← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081127.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081127.9 Rolnummer: 2001-0367 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-02-05 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 18:24 Fiche Het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen grensarbeiders wordt uitsluitend geregeld door het koninklijk besluit van 19 september

  1. Hieruit blijkt dat grensarbeiders moeten aantonen dat zij 1800 dagen hebben gewerkt in de loop van de negen jaren die de aanvraag op een vergoeding voorafgaan. Conform de toepasselijke wetgeving moeten dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wets- en reglementsbepalingen inzake de werkloosheidsverzekering als met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen moeten worden beschouwd. De verwijzing naar de C.A.O. nr. 17 is volkomen irrelevant UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Andere Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - toelaatbaarheidsvoorwaarden - arbeids- en gelijkgestelde dagen - grensarbeiders - aanvullende vergoeding Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 38 § 1 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Koninklijk Besluit - 19-02-1980 - 2bis - 02 Link Justel databank 19800219-02 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2010367 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. C. V. V., loco mr. R. L., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: L. S., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. W. S., loco mr. I. V., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 september 2001, 26 februari 2003, 10 september 2003, 13 december 2007, 11 september 2008 en 9 oktober 2008; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 4 mei 2001 (A.R.V. 24.421); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 29 mei 2001; - de 'beroepsconclusies' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 26 september 2002; - de 'conclusie' voor appellant, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 22 oktober 2002; - de 'aanvullende beroepsconclusies' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 14 november 2002; - de 'aanvullende, tevens synthesebesluiten' voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 30 april 2007; - de 'syntheseconclusie' voor appellant, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 3 augustus 2007; - het schrijven van mr. R. L. van 21.3.2008 met als bijlagen kopies uit het Belgisch Staatsblad van 31.12.1980 en 3.10.1980 met betrekking tot het KB van 19.9.1980, en een officieuze gecoördineerde versie van het KB van 19.9.1980; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2008, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 9 oktober
  3. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van: - het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 1 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen); - de bundel van de raadsman van L. S. bestaande uit 4 genummerde stukken; - de twee identieke bundels van de raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, respectievelijk neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 6 november 2007 en 30 november 2007, en bestaande uit 8 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 11 september
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2008 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 29 mei 2001, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 4 mei 2001 (A.R. 24.421). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 8 mei
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging L. S. was vanaf 20 juli 1970 tot en met 30 september 1994 tewerkgesteld bij nv Philips te Eindhoven. Vanaf 1 oktober 1994 was hij werkloos en genoot hij uitkeringen als volledig werkloze. Met een formulier C8 van 2 mei 2000 deed L. S. een aanvraag code brugpensioen als grensarbeider vanaf 28 september
  8. Aangezien deze aanvraag laattijdig was vroeg L. S. met het formulier C54 (aanvraag tot erkenning van overmacht) een afwijking op de indieningstermijnen (stuk 3 administratief dossier: aanvraag tot erkenning van overmacht). Bij beslissing van 11 mei 2000 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout werd deze afwijking toegestaan vanaf 28 september 1999 (stuk 3 administratief dossier: formulier C 54). Bij beslissing van 29 mei 2000 van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Turnhout werd L. S. niet tot recht van bejaarde grensarbeider toegelaten aangezien hij geen 1.800 dagen tewerkstelling als grensarbeider aantoont in de 9 jaar die zijn aanvraag op de aanvullende vergoeding voorafgaan (vanaf 28 september 1990 tot 28 september 1999). Hij was actief als bejaarde grensarbeider tot 30 september 1994 en totaliseerde in de referteperiode van 9 jaar slechts 1.248 dagen. Met verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 31 augustus 2000, tekende L. S. beroep aan tegen de administratieve beslissing van 11 augustus 2000 [lees 29 mei 2000]. Bij vonnis van 4 mei 2001, gewezen door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout werd(en): - de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard; - de beslissing van de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Turnhout vernietigd; - voor recht gezegd dat L. S. gerechtigd is op de aanvullende vergoeding van bejaarde grensarbeiders; - de kosten van het geding ten laste gelegd van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, aan de zijde van L. S. begroot op 3.870 frank [95,93 euro] rechtsplegingsvergoeding en op 167 frank [4,14 euro] aantekenkosten. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 29 mei 2001, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout.
  9. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en de administratieve beslissing te herstellen; - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van appellant begroot op 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. L. S. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep van appellant als ongegrond af te wijzen; - dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen; - appellant te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van geïntimeerde begroot op 100,40 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 4,14 euro aantekentaks inleidend verzoekschrift eerste aanleg en op 145,76 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
  10. Ten gronde Het geschil tussen partijen betreft de aanvraag van geïntimeerde tot betaling van een aanvullende vergoeding als bejaarde grensarbeider vanaf 28 september
  11. De wettelijke voorwaarden voor een vergoeding tot aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen waarop grensarbeiders in België recht hebben wordt geregeld in het koninklijk besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld (B.S. 3 oktober 1981). Artikel 2bis van dit koninklijk besluit, dat werd ingevoerd bij koninklijk besluit van 24 december 1980 tot wijziging van de reglementering betreffende het wettelijk brugpensioen, bepaalt: "Om de aanvullende vergoeding te kunnen genieten moeten de grensarbeiders aantonen dat zij gedurende 1800 dagen hebben gewerkt in de loop van de negen jaren die de aanvraag om vergoeding voorafgaan. Alleen de werkdagen en de daarmee gelijkgestelde dagen zoals bedoeld bij de artikelen 121 en 122 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid en de uitvoeringsbesluiten van voornoemde artikelen (worden) in aanmerking genomen." Artikel 122 van het koninklijk besluit van 20 december 1963, waarnaar voornoemd koninklijk besluit verwijst, bepaalt dat voor de toepassing van de artikelen 118, 119, (120 en 124) met arbeidsdagen worden gelijkgesteld: "1° de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering, bij toepassing van de wets- of reglementsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, schadeloosstelling voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten, werkloosheidsverzekering, jaarlijkse vakantie en invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers" (eigen onderlijning). Artikel 38, §1 van het werkloosheidsbesluit van 25 november 1991, dat een opsomming geeft van de met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen, bevat nagenoeg dezelfde tekst. Ook hier worden werkloosheidsdagen beschouwd als met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen. Appellant is van oordeel dat het koninklijk besluit van 19 september 1980 geïnterpreteerd moet worden overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 19 december 1974, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen (B.S. 31 januari 1975), wat impliceert dat het recht op brugpensioen aan ontslagen grensarbeiders slechts kan worden toegekend wanneer zij van een periode van tewerkstelling rechtstreeks overstappen naar het statuut van bruggepensioneerde. De volledige werkloosheidsdagen die zich buiten de periode van volledige tewerkstelling als grensarbeider situeren komen dienvolgens volgens appellant niet in aanmerking voor de berekening van de 1.800 dagen. Samen met het openbaar ministerie is het arbeidshof van oordeel dat de verwijzing door appellant naar de C.A.O. nr. 17 volkomen irrelevant is, aangezien het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen grensarbeiders uitsluitend geregeld wordt door het koninklijk besluit van 19 september
  12. Bovendien verzet de hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers er zich tegen dat de dwingende bepalingen van de wet (lees ook: koninklijke en ministeriële besluiten) terzijde worden geschoven door een analogische interpretatie van een algemeen verbindend verklaarde C.A.O (artikel 9 en 51 van de Wet van 5 december 1968). Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat geïntimeerde 1248 arbeidsdagen bewijst van 28 september 1990 tot 30 september 1994 (stuk 8 administratief dossier: formulier C 51) en appellant betwist evenmin dat geïntimeerde, na zijn prestaties als grensarbeider, volledig vergoede werkloze was en dienvolgens voldoende gelijkgestelde werkloosheiddagen bewijst in de periode vanaf 1 oktober 1994 tot 28 september
  13. Geïntimeerde voldoet derhalve aan de wettelijke voorwaarden omschreven in artikel 2bis van het koninklijk besluit van 19 september 1980, ingevoegd door artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 december 1980 tot wijziging van de reglementering betreffende het wettelijk brugpensioen. Het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 4 mei 2001 dient bevestigd te worden zodat het hoger beroep ongegrond is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 oktober
  14. Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 4 mei 2001 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout (A.R.V. 24.421). Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten zowel aan de zijde van geïntimeerde als aan de zijde van appellant op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Uitgesproken in openbare terechtzitting op zevenentwintig november tweeduizend en acht door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, I. AERTS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081127.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.