id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081218.13 Rolnummer: 2006-0202 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-01-14 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 18:34 Fiches 1 - 2 Het hof merkt op met betrekking tot de door appellant aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie (arresten Barber en Bilka) dat deze toch wel enige nuancering behoeft ; deze rechtspraak betreft namelijk de in artikel 7, § 1, sub a voorziene bevoegdheid van de lidstaten om de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdom- en rustpensioen van haar werkingsfeer uit te sluiten. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie komt duidelijk naar voor dat de in artikel 7, § 1, sub a van de Richtlijn bepaalde mogelijkheden om af te wijken op een beperkende wijze moet worden uitgelegd en dat, wanneer, krachtens die bepaling, een lidstaat een verschil in leeftijd tussen mannen en vrouwen handhaaft voor de toekenning van rust- en overlevingspensioenen, de toegestane afwijking niet verder mag gaan dan de discriminaties die een noodzakelijke en de toegestane afwijking niet verder mag gaan dan de discriminaties die een noodzakelijke en objectieve band hebben met het verschil dat ter zake van de pensioenleeftijd is gehandhaafd. Het hof is echter van oordeel dat het hoger beroep vermeld verschil in fictieve en forfaitaire lonen voor vrouwelijke en mannelijke grenswerknemers geen noodzakelijke en objectieve band heeft met het verschil in pensioenleeftijd. Teneinde echer klaarheid te krijgen in deze problematiek komt het het hof gepast voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg. 'Zijn de K.B.'s dd. 01.12.1969, 18.06.1970, 08.06.1971, 14.09.1972, 31.07.1973, 12.07.1974, 13.02.1975, 28.11.1975, 26.11.1976, 26.09.1977, 31.07.1978, 31.08.1979, 02.12.1980, 13.01.1982, 14.03.1983, 11.01.1984, 30.11.1984, 24.01.1986, 30.12.1986, 06.01.1988, 02.12.1988, 30.11.1989, 10.12.1990, 01.06.1993, 08.12.1993, 19.12.1994 en 10.10.1995, uitgevaardigd in uitvoering van artikel 25 van het K.B. van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en waarbij voor de berekening van het rustpensioen voor de vrouwelijke grensarbeiders lagere fictieve en/of forfaitaire daglonen worden vastgesteld dan voor de mannelijke grensarbeiders, conform met artikel 4, 1° lid van de Richtlijn 79/7/EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid'. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Grensarbeiders Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - rust- en overlevingspensioenen - duur van de tewerkstelling - grensarbeiders - KB berekening rustpensioen vrouwelijke grensarbeiders - fictieve en/of forfaitaire daglonen - gelijke behandeling voor mannen en vrouwen - toetsing Richtlijn 79/7/EEG - prejudiciële vraag Hof van Justitie - VII E Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 50 - 24-10-1967 - 9 bis - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - 25 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer FISCAAL RECHT - INTERNATIONAAL BELASTINGSRECHT - Grensarbeiders GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT Vrije woorden: Internationale verdragen en verordeningen - europese economische gemeenschap - richtlijnen EEG - sociale zekerheid der werknemers - rust- en overlevingspensioen - grensarbeiders - KB berekening rustpensioen vrouwelijke grensarbeiders - fictieve en/of forfaitaire daglonen - gelijke behandeling voor mannen en vrouwen - toetsing Richtlijn 79/7/EEG - prejudiciële vraag Hof van Justitie - IX D 6 Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 19-12-1978 - 7, § 1, sub a - 31 Link Justel databank 19781219-31 Nota: Gerangschikt onder VII E - artikel 9 bis en onder IX D 6 - artikel 7, § 1, sub a. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2060202 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT In de zaak: RVP, met burelen gevestigd te , appellant, verschijnend bij mr. M. SAHIN loco mr. P. VANAGT, advocaat te Genk, tegen : E B wonende te , geïntimeerde verschijnend bij mr. S. VANDEBROEK loco mr. J. NULENS, advocaat te Hasselt. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 16 juni 2006 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 22 juni 2006 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 20 juli 2006; - het tussenarrest van het hof van 6 december
- - de besluiten van appellant na tussenarrest neergelegd ter griffie op 25 april 2008 en de conclusies van geïntimeerde na tussenarrest ontvangen ter griffie op 28 februari
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 16 oktober
- I. Feiten en voorafgaande rechtspleging
- De feiten en voorafgaande rechtspleging werden reeds voldoende omstandig uiteengezet door het hof in zijn tussenarrest van 6 december 2007 en behoeven hier geen herhaling; het hof verwijst terzake naar dit tussenarrest. Met dit tussenarrest heeft het hof het hoger beroep ontvankelijk verklaard doch alvorens te oordelen ten gronde, de heropening der debatten bevolen teneinde partijen toe te laten hun standpunt te laten kennen met betrekking tot de door het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies naar voor gebrachte argumentatie. II. In rechte
- Appellant kan niet akkoord gaan met de door de substituut-generaal ontwikkelde redenering in zijn schriftelijk advies dat hij neerlegde ter zitting van het hof van 4 oktober 2007 en meerbepaald met de door hem doorgevoerde toetsing van de door de Koning, in uitvoering van artikel 25 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, jaarlijks uitgevaardigde KB's in de periode 1968 tot 1995 en waarbij in die periode lagere fictieve en/of forfaitaire daglonen werden vastgesteld voor vrouwen dan voor mannen aan artikel 119, thans artikel 141, van het EEG-verdrag dat het principe van gelijke beloning voor mannen en vrouwen vastlegt. Appellant betoogt dat zulks niet kan omdat deze materie buiten de werkingssfeer van artikel 119 van het EEG-verdrag (thans artikel 141) valt, gezien paragraaf 2 van artikel 119 EEG-verdrag duidelijk bepaalt dat onder beloning in de zin van het artikel dient te worden verstaan "het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt". Appellant verwijst ter staving van zijn stelling naar het Barber-arrest van het Hof van Justitie (HvJ 17 mei 1990, zaak 262/88) waarin gesteld wordt dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel gefinancierd wordt door de werkgever en werknemers gezamenlijk, zonder dat er enige bijdrage van de overheid is. Appellant verwijst tenslotte ook nog naar het arrest Bilka (HvJ 13 mei 1986, zaak 170/84) waarin verduidelijkt wordt dat een rechtstreeks bij wet geregeld stelsel van sociale zekerheid buiten de werkingssfeer van artikel 119 EEG-verdrag valt.
- Het hof is het eens met voormeld standpunt van appellant, nochtans blijft er het feit - en dit wordt niet betwist door appellant - dat de KB's waarvan hoger sprake wel getoetst kunnen worden aan de Richtlijn 79/7 EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. Artikel 3 van voormelde richtlijn bepaalt immers dat hij van toepassing is op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen ouderdom. Artikel 4, 1° van deze Richtlijn bepaalt verder dat het beginsel van gelijke behandeling inhoudt dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot de berekening van de prestaties. Appellant argumenteert nu dat de Richtlijn 79/7 EEG zich niet zou verzetten tegen de verschillende behandeling van mannen en vrouwen inzake de in aanmerking te nemen lonen voor berekening van het pensioen van de grensarbeiders omdat de Richtlijn volgens artikel 1 de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid beoogt. Appellant stelt dat het Hof van Justitie herhaaldelijk geoordeeld heeft dat een verstoring van het financiële evenwicht van de pensioenstelsels het handhaven van een onderscheid tussen vrouwen en mannen tijdelijk verantwoordt. Tenslotte wijst appellant er op dat het Hof van Justitie bevestigd heeft dat wanneer een nationale regeling een verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft gehandhaafd - wat in België tot op heden het geval is - de betrokken lidstaat het bedrag van het pensioen verschillend mag berekenen naar gelang het geslacht van de werknemer. Het hof merkt echter op met betrekking tot de door appellant aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie dat deze toch wel enige nuancering behoeft; deze rechtspraak betreft namelijk de in artikel 7 § 1, sub a voorziene bevoegdheid van de lidstaten om de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdom- en rustpensioen van haar werkingsfeer uit te sluiten. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie komt duidelijk naar voor dat de in artikel 7 § 1, sub a van de Richtlijn bepaalde mogelijkheden om af te wijken op een beperkende wijze moet worden uitgelegd en dat, wanneer, krachtens die bepaling, een lidstaat een verschil in leeftijd tussen mannen en vrouwen handhaaft voor de toekenning van rust- en overlevingspensioenen, de toegestane afwijking niet verder mag gaan dan de discriminaties die een noodzakelijke en objectieve band hebben met het verschil dat ter zake van de pensioenleeftijd is gehandhaafd. Het hof is echter van oordeel dat het hoger vermeld verschil in fictieve en forfaitaire lonen voor vrouwelijke en mannelijke grenswerknemers geen noodzakelijke en objectieve band heeft met het verschil in pensioenleeftijd. Teneinde echter klaarheid te krijgen in deze problematiek komt het het hof gepast voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg betreffende de conformiteit van de door de Koning in uitvoering van artikel 25 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en ouderdomspensioen voor werknemers op 01.12.1969, 18.06.1970, 08.06.1971, 14.09.1972, 31.07.1973, 12.07.1974, 13.02.1975, 28.11.1975, 26.11.1976, 26.09.1977, 31.07.1978, 31.08.1979, 02.12.1980, 13.01.1982, 14.03.1983, 11.01.1984, 30.11.1984, 24.01.1986, 30.12.1986, 06.01.1988, 02.12.1988, 30.11.1989, 10.12.1990, 01.06.1993, 08.12.1993, 19.12.1994 en 10.10.1995 uitgevaardigde besluiten tot vaststelling van de dagelijkse forfaitaire en/of fictieve bezoldiging voor grensarbeiders met artikel 4 lid 1 van de Richtlijn 79/7/EEG. OP D I E G R O N D E N, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer R N, advocaat-generaal, in zijn mondeling advies op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2008, waaromtrent geïntimeerde nog heeft gerepliceerd en appellant niet meer wenste te repliceren. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Het tussenarrest van 6 december 2007 verder uitwerkend. Alvorens over de gegrondheid van het hoger beroep te beslissen, stelt volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg: "Zijn de koninklijk besluiten d.d. 01.12.1969, 18.06.1970, 08.06.1971, 14.09.1972, 31.07.1973, 12.07.1974, 13.02.1975, 28.11.1975, 26.11.1976, 26.09.1977, 31.07.1978, 31.08.1979, 02.12.1980, 13.01.1982, 14.03.1983, 11.01.1984, 30.11.1984, 24.01.1986, 30.12.1986, 06.01.1988, 02.12.1988, 30.11.1989, 10.12.1990, 01.06.1993, 08.12.1993, 19.12.1994 en 10.10.1995, uitgevaardigd in uitvoering van artikel 25 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en waarbij voor de berekening van het rustpensioen voor de vrouwelijke grensarbeiders lagere fictieve en/of forfaitaire daglonen worden vastgesteld dan voor de mannelijke grensarbeiders, conform met artikel 4, 1° lid van de Richtlijn 79/7/EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid". Gelast de griffier van het hof, bij aangetekende brief, een voor eensluidend verklaard afschrift van huidig arrest toe te zenden aan de griffie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg. Het hof schorst, in afwachting, de huidige procedure. Houdt de uitspraak over de kosten aan en verzendt de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer. Aldus gewezen door: de heer G V, kamervoorzitter, de heer P B, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer J S, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door mevrouw L K, griffier en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend en acht. De heer J S, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, verkeert in de onmogelijkheid om dit arrest te ondertekenen (art. 785, lid 1 Ger. W.). Hasselt, 18 december 2008, De griffier, PDF document ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081218.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div