← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081021.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081021.16 Rolnummer: 2007-0184 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Unierecht Invoerdatum: 2009-09-25 Raadplegingen: 146 - laatst gezien 2026-07-03 01:12 Fiches 1 - 2 Wanneer de Belgische arbeidsrechtbank zich in de plaats van de Nederlandse kantonrechter uitspreekt over een verzoek tot ontbinding van een Nederlandse arbeidsovereenkomst, dan is tegen een dergelijk vonnis geen hoger beroep mogelijk bij het arbeidshof, gelet op de toepasselijkheid van de Nederlandse reglementering waarin zulks uitgesloten wordt. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (internationaal privaatrecht - algemene beginselen) Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - internationaal privaat recht (internationaal gerechtelijk recht) - Nederlands recht - EEX-Verordening - ontbinding arbeidsovereenkomst - gerechtelijk privaatrecht - ontvankelijk hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wet - 16-07-2004 - 15 § 1 - 31 ELI link Pub nr 2004009511 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - VERDRAG EUROPESE UNIE - Algemeen (Europees recht - Verdrag EU) Vrije woorden: internationale verdragen en verordeningen - EG - richtlijnen van de EG - Internationaal privaatrecht - Nederlands recht - EEX-Verordening - ontbinding arbeidsovereenkomst - gerechtelijk privaatrecht - ontvankelijk hoger beroep Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 44/2001 - 22-12-2000 - 20 Nota: I G - IX D 6 Gerangschikt onder I G - artikel 15 § 1 en onder IX D 6 - artikel 20 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven - - 2009, blz. 62-71 RW - - 2009- 2010 - nr. 13 - blz. 541-546 RW - - 2009-2010 - nr. 13 - blz. 541-546 Tekst van de beslissing Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2070184 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT. In de zaak: H P, wonende te 3690 Zutendaal, Genkerweg nr. 19, appellant, verschijnend bij mr. G.P. O, advocaat te Rosmalen (N) en mr. S, advocaat te Hasselt; tegen : H S CSC M BV, met zetel te 6199 AC Maastricht Airport (N), Holsterweg nr. 7, geïntimeerde, verschijnend bij mr. A.L.W.G. H, advocaat te Sittard (N) en mr. V, advocaat te Hasselt. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 16 september

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 oktober 2007 en 16 september
  2. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - de bestreden vonnissen van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 1 juni 2006 en 21 december 2006 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 9 juli 2007; - de beschikking overeenkomstig art. 747 §2 Ger. W. d.d. 7 december 2007; - de conclusies en syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op resp. 21 februari 2008 en 21 april 2008; - de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op resp. 21 januari 2008, 21 maart 2008 en 30 april
  3. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  4. Appellant H P was sedert 1 juli 1989 in Nederland tewerkgesteld bij geïntimeerde H S CSC M BV. Appellant oefende bij geïntimeerde de functie uit van 'benchworker fuels' en ontving een maandsalaris van 2.607,00 EUR, exclusief 8 % vakantietoeslag en bonussen. Er ontstonden eind 2003 problemen in de samenwerking tussen partijen, hetgeen mogelijk te maken had met een verslechterde arbeidsverhouding tussen appellant en zijn toenmalige afdelingsverantwoordelijke (de heer v d D). Ingevolge deze problemen besliste geïntimeerde om appellant op 'non-actief' te plaatsen vanaf begin februari
  5. Vanaf die datum verrichtte appellant geen arbeidsprestaties meer voor geïntimeerde; het loon werd hem verder uitbetaald.
  6. Middels een dagvaarding van 5 augustus 2005 heeft geïntimeerde bij de arbeidsrechtbank te Tongeren een procedure opgestart tegen appellant. Deze procedure strekte er toe om door de rechter de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te horen uitspreken, overeenkomstig artikel 7:685 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek en op grond van gewichtige redenen bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. Tevens werd gevorderd om het uit te spreken vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling noch kantonnement.
  7. Bij vonnis van 1 juni 2006 verklaarde de arbeidsrechtbank te Tongeren de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond. De arbeidsrechtbank zegde voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen beëindigd werd op 31 augustus 2006 (deze dag inbegrepen). In het overwegende gedeelte van het vonnis stelde de arbeidsrechtbank daaromtrent: "-/- Een verdere samenwerking in de toekomst lijkt de rechtbank dan ook uitgesloten, reden waarom de rechtbank de arbeidsovereenkomst ontbindt omwille van gewichtige redenen, bestaande uit gewijzigde toestand, zijnde een verstoorde arbeidsrelatie -/-". Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling noch kantonnement. In ondergeschikte orde had appellant verzocht om aanspraak te kunnen maken op een vergoeding in geval van een eventuele ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en in verband hiermee, en teneinde partijen toe te laten daarover te besluiten, werd een heropening der debatten bevolen.
  8. Het (tussen)vonnis van 1 juni 2006 verder uitwerkend, sprak de arbeidsrechtbank te Tongeren daaropvolgend op 21 december 2006 een vonnis uit waarbij geïntimeerde veroordeeld werd tot de betaling aan appellant van een ontslagvergoeding van 26.386,15 EUR. Voorts werd elk der partijen veroordeeld tot de eigen gerechtskosten.
  9. Appellant heeft op 9 juli 2007 (datum ontvangst ter griffie van het verzoekschrift strekkende tot hoger beroep) bij dit arbeidshof hoger beroep aangetekend tegen de twee hogervermelde vonnissen van de arbeidsrechtbank te Tongeren. III. EISEN IN HOGER BEROEP
  10. Appellant vordert om: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - de bestreden vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde onontvankelijk en ongegrond te verklaren; - in ondergeschikte orde, geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een ontbindingsvergoeding ten bedrage van 106.000 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid en de gerechtelijke intresten t.e.m. de datum van algehele betaling, althans tot betaling van een vergoeding naar billijkheid als bedoeld in artikel 7:685 lid 8 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek; - de ingestelde eisuitbreiding ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde derhalve te veroordelen tot het betalen van: - 6.000,00 EUR aan bonussen over 2005 en 2006, - 199,78 EUR wegens ten onrechte ingehouden onbetaald verlof, - 5.732,97 EUR uit hoofde van betaling van vakantierechten ad 401,75 uur aan 14, 27 EUR, - 2.968,16 EUR uit hoofde van betaling van ATV-uren van 208 uur ad 14,27 EUR; - geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van de kosten van beide instanties.
  11. Geïntimeerde vordert om: - het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren; - appellant te veroordelen tot de kosten van het geding; - in ondergeschikte orde, geïntimeerde te machtigen om te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen dat: - dhr P zich in een kort tijdsbestek van 4 december 2003 tot 28 januari 2005 jegens verschillende personen en in het bijzijn van verschillende personen beledigend, ongepast en dreigend heeft uitgelaten, - dhr P op 19 juni 2003 terwijl zijn collega, dhr D, nog een "manual" ten behoeve van zijn werkzaamheden raadpleegde, deze manual dichtsloeg, en dus uitlokkend gedrag vertoonde waarvoor hij nadien werd gewaarschuwd, - er regelmatig discussies ontstonden tussen dhr P en zijn collega's, - er op 6 maart 1997 een disciplinair gesprek plaats vond met dhr P, waarin deze geen respect toonde voor zijn leidinggevenden, en aankondigde dat hij zelf wel maatregelen zou nemen, - dhr P op 4 december 2003 verschillende vervelende woorden gebruikte en ongepaste opmerkingen heeft geplaatst t.o.v. zijn leidinggevende, - dhr P zich op 12 december 2003 jegens een ploegleider BHV (bedrijfshulpverlening) ongepast en respectloos heeft uitgelaten, - dhr P zich op woensdag 17 december 2003 respectloos en intimiderend opstelde t.o.v. de ploegleider BHV, - medewerkers en collega's over de negatieve houding en het steeds terugkerende commentaar van dhr P klagen, - dhr P zich tijdens een beoordelingsgesprek d.d. 28 januari 2005 t.o.v. dhr v d D dreigende taal gebruikte, in de sfeer van "nu moet je uitkijken" en "jij moet nu uitkijken", waarbij hij met de vinger naar de supervisor v d D wees; dat de supervisor dhr P hierna verzocht om te vertrekken, alsmede dat de aanwezige ex-leader en leader aangeven dat zij de situatie bedreigend vonden, - het onmogelijk is geworden dat dhr P nog werkzaamheden verricht binnen de afdeling van dhr v d D, - aan dhr P een andere functie op de afdeling P binnen de G werd voorgesteld, doch dat dhr P hierop niet wou ingaan, - H S door het gedrag van dhr P genoodzaakt was hem voor langere periode naar de afdeling RWS te sturen, - de inhoud van het interoffice memorandum overeenstemt met de uitspraken van de heren V en G, die zich wel degelijk hebben uitgesproken zoals in dit office memorandum is opgenomen; de uitspraak over de kosten alsdan aan te houden. IV. BEOORDELING
  12. Onderhavige zaak heeft betrekking op een geschil dat in verband staat met een tussen appellant en geïntimeerde bestaande arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht. Gelet op het gegeven dat appellant zijn woonplaats in België (Z) had/heeft, is geïntimeerde, rekening houdend met de bepalingen van de Verordening 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 'betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken' (hierna verder aangeduid als de Verordening 44/2001) - volgens dewelke de procedure moet worden ingeleid bij de rechtbanken van de woonplaats van de verwerende partij/ de werknemer (artikel 20 van de Verordening) - een procedure opzichtens appellant gestart bij de arbeidsrechtbank te Tongeren. Tussen partijen bestaat er geen discussie over het gegeven dat de arbeidsrechtbank te Tongeren inderdaad in toepassing van de Verordening 44/2001 bevoegd was om zich over de vordering uit te spreken. De bij de arbeidsrechtbank te Tongeren opgestarte procedure was er in hoofdzaak op gericht om de arbeidsovereenkomst overeenkomstig Nederlands recht, conform artikel 7:685 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, te zien ontbinden op grond van gewichtige redenen bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. Tussen partijen staat het evenmin ter discussie dat de arbeidsrechtbank te Tongeren het Nederlandse recht diende toe te passen. De arbeidsrechtbank van Tongeren heeft de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard, en heeft, toepassing makend van het Nederlandse recht (artikel 7:685 Nederlands B.W.) voor recht gezegd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen beëindigd werd op 31 augustus
  13. Appellant heeft tegen de vonnissen van de arbeidsrechtbank hoger beroep aangetekend bij dit arbeidshof, middels een in die zin ter griffie van dit hof op 9 juli 2007 neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep. Geïntimeerde heeft in eerste instantie aangevoerd dat het bij dit arbeidshof ingestelde hoger beroep onontvankelijk is, en steunt zich hiervoor op de bepalingen van artikel 7:685, 11( van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk tegen een rechterlijke beschikking uitgesproken krachtens dit artikel geen hoger beroep of cassatie kan worden ingesteld. Het gegeven dat volgens artikel 20 e.v. van de Verordening 44/2001 de procedure met inachtneming van het Belgische procesrecht dient te worden uitgevoerd, staat er volgens geïntimeerde niet aan in de weg dat materieel het Nederlands recht dient te worden toegepast. Nu naar Nederlands recht hoger beroep is uitgesloten, kan zulks volgens geïntimeerde niet worden "overruled" door Belgisch procesrecht. Volgens geïntimeerde kan bijgevolg tegen de door de arbeidsrechtbank te Tongeren in toepassing van artikel 7:685 Nederlands B.W. uitgesproken beschikking geen hoger beroep worden ingesteld. Appellant heeft in repliek op dit door geïntimeerde aangevoerde middel gesteld dat uit de toepassing van artikel 20 en volgende van de Verordening 44/2001 volgt dat onderhavige procedure met inachtneming van het Belgische procesrecht dient te worden gevoerd. In de visie van appellant impliceert zulks dat tegen de door de arbeidsrechtbank te Tongeren uitgesproken vonnissen wel hoger beroep bij het arbeidshof kan/kon worden ingesteld. Volgens appellant kan het door geïntimeerde aangevoerde middel niet worden bijgetreden, en is het door appellant bij het arbeidshof ingestelde hoger beroep wel degelijk ontvankelijk. Het hof is van oordeel dat het door geïntimeerde aangevoerde middel van onontvankelijkheid van het hoger beroep bijgetreden moet worden. Het hof licht deze beoordeling hierna verder toe.
  14. Artikel 20 van de Verordening 44/2001 bepaalt dat "de vordering van de werkgever slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft". Dat dergelijke vordering dan wordt behandeld met inachtneming van processuele pleegvormen, eigen aan het nationale recht van de rechtsinstantie die over het geschil uitspraak doet, kan bezwaarlijk worden betwist. Dit betekent concreet dat onderhavig geschil, dat handelt over een ontbindingsprocedure van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht, door de Belgische arbeidsrechter op procedureel vlak moet worden benaderd en behandeld, rekening houdend met de beschikbare regels die hem door het nationale gerechtelijk privaatrecht worden aangereikt, daarbij dan zoveel als mogelijk rekening houdend met de specificiteit en eigenheid van de buitenlandse rechtsfiguur waarover uitspraak moet worden verleend (zie hierna verder, sub IV.4.). In de visie van appellant houdt de toepassing van het nationale (d.w.z. Belgische) gerechtelijk recht klaarblijkelijk in dat tegen een uitspraak van de arbeidsrechter te allen tijde hoger beroep bij het arbeidshof zou kunnen worden ingesteld. Appellant gaat er kennelijk van uit dat het Belgische procesrecht hem een onaantastbaar recht op een dubbele aanleg verschaft, volgens hetwelk tegen de in eerste aanleg gewezen uitspraak steeds hoger beroep mogelijk zou zijn. Het hof is echter van oordeel dat dergelijk principe niet onwrikbaar vervat ligt in de Belgische procesrechtelijke reglementering. Er kan in dit verband worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie bij herhaling geoordeeld heeft dat de regel van de dubbele aanleg geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt (cf. Cass. 21 januari 1983, Arr. Cass. 1982-83, 675; Cass. 2 november 1989, R.W. 1989-90, 924). In het Gerechtelijk Wetboek wordt op zich niet uitdrukkelijk op uniforme wijze bepaald welke de voorwaarden zijn voor de toelaatbaarheid van het rechtsmiddel van het hoger beroep, en er kunnen daaromtrent aanknopingspunten worden teruggevonden in de wettelijke bepalingen betreffende de aanleg (artikelen 616 tot 621 Ger.W.), de bepalingen betreffende de rechtsmiddelen in het algemeen (artikelen 1042 tot 1046 Ger.W.), en het hoger beroep in het bijzonder (artikelen 1050 tot 1072 Ger.W.) (vgl. LAENENS J., BROECKX K. en SCHEERS D., "Handboek gerechtelijk recht", Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2004, 521-522). Artikel 616 Ger.W. luidt als volgt: "Tegen ieder vonnis kan hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt". In principe staat dus de mogelijkheid tot het instellen van het hoger beroep tegen een vonnis open. Op deze regel bestaan er slechts uitzonderingen indien de wet zulks bepaalt, uitzonderingen die strikt moeten worden uitgelegd (Cass. 16 mei 1991, Arr. Cass.1990-1991, 924). De belangrijkste uitzondering betreft de vorderingen waarvan het bedrag een bepaalde grens, de grens van de aanleg, niet te boven gaat (vgl. BROECKX K., "Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding", Antwerpen- Apeldoorn, Maklu, 1995, 152, nr.326). Inzake vorderingen ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de vrederechter en de politierechter (in welomschreven zaken) worden die grenzen vastgelegd in artikel 617, lid 1 Ger.W. Vorderingen die de voorziene bedragen niet overschrijden worden door de vermelde 'eerstelijnsrechters' in laatste aanleg gewezen, zonder dat hoger beroep ertegen mogelijk is. In artikel 617, lid 2 Ger.W. wordt bepaald dat vonnissen van de arbeidsrechtbank steeds vatbaar voor hoger beroep zijn. Het schijnt het hof evenwel toe dat deze laatste bepaling in samenhang moet worden gelezen met de bepalingen van artikel 617, lid 1 Ger.W. Artikel 617, lid 2 Ger.W. behelst in deze context enkel, en zulks dan afwijkend van hetgeen voor de andere vermelde 'eerstelijnsrechtbanken' geldt, dat beroep tegen een vonnis van de arbeidsrechtbank mogelijk is, ongeacht het specifieke bedrag van de vordering waarover uitspraak wordt gedaan. Dit doet echter nog geen afbreuk aan hetgeen in artikel 616 Ger.W. wordt bepaald: hoger beroep kan worden ingesteld, "tenzij de wet anders bepaalt". Het is deze laatste toevoeging, "tenzij de wet anders bepaalt", die haar belang heeft en die een belangrijke nuancering aanbrengt aan het principe van de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep. Indien in een wettelijke bepaling de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep tegen een specifieke uitspraak van de arbeidsrechtbank wordt uitgesloten, dan dient volgens het hof dergelijke uitzondering op de algemene regel in acht te worden genomen. In het licht van de vraag of hier tegen de door de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen vonnissen, waarbij deze in toepassing van artikel 7:685 Nederlandse B.W. de ontbinding uitsprak van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en geïntimeerde veroordeelde tot betaling van een ontslagvergoeding aan appellant, hoger beroep bij dit arbeidshof mogelijk is, is het hof van oordeel dat zulks niet het geval is, nu "de wet het anders bepaalt". "De wet die het anders bepaalt" is hier: artikel 7:685, 11( Nederlands B.W. Artikel 7:685, 11° Nederlands B.W. luidt als volgt: "Tegen een beschikking krachtens dit artikel kan hoger beroep noch cassatie worden ingesteld". De Nederlandse kantonrechter substituerend in uitvoering van de Verordening 44/2001, sprak de arbeidsrechtbank te Tongeren een vonnis (synoniem met de "beschikking" naar Nederlands recht) uit krachtens artikel 7:685 Nederlands B.W. In toepassing van artikel 7:685, 11( Nederlands B.W. is hiertegen geen hoger beroep mogelijk. Het hof merkt op dat hier geen valabele redenen kunnen worden onderkend op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de verwijzing in artikel 616 Ger.W., "tenzij de wet anders bepaalt", niet zou gelden voor een eventueel door het vreemde recht (hier, het Nederlandse recht; specifiek artikel 7:685, 11( Nederlands B.W.) in die zin bepaalde wettelijke uitzondering, in de gevallen waar het een bodemgeschil betreft dat door de Belgische rechter met toepassing van dit vreemde recht moet worden beoordeeld. Dat deze bepaling vervat ligt in het Nederlandse B.W., en als zodanig een processueel aspect regelt waar het juridisch eigenlijk in een materieelrechtelijke regeling kadert, staat daaraan niet in de weg. Deze techniek, bestaande in het incorporeren van procedurele en processuele aspecten in een materieelrechtelijke regeling, is overigens in het Belgische rechtsbestel niet onbekend, en daarbij wordt dan evenzeer op procesrechtelijk vlak de uitwerking en toepassing ervan aanvaard (vgl. bijvoorbeeld artikel 31 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 dat bepaalt dat de vrederechter in laatste aanleg beslist, ongeacht het bedrag van de overdracht van loon / vgl. Cass. 10 november 1983, Arr. Cass. 1983-84, 290 en 294; vgl. bijvoorbeeld artikelen 4-13 van de Bijzondere Ontslagbeschermingswet Personeelsafgevaardigden van 19 maart 1991).
  15. Appellant 'ontrafelt' artikel 7:685 Nederlands B.W. in enerzijds materiële bepalingen en anderzijds formele Nederlandse procesrechtelijke bepalingen. Appellant catalogeert artikel 7:685, 11( Nederlands B.W. (hetgeen het hoger beroep of cassatieberoep verbiedt tegen de door de Nederlandse kantonrechter gewezen beschikking) onder de formele Nederlandse procesrechtelijke bepalingen. Dergelijke bepalingen zijn volgens appellant niet van toepassing in geval van (zoals hier) een bij de Belgische rechtbank gevoerde procedure, en het Belgische procesrecht zou ervoor in de plaats worden gesteld. Appellant heeft echter geen rechtsgrond vermeld waarop hij zich ter eventuele ondersteuning van dit standpunt zou kunnen beroepen. Analoge rechtspraak of rechtsleer werd door hem evenmin aangehaald. Het hof is van oordeel dat de door appellant geponeerde stelling niet gefundeerd is, en treedt het desbetreffende standpunt van appellant niet bij. Naar het oordeel van het hof moet de Belgische rechter bij de beoordeling van de Nederlandse rechtsfiguur van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst omwille van gewichtige redenen, de rechtsfiguur in zijn geheel toepassen, hierbij inbegrepen de bepaling waarbij tegen de gewezen beschikking geen hoger beroep (en/of geen cassatieberoep) mogelijk is. Deze laatste bepaling maakt namelijk integraal deel uit van de vermelde rechtsfiguur, volgens de tekst en interpretatie ervan in het land van herkomst. Dat het buitenlands recht wordt toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie, is een voorschrift dat letterlijk vervat ligt in artikel 15, § 1 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht (Wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal privaatrecht, B.S. 27 juli 2004). Bij toepassing van het vreemde recht, te dezen de ontbindingsprocedure van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht, dient de Belgische rechter de draagwijdte van het vreemde recht te bepalen, daarbij rekening houdend met de toepassing en interpretatie die het krijgt in het land van herkomst (cf. Cass. 9 oktober 1980, R.W. 1981-82, 1471; Cass. 13 mei 1996, Arr. Cass. 1996, 431; Cass. 14 februari 2005, J.T.T. 2005, 261; Cass. 18 april 2005, NJW 2005, 1167; vgl. STORME H., "Vreemd recht voor Belgische rechter", NJW 2005, 1154-1166). In Nederland is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 7:685 Nederlands B.W. een zeer frequent voorkomende beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, op grond van de brede categorie van de gewichtige reden (vaak met toekenning van een vergoeding aan de werknemer). De ontbindingsprocedure is niet zozeer gericht op de beslechting van een rechtsstrijd, maar eerder op de vaststelling van een billijke regeling, in het kader van een snelle procedure, waarbij de rechter niet gebonden is aan de wettelijke bewijsregels, en in principe zonder de mogelijkheid van een hoger beroep of cassatieberoep (cf. RAUWS W., "De ontbinding van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 7:685 Ned. BW voor de Belgische rechter", concept/ontwerptekst n.a.l.v. de studieavond inzake Belgisch-Nederlands ontslagrecht, georganiseerd door de Vereniging voor Arbeidsrecht te Antwerpen op 28 april 2008, met verwijzing onder meer naar : LUTTMER-KAT A., "Arbeidsrecht : Tekst en Commentaar, Deventer, Kluwer, 2006, 175-185; VAN DEN HEUVEL L.H., "Ontslagrecht, studiepockets privaatrecht", Zwolle, Tjeenk Willink, 1996, 100-112). De reden voor het ontbreken van een beroepsmogelijkheid bestaat er volgens de Nederlandse Hoge Raad ook in om ieder debat uit te sluiten over het oordeel van de kantonrechter over de aan- of afwezigheid van gewichtige redenen, alsmede over de waardering hiervan (vgl. Hoge Raad 15 april 1971, Nederlandse Jurisprudentie 1971, 303 - cf. stuk 21 geïntimeerde). Volgens de rechtspraak van de Nederlandse Hoge Raad wordt hoger beroep slechts in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar geacht, indien de rechter zijn bevoegdheid is te buiten getreden of bij het niet in acht nemen van essentiële vormen, waarbij het dan gaat om schending van zo fundamentele rechtsbeginselen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Zo kan aldus een schending van het beginsel van hoor en wederverhoor tot vernietiging van de rechterlijke beschikking leiden (HEERMA VAN VOSS G.J.J., "Ontslagrecht in Nederland", T.P.R. 2001, p. 2146, met verwijzingen naar rechtspraak van de Nederlandse Hoge Raad). De rechtsfiguur van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst omwille van gewichtige redenen bestaat als zodanig in het Nederlandse rechtsbestel reeds sedert 1907 (wet van 13 juli 1907, ingevoegd in het Nederlandse B.W. in 1909). Hoewel het ontbreken van de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep meermaals als onbevredigend wordt ervaren door de (Nederlandse) rechtspraktizijn, heeft de Nederlandse regelgever tot op heden nog geen wetswijziging aan het bestaande systeem (dat de mogelijkheid tot hoger beroep uitsluit) aangebracht (cf. HEERMA VAN VOSS G.J.J., a.w., p. 2146-2147). Het hof weerhoudt hier dat het ontbreken van de mogelijkheid tot het instellen van een hoger beroep (en/of cassatieberoep), tegen een beschikking die door de kantonrechter wordt uitgesproken in het kader van de ontbindingsprocedure van de arbeidsovereenkomst conform artikel 7:685 Nederlands B.W., een door de Nederlandse regelgever gewenst aspect vormt van bedoelde rechtsfiguur, er onlosmakelijk mee verbonden is, en er integrerend deel van uitmaakt. Met deze draagwijdte en interpretatie van het vreemde recht dient de Belgische rechter rekening te houden. Rekening houdend met de tekst en toepassing van de bepalingen van artikel 7:685, 11( Nederlands B.W., is er derhalve geen anomalie vaststelbaar wanneer het arbeidshof tot de bevinding komt dat het hoger beroep dat door appellant bij dit hof tegen bedoelde beslissing(en) van de arbeidsbank werd ingesteld, niet kan worden toegelaten, Dergelijke beoordeling door het hof is in overeenstemming met de in het land van herkomst toepasselijke interpretatie van de in het geding van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.
  16. De verwijzingen van appellant naar de door geïntimeerde gekozen wijze van rechtsingang van de procedure bij de arbeidsrechtbank te Tongeren via dagvaarding in plaats van via verzoekschrift, naar het gegeven dat geïntimeerde in de procedure bij de arbeidsrechtbank niet de mogelijkheid gevorderd heeft tot eventuele intrekking van de dagvaarding (cf. artikel 7: 685, 9° Nederlands B.W.), en naar het gegeven dat geïntimeerde akkoord is gegaan met termijnen voor het nemen van conclusies zoals die bij de arbeidsrechtbank op de inleidingszittingen zijn bepaald, betreffen andere procedurele aspecten die op zich niet van aard zijn om hier de toepassing van artikel 7:685, 11( Nederlands B.W. aan de kant te doen schuiven. En de verwijzing van appellant naar een vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout d.d. 8 mei 2006, alwaar deze rechtbank zich kennelijk uitsprak over de vraag welk procesrecht van toepassing was op een ontbindingsprocedure tegen een in België wonende maar in Nederland werkzame Nederlandse werknemer, en daarbij overwoog dat het vonnis vatbaar zou zijn voor hoger beroep (stuk 12 appellant), is evenmin van aard om het hof tot andere inzichten aan te zetten.
  17. Ten overvloede merkt het hof nog op dat het allicht niet in de bedoeling van de 'Europese wetgever' zal hebben gelegen om ongelijkheden tussen EU-onderdanen in het leven te roepen, toen hij de bepalingen van artikel 20 van de Verordening 44/2001 tot stand bracht. De partij die zich tot de Nederlandse kantonrechter richt met het oog op de toepassing van artikel 7:685 Nederlands B.W., kan tegen de daaropvolgende beschikking van de Nederlandse kantonrechter geen hoger beroep (en/of cassatieberoep) instellen. Uiteraard zonder zich in de plaats te willen stellen van de EU- regelgever, is het naar het oordeel van het hof niet verzoenbaar met de basisregel van de gelijke behandeling van EU-onderdanen indien de toepassing van artikel 20 van de Verordening 44/2001 er toe zou leiden dat tegen de corresponderende uitspraak van de gebeurlijk (conform artikel 20 Verordening 44/2001) gevatte Belgische arbeidsrechter dan wel hoger beroep en eventueel daaropvolgend cassatieberoep zou kunnen worden ingesteld, daar waar zulks in een vergelijkbare situatie bij de Nederlandse kantonrechter niet tot de mogelijkheden blijkt te behoren. Een andere visie voorstaan, zou naar het oordeel van het hof neerkomen op een ongelijke behandeling van EU-onderdanen, louter afhankelijk van het (willekeurige) feit of de betrokken werknemer in de ene dan wel de andere lidstaat zijn woonplaats heeft. Dergelijke andere visie schijnt het hof in het licht van de Europese 'gelijkheidsgedachte' weinig aannemelijk toe als de te volgen zienswijze.
  18. Verwijzend naar de voorgaande overwegingen komt het hof tot het besluit dat het hoger beroep tegen de vonnissen van 1 juni 2006 en 21 december 2006 van de arbeidsrechtbank te Tongeren wettelijk niet toegelaten is. Het door appellant bij dit arbeidshof ingestelde hoger beroep is bijgevolg onontvankelijk. Dit geldt eveneens voor de door appellant in onderhavige beroepsprocedure geformuleerde eisuitbreiding (voor het eerst vermeld in zijn verzoekschrift strekkende tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 9 juli 2007). Dergelijke 'uitbreiding van eis' kan logischerwijze enkel maar in verband staan met de door appellant in de procedure bij de arbeidsrechtbank geformuleerde oorspronkelijke tegeneis, erop gericht geïntimeerde te horen veroordelen tot de betaling van een ontslagvergoeding. De uitspraak over deze initiële tegeneis van appellant maakt als zodanig deel uit van de uitspraak die door de arbeidsrechtbank werd gedaan inzake de ontbindingsprocedure van de arbeidsovereenkomst conform artikel 7:685 Nederlands B.W., beschikking/uitspraak waartegen geen hoger beroep openstaat (zie hoger). Van bedoelde uitbreiding van de initiële tegeneis van appellant kan het hof thans ten gronde geen kennis nemen, nu de arbeidsrechtbank zich reeds ten definitieve titel uitsprak over de initiële tegeneis. Ook bedoelde eisuitbreiding is bijgevolg onontvankelijk.
  19. Gelet op de onontvankelijkheid van het hoger beroep en van bedoelde eisuitbreiding, onthoudt het hof zich uiteraard verder van uitspraken over de grond van het geschil. O P D I E G R O N D E N, Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak, Verklaart het door de heer H P tegen de vonnissen van 1 juni 2006 en 21 december 2006 van de arbeidsrechtbank te Tongeren ingestelde hoger beroep onontvankelijk. Verklaart de door H P in onderhavige beroepsprocedure geformuleerde eisuitbreiding van zijn initiële opzichtens geïntimeerde ingestelde tegeneis onontvankelijk. Veroordeelt appellant in toepassing van artikel 1017, lid 1 Ger.W. tot de gerechtskosten van onderhavige beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van appellant op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door de heer P. C, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer N. S, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer J. V H, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw S. W, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in de openbare terechtzitting van éénentwintig oktober tweeduizend en acht. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081021.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.