id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081013.8 Rolnummer: 2007-0529 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-02 18:05 Fiche De bepalingen van het K.B. van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, moeten voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur restrictief worden geïnterpreteerd. Met de personen die de onderneming kunnen binden ten aanzien van derden in de zin van artikel 2, 3e, van het K.B. van 10 februari 196, zijn bedoeld diegenen die gemachtigd zijn belangrijke handelingen te stellen. Opdat een werknemer als hoofdmeestergast zou kunnen aangezien worden in de zin van artikel 2, 7e, van het K.B., is vereist dat er meerdere meestergasten zijn waarvan er één aan het hoofd staat : de hoofdmeestergast. Het houden van een algemeen toezicht op het atelier volstaat niet om als atelierchef te worden aangezien in de zin van artikel 2, 8ste, van het K.B. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Arbeids- en rusttijden - Arbeidsduur Vrije woorden: Arbeidsreglementering - arbeidswet - uitsluiting, verruiming of beperking - arbeidsduur - directie- of vertrouwenspersoneel - K.B. van 10 februari 1965 - enge interpretatie - personen die de onderneming tegenover derden kunnen verbinden - hoofdmeestergast - atelierchef Wettelijke bepalingen: Wet - 16-06-1971 - 3, § 3, 1° - 02 Link Justel databank 19710616-02 Koninklijk Besluit - 10-02-1965 - 2 - 02 ELI link Pub nr 1965021001 Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 1, blz. 32-34 Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak Verzending bijzonder rol voor wat de kosten betreft tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2070529 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT NV, met maatschappelijke zetel te, appellante, vertegenwoordigd door mr. S. Staes-Polet, advocaat te 1050 Brussel, tegen : F T, wonende te, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevr. M. Robbeets, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 27 maart 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 24 september 2007, - de conclusie van de heer T., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 oktober 2007, - de beschikking d.d. 14 november 2007, - de verbeterende beschikking d.d. 7 december 2007, - de conclusie van de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 21 januari 2008, - de conclusie van de heer T., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 17 maart 2008, - de conclusie van de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 april 2008, - de conclusie van de heer T., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 29 mei 2008, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 november 2007, 14 november 2007, 7 december 2007 en 8 september
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met dagvaarding, betekend op 30 augustus 2004, vorderde de heer T. de veroordeling van de NV, hierna genoemd de NV, tot betaling van 11.584,73 EUR bruto loon en/of loontoeslag voor overuren gepresteerd in 2001, 2002 en 2003 en 1.777,10 EUR bruto enkel en dubbel vakantiegeld, verminderd met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen in de mate dat ze verschuldigd zijn, inhoudingen waarvan de NV moet doen blijken aan de hand van de door de wet voorgeschreven bescheiden en vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf hun eisbaarheid en te berekenen op het verschuldigde nettobedrag, evenals met de kosten van het geding. Tevens vorderde de heer T. de NV te veroordelen tot afgifte van: - de afrekening, meestal "loonbrief" genoemd, op het ogenblik van de betaling van de verschuldigde bedragen - een afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na de betaling van de verschuldigde bedragen - een vakantieattest op het ogenblik van de betaling van het enkel en dubbel vakantiegeld - de fiscale loonfiche nr. 281.10 voor 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de verschuldigde bedragen, en dit telkens onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag en per ontbrekend document nadat de wettelijke voorziene termijn met één maand zal overschreden zijn. De heer T. vorderde ten slotte het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Met conclusie van 14 september 2005 vorderde de NV de vordering betreffende de overuren in hoofd- en ondergeschikte orde volledig ongegrond te verklaren; in uiterst ondergeschikte orde vorderde de NV de vordering slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren ten belope van: - 3.800,16 EUR overeenstemmende met het loon en het overurentoeslag op 152 uren en 15 minuten - 906,6 EUR overeenstemmende met het overurentoeslag op 108 uren en 58 minuten - 722,01 EUR overeenstemmende met het vakantiegeld op dit bedrag. De NV vorderde te zeggen voor recht dat er geen reden bestaat om de veroordeling tot afgifte van sociale documenten gepaard moet gaan met een dwangsom. Tevens vorderde de NV de vordering tot de uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad van het vonnis volledig ongegrond te verklaren en de heer T. te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 22 november 2005 herleidde de heer T. zijn vorderingen naar 10.936,10 EUR bruto loon en/of loontoeslag voor overuren gepresteerd in 2001, 2002 en 2003, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf de eisbaarheid tot 29 augustus 2004 en naar 1.677,60 EUR bruto enkel en dubbel vakantiegeld, beide bedragen verminderd met de wettelijke verplichte sociale en fiscale inhoudingen in de mate dat ze verschuldigd zijn, inhoudingen waarvan de NV moet doen blijken aan de hand van de door de wet voorgeschreven bescheiden en vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 30 augustus 2004 en te berekenen op het netto opeisbare gedeelte van voormelde bruto bedragen, evenals met de kosten van het geding. Met vonnis van 27 maart 2007 werd de NV veroordeeld tot betaling van 10.936,10 EUR bruto loon en/of loontoeslag voor overuren gepresteerd in 2001, 2002 en 2003 en van 1.677,60 EUR bruto enkel en dubbel vakantiegeld, verminderd met de wettelijk sociale en fiscale inhoudingen, in de mate dat deze verschuldigd zijn, inhoudingen waarvan de NV moet doen blijken aan de hand van de door de wet voorgeschreven bescheiden; en het eerste bedrag vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf de eisbaarheid tot 29 augustus 2004 en alle bedragen vermeerderd met de gerechtelijke intrest vanaf 30 augustus 2004; deze intresten te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van voormelde brutobedragen. Verder werd de NV veroordeeld tot afgifte van: - de aangepaste loonfiche op het ogenblik van de betaling van de verschuldigde bedragen - een afschrift van de individuele rekening binnen de twee maanden na de betaling van de verschuldigde bedragen - een vakantieattest op het ogenblik van de betaling van het verschuldigde vakantiegeld - de fiscale loonfiche nr. 281.10 voor 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de verschuldigde bedragen. De NV werd verwezen in de kosten van het geding en er was geen aanleiding om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 30 april 2008 vordert de NV het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtsprekend de vordering van de heer T. integraal ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde vordert de NV de vordering van de heer T. gedeeltelijk gegrond te verklaren en hem te veroordelen tot betaling van 2.533,44 EUR normaal loon voor de door hem gepresteerde overuren en 388,62 EUR vakantiegeld op dit bedrag. In uiterst ondergeschikte orde vordert de NV de vordering van de heer T. gedeeltelijk gegrond te verklaren en hem te veroordelen tot betaling van: - 3.800,16 EUR overeenstemmende met het loon en het overurentoeslag op 152 uren en 15 minuten - 906,6 EUR overeenstemmende met het overurentoeslag op 108 uren 58 minuten - 722,01 EUR vakantiegeld op deze bedragen. Voor het overige vordert de NV het bestreden vonnis te bevestigen en de heer T. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Met conclusie van 29 mei 2008 vordert de heer T. in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn onderdelen. In ondergeschikte orde vordert de heer T. de NV te veroordelen tot betaling van 6.634,10 EUR bruto loon voor overuren gepresteerd in 2001, 2002 en 2003, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf de eisbaarheid tot 29 augustus 2004 en van 1.017,67 EUR bruto enkel en dubbel vakantiegeld, allen verminderd met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen en vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 30 augustus
- Verder vordert de heer T. de NV te veroordelen tot afgifte van: - de afrekening, meestal "loonbrief" genoemd, op het ogenblik van de betaling van de verschuldigde bedragen - een afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na de betaling van de verschuldigde bedragen - een vakantieattest op het ogenblik van de betaling van het enkel en dubbel vakantiegeld - de fiscale loonfiche nr. 281.10 voor 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de verschuldigde bedragen, en dit telkens onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag en per ontbrekend document. Ten slotte vordert de heer T. de NV te verwijzen in de kosten van het geding. In meest ondergeschikte orde vordert de heer T. indien het arbeidshof het vonnis geheel zou hervormen en de heer T. geheel zou afwijzen in zijn eisen, de NV een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen van 291,50 EUR, minstens de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding op te schorten tot wanneer het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken heeft over het ingestelde vernietigingsberoep tegen de Wet van 21 april
- IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten Op 8 juni 1976 trad de heer T. in dienst van de NV, eerst als leerjongen, dan als arbeider (mecanicien). Vanaf 1 januari 1990 werd hij aangesteld als meestergast en vanaf dan had hij het bediendestatuut. Op 25 september 2002 betekende de NV opzegging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een termijn van negen maanden, ingaande op 1 oktober
- De opzeggingstermijn werd ingevolge diverse schorsingen verlengd. Op 1 september 2003 beëindigde de NV eenzijdig de arbeidsovereenkomst en betaalde een opzeggingsvergoeding gelijk aan 18 maanden en zeventig arbeidsdagen loon, na aftrek van de reeds gepresteerde opzeggingstermijn. Met brief van 5 december 2003 vorderde de heer T. de betaling van onder meer loon en toeslagloon voor gepresteerde overuren en toeslagloon voor gerecupereerde overuren in 2001, 2002 en
- (stuk 7 van de heer T.) Partijen kwamen niet tot een vergelijk en op 30 augustus 2004 dagvaardde de heer T. de NV voor de arbeidsrechtbank te Mechelen in betaling van hetgeen hiervoor sub II is vermeld. Met vonnis van 27 maart 2007 verklaarden de eerste rechters de deels herleide eis van de heer T. ontvankelijk en gegrond. Tegen dit vonnis tekende de NV op 24 september 2007 hoger beroep aan.
- De beoordeling 2.
- Overuren en vakantiegeld daarop 2.1.
- Toepassing van het KB van 10 februari 1965 Krachtens artikel 3, § 3, 1°, van de Arbeidswet, zijn de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen II en IV tot VII niet van toepassing op de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie of vertrouwenspost bekleden. Volgens artikel 2 van het KB van 10 februari 1965 worden in alle sectors als personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed beschouwd:
- de directeurs, de onderdirecteurs, de zeevaartkapiteins, alsmede de personen die werkelijk gezag uitoefenen en die verantwoordelijkheid dragen voor de gehele onderneming of een belangrijke onderafdeling ervan;
- de privé-secretarissen, alsmede één stenotypist, verbonden aan de dienst van de werkgever, van de directeur, van de onderdirecteur of van de zeevaartkapitein;
- de personen die onder hun verantwoordelijkheid de onderneming tegenover derden kunnen verbinden;
- de filiaalhouders die al of niet personeel onder hun gezag hebben;
- de ingenieurs en de technische personeelsleden voor zover hun persoonlijke aanwezigheid voor de veiligheid van de werknemers en voor de veilige werking van de onderneming noodzakelijk is;
- de personen belast met controle- of inspectieopdrachten, welke geheel of gedeeltelijk buiten de normale werkuren uitgeoefend moeten worden;
- de hoofdmeestergasten en de conducteurs van werken, voor zover zij met de hoofdmeestergasten gelijkgesteld kunnen worden;
- de fabricage- en atelierschefs, die werkelijk gezag uitoefenen of verantwoordelijkheid dragen;
- de magazijnmeesters van nijverheids- of handelsondernemingen, voor zover zij rekenplichtig zijn over de stocks, verantwoordelijk voor de inventaris en personeel onder hun rechtstreeks en blijvend gezag hebben;
- de stalmeesters;
- de hoofdmachinisten, de hoofdmecaniciens, de hoofdstokers, de meestergasten-elektriciens, de hoofdmonteurs, de chefs van de mechanografie en de garagechefs, voor zover deze functies gezag en toezicht inhouden die op een geheel van personen en van machines betrekking hebben;
- de chefs van de herstel- of onderhoudsdiensten, van de laad-, los-, klarings- en tractiediensten, de chefs van de ontvangdiensten, de chefs van de gasgeneratordiensten die voor de werking en de herstelling van de gasgeneratoren instaan;
- de in de zeehavens tewerkgestelde waterklerken;
- de huisbewaarders in een handels- of nijverheidsonderneming;
- doctors in de diergeneeskunde. Samengevat voert de NV aan dat de heer T. onder het toepassingsgebied van dit KB valt - en derhalve uitgesloten is van het recht op overloon - om volgende redenen: - hij bekleedde de functie van hoofdmeestergast; hij was immers meestergast in het atelier van DE NV, waar hij geen technisch hiërarchisch overste had; - hij was verantwoordelijk voor de leiding en de organisatie van de ploeg van mecaniciens en voor de organisatie van het atelier: takenverdeling, planning, enz.; - gedurende zijn hele tewerkstelling heeft nooit de betaling van overloon gevorderd; hij heeft dit voor het eerst gedaan lang na zijn ontslag; - hij had het statuut van bediende terwijl al de mecaniciens arbeiders zijn; - hij mocht DE NV tegenover derden - zoals onderaannemers - verbinden; - hij was verantwoordelijk voor de selectie van de aan te werven mecaniciens en van hun evaluatie (ook al had hij zelf niet de bevoegdheid om de arbeidsovereenkomsten af te sluiten en te verbreken). Het arbeidshof kan die visie evenwel niet onderschrijven. Samen met partijen is ook het arbeidshof van mening dat de bepalingen van het KB van 10 februari 1965 restrictief moeten geïnterpreteerd worden omdat ze een uitzondering vormen op het principe van de onderworpenheid van de werknemers aan de Arbeidswet. Tussen partijen wordt niet betwist dat de heer T. meestergast was bij de NV. Overigens wordt dit door alle loondocumenten bevestigd. De heer T. was meestergast en derhalve geen "hoofdmeestergast", zoals vermeld in artikel 2, 7de van het KB. Het bestaan van een hoofdmeestergast impliceert immers dat er meerdere meestergasten zijn waarvan er één aan het "hoofd" staat, namelijk de "hoofdmeestergast". Het enkele feit dat er in het atelier waarin de heer T. werkzaam was geen hiërarchisch hogere was, dat er twee ploegchefs onder hem stonden en dat hij werd voorgesteld als "werkplaatsverantwoordelijke" rechtvaardigt niet het besluit dat hij "hoofdmeestergast" was zoals bedoeld in voormelde bepaling. De bewering van de NV dat de heer T. bestekken mocht opmaken, bestellingen en opdrachten mocht boeken bij onderaannemers en bestellingen mocht plaatsen voor de NV, wordt door de heer T. betwist in die zin dat hij enkel erkent dat hij kleine gereedschappen en kuisproducten mocht aankopen voor een bedrag van 5.000,00 tot 10.000,00 BEF (125,00 tot 250,00 EUR). Uit de door de NV voorgebrachte stukken blijkt de omvang van de beweerde bevoegdheden van de heer T. niet. Bij gebrek aan afdoende bewijs blijkt dus enkel dat de heer T. de NV kon binden ten aanzien van derden voor zeer beperkte bedragen. De personen die onder hun verantwoordelijkheid de onderneming tegenover derden kunnen verbinden zijn slechts aan de regeling van de arbeidsduur onttrokken als zij gemachtigd zijn belangrijke handelingen te stellen. Die bevoegdheid die de heer T. terzake had is niet van aard om de heer T. te kunnen aanzien als een persoon die onder zijn verantwoordelijkheid de onderneming kan binden tegenover derden in de zin zoals bedoeld door artikel 2, 3de van het KB. Evenmin kan de heer T. aangezien worden als een atelierchef die werkelijk gezag uitoefent of verantwoordelijkheid draagt. In de mate dat al zou kunnen aanvaard worden dat de heer T. instond voor de organisatie van het werk in het atelier, de planning van de vakanties, de begeleiding van de mecaniciens en de eindcontrole van de voertuigen, zoals de NV beweert, blijkt daaruit hoogstens dat de heer T. een algemeen toezicht hield in het atelier waar hij meestergast was, wat niet hetzelfde is als het werkelijk uitoefenen van gezag of het dragen van verantwoordelijkheid zoals bedoeld in artikel 2, 8ste van het KB. Tenslotte kan de heer T. evenmin aangezien worden als een hoofdmecanicien of garagechef in de zin van artikel 2, 11de van het KB, nu hij vooreerst de functie van meestergast bekleedde en de NV niet aantoont dat die functie gezag en toezicht inhield op een geheel van personen én van machines. De NV kan zich bijgevolg niet beroepen op het Koninklijk Besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur, om te ontsnappen aan de betaling van loon en toeslagloon voor gepresteerde overuren. Het feit dat de NV ook daadwerkelijk overloon betaalde in december 2001 en het feit dat zij compensatierust voor overuren toekende in 2002 en 2003 bevestigen het gegeven dat ook de NV ervan overtuigd was dat de heer T. niet onder de uitzonderingsbepalingen van het KB viel. (stukken 5, 11 en 12 van de heer T.) 2.1.
- Omvang van de geleverde prestaties De heer T. voert aan dat hij voor de volledige duur van de tijdsregistratie waarop hij zijn berekeningen steunt recht heeft op de betaling van loon, omdat hij zonder onderbreking - dus ook tijdens de middagpauze - systematisch voor de receptie moest instaan en dus ter beschikking was van de NV. In essentie houdt de NV voor dat voor elke werkdag een middagpauze van 30 minuten in mindering moet gebracht worden op de afrekening van de heer T. omdat hij dan niet ter beschikking van de NV zou geweest zijn. Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt. In december 2001 betaalde de NV aan de heer T. 16.48 "overuren" aan 150%. Die overuren stemmen overeen met de tijdsregistratie, zonder dat er rekening is gehouden met een middagpauze. Bijgevolg beschouwde de NV de middagpauze als gepresteerde uren. Zonder enig protest of opmerking vanwege de NV heeft de heer T. in 2001, 2002 en 2003 nooit uitgetikt tijdens de middagpauze, wat erop wijst dat hij tijdens de middagen inderdaad ter beschikking was van zijn werkgever. Indien de heer T. inderdaad 's middags een pauze nam, dan zou de NV er toch op aangedrongen hebben dat de heer T. zou uittikken wanneer zijn pauze aanving en dat hij opnieuw zou intikken wanneer zijn pauze eindigde. Ook uit een geschreven verklaring van de heer B., werkzaam voor de S.A., die het arbeidshof geloofwaardig en bewijskrachtig acht, blijkt dat de heer T. aan de receptie regelmatig bestellingen afhandelde tijdens de middagpauze. (stuk 15 van de heer T.) Het is naar het oordeel van het arbeidshof dan ook afdoende bewezen dat de heer T. op instructie, minstens met medeweten van de NV, tijdens de middagpauze ter beschikking van de NV bleef. De door de heer T. opgemaakte afrekening is dan ook correct, nu ze op basis van de tijdsregistratie van de NV is opgemaakt en ze rekening houdt met de reeds gerecupereerde uren en met de door de NV reeds betaalde loontoeslag voor gepresteerde overuren. Bijgevolg is de NV gehouden tot betaling van de door de eerste rechters toegekende bedragen (met inbegrip van het vakantiegeld). Het hoger beroep is ongegrond. 2.
- Sociale documenten - dwangsom Er bestaat geen aanleiding om de verplichting tot afgifte van de sociale documenten te koppelen aan de verbeurte van een dwangsom. Het incidenteel beroep is ongegrond. BESLISSING OP TEGENSPRAAK, De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond. Het vonnis van de arbeidsrechtbank 27 maart 2007 te Mechelen wordt bevestigd. Op verzoek van partijen wordt de beslissing over de kosten aangehouden. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer P. AERTS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, adjunct-griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2008 door de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, adjunct-griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081013.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div