id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081110.19 Rolnummer: 2006-0643 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-01-26 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-07-03 10:23 Fiche 1 Een vordering in rechte kan worden uitgebreid of gewijzigd, indien de feiten waarop de gewijzigde vordering berust dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden vermeld. Het is niet vereist dat de vordering hetzelfde voorwerp heeft, zolang de oorzaak niet wordt gewijzigd. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Algemeen Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - voorwerp van de vordering - wijziging in hoger beroep - voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 807 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: I A - I B - II AAN Gerangschikt onder I A - artikel 807, onder I B - artikel 1151, onder II AAN - artikel 35 en onder II AAN - 39 (verschillende korte inhouden). Fiches 2 - 3 Die contractuele fout van de werkgever staat echter niet in rechtstreeks oorzakelijk verband met de schade die de werknemer lijdt, zoals door artikel 1151 van het Burgerlijk Wetboek vereist, wanneer daardoor het optieplan van de moedermaatschappij - die ter zake een derde is - een einde neemt en de werknemer niet langer kan genieten van de voordelen van dat plan. De schade die de werknemer daardoor lijdt heeft een eigen juridische oorzaak. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (burgerlijk recht - algemene beginselen) Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - einde van de overeenkomst - forfaitaire opzeggingsvergoeding - overeenkomst zonder tijdsbepaling - loon - aandelenoptieplan moedermaatschappij - beëindiging optieplan bij einde tewerkstelling door werkgever - contractuele fout - werkgever die derde is bij optieplan - eigen juridische oorzaak - artikel 1151 Burgerlijk Wetboek - geen rechtstreeks oorzakelijk verband Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1151 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de overeenkomst - forfaitaire opzeggingsvergoeding - overeenkomst zonder tijdsbepaling - loon - aandelenoptieplan moedermaatschappij - beëindiging optieplan bij einde tewerkstelling door werkgever - contractuele fout - werkgever die derde is bij optieplan - eigen juridische oorzaak - artikel 1151 Burgerlijk Wetboek - geen rechtstreeks oorzakelijk verband Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 4 De werkgever die tijdens de door hem regelmatig betekende opzeggingstermijn onmiddellijk de arbeidsovereenkomst beëindigt met betaling van een opzeggingsvergoeding, begaat een contractuele fout. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de overeenkomst - beëindiging om dringende reden - eenzijdige onmiddellijke beëindiging tijdens opzeggingstermijn - fout - schadeplicht Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 807, onder I B - artikel 1151, onder II AAN - artikel 35 en onder II AAN - 39 (verschillende korte inhouden). Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 7, blz. 378-381 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060643 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT J V D B, wonende te , appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Buyssens, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen : BVBA , met maatschappelijke zetel te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. L. Vanaverbeke, advocaat te 2000 Antwerpen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 21 december 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 31 oktober 2006, - de conclusie van de BVBA, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 23 maart 2007, - de conclusie van de heer V.D.B., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 5 december 2007, - de beschikking d.d. 26 februari 2008, - de conclusie van de BVBA, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 25 april 2008, - de conclusie van de heer V.D.B., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 28 mei 2008, - de conclusie van de BVBA, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 juni 2008, - de conclusie van de heer V.D.B., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 29 juli 2008, - de conclusie van de BVBA, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 27 augustus 2008, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 4 december 2006, 26 februari 2008 en 13 oktober
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 6 april 2004, vorderde de heer V.D.B. te zeggen voor recht dat de stock-opties zoals door de BVBA, hierna genoemd de BVBA, toegekend onvoorwaardelijk toebehoren aan hemzelf met name: - in 1999: 900 aandelen-opties aan 31,1041 US$ (300 oorspronkelijke aandelen voor splitsing aan 93,3125 US$) - in 2000: 900 aandelen-opties aan 36,0208 (300 oorspronkelijke aandelen voor splitsing aan 108,0625 US$) - in 2001: 1200 aandelen-opties aan 33,94 US$ - in 2002: 1500 aandelen-opties aan 30,425 US$ - in 2003: 2500 aandelen-opties aan 27,40 US$. Verder vorderde de heer V.D.B. de BVBA te veroordelen tot aflevering van de vereiste documenten en/of machtiging zodat de heer V.D.B. eigenhandig en rechtstreeks kan overgaan tot de lichting van de opties bij The Compensation Committe of the Board of The D C C, onder verbeurte van een dwangsom van 250 EUR per dag bij niet afgifte van deze documenten en/of machtiging vanaf de betekening van het tussengekomen vonnis. Ten slotte vorderde de heer V.D.B. de BVBA te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 24 november 2004 vorderde de BVBA de vordering van de heer V.D.B. ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 30 december 2004 vorderde de heer V.D.B. dat, alvorens recht te doen, de BVBA zou worden bevolen om van de door haar bijgebrachte stukken in een andere taal een beëdigde vertaling bij te brengen. Tevens vorderde de heer V.D.B. dat de BVBA zou worden veroordeeld tot de afgifte van de aandelen waarvoor opties werden toegekend, onder verbeurte van een dwangsom van 250 EUR per dag bij niet afgifte vanaf de betekening van het vonnis. Voor het overige handhaafde de heer V.D.B. zijn vordering. Met vonnis van 21 december 2005 werd de vordering van de heer V.D.B. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de heer V.D.B. verwezen in de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 29 juli 2008 vordert de heer V.D.B. alvorens recht te doen de BVBA te veroordelen tot het voorleggen van alle dienstige stukken omtrent de behandeling van de kosten van de opties en onder andere meerbepaald de invoice met het nummer 42143455 van D C M voor klant nummer 00003369, zijnde BVBA Tessenderlo voor 673.001,33 US$, de purchase order met het nummer 40000630 die gekoppeld was aan voormelde invoice met verkoper nummer 1428, The D C C M voor 673.001,33 US$ en de inkomende factuur van D C C M geregistreerd onder het nummer 67002462 gekoppeld aan de purchase order 40000630 voor 673.00,33 US$, minstens een gerechtsdeskundige aan te stellen met de opdracht de boekhouding van de NV (vermoedelijk bedoelt hij de BVBA) na te gaan om vast te stellen of en hoe de doorbelasting van de kosten van de aandelenopties van de heer V D B zou zijn gebeurd door The D C C aan de NV (vermoedelijk bedoelt hij de BVBA) op het moment dat de aandelen in 2005 zouden zijn uitgeoefend door de heer V.D.B.. Verder vordert de heer V.D.B. het bestreden vonnis te vernietigen en de BVBA te veroordelen tot de betaling van een bedrag in EUR dat overeenstemt met 157.494,19 US$, verhoogd met de wettelijke intrest sinds 9 maart 2005 waarbij de omrekening van US$ naar EUR dient te gebeuren aan de wisselkoers op 9 maart 2005 en met de kosten van het geding. Met conclusie van 27 augustus 2008 vordert de BVBA het bestreden vonnis te bevestigen en de heer V.D.B. te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer V.D.B. trad in dienst van de NV D I S C op 15 juli 1989 als systeemanalist. Op 1 januari 1997 stapte hij over naar de BVBA in de functie van Application Architect. Op 25 augustus 2003 beëindigde de BVBA de arbeidsovereenkomst, met betekening van een opzeggingstermijn van 19,71 maanden. De opzeggingstermijn werd gedurende een maand gepresteerd. De arbeidsovereenkomst nam vervolgens vanaf 30 september 2003 een einde door de betaling van een opzeggingsvergoeding. De BVBA maakt deel uit van de Amerikaanse multinational The D C C, een vennootschap opgericht onder het recht van de staat Delaware, met zetel te Michigan. Deze Amerikaanse moedervennootschap van de BVBA heeft binnen de groep wereldwijd ten voordele van bepaalde werknemerscategorieën een aandelenoptieplan ingesteld. Vanaf 1999 werden aan de heer V.D.B. door The D C C aandelenopties (stock-options) toegekend. Via standaardbrieven in het Engels (waarvan de BVBA een vertaling neerlegt) van 16 februari 1999, 16 februari 2000, 26 maart 2001, 26 februari 2002 en 26 februari 2003 werd aan de heer V.D.B. door de President en CEO van The D.C.C. gevestigd te Michigan meegedeeld dat het "Compensation Committee" van de bestuursraad van The D.C.C. hem een jaarlijks variërend pakket aandelenopties wenste toe te kennen. Op de keerzijde van deze brieven, waarnaar telkens uitdrukkelijk werd verwezen in de tekst van de brief zelf, worden de bepalingen en voorwaarden ("terms and conditions") vermeld, waaronder de aandelenopties worden toegekend. Artikel 2 van deze overeenkomst inzake niet-gekwalificeerde aandelenopties krachtens het belonings- en optieplan 1988 van The D.C.C. bepaalt: "Behalve ingeval van overlijden, onbekwaamheid of pensionering wordt onderhavige overeenkomst beëindigd van zodra u niet langer in dienst bent bij de maatschappij of gelijk welke van haar dochtermaatschappijen of filialen (hierna gezamenlijk "een Dow maatschappij" genoemd), niettegenstaande het feit dat de vastgelegde looptijd van deze overeenkomst niet verstreken is." ("Except in the case of death, disability, or retirement, this Agreement shall terminate as soon as you are no longer employed by the Company or any Subsidiary or Affiliate (collectively "a Dow Company"), notwithstanding the fact that the stated term of this Agreement may nog have expired."). Deze brieven verwezen naar het belonings- en aandelenoptieplan 1988 van The D.C.C. die door de begunstigde kon geconsulteerd worden op het Dow Intranet. Artikel 12 van deze prospectus 1988 bevat de gelijkaardige bepaling, dat beloningen kunnen worden verbeurd wanneer de begunstigde zijn of haar tewerkstelling bij de maatschappij, een dochtermaatschappij of een filiaal voor om het even welke reden behalve overlijden of pensionering beëindigt ("Awards may be forfeited if the Awardee terminates his or her employment with the Company, a Subsidiary or an Affliate for any reason other than death or retirement"). Vanwege de Dow Benelux BV gevestigd te Terneuzen, die instond voor de fiscale afhandeling van de door The D.C.C. toegekende aandelenopties in de Benelux, werd de heer V.D.B. telkens per via e-mail verzonden brief gevraagd om te bevestigen of hij de aandelenopties toegkend door The D.C.C. wenste te aanvaarden en of hij desgevallend zou kunnen instemmen met het feit dat hij de opties niet zou uitoefenen gedurende een bepaalde periode teneinde aanspraak te kunnen maken op een gunstigere fiscale behandeling (100% van de totale optiewaarde in plaats van 20%). De heer V.D.B. beantwoordde deze brieven telkens positief, met de melding dat hij het aandelenprogramma aanvaardde. De BVBA hield op het loon van de heer V.D.B. vanaf 2000 telkens de bedrijfsvoorheffing in, wat op de loonfiches van de heer V.D.B. werd vermeld. Nadat de heer V.D.B. in september 2003 uit dienst trad, werd in brieven van de raadsman van de heer V.D.B. van 27 november 2003, 18 december 2003 en 21 januari 2004 aanspraak gemaakt op het behoud van de aandelenopties, die hem door "The D.C.C." werden toegekend op grond van het argument dat geen collectieve of individuele arbeidsovereenkomst werd gesloten waarin de terugbezorgng van de opties werd voorzien en dat zulke voorwaarde in strijd zou zijn met de individuele vrijheid. De BVBA wordt in gebreke gesteld om te bevestigen dat de stockopties in het bezit van de heer V.D.B. zullen blijven. De BVBA antwoordde op 21 januari 2004 dat weldegelijk contractueel werd vastgelegd dat bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het recht op de uitoefening van de opties vervalt, volgens de "terms and conditions" behorende bij de "non-qualified stock option agreement", die telkens door de heer V.D.B. werden aanvaard. Op 6 april 2004 dagvaardde de heer V.D.B. de BVBA voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderde hetgeen hiervoor sub II is weergegeven. Met vonnis van 21 december 2005 verklaarden de eerste rechters de eis van de heer V.D.B. ontvankelijk maar ongegrond. Tegen dit vonnis tekende de heer V.D.B. op 31 oktober 2006 hoger beroep aan.
- De beoordeling 2.
- De wijziging van de vordering: toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek Op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat krachtens artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is in hoger beroep, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Een vordering in rechte kan met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek worden uitgebreid of gewijzigd, indien de feiten waarop die conclusie berust dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden vermeld, ook al had de eiser daaruit toen geen gevolg afgeleid met betrekking tot de gegrondheid van zijn vordering. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat de nieuwe vordering, wanneer zij berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, uitsluitend op dat feit of die akte berust. (Cass. 14 januari 2008, S.07.0049.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.7; Cass. 15 december 2006, F.05.0019.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.2, conclusie adv.-gen. D. THIJS, www.cass.be, op datum) De dagvaarding vermeldt onder meer als feiten dat: - dat de BVBA opzegging betekende van de arbeidsovereenkomst bij aangetekende brief van 25 augustus 2003, waarvan de termijn inging op 1 september 2003 - dat de BVBA met aangetekende brief van 30 september 2003 de opzegging omzette in een verbreking met betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het resterend gedeelte van de opzeggingstermijn - dat sedert 1999 aandelenopties waren toegekend en dat ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het recht op uitoefening van die opties zijn komen te vervallen. Voor de eerste rechters had de heer V.D.B. gevorderd dat voor recht zou worden gezegd dat de aandelenopties zoals door de BVBA toegekend onvoorwaardelijk aan hem toebehoren en, na wijziging bij conclusie van 30 december 2004 van het tweede deel van zijn in dagvaarding geformuleerde vordering, dat de BVBA zou worden veroordeeld tot de afgifte van de aandelen waarvoor opties waren toegekend op straffe van een dwangsom. In graad van hoger beroep vordert de heer V.D.B. in hoofdorde de betaling van 157.494,19 US $, verhoogd met wettelijke intrest sedert 9 maart 2005, waarbij de omrekening van US $ naar EUR dient te gebeuren aan de wisselkoers op 9 maart
- Uit de syntheseconclusie van 29 juli 2008 van de heer V.D.B. blijkt dat die vordering in graad van hoger beroep gesteund is op een beweerde contractuele fout van de BVBA, die erin zou bestaan dat de BVBA tijdens de door haar betekende opzeggingstermijn de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigde met betaling van een opzeggingsvergoeding en dat hij ingevolge die fout de aandelenopties niet heeft kunnen lichten. Hierdoor zou hij een schade hebben geleden van 157.494,19 US $, zijnde een bedrag gelijk aan de winst die hij had kunnen hebben behalen op 9 maart 2005 indien hij de opties had kunnen lichten. Het arbeidshof is van oordeel dat de aldus omschreven vordering berust op in de dagvaarding aangevoerde feiten en dat die feiten nog steeds kunnen worden aangevoerd om vorderingen met een ander voorwerp te stellen dan die welke de heer V.D.B. aanvankelijk in de dagvaarding had gesteld. De heer V.D.B. heeft daardoor de oorzaak van de vordering niet gewijzigd. De door de heer V.D.B. in graad van hoger beroep gestelde vordering die strekt tot het bekomen van schadevergoeding die het gevolg is van een beweerde onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens de door de BVBA betekende opzeggingstermijn, is in toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek ontvankelijk. 2.
- De contractuele aansprakelijkheid van de BVBA De heer V.D.B. voert aan dat de BVBA een contractuele fout beging door tijdens de door haar betekende opzeggingstermijn de arbeidsovereenkomst onmiddellijk te beëindigen met betaling van een opzeggingsvergoeding. Samen met de heer V.D.B. is ook het arbeidshof van oordeel dat de eenzijdige beëindiging van een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst zonder dringende reden, zelfs tijdens een eerder regelmatig betekende opzeggingstermijn, moet worden gekwalificeerd als een foutief handelen. Een dergelijk ontslag wordt immers gegeven met miskenning van de wettelijk voorgeschreven regels betreffende de uitoefening van het ontslagrecht en is bijgevolg foutief. De verplichting tot betaling van de in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde vergoeding dient daarbij geenszins te worden begrepen als een door de wetgever toegelaten alternatieve wijze van beëindiging van de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst, maar als een wettelijke regeling tot vergoeding van de schade die wordt geleden ingevolge de miskenning van de wettelijk voorgeschreven regels van het ontslagrecht. In deze heeft de BVBA tijdens de eerder regelmatig betekende opzeggingstermijn eenzijdig en onmiddellijk een einde gemaakt aan de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst zonder dringende reden in de zin van artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet. Zij heeft bijgevolg foutief gehandeld. (Arbh. Antwerpen, (2de kamer) inz. D. t/ NV Scandic Hotel, A.R. 2070326, onuitg.; E. DIRIX en A. VAN OEVELEN, "Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992)", R.W. 1992-93, 1256, nr.86, RYCKX, D., "Over de toepassing van artikel 1178 B.W. bij de toekenning van eindejaarspremies", Soc. Kron. 1988, 53; R. BOES, "De werking van enkele aspecten van de loonbescherming op de arbeidsrechtelijke verhouding tussen werkgever en werknemer", Actuele Problemen van het Arbeidsrecht 1, Rigaux, M. (ed.), Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1984, 366, nr. 529; impliciet Cass. 18 mei 1998, J.T.T. 1998, 426) De vraag rijst echter of die fout van aard is de BVBA schadeplichtig te maken. Inzake aansprakelijkheid wegens contractuele wanprestatie moet de schade enkel worden vergoed indien is aangetoond dat er tussen die schade en de fout een oorzakelijk verband bestaat. (Cass. 1 april 1984, R.W. 1984-85, 603) Degene die op grond van contractuele wanprestatie schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals ze zich heeft voorgedaan. (Cass. 5 juni 2008, C.07.0199.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5, www.cass.be, op datum) De rechter stelt onaantastbaar de feiten vast waaruit hij het al dan niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen schuld en schade afleidt. (Cass. 21 mei 1999, A.C. 1999, 303) Het hof is van oordeel dat de contractuele fout zoals die in deze door de BVBA is begaan, niet in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met de schade die de heer V.D.B. beweert te hebben geleden. Die fout had immers tot gevolg dat de heer V.D.B. niet langer voldeed aan een voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de voordelen die in overeenkomst met een derde, meer bepaald met de Amerikaanse vennootschap The D.C.C., waren opgenomen. Wanneer een contractant een fout begaat die tot gevolg heeft dat zijn medecontractant niet langer voldoet aan de voorwaarden gesteld door een overeenkomst gesloten tussen de contractant en een derde, kan zijn medecontractant niet aansprakelijk gehouden worden voor de eventuele schade die de contractant daardoor lijdt. Die schade wordt dan veroorzaakt door een eigen juridische oorzaak. Zelfs wanneer de BVBA wist dat de heer V.D.B. door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de mogelijkheid zou verliezen om de door de Amerikaanse vennootschap The D.C.C. toegekende aandelenopties te lichten, kan zulks niet tot gevolg hebben dat de BVBA voor de schadelijke gevolgen daarvan zou moeten instaan. Die schadelijke gevolgen zijn immers niet het onmiddellijk en het rechtstreeks gevolg van de contractuele fout van de BVBA, zoals vereist door artikel 1152 van het Burgerlijk Wetboek om aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding. (Cass. 2 september 2004, C.01.0186.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8, www.cass.be, op datum) Het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg van het onrechtmatig ontslag is de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De schade die de werknemer hierdoor lijdt wordt op forfaitaire wijze gedekt door de opzeggingsvergoeding. De opzeggingsvergoeding dekt immers op forfaitaire wijze de materiële en morele schade ingevolge het verlies van de dienstbetrekking die uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit. (Cass. 5 september 2005, S.04.0176.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.4, www.cass.be, op datum) Het arbeidshof stelt verder vast dat de heer V.D.B. nog uitgaat van de niet bewezen premisse dat de kosten van de uitoefening van de opties ten laste waren van de NV (vermoedelijk bedoelt hij de BVBA) en van de evenmin bewezen bewering dat de BVBA die kosten absoluut wilde vermijden en om die reden de arbeidsovereenkomst onmiddellijk had beëindigd. Uit wat voorafgaat volgt dat de heer V.D.B. geen aanspraak kan maken op de betaling van schadevergoeding ten laste van de BVBA omdat zij tijdens de door haar betekende opzeggingstermijn onmiddellijk de arbeidsovereenkomst beëindigde met betaling van een opzeggingsvergoeding, wat tot het onrechtstreekse gevolg leidde dat de overeenkomst met The D.C.C. betreffende de toekenning van aandelenopties beëindigd werd. 2.
- De aandelenoptie: loon of voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst Hoewel de toekenning van de aandelenopties onbetwistbaar zijn oorsprong vindt in de arbeidsrelatie tussen de BVBA en de heer V.D.B., kan niettemin geen abstractie worden gemaakt van het feit dat de overeenkomst op grond waarvan die opties werden toegekend een overeenkomst is met een derde, namelijk The D.C.C. die de Amerikaanse moedermaatschappij van de BVBA is. Dat die aandelenopties door de moedermaatschappij werden toegekend als tegenprestatie voor de arbeid die de heer V.D.B. voor de BVBA heeft gepresteerd, volstaat niet om de BVBA schuldenaar te maken van de verplichtingen volgend uit de overeenkomst tussen de heer V.D.B. en de moedermaatschappij. Dat de toekenning van het voordeel zou geschied zijn door de moedermaatschappij ter ontlasting van de BVBA en dus voor haar rekening zou zijn, wordt niet alleen niet bewezen, maar is evenmin ter zake dienend. Zelfs indien The D.C.C. zou gehandeld hebben "ter ontlasting" van de BVBA, dan nog kan daaruit zonder schending van de overeenkomst betreffende de toekenning van aandelenopties tussen de heer V.D.B. en The D.C.C. niet besloten worden dat de contractpartij van de heer V.D.B. de BVBA was en niet The D.C.C.. Overigens kan het doorrekenen van de last of de kost die voortvloeit uit het lichten van de toegekende opties verklaard worden vanuit een veelheid van motieven, bijvoorbeeld om de winst voor belasting van de BVBA te doen dalen. Ook wanneer de BVBA de financiële last zou dragen wanneer de werknemers van de BVBA hun opties lichten, wat vooralsnog niet is aangetoond, dan nog brengt dit niet mee dat de BVBA daardoor de schuldenaar van de werknemer wordt in plaats van The D.C.C.. De overige door de heer V.D.B. aangevoerde middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk. Het hoger beroep is ongegrond. 2.
- De advocatenkosten voor de procedure gevoerd voor de arbeidsrechtbank De heer V.D.B. vordert de betaling van een som van 5.000,00 EUR als schadevergoeding voor het feit dat hij genoodzaakt was voor de arbeidsrechtbank de bijstand van een advocaat in te roepen. Afgezien van de vraag of vanaf de inwerkingtreding van het nieuw artikel 1021 van het Gerechtelijk Wetboek op 1 januari 2008 nog kosten voor de bijstand van een advocaat kunnen gevorderd worden boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, stelt het arbeidshof vast dat de heer V.D.B. als in het ongelijk gestelde partij hoe dan ook geen aanspraak kan maken op de betaling van de kosten voor de bijstand van zijn advocaat. Dit onderdeel van de eis is eveneens ongegrond. 2.
- De rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep Beide partijen vorderen de betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. In deze gaat het om een bedrag van 5.000,00 EUR. BESLISSING OP TEGENSPRAAK De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond. Het arbeidshof verleent akte aan de heer V.D.B. van de wijziging van zijn vordering en verklaart die ongegrond. Het vonnis van 21 december 2005 van de arbeidsrechtbank van Antwerpen wordt bevestigd, zij het op grond van gewijzigde motieven. De heer V.D.B. wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend: - voor de heer V.D.B. 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor de BVBA 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer P. AERTS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, adjunct-griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 november 2008 door de heer J. GOEMANS, raadsheer en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, adjunct-griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081110.19 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061215.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div