← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081215.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081215.10 Rolnummer: 2006-0615 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-24 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-02 18:32 Fiches 1 - 2 Wanneer het slachtoffer niet al het nodige heeft gedaan om een specifiek letsel zoals een densfractuur (fractuur van de 'tand' van de tweede halswervel, dienend tot as voor de rotatiebewegingen van het hoofd) te ontdekken en vast te stellen, levert hij het bewijs niet van een verschoonbare dwaling en kan hij de overeenkosmtvergoeding niet laten vernietigen. Indien er daadwerkelijk een fractuur zou zijn vastgesteld op het ogenblik van de bekrachtiging van de overeenkomstvergoeding door het Fonds voor Arbeidsongevallen, die gerelateerd is aan het ongeval, dan zou er sprake kunnen zijn van een vergissing. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Evaluatie arbeidsongeschiktheid Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - arbeidsongeschiktheid - blijvende arbeidsongeschiktheid - overeenkomstvergoeding bekrachtigd door het Fonds voor Arbeidsongevallen - vernietiging - verschoonbare dwaling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 24 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Herziening Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - procedure - herziening - overeenkomstvergoeding bekrachtigd door het Fonds voor Arbeidsongevallen - vernietiging - verschoonbare dwaling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 72 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: VI A Gerangschikt onder VI A - artikel 24 en artikel

  1. Annotaties Publicaties: SRK - - 2009, nr. 6, blz. 339-341 Tekst van de beslissing ARREST AR 2060615 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: L.D., wonende te ..., appellant, incidenteel geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. Brants, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen:
  2. ETHIAS, met zetel te 3500 Hasselt, Prins Bisschopssingel 73, eerste geïntimeerde, incidenteel appellant, verschijnend bij mr. A. Vandervelpen loco mr. M. Vanstreels, advocaat te 2140 Borgerhout.
  3. NV MERCATOR VERZEKERINGEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 302 en met bedrijfszetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 100, KBO 0400.048.883 tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. B. Van Heesch, advocaat te 2018 Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 13 november 2006 en 24 november
  4. Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van L.D., enerzijds betekend op 22 mei 2003 aan Ethias, voorheen Onderlinge Maatschappij der Openbare Besturen - OMOB, door B. Vermeulen, plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder te Neerpelt; anderzijds betekend op 22 mei 2003 aan de NV Mercator Verzekeringen door J. Matthys, gerechtsdeurwaarder te De Pinte en tenslotte eveneens op 22 mei 2003 betekend aan het Fonds voor Arbeidsongevallen door L. Indekeu, gerechtsdeurwaarder te Vorst; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 20 april 2006 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij alvorens verder te recht te spreken een college van deskundigen werd aangesteld nl. dr. M. Van Melkebeke, dr. D. Vermeersch en dr. R. Mathijs en waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van L.D., neergelegd ter griffie van dit hof op 2 oktober 2006 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor NV Mercator Verzekeringen, neergelegd ter griffie van dit hof op 4 mei 2007; - de conclusie voor Ethias, ontvangen ter griffie van dit hof op 28 augustus 2007; - de conclusie voor het Fonds voor Arbeidsongevallen, ontvangen ter griffie van dit hof op 16 oktober 2007; - de beschikking van 19 februari 2008 met toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor de heer L.D., ontvangen ter griffie van dit hof op 31 maart 2008; - de syntheseconclusie voor de NV Mercator Verzekeringen, neergelegd ter griffie van dit hof op 20 mei
  5. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen met toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 24 november
  6. Partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 24 november 2008, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
  7. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Het incidenteel beroep werd eveneens regelmatig ingesteld door Ethias en is dus ook ontvankelijk.
  8. Feiten en voorgaanden. L.D. (verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd) werd getroffen door een arbeidsongeval op 23 juni 1997 toen hij als "adjunct verantwoordelijke technische dienst" in dienst was van de vzw De Singel, waarvan de Ethias de arbeidsongevallenverzekeraar is (verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd). Hij werd het slachtoffer van een verkeersongeval op de weg van het werk naar huis te Berchem (Ring), waarbij hij ernstige verwondingen opliep. Bij vonnis d.d. 5 mei 1998 van de politierechtbank te Antwerpen werd naar aanleiding van de procedure in gemeen recht dr. Van Noten aangesteld als gerechtsdeskundige. De NV Mercator Verzekeringen is de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid motorvoertuigen van de bestuurder die verantwoordelijk werd geacht voor het ongeval. Deze gerechtsexpertise werd ook opgevolgd door de wetsverzekeraar (Ethias), middels de tussenkomst van haar raadgevende geneesheren drs. Depla en Noë. Dr. Weyns nam deel aan de expertisezittingen als raadsgeneesheer van de NV Mercator Verzekeringen. Na dit onderzoek kwam dr. Van Noten tot het volgend besluit: consolidatie van de letsels op 23 juni 1999 met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4%. De wetsverzekeraar stelde daarna een overeenkomst-vergoeding voor aan L.D. op basis van een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4%, maar met consolidatiedatum 18 augustus 1997 (datum van de werkhervatting). De gerechtsexpert, dr. Van Noten, en de twee raadgevende geneesheren van Ethias, drs. Depla en Noë, kwamen tot dezelfde besluitvorming. Aangezien geen wetenschappelijke gefundeerde kritiek werd aangereikt om de beslissing van dr. Van Noten in twijfel te trekken, aanvaardde L.D. het regelingsvoorstel van Ethias. De overeenkomst-vergoeding werd op 23 mei 2000 door het Fonds voor Arbeidsongevallen (kort: FAO) bekrachtigd. Hoewel de medische klachten van L.D. aanhielden, was dr. Van Noten de mening toegedaan dat deze klachten niet in causaal verband stonden met het ongeval van 23 juni 1997; hij weerhield een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4%. Hij besloot dat er een niet onbelangrijke vooraf bestaande toestand was die door het ongeval van 23 juni 1997 tot uiting was gekomen. Begin 2002 verslechterde de toestand van L.D. en hij raadpleegde een andere geneesheer, nl. dr. Strauven. Ingevolge doorgedreven technische onderzoeken kwam aan het licht dat het ongeval van 23 juni 1997 een fractuur van de dens axis (wervel C2) veroorzaakt had. Volgens dr. Strauven betrof het een gevaarlijke toestand voor het slachtoffer, waarvoor operatief werd ingegrepen op 7 februari 2002 en waardoor appellant enkele weken bijkomend arbeidsongeschikt was. Alle aan deze operatie verbonden kosten werden door Ethias ten laste genomen. Appellant is van oordeel dat zijn akkoord met Ethias, de zogenaamde "overeenkomst-vergoeding", gestoeld was op een dwaling, namelijk een dwaling over een essentieel onderdeel van hun akkoord, zijnde het verstrekte advies van de gerechtsdeskundige dr. Van Noten, dat later door medische onderzoeken onjuist bleek te zijn, zodat de gerechtsdeskundige ten onrechte tot het besluit kwam dat de klachten van appellant in wezen geen gevolg waren van het ongeval, buiten het beperkte aspect van de sensibilisatie van een vooraf bestaande toestand. Omdat de raadgevende geneesheren van de arbeidsongevallenverzekeraar en de gerechtsdeskundige geen andere diagnose als alternatief vooropstelden, stelt appellant dat hij de overeenkomst-vergoeding heeft aanvaard zonder de juiste informatie te hebben gekregen. Op 22 mei 2003 dagvaardde L.D. Ethias, de NV Mercator Verzekeringen en het Fonds voor Arbeidsongevallen voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen ten einde in hoofdorde het bekrachtigd akkoord door het FAO met betrekking tot het arbeidswegongeval van 23 juni 1997 te vernietigen. Hij vorderde opnieuw recht te spreken over zijn vergoedingsaanspraken op grond van het ongeval: Ethias te veroordelen om alle wettelijke vergoedingen te betalen voor de schade die appellant heeft geleden tengevolge van het voornoemd ongeval. Alvorens verder recht te doen een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijke opdracht inzake arbeidsongevallen; het basisloon voor te behouden. In ondergeschikte orde de vordering in herziening ontvankelijk en gegrond te verklaren voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de aangevoerde gegevens niet van aard zouden zijn te besluiten tot de nietigheid van het bekrachtigd akkoord. Vervolgens te zeggen voor recht dat de eerder beschreven medische toestand van appellant in negatieve zin is gewijzigd en verslechterd sedert de bekrachtiging van de overeenkomst-vergoeding ingevolge een destijds niet gekend en niet voorzien medisch gegeven. Dienvolgens Ethias te veroordelen tot een hogere wettelijke vergoeding, gebaseerd op een hogere graad van blijvende arbeidsongeschiktheid geraamd op 15% blijvende arbeidsongeschiktheid. Alvorens verder recht te doen een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijke opdracht inzake herziening. Het tussen te komen vonnis gemeen te verklaren aan de NV Mercator Verzekeringen en het FAO. Kosten als naar recht. Bij tussenvonnis d.d. 20 april 2006 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen verklaarden de eerste rechters de vordering in vernietiging van de overeenkomst-vergoeding en de vordering in herziening, voorzover gesteld ten aanzien van het Fonds voor Arbeidsongevallen, onontvankelijk. Zij verklaarden de vordering ten aanzien van NV Mercator Verzekeringen ontvankelijk, verklaarden de vordering in vernietiging van de overeenkomst -vergoeding ten aanzien van Ethias ontvankelijk doch ongegrond en verklaarden de vordering in herziening ten aanzien van Ethias ontvankelijk. Alvorens verder recht te doen over de vordering in herziening, stelden ze een college van deskundigen aan samengesteld uit dr. M. Van Melkebeke, dr. D. Vermeersch en dr. R. Mathijs met als opdracht: - " na te gaan na grondig onderzoek of de kwestieuze fractuur reeds bestond ten tijde van de overeenkomst-vergoeding dan wel of ze ontstaan is ten gevolge van het arbeidsongeval in de herzieningsperiode (vanaf 23 mei 2000). - in elk geval na te gaan of er zich in de herzieningsperiode een wijziging in de fysische minderwaarde van het slachtoffer voordeed en of deze al dan niet voorzienbaar was. - indien de fractuur ontstaan is in de herzieningsperiode (vanaf 23 mei 2000) en/of indien zich in de herzieningsperiode een wijziging in de fysische minderwaarde van het slachtoffer voordeed die niet voorzienbaar was. - de oorzaken van de vastgestelde wijziging op te sommen en te beschrijven welke gevolge zijn op functioneel gebied voor het gehele organisme en/of voor het getroffen lichaamsdeel kunnen hebben, - te zeggen hoeveel - in graden uitgedrukt - de verergering of de verbetering bedraagt en op welke bron(nen) deze raming gesteund is,..." De eerste rechters verklaarden de vordering in vernietiging van de overeenkomst-vergoeding wegens dwaling ontvankelijk doch ongegrond. Zij waren van oordeel dat het bekrachtigd akkoord (de overeenkomst-vergoeding) niet gestoeld was op een dwaling die "verschoonbaar" was, omdat de fractuur na verder doorgedreven onderzoek ontdekt werd en het slachtoffer niet al het mogelijke gedaan heeft om in illo tempore één en ander te ontdekken en vast te stellen. Zij verwezen in dit verband naar cassatierechtspraak (Cass., 31 oktober 1994, R.W. 94-95, 1112-1123) waarin gesteld wordt dat de loutere omstandigheid dat het slachtoffer van de dwaling slecht werd geadviseerd, zelfs indien dit advies verstrekt wordt door een deskundige, de dwaling niet onoverwinnelijk maakt. L.D. kon met dit vonnis niet akkoord gaan en legde op 2 oktober 2006 ter griffie van dit hof een verzoekschrift tot hoger beroep neer gericht tegen enerzijds Ethias en anderzijds de NV Mercator Verzekeringen.
  9. Eisen in hoger beroep. - L.D., appellant, vordert het volgende: "Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens het vonnis waartegen beroep teniet te doen en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens opzichtens eerste geïntimeerde het op 23/5/2000 door het FAO bekrachtigd akkoord (overeenkomst vergoeding) met betrekking tot het arbeidswegongeval van 23/6/1997 te vernietigen en nietig te verklaren; Opnieuw rechtdoende over de vergoedingsaanspraken op grond van het arbeidswegongeval van 23/6/1997: Eerste geïntimeerde zich te horen veroordelen alle wettelijke vergoedingen te betalen voor de schade die hij geleden heeft door voornoemd ongeval; Alvorens hierover verder recht te doen: Een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijk opdracht inzake arbeidsongevallen, ten einde onderzoek te doen naar en advies te verlenen over de graad en periodes van volledige en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, de datum van de consolidatie en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid. Deze gerechtsexpert toe te laten kennis te nemen van alle tot op heden beschikbare medische documentatie, inclusief het rapport van Dr. Van Noten; Basisloon en kosten voorbehouden; ONDERGESCHIKT: Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat de aangevoerde gegevens niet van aard zouden zijn te besluiten tot de nietigheid van het getroffen akkoord: De vordering in herziening ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens te zeggen voor recht dat de eerder beschreven medische toestand van concluant in negatieve zin gewijzigd en dus verslechterd is sedert de bekrachtiging van de eertijds getroffen overeenkomst vergoeding ingevolge een destijds niet gekend en niet voorzien medisch gegeven; Dienvolgens eerste geïntimeerde te horen veroordelen tot een hogere wettelijke vergoeding, gebaseerd op een hogere graad van blijvende werkongeschiktheid, voorlopig geraamd op 15% BWO Alvorens hierover recht te doen: Een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijke opdracht in herziening ten einde onderzoek te doen naar en advies te verstrekken over de onverwachte, onvoorziene en eertijds niet gekende medische gegevens, waardoor de medische toestand van concluant verslechterd is en advies te verstrekken over de vraag vanaf welke datum deze verslechtering weerhouden kan worden evenals over de vraag in welke - in percenten BWO uitgedrukte - mate deze medische toestand van concluant verslechterd is. Het tussen te komen arrest gemeen te verklaren aan tweede geïntimeerde. Rechtdoende op de eis van het FAO: deze eis ontoelaatbaar te verklaren, aangezien FAO geen partij is in hoger beroep." - ETHIAS, eerste geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Dienvolgens appellant ervan af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van het geding, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding. Wat betreft het incidenteel hoger beroep, dit ontvankelijk en gegrond te verklaren en doende wat de eerste rechters hadden dienen te doen, tevens de vordering tot herziening in hoofde van de heer Daems af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond en hem te veroordelen tot de kosten van dit incidenteel hoger beroep. Onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding. De raadsman van eerste geïntimeerde bevestigde op de zitting van 24 november 2008 dat het ingestelde incidenteel beroep voorbarig is, gelet op de inhoud van het bestreden vonnis. - NV Mercator Verzekeringen, tweede geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. Dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen, "behalve waar het de herziening van de overeenkomst en bekrachtiging door het FAO beveelt". In ondergeschikte orde, ingeval de herziening wordt bevolen: een geneesheer-deskundige aan te stellen met de opdracht zoals in het bestreden vonnis vermeld. Appellant te veroordelen tot de kosten van beide instanties.
  10. Beoordeling door het hof. 4.
  11. Het hof stelt vast dat geen hoger beroep werd ingesteld door L.D. tegen het FAO. Het FAO is bijgevolg geen partij in de procedure in hoger beroep. 4.
  12. Wat het incidenteel beroep betreft ingesteld door Ethias, dient vastgesteld te worden dat in het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen nog geen uitspraak ten gronde werd gedaan over de vordering tot herziening in de zin van artikel 72 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  13. Het incidenteel beroep werd bijgevolg voorbarig ingesteld en is dan ook ongegrond. 4.
  14. Met betrekking tot de vordering van appellant tot vernietiging van de overeenkomst-vergoeding wegens dwaling: Het hof dient te oordelen of ingevolge het arbeidsongeval d.d. 23 juni 1997 de overeenkomst-vergoeding die werd ondertekend door de wetsverzekeraar (Ethias) en het slachtoffer (L.D.), en daarna bekrachtigd werd door het FAO op 23 mei 2000, kan worden nietig verklaard op grond van de verschoonbare dwaling in de zin van artikel 1110 van het Burgerlijk Wetboek, zoals aangevoerd door het slachtoffer. Zoals voor de eerste rechters, vordert het slachtoffer in graad van hoger beroep deze nietigverklaring en steunt zich hiervoor op een medisch verslag van dr. Strauven d.d. 15 januari 2002 (stuk 7, inventaris appellant), het medisch verslag van dr. J. De Bruyne d.d. 11 april 2003 (stuk 6, inventaris appellant) en het schrijven van dr. J. De Bruyne d.d. 19 november 2003 (stuk 10, inventaris appellant). De wetsverzekeraar betwist het principe als zodanig niet dat de overeenkomst-vergoeding bekrachtigd door het FAO kan worden nietig verklaard op grond van een verschoonbare dwaling, maar is van mening dat het medisch verslag van dr. Strauven en de argumentatie en stukken aangebracht door het slachtoffer geen bewijs van dwaling inhoudt. Bovendien merkt de wetsverzekeraar op dat dr. Strauven (geconsulteerd door het slachtoffer) enkel en alleen een andere mening had dan gerechtsdeskundige dr. Van Noten, hetgeen perfect mogelijk is maar hetgeen op zich niet kan volstaan als grond voor vernietiging; tevens voegt de wetsverzekeraar eraan toe dat de besluitvorming mede gevolgd werd door dr. Christiaens (behandelend arts van het slachtoffer) dewelke ten tijde van de expertise aanwezig was en in overleg met wie het slachtoffer zijn goedkeuring op de overeenkomst-vergoeding gaf. De wetsverzekeraar is van mening dat in dit geval geenszins de voorwaarden voor de vernietiging van de overeenkomst-vergoeding gerealiseerd zijn. De NV Mercator Verzekeringen is van oordeel dat er hier sprake is van een verschoonbare dwaling. Deze merkt op dat zelfs dr. De Bruyne in voorwaardelijke zin spreekt: "Hij (dr. Bracke) komt tot de constatering dat er hier naar alle waarschijnlijkheid een densfractuur met pseudarthrose is opgetreden"..."en er nu met een hoge graad van waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat betrokkene bij het ongeval een densfractuur opliep" (stuk 6, inventaris appellant). De NV Mercator Verzekeringen argumenteert dat ook de eerste rechters dienaangaande geen standpunt innamen, "wat zeer wijs is" gezien er dienaangaande geen enkele zekerheid bestaat: indien er in illo tempore een densfractuur zou bestaan hebben, dan heeft appellant niet al het nodige gedaan om deze densfractuur te ontdekken en vast te stellen. Derhalve, indien er een feitelijke dwaling zou gebeurd zijn, is deze niet verschoonbaar. Tenslotte betoogt de NV dat er volstrekt geen zekerheid bestaat over de densfractuur, en is het een kwestie van interpretatie. De gerechtsdeskundige, dr. Van Noten, die aangesteld werd door de politierechtbank te Antwerpen naar aanleiding van de procedure in gemeen recht, kwam tot het besluit in zijn deskundig verslag (stuk 2, inventaris appellant) dat er een vooraf bestaande toestand was, die "wakker" werd gemaakt (vervroegd) door het ongeval van 23 juni
  15. Dr. Van Noten was van oordeel dat de verdere evolutie van de pathologische toestand op zich niet in causaal verband stond met het ongeval d.d. 23 juni 1997 en dat een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4% kon worden weerhouden vanaf de consolidatiedatum (23 juni 1999). Het hof merkt op dat de beoordelingscriteria voor de blijvende arbeidsongeschiktheid in gemeen recht enigszins verschillen van deze welke van toepassing zijn in de arbeidsongevallenwetgeving. Het slachtoffer argumenteert dat op het ogenblik van de overeenkomst-vergoeding de fractuurproblematiek van de C2 halswervel nog niet aan de orde was zodat alsdan kan aangenomen worden dat op basis van de beschikbare medische gegevens er geen sprake was van een vergissing of dwaling. Het is pas in 2002, toen de toestand verslechterde volgens het slachtoffer, dat dr. Strauven werd geraadpleegd en ingevolge meer doorgedreven technische onderzoeken er sprake was van een nooit eerder gediagnosticeerde fractuur van de dens axis (wervel C2). Tevoren werden er aan de nekwervelkolom afwijkingen vastgesteld die door verschillende radiologen werden opgemerkt. Niemand had echter destijds een nekwervelbreuk vastgesteld en ook niet een pseudarthrose (niet-aanééngroeiing ervan). Prof. dr. Mielans beschreef ter hoogte van de nek alleen een "epifysaire dysplasie" (misvorming van het laagje kraakbeen). Indien effectief een fractuur van de dens axis (halswervel C2) zou vastgesteld geweest zijn ten tijde van de bekrachtiging van de overeenkomst-vergoeding die gerelateerd is aan het ongeval d.d. 23 juni 1997, dan zou er sprake kunnen zijn van een vergissing. Het hof stelt vast dat zulks evenwel niet het geval was. Mocht er toch sprake kunnen zijn van een vergissing, quod non, dan stelt zich nog de vraag of de vergissing verschoonbaar is. De eerste rechters zijn er terecht van uitgegaan dat een dwaling verschoonbaar is indien ze door ieder redelijk, nauwlettend en voorzichtig mens zou kunnen begaan zijn. Met de eerste rechters kan tevens worden aangenomen dat de loutere omstandigheid dat het slachtoffer van de dwaling slecht werd geadviseerd, zelfs indien dit advies verstrekt werd door een deskundige, de dwaling niet verschoonbaar maakt (Cass., 31 oktober 1994, R.W. 1994-95, 1112-1123). Het louter advies krijgen ontslaat een redelijk en voorzichtig persoon er niet van om nog steeds opmerkzaam te zijn. Dit alles moet "in concreto" worden beoordeeld en bekeken worden vanuit de ogen van een "normaal en redelijk persoon." Voorzover de fractuur van de dens axis (C2) na verder doorgedreven onderzoek werd ontdekt, zoals het slachtoffer voorhoudt, dan heeft het slachtoffer niet al het mogelijke gedaan om in illo tempore een en ander te ontdekken en vast te stellen. Zoals de eerste rechters besluit het hof dat in de gegeven omstandigheden er geen sprake is van een verschoonbare dwaling. Het hoger beroep komt op dit punt ongegrond voor. 4.
  16. Met betrekking tot de vordering in herziening (artikel 72 van de Arbeidsongevallenwet): Aangezien de overeenkomst-vergoeding werd bekrachtigd door het FAO op 23 mei 2000, en de dagvaarding door het slachtoffer werd betekend op 22 mei 2003, werd de vordering binnen de wettelijke termijn van 3 jaar tijdig ingesteld en is ze ontvankelijk. De in artikel 72 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde eis tot herziening van de vergoedingen, gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van de getroffene, kan slechts worden ingesteld op grond van nieuwe feiten die onbekend waren of niet konden gekend zijn op de datum van de in artikel 24 van de Arbeidsongevallenwet bedoelde overeenkomst tussen de partijen of beslissing. Een herziening die wordt toegestaan op grond van een gebrek dat reeds vóór de in artikel 24 bedoelde bekrachtigde overeenkomst-vergoeding als gevolg van het arbeidsongeval was vastgesteld, schendt artikel 72 (Cass., 10 februari 1997, A.C. 1997, nr. 74). De wettelijke voorwaarden voor het instellen van een eis tot herziening zijn hier de volgende: - een onvoorzienbare wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van het slachtoffer, ontstaan na de bekrachtiging van de overeenkomst, die van aard is een verandering te brengen in de toegekende arbeidsongeschiktheidsgraad; - deze wijziging moet het rechtstreeks gevolg zijn van het arbeidsongeval; - de eis moet gesteund zijn op een nieuw feit dat aan de vooruitzichten van de partijen en van de rechters is (kunnen) ontgaan; - deze wijziging moet ontstaan in de loop van de termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de bekrachtiging van de overeenkomst-vergoeding (hier: 23 mei 2000). Door de herziening heeft de wetgever een nieuw geschil mogelijk gemaakt omwille van een nieuw feit. De rechter moet in concreto nagaan of met de ingeroepen verandering in de toestand van de getroffene bij de oorspronkelijke vaststelling van de blijvende arbeidsongeschiktheid reeds rekening werd gehouden; zo dit niet het geval was, of de ingeroepen wijziging bij de oorspronkelijke bepaling van de arbeidsongeschiktheidsgraad zodanig zeker was, dat men hiermee noodzakelijkerwijze rekening had moeten houden. De eis tot herziening in de zin van artikel 72 van de Arbeidsongevallenwet, gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van de getroffene tengevolge van het ongeval, kan ingesteld worden op grond van nieuwe feiten die niet gekend waren of konden zijn, rekening houdend met de medische onderzoeken die op de datum van de overeenkomst tussen de partijen waren verricht of met de in artikel 24 bedoelde beslissing (Cass., 26 mei 2008, www.cass.be). Het hof dient dus een nuance aan te brengen bij de overweging van de eerste rechters waar vermeld wordt: "Indien de kwestieuze fractuur dus reeds zou bestaan hebben ten tijde van de bekrachtiging van de overeenkomst-vergoeding en deze over het hoofd zou gezien zijn bij de overeenkomst-vergoeding, kan de vordering in herziening dan ook niet aangewend worden om een en ander recht te trekken." Of de kwestieuze fractuur al of niet reeds zou bestaan hebben is uiteraard een medische kwestie. Belangrijk evenwel bij de beoordeling van het "nieuw feit" is of de kwestieuze fractuur werd vastgesteld rekening houdend met de medische onderzoeken die op datum van de bekrachtiging van de overeenkomst-vergoeding werden verricht (23 mei 2000). Voorzover de kwestieuze fractuur (C2) pas werd vastgesteld binnen de herzieningstermijn en is ontstaan ten gevolge van het arbeidsongeval d.d. 23 juni 1997, betreft het een nieuw feit dat aan de vooruitzichten van de partijen is (kunnen) ontgaan. Hierover dient het advies gevraagd te worden aan het college van geneesheren-deskundigen. De door de eerste rechters aangestelde deskundigen zullen rekening dienen te houden met de overwegingen vermeld in onderhavig arrest. Bovendien in het niet duidelijk of de toestand van L.D. eventueel verbeterd is na de heelkundige ingreep d.d. 7 februari
  17. Het hof bevestigt voor het overige het bestreden vonnis. Het hof bevestigt bijgevolg het feit dat een onderzoeksmaatregel werd bevolen in het kader van een herzieningsprocedure door de eerste rechters, die over de vordering tot herziening (artikel 72 Arbeidsongevallenwet) ten gronde nog geen uitspraak hebben gedaan, doch wijzigt de bewoordingen met betrekking tot de inhoud van de opdracht aan het college, in de zin zoals geformuleerd in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 april 2006 (AR 358.256), met dien verstande dat de bevolen onderzoeksmaatregel dient gelezen te worden als volgt: Opdracht aan het college van geneesheren-deskundigen: - "L.D. aan een volledig onderzoek te onderwerpen met betrekking tot het ongeval van 23 juni 1997; - Kennis te nemen van de overeenkomst-vergoeding zoals bekrachtigd door het Fonds voor Arbeidsongevallen op 23 mei 2000; - Na te gaan of er al dan niet een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid is opgetreden als gevolg van een verslechtering in de lichamelijke toestand van L.D. voortvloeiend uit het arbeidsongeval in vergelijking met de toestand zoals vastgesteld in de overeenkomst-vergoeding bekrachtigd door het Fonds voor Arbeidsongevallen op 23 mei 2000; - In voorkomend geval, hun advies te geven nopens de vraag of deze wijziging onvoorzienbaar was op het ogenblik waarop de overeenkomst-vergoeding werd bekrachtigd en of zij steunt op nieuwe feiten die aan de vooruitzichten van partijen zijn ontgaan of zijn kunnen ontgaan; - Ingeval van positief antwoord op de vorige vraag, de rechtbank advies te geven nopens de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid van L.D. als gevolg van de vastgestelde wijziging vanaf 22 mei 2003 (datum van de inleidende dagvaarding) of vanaf de datum waarop de wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid zich voordeed (indien deze met zekerheid kan worden vastgesteld)." Verzendt de zaak met toepassing van artikel 1068, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen voor de verdere afhandeling van het geschil. Verwijst Ethias in de kosten van het hoger beroep met toepassing van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  18. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellant (L.D.) op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van tweede geïntimeerde (NV Mercator Verzekeringen) op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van eerste geïntimeerde (Ethias) op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober
  19. Verklaart onderhavig arrest gemeen aan de NV Mercator Verzekeringen. Stelt vast dat het Fonds voor Arbeidsongevallen geen partij is in de procedure in hoger beroep. Aldus gewezen door: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, I. VERREYT, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, bijgestaan door de heer P. DEVOCHT, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting van vijftien december
  20. PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081215.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.