id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090105.10 Rolnummer: 2008-0087 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-01-26 Raadplegingen: 312 - laatst gezien 2026-07-02 18:53 Fiche De werknemer die tijdens de door de werkgever betekende opzeggingstermijn een tegenopzegging geeft, verliest het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding niet, vermits de tegenopzegging het recht op opzegging niet teniet doet. Het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding vloeit voort uit de eerder door de werkgever betekende opzegging. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de overeenkomst - forfaitaire opzeggingstermijn - overeenkomst zonder tijdsbepaling - beëindiging - opzegging door de werkgever - tegenopzegging voor de werknemer - behoud van het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - + noot - nr. 7, blz. 367-368 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2080087 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN N. V., wonende te , appellante, vertegenwoordigd door mr. I. Declerck loco mr. K. Stappers, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen : VZW, met maatschappelijke zetel te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. I. Vanden Poel loco mrs. W. Van Eeckhoutte en W. Van Roeyen, advocaten te 9051 Gent. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 13 november 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 8 februari 2008, - de beschikking d.d. 7 maart 2008, - de conclusie van de VZW, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 16 april 2008, - de conclusie van mevrouw V, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 3 juli 2008, - de conclusie van de VZW, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 29 juli 2008, - de conclusie van mevrouw V, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 26 september 2008, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 3 maart 2008, 7 maart 2008 en 1 december
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 29 september 2006, vorderde mevrouw V de veroordeling van de VZW, hierna genoemd de VZW, tot betaling van: - 17.056,05 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf 11 april 2006 en met de gerechtelijke intrest vanaf heden, - 1,00 EUR provisioneel vakantiegeld tijdens de tewerkstelling van 1 september 2001 tot 31 december 2004 c.q. schadevergoeding, - 1,00 EUR provisioneel vakantiegeld einde dienst op variabel loon, - 596,23 EUR bruto saldo pro rata eindejaarspremie 2006, deze bedragen vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf 3 juli 2006 en met de gerechtelijke intresten vanaf heden. Mevrouw V vorderde tevens de VZW te veroordelen tot afgifte van sociale en fiscale documenten: verbeterde loonfiche juli 2006, verbeterde individuele rekeningen, verbeterde vakantieattesten en de fiscale fiche 281.10 binnen de 14 dagen na het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 200,00 EUR per ontbrekend document en per dag vertraging. Met conclusie van 23 november 2006 vorderde de VZW de vordering van mevrouw V onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en haar te verwijzen in de kosten van het geding. Met conclusie van 22 december 2006 handhaafde mevrouw V haar vordering, maar herleidde de vordering aanvullende opzeggingsvergoeding van 17.056,05 EUR naar 17.456,06 EUR. Tevens vorderde mevrouw V de VZW te veroordelen bij toepassing van art. 877 Ger.W. tot overlegging van de loonfiches vanaf 1 september 2001 t.e.m. 31 december 2005 en de heropening der debatten te bevelen om haar toe te laten haar vordering tot betaling van vakantiegeld c.q. schadevergoeding tijdens de tewerkstelling van 1 september 2001 tot 31 december 2005 nader te begroten evenals de vordering tot betaling van vakantiegeld einde dienst op variabel loon. Ten slotte vorderde mevrouw V de VZW te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 30 april 2007 herleidde mevrouw V haar vordering naar: - 15.395,49 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 11 april 2006 en met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding - 545,34 EUR vakantiegeld tijdens de tewerkstelling van 1 september 2001 tot juli 2006 c.q. schadevergoeding - 2.599,97 EUR vakantiegeld einde dienst op variabel loon. Verder vorderde mevrouw V de VZW te veroordelen met toepassing van art. 877 Ger.W. tot overlegging van de uittreksels van de premies m.b.t. de collectieve medische kostenverzekering en de heropening der debatten te bevelen om haar toe haar vordering tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding correct te begroten. Met conclusie van 30 juli 2007 vorderde mevrouw V de VZW te veroordelen tot betaling van: - 15.218,40 EUR provisioneel aanvullende opzeggingsvergoeding - 245,91 EUR vakantiegeld tijdens de tewerkstelling van 1 september 2001 tot juli 2006 c.q. schadevergoeding - 758,05 EUR vakantiegeld einde dienst op variabel loon, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid en met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding. Tevens vorderde mevrouw V te zeggen voor recht dat intresten worden toegekend op vervallen intresten met toepassing van artikel 1154 BW, en waarbij de syntheseconclusie van 30 april 2007 geldt als aanmaning. Met vonnis van 13 november 2007 werd de VZW veroordeeld tot betaling van: - 245,91 EUR schadevergoeding, gelijk aan het achterstallige vakantiegeld op het variabel loon tijdens de tewerkstelling van 1 september 2001 tot juli 2006, vermeerderd met de vergoedende intrest vanaf 3 juli 2006 en met de gerechtelijke intrest vanaf 29 september 2006, - 758,05 EUR vakantiegeld einde dienst op variabel loon, vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf 3 juli 2006 en met de gerechtelijke intrest vanaf 29 september
- Er werd voor recht gezegd dat intrest wordt toegekend op de vervallen intrest met toepassing van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek vanaf 30 april
- De VZW werd eveneens veroordeeld tot afgifte van de volgende sociale en fiscale documenten: verbeterde loonfiche juli 2006, verbeterde individuele rekeningen, verbeterde vakantieattesten en de fiscale fiche 281.10 binnen de door de wet en reglementen bepaalde termijnen. Ten slotte werd de VZW veroordeeld tot de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 29 juli 2008 vordert de VZW de vordering van mevrouw V ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 26 september 2008 vordert mevrouw V de VZW te veroordelen tot het betalen van 15.218,40 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid, met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding en met de kosten van het geding. Tevens vordert mevrouw V te zeggen voor recht dat intresten worden toegekend op vervallen intresten met toepassing van artikel 1154 BW, en waarbij de syntheseconclusie van 30 april 2007 voor de eerste rechter geldt als aanmaning. Ten slotte vordert mevrouw V de VZW te veroordelen tot afgifte van de volgende sociale en fiscale documenten: verbeterde loonfiche juli 2006, verbeterde individuele rekening en de fiscale fiche 281.10, dit binnen de door de wet en reglementen bepaalde termijnen terzake en onder verbeurte van 200,00 EUR per ontbrekend document en per dag vertraging. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten Op 1 september 2001 kwam mevrouw V als verpleegkundige in dienst van de VZW. Met aangetekende brief van 11 april 2006 betekende de VZW opzegging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een termijn van drie maanden, ingaande op 1 mei
- (stuk 2 van mevrouw V) Tussen partijen wordt niet betwist dat mevrouw V met brief van 3 mei 2006 een tegenopzegging betekende met een duur van twee maanden. Met aangetekende brief van 5 mei 2006 deelde de VZW aan mevrouw V mee dat zij akkoord ging met de betekende tegenopzegging van 2 maanden en dat die inging op 4 mei 2006 om te eindigen op 4 juli
- (stuk 3 van mevrouw V) Op 29 september 2006 dagvaardde mevrouw V de VZW voor de arbeidsrechtbank te Mechelen in betaling van hetgeen hiervoor sub II is vermeld. Met vonnis van 13 november 2007 beslisten de eerste rechters hetgeen is weergegeven onder punt II van dit arrest. Tegen dit vonnis tekende mevrouw V op 8 februari 2008 beperkt hoger beroep aan.
- De beoordeling 2.
- De aanvullende opzeggingsvergoeding Wanneer een werknemer, die gebonden is door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, ontslagen wordt met een ontoereikende opzeggingstermijn, ontstaat zijn recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vanaf de kennisgeving van de opzegging, hoewel de arbeidsovereenkomst tijdens de opzeggingstermijn blijft voortbestaan. (Cass. 6 november 1989, R.W. 1989-90, 885, met conclusie adv.-gen. LENAERTS) Dit recht kan niet worden beïnvloed door latere gebeurtenissen. (Cass. 14 april 2003, R.W. 2003-04, 1024; S.02.0028.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9, www.cass.be, op datum) Krachtens artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de aanvullende forfaitaire opzeggingsvergoeding die vanaf de opzegging verworven is, gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van het gedeelte van de opzeggingstermijn, waarop de bediende aanspraak kan maken, en dat bij de opzegging niet in acht werd genomen. Dit recht, dat ertoe strekt de hem ter kennis gebrachte ontoereikende opzeggingstermijn te vergoeden, gaat teniet om dezelfde redenen als die op grond waarvan het recht op de opzegging zelf teniet gaat. (Cass. 4 juni 1975, J.T.T. 1976, 144) Zo verliest de werknemer die zich gedurende de opzeggingstermijn schuldig maakt aan een zwaarwichtige fout die zijn ontslag om dringende redenen rechtvaardigt het recht op de opzegging en, bijgevolg, op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn vergoedt. (Cass. 26 februari 2007, S.06.0081.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070226.2, www.cass.be, op datum; J.T.T. 2007, 239, met conclusie eerste adv.-gen. J. Fr. LECLERCQ) Hetzelfde geldt wanneer de werknemer na de kennisgeving van de opzegging zich akkoord verklaart met de betekende opzeggingstermijn. (Cass. 4 juni 1975, J.T.T. 1976, 144) De betekening van een tegenopzegging door de werknemer daarentegen doet het recht op opzegging niet teniet en derhalve heeft de tegenopzegging van mevrouw V, waarvan de regelmatigheid niet wordt betwist, geen invloed op de aanvullende opzeggingsvergoeding waarvan het recht voortvloeit uit de eerder door de werkgever betekende ontoereikende opzeggingstermijn. De door de werknemer gegeven tegenopzegging verandert immers niets aan het feit dat de werkgever de overeenkomst heeft beëindigd; ze vervroegt alleen de datum waarop de arbeidsverhouding eindigt. (Arbh. Brussel, 10 juni 2008, J.T.T. 2008, 400; Arbh. Luik, 27 maart 1995, Soc. Kron. 1997, 540 (verkort); Arbh. Luik, 23 april 2002, J.T.T. 2002, 422) Bijgevolg kan mevrouw V, in de mate dat de VZW een ontoereikende opzeggingstermijn zou hebben betekend, aanspraak maken op de betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding, waarvan het recht is ontstaan op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging en dat niet is tenietgedaan door de betekende tegenopzegging. De enkele omstandigheid dat de VZW uitdrukkelijk haar akkoord heeft betuigd met de door mevrouw V betekende tegenopzegging van twee maanden doet daaraan niets af. Overigens was zulk een akkoord niet eens vereist nu, gelet op het loon waarop mevrouw V gerechtigd was op het ogenblik van de betekening van de tegenopzegging niet meer bedroeg dan 55.193,00 EUR, zodat de duur van de in acht genomen tegenopzegging, volgens het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, twee maanden bedroeg. Alleszins kan de brief van de VZW niet aangezien worden als een overeenkomst tussen partijen over de duur van de door de VZW betekende opzeggingstermijn of de wijze waarop de arbeidsovereenkomst een einde zou nemen en evenmin als een overeenkomst betreffende de ontslagregeling. Rest de vraag of de door de VZW betekende opzeggingstermijn al dan niet toereikend was. Tussen partijen bestaat kennelijk geen betwisting over het feit dat het jaarsalaris van mevrouw V dat in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding meer bedroeg dan de in artikel 82, §3, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde jaarloongrens. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het bijgevolg de rechter die de opzeggingstermijn moet vaststellen die de VZW normaal in acht had moeten nemen. Deze termijn moet door de rechter worden bepaald met inachtneming van de op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag voor mevrouw V bestaande kans om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op haar anciënniteit (4 jaar en 7 maanden), haar leeftijd van 40 jaar en 10 maanden (° 8 juni 1965), haar functie van verpleegkundige en haar jaarlijks loon van 45.655,19 EUR, naar gelang van de elementen eigen aan de zaak. (Cass., 2 december 2002, www.cass.be, S.02.0060.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7; Cass. 4 februari 1991, Pas. 1991, I, 536) Bij het vaststellen van die opzeggingstermijn dient de rechter echter enkel rekening te houden met omstandigheden die bestonden op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag en in zoverre deze omstandigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden, beïnvloeden. (Cass. 3 februari 2003, www.cass.be S.02.0090.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10; Cass., 6 november 1989, Pas. 1990, 322) Het hoeft geen betoog dat het door de VZW ingeroepen gedrag van mevrouw V niet in aanmerking kan worden genomen, nu dit geen element is dat van aard is om het vinden van een gelijkwaardige betrekking te vinden kan beïnvloeden. Het arbeidshof is van oordeel dat, rekening gehouden met voormelde gegevens en meer in het bijzonder het feit dat het beroep van verpleegkundige ten tijde van het ontslag bij uitstek een knelpuntberoep was (en overigens ook nu nog is), mevrouw V een termijn van drie maanden nodig had om een gelijkwaardige betrekking terug te vinden. Dat het beroep van verpleegkundige een knelpuntberoep was blijkt afdoende uit de gegevens van de VDAB die de VZW voorbrengt. Hoewel die stukken betrekking hebben op het jaar 2005, blijkt uit niets dat begin 2006 die toestand plots zou gewijzigd zijn. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat ook in 2006 en ook nog tot op heden er een zeer grote schaarste heerst op de arbeidsmarkt voor het beroep van verpleegkundige, wat het vinden van een nieuwe betrekking als verpleegkundige aanzienlijk vergemakkelijkt. Het enkele feit dat mevrouw V op het ogenblik van de betekening van de opzegging reeds ouder dan 40 jaar was doet daaraan niets af. Besluitend is het arbeidshof van oordeel dat mevrouw V geen aanspraak kan maken op de betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding. 2.
- Intrest De VZW tekent enkel incidenteel beroep aan voor wat de toe te kennen intrest betreft indien het arbeidshof zou oordelen dat een aanvullende opzeggingsvergoeding verschuldigd zou zijn. Gelet op wat hiervoor sub 2.
- werd geoordeeld is het incidenteel beroep zonder voorwerp. 2.
- afgifte sociale documenten - dwangsom Volgens artikel 1056, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek kan het hoger beroep worden ingesteld bij conclusie, ten aanzien van iedere persoon die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is. Die bepaling impliceert niet dat de partij die haar principaal beroep beperkt heeft, bij conclusie een nieuw hoofdberoep kan instellen tegen de beschikkingen van het vonnis waarin zij had berust. (Cass. 2 juni 1994, A.C. 1994, I, 569) Uit de akte van hoger beroep (waaruit blijkt dat het hoger beroep beperkt was tot de beslissing over de opzeggingsvergoeding) noch uit enig ander gegeven blijkt dat mevrouw V zou hebben berust in het bestreden vonnis voor wat betreft de beslissing over de gevorderde dwangsom. In de mate dat mevrouw V in haar conclusie van 3 juli 2008 vordert dat de VZW zou worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom, hoewel zij dit aanvankelijk niet in haar akte van hoger beroep had gevorderd, is die eis te aanzien als een nieuw hoofdberoep en is die eis bijgevolg niet onontvankelijk. Er bestaat naar het oordeel van het arbeidshof evenwel hoe dan ook geen aanleiding om de verplichting tot afgifte van de sociale documenten zoals bevolen door de eerste rechters te koppelen aan de verbeurte van een dwangsom. BESLISSING De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep van mevrouw V is ontvankelijk maar ongegrond. Het incidenteel beroep van de VZW is zonder voorwerp. Het vonnis van 13 november 2007 van de arbeidsrechtbank te Mechelen, voor zover aangevochten in hoger beroep, wordt bevestigd maar op grond van gewijzigde motieven. Mevrouw V wordt veroordeeld om aan de VZW 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep te betalen. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer K. MAGERMAN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer M. VERHAEGHE, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 januari 2009 door de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090105.10 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070226.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div