id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081117.13 Rolnummer: 2004-0606 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-24 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 18:19 Fiches 1 - 2 Het begrip uitkering zoals bedoeld in artikel 42 Arbeidsongevallenwet behelst ook de door verzekeringsinstelling betaalde vergoedingen van medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten vanaf de betaling ervan, wanneer deze verzekeringsinstelling van de wetsverzekeraar, of desgevallend van het Fonds voor Arbeidsongevallen, de terugbetaling vordert van deze vergoedingen. De uitkeringen ingevolge een beroepsrisico hebben een wettelijke en geen conventionele oorsprong. Anatocisme kan dan ook niet worden toegestaan op de vervallen interesten. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Anatocisme Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - arbeidsongeval - uitkering - geneeskundige verstrekkingen - verwijlintrest - aanvang - vanaf de opeisbaarheid - anatocisme - verbod Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1154 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - betaling - uitkering - geneeskundige verstrekkingen - verwijlintrest - aanvang - vanaf de opeisbaarheid - anatocisme - verbod Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 42 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: I B - VI A Gerangschikt onder I B - artikel 1154 en onder VI A - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK - - 2009, nr. 6, blz. 336-337 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040606 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Troonstraat 100, appellant, verschijnend bij mr. G. De Ferm, advocaat te Antwerpen, tegen: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1030 Brussel, Haagsesteenweg 579, geïntimeerde, verschijnend bij mr. W. Stoop loco mr. R. Vermeiren, advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 7 september 2004, 12 september 2005, 27 februari 2006, 25 september 2006, 17 december 2007 en 23 juni
- Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, ondermeer: - de dagvaarding uitgaande van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, betekend door P. De Smet, plaatsvervanger voor W. Cailliau, gerechtsdeurwaarder te Sint-Lambrechts-Woluwe, op 9 september 2002; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 15 mei 2003 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 349.191, waarvan geen akte van betekening wordt bijgebracht; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van het Fonds voor Arbeidsongevallen, ontvangen ter griffie van dit hof op 18 augustus 2004 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 oktober 2004; - de conclusie voor het Fonds voor Arbeidsongevallen, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 mei 2005; - de aanvullende conclusie voor de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, neergelegd ter griffie van dit hof op 27 juli 2006; - de syntheseconclusie voor het Fonds voor Arbeidsongevallen, neergelegd ter griffie van dit hof op 8 november 2007; Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 23 juni 2008 overeenkomstig artikel 750, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 23 juni 2008, waarna de debatten werden gesloten. De heer J. De Keersmaeker, substituut-generaal, legde zijn schriftelijk advies neer ter griffie van dit hof op 19 september 2008 dat ter kennis werd gebracht van partijen met toepassing van artikel 767, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek, waarop partijen niet repliceerden binnen de voorziene repliektermijn van 1maand, en waarna het hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
- Feiten en voorgaanden. De heer W.D. werd op 19 april 1999 getroffen door een arbeidsongeval, maar zijn werkgever was niet verzekerd tegen arbeidsongevallen, zodat het Fonds voor Arbeidsongevallen het arbeidsongeval ten laste nam (artikel 58, § 1, 3° van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971). Het Fonds voor Arbeidsongevallen bekrachtigde op 13 maart 2001 de overeenkomst-vergoeding afgesloten tussen partijen, die een blijvende arbeidsongeschiktheid voorzag van 3% vanaf 13 september 1999 (consolidatiedatum). De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten had uitgaven gedaan in het kader van gezondheidszorgen evenals uitkeringen uitbetaald aan W.D. in het kader van de verplichte ziekteverzekering. Op grond van artikel 136, § 2, lid 3 van de gecoördineerde Ziekteverzekeringswet is de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gesubrogeerd in de rechten van de heer Driessens om gedane uitkeringen en uitgaven terug te vorderen. Het Fonds voor Arbeidsongevallen heeft de door de Landsbond gedane uitkeringen in het kader van de vergoeding wegens loonverlies, inclusief de intresten, terugbetaald aan de Landsbond. De gezondheidszorgen ten bedrage van 4.097,41 EUR (165.289 BEF) (cfr. uitgavenstaat 1) werden door het Fonds voor Arbeidsongevallen betaald aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten op 23 juni 2000 (cfr. schrijven van het Fonds voor Arbeidsongevallen d.d. 16 juni 2000). Bij schrijven d.d. 29 augustus 2000 vroeg de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een bijkomend bedrag van 215,32 EUR (8.686 BEF) te storten ten titel van intresten op grond van artikel 42 van de Arbeidsongevallenwet, zijnde de intresten vanaf 23 september 1999 tot 23 juni 2000, datum van betaling van de hoofdsom aan gezondheidszorgen. Op 10 mei 2001 werd door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een herinneringsschrijven gestuurd aan het Fonds voor Arbeidsongevallen met betrekking tot de intresten. Bij schrijven van 31 augustus 2001 deelde het Fonds voor Arbeidsongevallen mee aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten dat een bedrag van 80,94 EUR aan intresten zouden worden betaald. Deze werden door het Fonds voor Arbeidsongevallen berekend vanaf 13 maart 2000, de dag waarop het Fonds voor Arbeidsongevallen de bewijsstukken heeft ontvangen van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten met betrekking tot de gezondheidszorgen, tot de datum van betaling, zijnde 23 juni
- Bij schrijven van 17 oktober 2001 deelde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten aan het Fonds voor Arbeidsongevallen mee niet akkoord te kunnen gaan met het voorstel van het Fonds. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten was van mening dat het Fonds voor Arbeidsongevallen naliet de wettelijke intresten vanaf het ogenblik van de opeisbaarheid tot de dag der betaling door te storten en vorderde een bedrag van 134,38 EUR (215,32 EUR - 80,94 EUR) aan intresten, bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 23 juni 2000 tot de dag der effectieve betaling, terug. Aangezien beide partijen niet tot een vergelijk konden komen, dagvaardde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten het Fonds voor Arbeidsongevallen op 9 september 2002 (AR 349.191). De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten vorderde de veroordeling van het Fonds voor Arbeidsongevallen tot betaling van de som van 134,38 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 23 juni 2000 tot de dag der effectieve betaling, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met tegensprekelijk eindvonnis van 15 mei 2003 oordeelden de eerste rechters dat de vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten ontvankelijk en gegrond was en veroordeelden het Fonds voor Arbeidsongevallen tot terugbetaling aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van de gevorderde 134,38 EUR, bedrag te vermeerderen met de intresten op de vervallen wettelijke intresten vanaf 9 september
- De eerste rechters wezen de Landsbond af van het meerdere van haar eis en veroordeelden het Fonds voor Arbeidsongevallen tot de kosten van het geding. Bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit hof op 18 augustus 2004, tekende het Fonds voor Arbeidsongevallen hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van 15 mei
- Eisen in hoger beroep. - Het Fonds voor Arbeidsongevallen, appellant, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtsprekend de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van zijn vordering af te wijzen en te veroordelen tot de kosten van het geding. - De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis integraal te bevestigen en het Fonds voor Arbeidsongevallen te veroordelen tot de kosten van het geding. Ondergeschikt, te zeggen voor recht dat de intresten dienen berekend te worden vanaf 18 oktober 1999 (4 maanden na de beslissing van 18 juni 1999 waarbij het Fonds voor Arbeidsongevallen voorbehoud geformuleerd heeft). Beide partijen verklaarden zich op de openbare terechtzitting d.d. 23 juni 2008 akkoord met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober
- Beoordeling door het hof. 4.
- De interpretatie van het begrip " uitkeringen " in artikel 42, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet (kortweg : AOW) Artikel 42, derde lid, van de AOW bepaalt dat op de in deze wet bedoelde uitkeringen van rechtswege interest verschuldigd is vanaf het ogenblik waarop zij eisbaar worden. Het hof dient in voorliggend geval uitspraak te doen over de vraag of het begrip "uitkeringen" in dit artikel ook de uitgaven omvat voor medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten, dan wel beperkt is tot de uitkeringen voor loonverlies. In bevestigend geval zijn ook op die uitgaven voor medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten de intresten verschuldigd vanaf de opeisbaarheid ervan en niet pas vanaf de ingebrekestelling. Deze problematiek is reeds lang voorwerp van betwisting en gaf aanleiding tot tegenstrijdige beslissingen in de rechtspraak; het hof verwijst ter zake naar het advies van het Openbaar Ministerie (randnr. III.1, p. 3). Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 19 februari 2007 (AR nr. S.06.0003.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070219.1, www.cass.be) evenwel duidelijk standpunt ingenomen met de volgende bewoordingen: " Beoordeling
- Krachtens artikel 42, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet, is op de in deze wet bedoelde uitkeringen van rechtswege interest verschuldigd vanaf het ogenblik waarop zij eisbaar worden. Deze wetsbepaling is een afwijking op artikel 1153, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
- Met de term 'uitkeringen' heeft de wetgever in voormeld artikel 42, derde lid, alle bedragen bedoeld die krachtens de Arbeidsongevallenwet verschuldigd zijn, ongeacht de schuldenaar ervan.
- Dienvolgens is de bedoelde interest ook van rechtswege verschuldigd op de in artikel 41, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet door de verzekeringsinstelling betaalde vergoedingen van medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten vanaf de betaling ervan, wanneer deze verzekeringsinstelling van de wetsverzekeraar of desgevallend van de eiser (lees: F.A.O.) de terugbetaling vordert van deze vergoedingen.
- Het middel faalt naar recht." Volgens het FAO dient toepassing te worden gemaakt van het gemeen recht en meer bepaald van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, zodat het enkel verwijlintresten en geen intresten van rechtswege verschuldigd is aan de mutualiteit vanaf het ogenblik dat de terugbetaling wordt gevraagd door de mutualiteit aan het Fonds van de door de mutualiteit gedane uitgaven inzake gezondheidszorgen. Het FAO houdt vanuit die optiek voor dat het terecht intresten betaald heeft vanaf 13 maart 2000 tot 23 juni 2000 voor een bedrag van 80,94 euro. Gelet op hoger vermelde rechtspraak, waarbij het hof zich aansluit, berust het standpunt van het FAO op een onjuiste rechtsopvatting. Het hoger beroep komt op dit punt dan ook ongegrond voor. Nu het hof zich terzake aansluit bij het standpunt van de LCM, hoeft het niet nader in te gaan op het door de LCM slechts in ondergeschikte orde aangevoerde grieven inzake de toepassing van het sociaal handvest (aanvullende conclusie in hoger beroep, p. 3, eerste alinea). 4.
- Anatocisme. De eerste rechters oordeelden dat overeenkomstig artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek vanaf de dagvaarding dd. 9 september 2002 de vervallen intresten eveneens intrest opbrengen nu de terugbetaling van medische kosten als een 'kapitaal' dient te worden beschouwd in de zin van deze wetsbepaling. Het FAO voert aan dat aan de eerste voorwaarde voor de toepassing van het anatocisme niet is voldaan nu de terugbetaling van medische kosten niet kan beschouwd worden als een kapitaal noch als een periodieke uitkering. Naar aanleiding van een arrest van het arbeidshof te Brussel heeft auteur Guy Hélin onderzocht wat de draagwijdte moet zijn van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek in ons huidig rechtsbestel en inzonderheid op het vlak van het sociaal recht (G. Hélin, "Anatocisme et droit social", Orientations, 2002, nr. 5, 124). Vanuit een historisch onderzoek komt de auteur tot de vaststelling dat daar waar, voor het huidig Burgerlijk Wetboek, anatocisme verboden was, de invoering d.m.v. artikel 1154 van dat wetboek strikt genomen enkel bedoeld was voor kapitalen die van nature uit bedoeld waren om intrest op te leveren. Vertrekkend vanuit dit gegeven en steeds verwijzend naar de bedoeling van de oorspronkelijke regelgever, komt hij tot de logische vaststelling dat ook in de huidige constellatie het begrip kapitaal van artikel 1154 B.W. nog steeds refereert naar kapitalen of geldsommen verschuldigd naar aanleiding van een contractuele verbintenis. Vanuit deze vaststelling, die het hof bijtreedt, kan dan ook niet anders dan besloten worden dat de sommen die verschuldigd zijn door het optreden van een sociaal risico - zoals in casu een arbeidsongeval - alleszins geen conventionele oorsprong hebben maar integendeel hun basis vinden in een wettelijke verplichting. De uitkeringen verschuldigd naar aanleiding van een arbeidsongeval, weze het nu de uitkeringen wegens loonverlies dan wel de uitgaven voor medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten kunnen dan ook geenszins beschouwd worden als kapitalen in de zin van artikel 1154 B.W. (cfr. advies van het Openbaar Ministerie dd. 19 september 2008, p. 4, punt III.2). De oorspronkelijke vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in kapitalisatie van de intresten, gesteund op artikel 1154 B.W., dient dan ook te worden afgewezen. Het hoger beroep is op dit punt dan ook gegrond zodat er aanleiding toe bestaat het bestreden vonnis ten dele te vernietigen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gelet op het schriftelijk advies van de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, neergelegd ter griffie van dit hof op 19 september 2008, dat ter kennis werd gebracht van partijen met toepassing van artikel 767, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek, waarop partijen niet repliceerden binnen de voorziene repliektermijn van 1maand. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 15 mei 2003 (A.R. 349.191) in zover dat voor recht werd gezegd dat het Fonds voor Arbeidsongevallen aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten de intresten op de vervallen wettelijke intresten vanaf 9 september 2002 dient te betalen. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Verwijst elk van de partijen in de eigen kosten van het hoger beroep, gezien artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet van toepassing is. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 48,61 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van appellant op 48,61 EUR rechtsplegingsvergoeding met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S. 9 november 2007). Aldus gewezen door: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, R. VAN TRIEST, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, bijgestaan door de heer P. DEVOCHT, griffier en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting van zeventien november
- PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081117.13 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070219.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div