← België

ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081215.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081215.11 Rolnummer: 2008-0026 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 365 - laatst gezien 2026-07-02 18:32 Fiches 1 - 3 De volstrekte bevoegdheid raakt de openbare orde en wordt bepaald door het voorwerp van het geschil in de bewoordingen zoals ze door de eiser in de gedinginleidende akte is gesteld. Een geschil over een door de werkgever toegestane lening bestemd voor de gedeeltelijke financiering van de aankoop van de woning van de werknemer behoort niet tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, temeer daar het geschil geen betrekking heeft op de tussen partijen bestaande arbeidsverhouding, maar van deze van de rechtbank van eerste aanleg. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE Vrije woorden: Volstrekte bevoegdheid - openbare orde - gedinginleidende akte - door werkgever toegestane lening ter financiering aankoop woning - vordering tot terugbetaling - arbeidsgerechten onbevoegd - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 9, I A - artikel 578, 1°, I A - artikel 607, I B - artikel 1154 en onder II AAN - artikel 17, 3°. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Bevoegdheid Vrije woorden: Volstrekte bevoegdheid - openbare orde - gedinginleidende akte - door werkgever toegestane lening ter financiering aankoop woning - vordering tot terugbetaling - arbeidsgerechten onbevoegd - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 578, 1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Vrije woorden: Volstrekte bevoegdheid - openbare orde - gedinginleidende akte - door werkgever toegestane lening ter financiering aankoop woning - vordering tot terugbetaling - arbeidsgerechten onbevoegd. - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 607 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 9, I A - artikel 578, 1°, I A - artikel 607, I B - artikel 1154 en onder II AAN - artikel 17, 3°, b. Fiche 4 De schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie op grond van verlies van een kans is een waardeschuld waarop desgevallend vergoedende intrest verschuldigd is. Op een waardeschuld ingevolge een contractuele fout is kapitalisatie niet mogelijk. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Vergoedende intrest - schadevergoeding - contractuele wanprestatie - waardeschuld - kapitalisatie - niet van toepassing - I B Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1967 - 1154 - 33 Link Justel databank 19670321-33 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 9, I A - artikel 578, 1°, I A - artikel 604, I B - artikel 1154 en onder II AAN - artikel 17, 3°, b. Fiche 5 De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel, indien het verlies van die kans te wijten is aan een fout. De werkgever die ingevolge een daad van oneerlijke concurrentie van de werknemer de kans verliest om een overeenkomst met een klant te sluiten, lijdt schade door die fout. De schade voor de werkgever bestaat in de gederfde winst van de overeenkomst die hij normalerwijze had kunnen sluiten. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst Vrije woorden: Algemene verplichtingen van partijen - oneerlijke concurrentie verrichten of eraan medewerken - verlies van een kans - schade - II AAN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17, 3°, b - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 9, I A - artikel 578, 1°, I A - artikel 607, I B - artikel 1154 en onder II AAN - artikel 17, 3°, b. Annotaties Publicaties: SRK - - 2010 - nr. 1 - blz. 37-40 SRK - - 2010 - nr. 1 - blz. 34-40 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Verzending Hof van Beroep Antwerpen (art. 643 Ger.W.) tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2080026 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT I A, wonende te, appellante, vertegenwoordigd door mr. Meuwes loco mr. M. Verbraecken, advocaat te 2500 Lier, tegen : NV met maatschappelijke zetel te, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. S. Mertens, advocaat te 2800 Mechelen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 9 oktober 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 11 januari 2008, - de beschikking d.d. 12 maart 2008, - de conclusie van de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 14 april 2008, - de conclusie van mevrouw A., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 16 juni 2008, - de conclusie van de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 augustus 2008, - de conclusie van mevrouw A., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 september 2008, - de conclusie van de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 20 oktober 2008, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 4 februari 2008, 12 maart 2008 en 24 november

  1. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 5 november 2004, vorderde de NV, hierna genoemd de NV, de veroordeling van mevrouw A. tot betaling van: - 9.000,00 EUR terugbetaling lening, vermeerderd met de moratoire intresten sedert 5 november 2003, - 22.263,46 EUR provisioneel vergoeding voor alle mogelijke schade en aanspraken vermengd, vermeerderd met de vergoedende intresten sedert 5 november 2003, beide sommen vermeerderd met de gerechtelijke intresten en met de kosten van het geding. Met conclusie van 3 februari 2005 vorderde mevrouw A. de vordering van de NV ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg de NV ervan af te wijzen met veroordeling tot het betalen van de kosten van het geding. Met conclusie van 16 januari 2007 handhaafde mevrouw A. haar vordering, maar vorderde in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de rechtbank onbevoegd is betreffende het onderdeel van de vordering aangaande de terugbetaling van de lening groot 9.000,00 EUR en de vordering voor het overige ongegrond te verklaren. Mevrouw A. stelde een tegeneis in strekkende tot betaling van: - 1,00 EUR provisioneel achterstallig loon voor de periode 1 oktober 2001 t.e.m. 31 juli 2001, - 101,06 EUR te weinig toegekend loon en vakantiegeld november 2003, - 1.849,01 EUR loon en vertrek vakantiegeld prestaties 2003 - 1.000,00 EUR schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten en met de kosten van het geding. Met conclusie van 12 april 2007 handhaafde mevrouw A. haar vordering, maar vorderde op tegeneis in ondergeschikte orde voor zover de NV zou betwisten dat mevrouw A. voltijds tewerkgesteld was in de betreffende periode, dat de rechtbank bij toepassing van art. 877 Ger.W. de voorlegging beveeld van alle boekhoudkundige stukken betreffende voormelde periode waaruit blijkt welk project mevrouw A. gedurende die periode afsloot. Hun aantal en belangrijkheid vormen immers het cruciale bewijs van de voltijdse tewerkstelling. Met conclusie van 15 mei 2007 handhaafde de NV haar vordering, maar herleidde haar vordering provisioneel vergoeding voor alle mogelijke schade en aanspraken vermengd van 22.263,46 EUR naar 37.713,46 EUR, vermeerderd met de vergoedende intresten over 30.450,00 EUR sedert 5 november 2003, alsook de gerechtelijke intresten sedert 5 november 2003, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met vonnis van 9 oktober 2007 werd de hoofdvordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard en de tegenvordering werd onontvankelijk verklaard voor zover zij betrekking heeft op achterstallig loon voor de periode van 15 januari 2002 en voor het overige ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Mevrouw A. werd veroordeeld, na toepassing van compensatie, tot betaling van 15.499,93 EUR, vermeerderd met de vergoedende intrest over 8.450,00 EUR sedert 5 november 2003 en de moratoire intrest over 9.000,00 sedert 5 november 2003, alsook de gerechtelijke intrest over deze sommen sedert 5 november 2004 en de gerechtelijke intrest over de vervallen intresten die betrekking hebben op de som van 9.000,00 EUR sedert 15 september 2005, onder aftrok van de intresten over de som van 1.950,54 EUR sedert 5 november
  2. Voor het overige werd de NV en mevrouw A. afgewezen. Mevrouw A. werd verwezen in de kosten van geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 18 september 2008 vordert mevrouw A. het bestreden vonnis te hervormen, en opnieuw rechtsprekend, zich onbevoegd te verklaren betreffende de gevorderde som van 9.000,00 EUR, meer de toebehoren aangaande de zogenaamde leningsovereenkomst, minstens en voor het overige de vordering rechtdoende op de oorspronkelijke hoofdeis deze integraal ongegrond te verklaren, dienvolgens de NV ervan af te wijzen en haar bijgevolg te veroordelen tot de kosten van het geding. Rechtdoende op de oorspronkelijke tegeneis vordert mevrouw A. het bestreden vonnis te bevestigen voor zover het de oorspronkelijke tegenvordering gegrond verklaard, voor het overige deze ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de NV te veroordelen tot betaling van 1.000,00 EUR vermeerderd met de vergoedende en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met conclusie van 20 oktober 2008 vordert de NV het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. De NV stelt incidenteel hoger beroep in strekkende tot de veroordeling van mevrouw A. tot betaling van 37.713,46 EUR schadevergoeding, vermeerderd met de vergoedende intresten op 30.450,00 EUR vanaf 5 november 2003 en de moratoire intresten op 9.000,00 EUR vanaf 5 november 2003, de gerechtelijke intresten op deze sommen vanaf 5 november 2004, de gerechtelijke intresten op de vervallen intresten die betrekking hebben op de som van 9.000,00 EUR sedert 15 september 2005, onder aftrok van de intresten op de som van 1.736,54 EUR sedert 5 november 2003 en met de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  3. De feiten De ter zake relevante en bewezen feiten werden door de eerste rechters op duidelijke en overzichtelijke wijze in het bestreden vonnis (blz. 5-21, sub "
  4. Feiten en voorgaande") uiteengezet. Het arbeidshof verwijst naar die uiteenzetting en aanziet deze hierbij als herhaald. Op 11 januari 2008 tekende mevrouw A. tegen dit vonnis beperkt hoger beroep aan. Op haar beurt tekende de NV op 14 april 2008 beperkt incidenteel beroep aan.
  5. De beoordeling 2.
  6. De vorderingen van de NV 2.1.
  7. De bevoegdheid van de arbeidsgerechten met betrekking tot het door de NV gevorderde bedrag van 9.000,00 EUR Mevrouw A. betwist dat de arbeidsgerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van deze vordering. De NV daarentegen, daarin gevolgd door de eerste rechters, is van mening dat die vorderring wel degelijk tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort. Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt. Ingevolge artikel 607 van het Gerechtelijk Wetboek neemt het arbeidshof kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken en de voorzitters van de arbeidsrechtbanken. De bevoegdheid van de rechter in hoger beroep wordt evenwel niet alleen bepaald ten aanzien van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, maar ook ten aanzien van het voorwerp van het geschil. (Cass. 3 februari 1972, J.T. 1972, 228; conclusie adv.-gen. HENKES, vóór Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8, www.cass.be, op datum) Volgens artikel 9, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht die bepaald wordt naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisende karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen. De regels betreffende de volstrekte bevoegdheid zijn van openbare orde, zodat de rechter ambtshalve moet nagaan of hij bevoegd is. (Cass. 13 oktober 1997, A.C 1997, 966; J.T.T. 1997, 483; Cass. 2 november 1994, A.C. 1994, 911) Ook de rechter in hoger beroep moet, zelfs ambtshalve, zijn aldus vastgelegde volstrekte bevoegdheid nagaan, ook al is het hoger beroep beperkt tot de grondslag van de vorderingen die bij de eerste rechter aanhangig waren gemaakt. (Cass. 4 november 2002, R.W. 2004-2005, 100; Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8, concl. adv.-gen. Henkes, www.cass.be, op datum) De materiële bevoegdheid van een rechtscollege wordt niet beoordeeld op het tijdstip waarop het uitspraak moet doen, maar op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld. (Cass. 22 oktober 1981, R.W. 1982-83, 2457; J.T. 1982, 295) Bij de beoordeling van de bevoegdheid moet niet worden uitgegaan van het werkelijke door de rechtbank op te sporen voorwerp van het geschil, maar van de vordering, in de bewoordingen waarin ze door de eiser is gesteld. (Cass. 13 juni 2003, C.01.0320.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.5, www.cass.be, op datum; Cass. 13 oktober 1997, A.C. 1997, 401; Cass. 6 maart 1987, A.C. 1986, 894; Cass. 19 december 1985, A.C. 1985-86, 589; R.W. 1986-87, 279; J.T 1986, 281, concl. proc.-gen. E. KRINGS) Het arbeidshof stelt vast dat de NV in de gedinginleidende akte (dagvaarding van 5 november 2004) de terugbetaling vordert van een som van 9.000,00 EUR die zij aan mevrouw A. had ontleend ter financiering van de notariskosten van een door haar aangekochte woning en dat mevrouw A. zich ertoe had verbonden dit bedrag zo spoedig mogelijk terug te betalen. Volgens artikel 578, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten met inbegrip van die welke betrekking hebben op schending van het fabrieksgeheim gedurende die overeenkomst. Het enkele feit dat partijen verbonden waren door een arbeidsovereenkomst volstaat niet om het geschil, dat volgens de gedinginleidende akte betrekking heeft op een lening ter financiering van notariskosten voor de aankoop van een woning, te aanzien als een geschil inzake een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 578, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek. Dat zonder het bestaan van de arbeidsovereenkomst de lening nooit zou zijn toegestaan, zoals de eerste rechters oordeelden, volstaat daartoe evenmin. Wanneer volgens de gedinginleidende akte een geschil is ontstaan over een door de werkgever met een werknemer gesloten lening ter financiering van de notariskosten voor de aankoop van een woning van die werknemer, dan is voor het bepalen van de bevoegde rechtbank dit geschil vreemd aan de arbeidsovereenkomst en zijn de arbeidsgerechten terzake niet bevoegd. Uit de systematiek van de artikelen 578 tot 583 van het Ger.W. volgt immers dat in artikel 578, 1° de geschillen bedoeld zijn welke ontstaan tussen personen die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst en die op die arbeidsverhouding betrekking hebben. (cfr. Cass. 29 september 1989, Arr. Cass., 1989-90, 146 met gelijkluidend advies proc.-gen. Lenaerts, bij Cass. 12 december 1984, Arr. Cass., 1984-85, 519) Het feit dat de vordering in terugbetaling van het ontleende bedrag samenhangend zou zijn met de andere vorderingen, kan evenmin leiden tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten om kennis te nemen van dit geschil. Ingeval van samenhang moet volgens artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek bij verwijzing rekening gehouden worden met de voorrang bepaald in artikel 565 en heeft rechtbank van eerste aanleg voorrang op de arbeidsrechtbank. De arbeidsrechtbank had ingeval van samenhang bijgevolg minstens dit onderdeel van het geschil moeten verwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg. Volgens artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek beslist de rechter in hoger beroep, in de gevallen dat een exceptie van onbevoegdheid voor hem aanhangig kan worden gemaakt, over het middel en verwijst hij indien daartoe grond bestaat de zaak naar de bevoegde rechter in hoger beroep. Het arbeidshof verwijst de zaak voor wat dit onderdeel van het geschil betreft naar de bevoegde rechter in hoger beroep, met name het hof van beroep te Antwerpen. 2.1.
  8. Winstderving van de NV ingevolge bedrieglijke praktijken van de werknemer Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals ze zich heeft voorgedaan. Het verlies van een reële kans op het sluiten van een overeenkomst (en het maken van winst) komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non-verband bestaat. De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout. (Cass. 5 juni 2008, C.07.0199.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5, www.cass.be, op datum) Het arbeidshof is van oordeel dat uit de stukken van het dossier ontegensprekelijk blijkt dat mevrouw A. een contractuele fout heeft begaan door tijdens de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst het APRA-evenement naar zichzelf en haar echtgenoot te hebben afgeleid. Hierdoor heeft de NV de kans op het sluiten van een overeenkomst met APRA gemist in die zin dat zonder de fout van mevrouw A. de NV met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid APRA als klant voor dit evenement zou hebben binnengehaald. Bij e-mail van 17 oktober 2003 vroeg de NV aan mevrouw A.: "Hoe zeker ben je dat je APRA hebt als je 16/01 krijgt?" (bedoeld is de mogelijkheid om het evenenment in zaal Horta te laten plaatsvinden). Daarop antwoordde mevrouw A.: "200%". Met andere woorden mevrouw A. was er absoluut zeker van dat het contract tussen de NV en APRA doorgang zou vinden als het op 16/01 in zaal Horta kon plaatsvinden. Hoewel de zaal Horta beweerdelijk op 16/01 niet vrij was, werd onder dit voorwendsel het evenement niet aan de NV toegewezen. Achteraf is echter gebleken dat mevrouw A. (terwijl zij nog in dienst was van de NV) in samenspraak met Horta en zonder medeweten van de NV, rechtstreeks met Horta en APRA heeft onderhandeld en de overeenkomst voor het APRA-evenement op 16 januari 2004 heeft binnengehaald voor de zaak van haar en haar echtgenoot (A. I. E.) waarbij zij kennelijk reeds tijdens de duur van haar arbeidsovereenkomst achter de schermen betrokken was. Door die handelwijze heeft de NV de kans verloren op het sluiten van die overeenkomst en heeft zij winst gederfd. De omvang van die gederfde winst wordt door de NV terecht bepaald op 8.450,00 EUR en dit wordt gestaafd door de stukken. (stukken 4 en 21 van de NV) Volgens de gegevens opgenomen in het strafdossier wordt overigens het normaal karakter van de omvang van die winst mede gestaafd door de bedrijfsvoorstelling van A. I. E., zijnde het bedrijf van mevrouw A. (stuk 29 van de NV) en haar echtgenoot, volgens dewelke een project zoals dat van APRA een gemiddelde winst van 8.000,00 EUR oplevert. (stuk 26, blz. 103, bijlage 2/7 aan proces-verbaal nr. 206/04) Het bedrag dat mevrouw A. via haar handelszaak "A. I. E." aan APRA heeft gefactureerd en de door haar daarop gehanteerde winstmarge doet voor het vaststellen van de winstderving van de NV niet ter zake. Het incidenteel beroep is voor wat dit onderdeel betreft ongegrond. Er moet worden gepreciseerd dat het door de NV verschuldigde vakantiegeld einde dienst voor een som van 1.736,54 EUR door schuldvergelijking in mindering mag gebracht worden op het door mevrouw A. aan de NV verschuldigde bedrag van 8.450,00 EUR, zodat mevrouw A. nog een saldo verschuldigd blijft van 6.713,46 EUR. 2.1.
  9. Winstderving van de in de andere zaken In de andere zaken waarvoor de NV vergoeding vordert levert zij geen bewijs van haar bewering dat mevrouw A. zich op grote schaal te buiten ging aan daden van oneerlijke concurrentie, en evenmin levert zij het bewijs van de beweerdelijk door haar geleden schade, die in billijkheid wordt geraamd op 22.000,00 EUR. Het feit dat mevrouw A. na haar ontslag een eigen zaak opstartte (voortzette?) en cliënteel van haar gewezen werkgever benaderde met het oog op het sluiten van contracten, volstaat op zich niet om te kunnen gewagen van daden van oneerlijke concurrentie. Evenmin wordt op afdoende wijze het bewijs geleverd van het beweerd schenden van zakengeheimen, noch van enige schade die daar het noodzakelijk gevolg van zou zijn. Het is dan ook terecht dat de eerste rechters dit onderdeel van de eis ongegrond hebben verklaard, zij het dat dit naar de zin van de NV niet uitvoerig genoeg werd gemotiveerd. 2.1.
  10. De intrest en de kapitalisatie van de intrest In haar laatste syntheseconclusie van 20 oktober 2008 (zijnde de conclusie die in toepassing van artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, als enige conclusie moet worden beantwoord) stelt mevrouw A. voorop dat de intresten over de gevorderde sommen minstens sedert 5 november 2003 verschuldigd zijn en dat zij in toepassing van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek met conclusie van 15 september 2005 intrest vorderde op de reeds vervallen intrest. a. de intrest op de gevorderde som van 9.000,00 EUR Het arbeidshof stelt vast dat de NV op 5 november 2003 ontslag om dringende reden heeft gegeven en in dezelfde brief de terugbetaling heeft gevorderd van een som van 9.000,00 EUR die als lening aan mevrouw A. zou zijn toegestaan. (stuk 9 van de NV) Aangezien het arbeidshof zich over deze vordering niet kan uitspreken (omdat het hiervoor niet bevoegd is) kunnen uiteraard ook geen intresten worden toegekend. b. de intrest op de toegekende schadevergoeding Voor wat de toegekende schadevergoeding van 8.450,00 EUR betreft wegens contractuele wanprestatie, oordeelt het arbeidshof als volgt. Vanaf het ontstaan van de schade kan vergoedende intrest worden toegekend. In deze is, naar het oordeel van het arbeidshof, de schade ontstaan op 1 maart
  11. Redelijkerwijs zou de NV immers op die datum betaling hebben kunnen ontvangen voor het contract met APRA, indien mevrouw A. dit niet had afgeleid naar haar eigen onderneming. Er kan bijgevolg vergoedende intrest worden toegekend vanaf 1 maart
  12. c. kapitalisatie van de intrest Volgens artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek kunnen vervallen intresten van kapitalen intrest opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits die aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die tenminste voor een geheel jaar verschuldigd zijn. Dit artikel is enkel van toepassing op verwijlintrest op geldschulden en niet op vergoedende intrest op waardeschulden, zoals schadevergoeding bij wanprestatie. (Cass. 22 december 2006, R.W. 2006-07, 1440-1442; A. VAN OEVELEN, "Het toepassingsgebied van het in artikel 1154 B.W. geregelde anatocisme: het Hof van Cassatie stelt orde op zaken", noot onder Cass. 22 december 2006, R.W. 2006-07, 1440-1442) Nu de aan de NV toegekende schadevergoeding een waardeschuld is ingevolge een contractuele fout van mevrouw A., kan in toepassing van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek geen intrest op de vergoedende intrest worden toegekend. Ingeval van waardeschulden kan de rechter evenwel intrest op vergoedende intrest toekennen zonder aan de voorwaarden van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek te zijn gebonden, indien hij oordeelt dat dit voor een volledige vergoeding van de schade vereist is. (B. DE TEMMERMAN, "Intrest bij schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Een stand van zaken, tevens aanleiding tot kritische beschouwingen over de grondslagen van het Belgisch schadevergoedingsrecht", T.P.R. 1999

(1277), p. 1326, nr. 28) Voor het vergoeden van de volledige schade is naar het oordeel van het arbeidshof het toekennen van intrest op de vergoedende intrest echter niet noodzakelijk. De eis strekkend tot betaling van intrest op de toegekende vergoedende intrest is bijgevolg ongegrond. 2.
  1. De vorderingen van mevrouw A. 2.2.
  2. Achterstallig loon oktober 2001 tot juli 2002, vakantiegeld en eindejaarspremie Mevrouw A. voert aan dat, hoewel zij als deeltijds tewerkgesteld werknemer was ingeschreven zij voltijds presteerde maar niettemin daarvoor niet werd betaald. Zij vordert daarvoor op grond van beweerdelijk door de NV gepleegde misdrijven de betaling van 1,00 EUR ten voorlopige titel. Samen met de eerste rechters stelt ook het arbeidshof vast dat mevrouw A. op geen enkele wijze bewijst dat zij meer uren presteerde dan overeengekomen of waarvoor zij niet zou zijn bezoldigd. Het is overigens opmerkelijk dat mevrouw A. bij haar ontslag op geen enkele wijze melding maakte van gepresteerde en niet betaalde uren, eindejaarspremie of vakantiegeld. Dat mevrouw A., na haar ontslag om dringende reden en op een ogenblik dat zij aanvoelde dat de NV het waarschijnlijk niet bij de terugbetaling van de lening zou laten, haar beweerde niet betaling van gepresteerde uren aankaartte, doet daaraan niets af. Dit onderdeel van de eis is in ieder geval ongegrond. De overige door de eerste rechters toegekende vorderingen van mevrouw A. zijn geen voorwerp van het hoger beroep of van het incidenteel beroep. 2.2.
  3. Morele en materiële schade van 1.000,00 EUR Mevrouw A. vordert een schadevergoeding van 1.000,00 EUR omwille van het feit dat het ten laste van haar ingestelde strafonderzoek, met diverse daaraan gekoppelde onderzoeksdaden, drie jaar heeft geduurd, zonder dat dit tot een vervolging heeft geleid. Bovendien zou haar eer en goede naam hierdoor aangetast zijn en zou zij zelfs inkomstenverlies hebben geleden. Het arbeidshof is echter van oordeel dat het enkele feit dat een strafklacht werd neergelegd en een uitvoerig gerechtelijk onderzoek werd gevoerd, dat echter niet tot een vervolging heeft geleid, op zich niet volstaat om de NV aansprakelijk te kunnen stellen voor beweerdelijk door mevrouw A. geleden schade. Bovendien wordt van de beweerdelijk geleden schade geen bewijs geleverd. Ook dit onderdeel van het hoger beroep is ongegrond. BESLISSING De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk. Het hoger beroep van de NV is ongegrond en het incidenteel beroep van mevrouw A. is gegrond zoals verder bepaald. Het vonnis van 9 oktober 2007 van de arbeidsrechtbank te Mechelen wordt, voor zover bestreden, vernietigd. Het arbeidshof verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering van de NV strekkend tot terugbetaling van 9.000,00 EUR vermeerderd met intrest en verzendt de aldus beperkte zaak, met inbegrip van de beslissing over de kosten naar het hof van beroep te Antwerpen. Voor wat de overige vorderingen betreft beslist het arbeidshof opnieuw. Mevrouw A. wordt veroordeeld om aan de NV 6.713,46 EUR schadevergoeding te betalen, vermeerderd met de vergoedende intrest vanaf 1 maart 2004 en de gerechtelijke intrest vanaf 5 november
  4. De aanspraken van mevrouw A. zoals gevorderd in graad van hoger beroep zijn ongegrond. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer P. AERTS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 december 2008 door de heer J. GOEMANS, raadsheer en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). De heer H. Luyckx, raadsheer in sociale zaken, als werknemer - bediende, verkeert in de onmogelijkheid om dit arrest te ondertekenen (artikel 785, lid 1 Ger.W.) 15 december 2008, De griffier met opdracht (artikel 330 ter § 2 Ger.W.), PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081215.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.