaanse nationaliteit - toekenning aan iedere weduwe van de helft Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 14 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Nota: I B - I J N - IX A - IX C 3 Gerangschikt onder I B - artikel 147, onder I JN - artikel 11, onder IX A - artikel 24 § 2 en onder IX C 3 - artikel
  1. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070038 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: RVP, met burelen gevestigd te , appellant, verschijnend bij mr. I. SCHOOFS loco mr. P. VANAGT, advocaat te Genk, tegen : A E H, wonende te, geïntimeerde verschijnend bij mr. M. FRANSEN loco mr. J. GEUKENS, advocaat te Tongeren. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 8 januari 2007 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 12 januari 2007 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 8 februari 2007; - de conclusies en syntheseconclusies van appellant respectievelijk ontvangen ter griffie op 26 november 2007 en 18 februari 2008 en de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde respectievelijk ontvangen ter griffie op 14 mei 2007 en 14 januari
  2. Gehoord de partijen in hun middelen en gehoord geïntimeerde in de voordracht zijner conclusies ter zitting van 12 juni
  3. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Nopens het verzoek tot verwerping van de syntheseconclusies van appellant
  4. Appellant liet op 18 februari 2008 zijn syntheseberoepsconclusies toekomen ter griffie van het hof.
  5. Geïntimeerde verzoekt het hof deze syntheseberoepsconclusies te weren uit de debatten omdat zij buiten de termijn welke door het hof bepaald werd, werden neergelegd.
  6. Het hof heeft bij beschikking van 19 november 2007 ingevolge het verzoek van geïntimeerde in toepassing van art. 747 § 2 Ger. W. de termijnen voor het neerleggen van besluiten bepaald als volgt: - voor appellant uiterlijk op: 20 december 2007; - voor geïntimeerde uiterlijk op: 21 januari
  7. Het hof stelt vast dat appellant zijn syntheseberoepsconclusies ter griffie liet toekomen op 18 februari 2008, derhalve bijna twee maanden na de bij voormelde beschikking toegestane uiterste datum van 20 december
  8. De syntheseberoepsconclusies werden aldus laattijdig ingediend en worden door het hof geweerd uit de debatten. II. Feiten en proceduriële voorgaanden
  9. De heer K K, geboren op 1 juli 1937 en van Marokkaanse nationaliteit, huwde in het jaar 1957 in Marokko met geïntimeerde die op dat ogenblik eveneens de Marokkaanse nationaliteit had (stuk 9 geïntimeerde).
  10. In het jaar 1975 ging K in Marokko een tweede huwelijk aan met een Marokkaanse vrouw, de genaamde K F (stuk 5 administratief dossier appellant).
  11. Op 4 maart 2004 verkrijgt geïntimeerde de Belgische nationaliteit; zij behield echter eveneens de Marokkaanse nationaliteit.
  12. Op 7 januari 2005 overlijdt de heer K in Madrid waar ook zijn laatste domicilie gevestigd was (stuk 7 administratief dossier appellant). Hij genoot op dat ogenblik een gezinspensioen als werknemer.
  13. Met aangetekend schrijven van 28 juli 2005 betekent appellant volgende administratieve beslissing aan geïntimeerde: "Aangezien uw echtgenoot vóór het overlijden een pensioen als werknemer heeft genoten, wordt het overlevingspensioen ambtshalve toegekend. Het volledige bedrag wordt vanaf 01/02/2005 op 15.350,45 EUR vastgesteld en is gelijk aan 80% van het aan uw echtgenoot toegekende rustpensioen berekend op basis van het gezinsbedrag, namelijk 19.188,06 EUR per jaar. Aangezien er 2 echtgenotes bekend zijn, wordt er aan iedere weduwe de helft van het bedrag toegekend namelijk 7675.09 EUR per jaar. (...)" (stuk 1 administratief dossier appellant).
  14. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Tongeren d.d. 9 september 2005 neemt geïntimeerde verhaal tegen voormelde administratieve beslissing. Geïntimeerde is van mening dat zij alleen recht heeft op een overlevingspensioen en dit niet bij helften moet delen met de tweede echtgenote van K, met name K F.
  15. Bij tussenvonnis van 18 januari 2006 verklaart de arbeidsrechtbank te Tongeren de vordering ontvankelijk doch alvorens ten gronde te oordelen wordt de heropening der debatten bevolen teneinde appellant toe te laten een aantal documenten bij te brengen en zijn standpunt te formuleren met betrekking tot de rechtsgeldigheid en de bindende kracht van het protocol betreffende het Verdrag tussen België en Marokko en het probleem met betrekking tot het al dan niet strijdig zijn met de openbare orde.
  16. Bij eindvonnis van 8 januari 2007: - verklaart de arbeidsrechtbank te Tongeren de beslissing van appellant van 28 juli 2005 nietig; - zegt ze voor recht dat appellant ertoe is gehouden het volledig wettelijk overlevingspensioen te betalen aan geïntimeerde en dit vanaf de maand volgend op het overlijden van haar echtgenoot; - veroordeelt ze appellant tot de kosten van het geding. De eerste rechters overwegen hierbij het volgende: "Zelfs indien het personeel statuut, zoals in voorliggende zaak het Marokkaans, het voorziet kan het polygaam huwelijk in België niet worden voltrokken daar in dit geval de nationale wet - in casu die van Marokko - strijdig is met onze openbare orde. Een andere zaak is de erkenning in België van de gevolgen van een polygaam huwelijk geldig voltrokken in het buitenland volgens de toepasselijke wetgeving. De exceptie van openbare orde speelt dan enkel voor de gevolgen, zonder te leiden tot de nietigheid van het huwelijk. In casu zou dit hebben gespeeld voor het gezamenlijk verblijf van de twee echtgenoten op hetzelfde adres, Spoorwegstraat 117 te Genk; dit is overigens niet aangetoond, ondanks de vermelding op bepaalde formulieren zoals reeds uiteengezet. Zo wordt het pensioen in principe verdeeld tussen de weduwen, naargelang er twee of meer zijn, en ieder voor één deel. Het Arbitragehof heeft zich niet uitgesproken over het al dan niet discriminatoir karakter van deze regeling. - Arbitragehof 4 mei 2005, n° 84/2005 - met name artikel 24 § 2 van het Algemeen Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko. Cfr. Erauw J. e.a. (eds) Het Wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Intersentia, Bruylant, Antwerpen, Oxford, Brussel 2006, Jean-Yves Carlier, blz. 251 en 246 e.v. en tevens Henri Storme, aspirant NFWO, noot onder Arbitragehof 4 mei 2005, Arrest nr. 84/2005 in R.W. 2005-2006, nr. 19 - 7 januari 2006, 735-
  17. En verder Arbrb., Brussel 24 januari 2000, Soc. Kr. 2001, 387 (verkort). 'In het concrete geval is het evenwel niet aangetoond of de eerste echtgenote zich tegen een volgend huwelijk verzette of omgekeerd, zich heeft kunnen verzetten'. De rechtbank is van oordeel dat de exceptie van openbare orde moet worden ingeroepen. Het gaat om de conflictenregels die bepalen welk recht het personeel statuut van de overleden man beheerst. De erkenning van de gevolgen van een polygaam huwelijk moet hier worden geweigerd. De betrokken partijenKi K en mevrouw E H hebben een dergelijke band met België dat de concrete gevolgen van een erkenning storend zijn voor de Belgische rechtsorde; de band met de vreemde rechtsorde en cultuur vormt hier geen rechtvaardigingsgrond meer voor een erkenning van een polygaam huwelijk. De heer K heeft door zijn tewerkstelling in België pensioenrechten opgebouwd volgens de toepasselijke Belgische regeling; hij heeft uiteraard lange tijd in België gewoond samen met zijn eerste echtgenote; deze laatste heeft inmiddels de Belgische nationaliteit. Het is niet aangetoond dat de tweede echtgenote - in de veronderstelling dat bij de totstandkoming van dit huwelijk de rechten van de eerste echtgenote werden gerespecteerd, hetgeen niet is aangetoond - in België heeft gewoond. De eenvoudige verwijzing door verwerende partij naar hetgeen werd bepaald in het artikel 24 § 2 van de wet van 20.07.1970 houdende goedkeuring van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko en de Administratieve Schikking betreffende de toepassingsmodaliteiten van het Algemeen Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, is hier niet dienend. Het gaat daar, zoals blijkt uit de tekst van de Administratieve schikking, artikel 24
(2)over hetgeen is bepaald in afdeling 2 onder: 'Indiening van de aanvragen:'. Waarvan de tekst is geformuleerd als volgt: '... voor de toepassing van artikel 24 § 2 van het Verdrag, geldt de aanvraag die door één van de weduwen geldig wordt ingediend, eveneens en definitief ten opzichte van de andere rechthebbenden onder de voorwaarden die in het statuut van de verzekerde zijn bepaald...'. Dit handelt over een administratieve formaliteit; het zegt niets over de grondslag van het mogelijk recht. Er is geen aantoonbare band met België. Het is voor mevrouw F niet aangetoond hoe en in welke mate haar overleden echtgenoot heeft bijgedragen in haar onderhoud. Zij kan uit dien hoofde ook geen aanspraak maken op Belgische pensioenrechten; de erkenning van de gevolgen van een polygaam huwelijk wijken daarvoor te ernstig af van wat naar Belgische normen aanvaardbaar is, gelet op het feit dat daardoor de pensioenrechten van de eerste echtgenote worden gehalveerd. Er anders over oordelen is niet in overeenstemming met de essentiële gevestigde morele, politieke en economische beginselen van de Belgische rechtsorde".
  1. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof d.d. 8 februari 2007 stelt appellant hoger beroep in. II. In rechte
  2. Appellant kan niet akkoord gaan met het standpunt van de eerste rechters - en volgens het hof terecht - dat de erkenning van de gevolgen van het polygaam huwelijk van de heer K met zijn tweede echtgenote, mevrouw F, moet geweigerd worden om reden enerzijds van de nauwe band van de heer K en geïntimeerde met België en anderzijds de afwezigheid van enige band van mevrouw F met België en met de heer K. Inderdaad blijkt uit de voorgelegde gegevens van het Rijksregister of de Kruispuntbank dat beide polygame huwelijken op dezelfde wijze een betekenisvolle band met België hadden en bovendien dat ook voor de beide huwelijken er eenzelfde soort band was met de vreemde rechtsorde en cultuur. Immers stelt het hof vast dat de heer K van 23 november 1964 tot aan zijn overlijden overwegend zijn hoofdverblijfplaats had in België daar waar geïntimeerde, de eerste echtgenote ingevolge huwelijk in 1957, over de periode 1957 - 2005 niet overwegend haar hoofdverblijfplaats in België had: - zij verbleef namelijk van 1957 tot 20 mei 1971 in Marokko; - sinds 20 mei 1971 staat zij in België ingeschreven in de registers van de gemeente Genk; - op 26 september 1973 werd zij opnieuw afgeschreven wegens domiciliewijziging naar Marokko en dit van 26 september 1973 tot 26 september 1978; - sinds 26 september 1978 staat zij opnieuw in België ingeschreven in de registers van de gemeente Genk; - op 21 oktober 1980 werd zij opnieuw afgeschreven wegens domiciliewijziging naar Marokko en dit van 21 oktober 1980 tot 25 februari 1981; - tenslotte staat zij sinds 25 februari 1981 in België ingeschreven in de registers van de gemeente Genk. Uit het voorgaande kan besloten dat geïntimeerde zodoende heel wat jaren "feitelijk gescheiden" leefde van haar echtgenoot, de heer K. Mevrouw F, de tweede echtgenote ingevolge huwelijk in 1973, had over de periode 1973 - 2005 ook niet overwegend haar hoofdverblijfplaats in België: - zij verbleef tot 21 mei 1974 in Marokko; - sinds 21 mei 1974 staat zij ingeschreven in België in de registers van de gemeente Genk; - op 26 september 1978 werd zij opnieuw afgeschreven wegens domiciliewijziging naar Marokko en dit van 26 september 1978 tot 15 september 1980; - sinds 15 september 1980 staat zij opnieuw in België ingeschreven in de registers van de gemeente Genk; - op 24 februari 1981 werd zij opnieuw afgeschreven wegens domiciliewijziging naar Marokko en dit van 24 februari 1981 tot 9 februari 2005; - op 9 februari 2005 staat zij opnieuw in België ingeschreven in de registers van de gemeente Genk; - tenslotte werd zij op 11 april 2005 afgeschreven wegens domiciliewijziging naar Marokko. Mevrouw F leefde zodoende ook heel wat jaren "feitelijk gescheiden" van haar echtgenoot, de heer K. Uit de gegevens vermeld in het Rijksregister - zie historiek van de adressen (KSZ) van respectievelijk de heer K, mevrouw F en geïntimeerde - blijkt dat de echtgenotes van de heer K om beurt in Marokko én om beurt in België verbleven en met hem samenwoonden meer bepaald dat ingevolge het tweede huwelijk in 1973, geïntimeerde naar Marokko verhuisde voor een vijftal jaren en dat mevrouw F d.d. 26 september 1978 weer naar Marokko vertrok en diezelfde dag geïntimeerde weer in België arriveerde; mevrouw F d.d. 15 september 1980 weer naar België terugkeerde en een maand later d.d. 21 oktober 1980 geïntimeerde dan weer naar Marokko vertrok en tenslotte mevrouw F d.d. 24 februari 1981 weer naar Marokko vertrok en een dag later d.d. 25 februari 1981 geïntimeerde weer in België was. De gerechtelijke verklaring van 28 maart 2005 welke bijgebracht wordt door geïntimeerde en waarbij de rechter in Marokko als besluit stelt dat het gemeenschappelijk leven van echtgenoot K met geïntimeerde nooit onderbroken is geweest sedert hun huwelijk in 1957 tot bij het overlijden van de heer K in 2005, is niet dienend want zelfs totaal in tegenspraak met de getuigschriften van woonst afgeleverd door de gemeente Genk d.d. 29 oktober
  3. Rekeninghoudend met het voorgaande komt ook de bewering van geïntimeerde, dat zij slechts in het kader van huidige procedure kennis kreeg van het tweede huwelijk van de heer K met mevrouw F, het hof volkomen ongeloofwaardig voor en is het voor de beoordeling van huidige zaak een belangrijk gegeven dat geïntimeerde nooit betwist heeft dat haar echtgenoot, de heer K, een tweede huwelijk had aangegaan.
  4. Verder stelt geïntimeerde ten onrechte dat het tweede huwelijk ongeldig is volgens Marokkaans recht omdat er geen toestemming voor was noch van haar noch van een rechter. Geïntimeerde toont immers niet aan dat zulke toestemming vereist was ten tijde van de sluiting van het tweede huwelijk. De verwijzing naar het gewijzigde Marokkaanse familierecht in 2004 is terzake niet dienend nu het tweede huwelijk reeds in 1973 gesloten werd.
  5. Terecht laat appellant verder als kritiek op het bestreden vonnis gelden dat de eerste rechters verkeerdelijk stellen dat een verwijzing naar artikel 24 § 2 van de wet van 20 juli 1970 houdende goedkeuring van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko en de Administratieve schikking betreffende de toepassingsmodaliteiten van het Algemeen Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid tussen België en Marokko niet dienend is omdat het slechts handelt over een administratieve formaliteit en niets zegt over de grondslag van het mogelijk recht. Deze laatste redengeving van de eerste rechters is onjuist. Immers op 24 juni 1968 ondertekenden het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid te Rabat. Genoemd verdrag werd bij wet van 20 juli 1970 goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 juni 1971 en bekwam de instemming van de Kamers en zodoende verbindende kracht binnen de interne rechtsorde omdat aan de voorwaarde bepaald in artikel 167 § 2 van de Grondwet is voldaan; het bindt de Belgische Staat, gezien het tot op de dag van heden niet is opgezegd noch opgeschort, het maakt duidelijk deel uit van het Belgische recht, zodat het door hoven en rechtbanken dient te worden toegepast. Door omzetting van de internationale norm in een Belgische wet krijgt deze de natuur en de kenmerken van een Belgische wet en worden de internationale verplichtingen ingelast in het Belgische juridische kader. Verder geeft het artikel 24 § 2 van de wet van 20 juli 1970 houdende goedkeuring van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko duidelijke richtlijnen aangaande het "weduwenpensioen". Het artikel 24 stelt meer bepaald in zijn § 2: "Het weduwenpensioen wordt eventueel, gelijkelijk en definitief verdeeld onder de gerechtigden (meervoud), in de voorwaarden die zijn bepaald in het persoonlijk statuut van de verzekerde". De beide internationale normen, het artikel 24 § 2 van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko en het artikel 24
(2)van de Administratieve schikking betreffende de toepassingsmodaliteiten van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, vormen dan ook de rechtsgrondslag voor de administratieve beslissing van 28 juli 2005 welke thans betwist wordt door geïntimeerde.
  1. Verkeerd is de argumentatie van geïntimeerde dat het tweede huwelijk van de heer K met mevrouw F ab initio ongeldig is. Geïntimeerde bekwam pas in 2004 de Belgische nationaliteit, daar waar het tweede huwelijk al in 1973 plaatshad en alle betrokken partijen in de driehoeksverhouding op dat ogenblik de Marokkaanse nationaliteit bezaten. Tevens behield geïntimeerde naast de Belgische nationaliteit ook nog de Marokkaanse nationaliteit. De toepassing van artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek is in casu niet dienend. Het tweede polygame huwelijk - rechtsgeldig in Marokko afgesloten en als rechtsgeldig erkend in België - kan zelfs niet nietig worden verklaard.
  2. Anderzijds voert geïntimeerde correct aan dat niet de geldigheid van het tweede in Marokko afgesloten huwelijk in casu van belang is voor huidige beoordeling van de administratieve beslissing van appellant, doch wel het feit of aan dit tweede huwelijk rechtsgevolgen kunnen verbonden worden in het kader van de Belgische pensioenwetgeving. Geïntimeerde betoogt in dit verband in zijn schriftelijke repliek op het mondeling advies van het openbaar ministerie - repliek welke zij tijdig neerlegde ter griffie van het hof op 20 juni 2008 - dat zowel appellant als het openbaar ministerie voorbijgaan aan het onderscheid in tempore tussen het afsluiten van de huwelijken en de beslissing van appellant. Het klopt inderdaad - zo stelt geïntimeerde - dat op het ogenblik van de afsluiting van het huwelijk alle partijen de Marokkaanse nationaliteit hadden, doch op het ogenblik van het overlijden van de heer K d.d. 7 januari 2005 en de beslissing van appellant d.d. 28 juli 2005 had geïntimeerde evenwel de Belgische nationaliteit (verkregen op 04.03.2004). Volgens geïntimeerde gaat het dan ook niet op om te stellen dat ook appellant op het ogenblik van en bij het nemen van zijn beslissing geconfronteerd is met personen dewelke allen over de Marokkaanse nationaliteit beschikken. Hierin ligt volgens geïntimeerde ook het wezenlijk verschil met het arrest van het Arbitragehof d.d. 4 mei
  3. Het onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging bij arrest van 17 maart 2004 inzake de RVP tegen T. H, gesteld door het arbeidshof te Brussel aan het Arbitragehof, was tweeledig:
  4. "Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in overeenstemming met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het een verschil in behandeling inhoudt naargelang de langstlevende echtenoot van een persoon die in België heeft gewerkt, een man of een vrouw is?"; 2. "Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in overeenstemming met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het een verschil in behandeling inhoudt tussen weduwen van een Belgische onderdaan en weduwen van een bigamische of zelfs polygame Marokkaanse onderdaan?". Beide vragen gaan uit van de situatie dat alle partijen de Marokkaanse nationaliteit hebben. In de eerste vraag handelt het over het feit of er een schending is omdat het Marokkaans recht mannen en vrouwen niet gelijk behandelt; in de tweede vraag of er een schending is omdat het Marokkaans recht Marokkaanse en Belgische weduwen niet gelijk behandelt aangezien in België bigamie of polygamie niet is toegestaan. In tegenstelling met het advies van het openbaar ministerie is deze situatie in casu niet aan de orde. Het personeel statuut van alle partijen in aanmerking nemend op het ogenblik van de beslissing, dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde op dat ogenblik de Belgische nationaliteit heeft. Bijgevolg, op het moment dat appellant zijn beslissing neemt verleent hij rechtsgevolgen aan de bigamie dewelke door het Belgisch recht absoluut verboden is, m.a.w. appellant erkent de bigamie ten aanzien van een Belgische onderdaan, aldus geïntimeerde. Er bestaat volgens haar dan ook geen twijfel dat appellant op dat ogenblik haar op discriminerende wijze behandelt ten opzichte van alle andere Belgische weduwen. Het referentiekader van het openbaar ministerie is in deze dan ook verkeerd; het gaat met name niet over de vraag of er een schending is door een verschillende behandeling van geïntimeerde ten aanzien van andere Marokkaanse vrouwen maar wel ten aanzien van andere Belgische vrouwen. Het antwoord hierop dient volgens geïntimeerde volmondig ja te zijn. Bigamie is in België zelfs ten strengste verboden, zo stelt zij. Geïntimeerde besluit met te zeggen dat indien het hof enige twijfel zou hebben dienaangaande, zij verzoekt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof luidende als volgt: "Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in strijd met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met art. 147 B.W. en met de Belgische en/of internationale openbare, in zoverre het van toepassing is op een weduwe met de Belgische nationaliteit". "Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in overeenstemming met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het een verschil in behandeling inhoudt tussen de Belgische weduwe getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot en een Belgische echtgenoot dewelke niet getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot?". Het hof is van mening dat op dit verzoek dient ingegaan. O P D I E G R O N D E N, HET HOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer R N, advocaat-generaal, in zijn mondeling advies op de openbare terechtzitting van 12 juni 2008, waaromtrent geïntimeerde schriftelijk repliceerde bij besluiten neergelegd ter griffie van het hof op 20 juni 2008 en waarop appellant niet meer wenste te repliceren. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch alvorens over de gegrondheid uitspraak te doen. Beslist aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen: "Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in strijd met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met art. 147 B.W. en met de Belgische en/of internationale openbare, in zoverre het van toepassing is op een weduwe met de Belgische nationaliteit". "Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in overeenstemming met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het een verschil in behandeling inhoudt tussen de Belgische weduwe getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot en een Belgische echtgenoot dewelke niet getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot?". Beveelt conform artikel 2.7. § 1 van de wet van 6 januari 1989 de verzending van een uitgifte van huidig arrest aan het Grondwettelijk Hof. Houdt in afwachting van het arrest van het Grondwettelijk Hof de uitspraak over de kosten aan en verzendt de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer. Aldus gewezen door de heer G V, kamervoorzitter, de heer T K, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer W M raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw L K, e.a. adjunct-griffier en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van elf september tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20080911.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.