← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081014.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081014.10 Rolnummer: 2007-0622 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-01-15 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 18:06 Fiches 1 - 2 De verjaringstermijn van de terugvordering bedoeld in artikel 174, § 1, 5° raakt de openbare orde niet. Dit blijkt a contrario uit het feit dat de wetgever enkel heeft bepaald dat van de verjaring van de vordering tot betaling van prestaties bedoeld in artikel 106, § 1, eerste lid, 1° tot en met 4° van de Gec. Wet van 14 juli 1994 mag worden afgezien. Bovendien is de verjaring van de terugvordering ingesteld ter bescherming van privé-belangen, met name deze van de sociaal verzekerde. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Algemeen Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - coördinatie ziekte- en invaliditeitsverzekering - arbeidsongeschiktheid werknemers - terugvordering - verjaring Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 106, § 1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 174, § 1, 5° - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: VII DN Gerangschikt onder VII DN - artikel 106, § 1 en onder VII DN - artikel 174, § 1, 5°. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070622 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, Postbus 40, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. D., advocaat te 2050 Antwerpen, tegen: A. B., geïntimeerde, op de zitting niet aanwezig noch vertegenwoordigd. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 9 januari 2008 en 9 september 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, bij verstek gewezen t.o.v. geïntimeerde en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 30 oktober 2007 (A.R. 06/390.170/A); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 27 november 2007; - de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt te Antwerpen op 20 februari 2008 door mevrouw C. Vercammen, kamervoorzitter bij het arbeidshof te Antwerpen; - de kennisgeving van de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, aan partijen verzonden op 20 februari
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van appellant gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 9 september 2008, zitting waarop geïntimeerde niet verschijnt noch iemand voor hem en artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek wordt toegepast. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 27 november 2007, tekende de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten hoger beroep aan tegen een vonnis uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 30 oktober 2007 (A.R. 06/390.170/A). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 2 november
  4. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  5. Feiten en voorgaande rechtspleging A. B. was arbeidsongeschikt erkend vanaf 1 april 1999 en genoot via zijn verzekeringsinstelling prestaties van de uitkeringsverzekering vanaf 1 april 1999 tot en met 30 september
  6. Uit een bewijs van werkhervatting van het ACV Geel van 18 oktober 1999 bleek dat A. B. de werkloosheid had hervat op 8 april
  7. Met aangetekend schrijven van 16 maart 2000 betekende de Christelijke Mutualiteit Turnhout - overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 14 en 15 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de Sociaal Verzekerde - aan A. B. een terugvordering voor ten onrechte betaalde prestaties van de uitkeringsverzekering ten bedrage van 4.059,88 euro [163.775 Bef]. De inhoud van dit schrijven luidt als volgt: "U was arbeidsongeschikt van 01-04-99 tot en met 07-04-
  8. U ontving reeds een ziekte-uitkering tot en met 30-09-
  9. Dit betekent dat u ten onrechte een uitkering ontving van 08-04-99 tot en met 30-09-
  10. (Art. 103 § 1 Gecoördineerde Wet 14-07-94). Wij zijn wettelijk verplicht de uitkeringen, door ons ten onrechte betaald, terug te vorderen (art. 164 van de gecoördineerde wet van 14-07-94 betreffende de geneeskundige zorgen en uitkeringen). De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte verleende uitkeringen verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de uitkeringen werden betaald (art. 174, 5° van hogergenoemde wet). Deze brief stuit de verjaring. Het bedrag dat u dient terug te betalen bedraagt 163.775 BEF. Dit bedrag werd als volgt berekend: 46 dagen x 1.070 BEF en 105 dagen x 1.091 BEF = 163.775 BEF. Er werd u reeds schriftelijk gevraagd het aan u ten onrechte betaald bedrag van 163.775 BEF terug te betalen, doch tot op heden zonder gevolg. (...)" A. B. heeft geen beroep aangetekend tegen voormelde terugvor-deringbeslissing. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 1410, §4 van het Gerechtelijk Wetboek ontving de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten intersectoriële inhoudingen van de werkloosheidsdiensten voor een totaal bedrag van 2.414,73 euro zodat de terugvordering herleid werd tot 1.645,15 euro. Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 juni 2006, vorderde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een uitvoerbare titel op basis van de niet betwiste terugvordering van de onverschuldigde betaling ten aanzien van A. B. voor een bedrag van 1.645,15 euro. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 30 oktober 2007 werd(en): - de vordering van LCM ontvankelijk doch verjaard verklaard; - de kosten van het geding, door geen der partijen begroot, in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van LCM gelegd. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 27 november 2007, tekende de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten hoger beroep aan tegen het vonnis van 30 oktober 2007 gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, gekend onder A.R. nr. 06/390.170/A.
  11. Eisen in hoger beroep LCM (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo te hervormen en opnieuw recht doende, geïntimeerde te veroordelen om aan appellant de som van 1.645,15 euro te betalen. A. B. (geïntimeerde) heeft geen conclusies neergelegd ter griffie en is evenmin verschenen op de zitting van 9 september
  12. Ten gronde Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de heer A. B. enerzijds prestaties van de uitkeringsverzekering heeft ontvangen over de periode van 1 april 1999 tot 30 september 1999 en anderzijds de werkloosheid heeft hervat op 8 april
  13. Overeenkomstig artikel 103, §1, 5° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen heeft de werknemer geen aanspraak op uitkeringen voor de periode waarover hij krachtens een Belgische of vreemde wetgeving aanspraak kan maken op werkloosheidsvergoedingen. Aangezien de heer A. B. vanaf 8 april 1999 opnieuw aanspraak maakte op werkloosheidsuitkeringen heeft hij ten onrechte prestaties van de uitkeringsverzekering ontvangen over de periode van 8 april 1999 tot en met 30 september
  14. Overeenkomstig artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 is hij die tengevolge van een vergissing of bedrog ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de uitkeringsverzekering verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. Met aangetekend schrijven van 16 maart 2000 heeft de Christelijke Mutualiteit Turnhout lastens A. B., op grond van artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, de ten onrechte betaalde prestaties van de uitkeringsverzekering teruggevorderd ten bedrage van 4.059,88 euro [163.775 Bef]. A. B. heeft geen beroep aangetekend tegen voormelde terugvorderingbeslissing. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten heeft vervolgens, op grond van artikel 1410, §4 van het Gerechtelijk Wetboek, inhoudingen verricht op de werkloosheidsuitkeringen zodat de terugvordering herleid werd tot 1.645,15 euro. Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 juni 2006, vorderde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een uitvoerbare titel op basis van de niet betwiste terugvordering van de onverschuldigde betaling ten aanzien van A. B. voor een bedrag van 1.645,15 euro. De arbeidsrechtbank heeft ambtshalve de verjaring van de terugvordering van onverschuldigde ziektevergoedingen ingeroepen op grond van artikel 174 van de gecoördineerde wet van 14 juli
  15. De verjaring van de terugvordering van ten onrechte verleende prestaties van de uitkeringsverzekering is geregeld bij artikel 174, 5° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 hetwelk bepaalt dat de vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de uitkeringsverzekering ten onrechte verleende prestaties verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn uitbetaald. De verjaringstermijn van de terugvordering bedoeld in artikel 174, §1, 5° raakt de openbare orde niet. Dit blijkt a contrario uit het feit dat de wetgever enkel heeft bepaald dat van de verjaring van de vordering tot betaling van prestaties bedoeld in artikel 106, §1, eerste lid, 1° tot en met 4° van de gecoördineerde wet niet mag worden afgezien. Bovendien is de verjaring van de terugvordering ingesteld ter bescherming van privé-belangen, met name deze van de sociaal verzekerde (zie A. Lindemans, Verjaring in het sociaalzekerheidsrecht, pag. 331). In het bestreden vonnis werd dienvolgens ten onrechte de vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verjaard verklaard nu dit middel door de heer A. B., die behoorlijk werd opgeroepen maar niet verscheen ter zitting, niet werd ingeroepen. Gelet op artikelen 103, §1, 5° en 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering is de initiële vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gegrond. Het bestreden vonnis dient vernietigd te worden zodat het hoger beroep gegrond voorkomt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 9 september
  16. De aanwezige partij verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 30 oktober 2007 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 06/390.170/A). Opnieuw recht doende. Verklaart de initiële vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, ingeleid met verzoekschrift ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 22 juni 2006, ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt de heer A. B. om aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten de som van duizend zeshonderd vijfenveertig euro en vijftien eurocent (1.645,15 euro) te betalen ten titel van onrechtmatig genoten prestaties van de uitkeringsverzekering over de periode van 8 april 1999 tot en met 30 september
  17. Verwijst de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van beide aanleggen. Deze kosten worden door geen der partijen begroot en derhalve door het hof niet vereffend. Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever, H. DESMET, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van veertien oktober tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081014.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.