id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090105.11 Rolnummer: 2008-0229 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-06-08 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 18:53 Fiches 1 - 2 Een politiek mandaat als gemeenteraadlid of schepen, dat voor de ingangsdatum van het pensioen en uiterlijk de laatste dag van de maand van de 65ste verjaardag ingaat kan met het rustpensioen gecumuleerd worden tot het verstrijkt, nl. tot het einde van de periode waarvoor betrokkene verkozen werd. Het mandaat wordt telkens hernieuwd, en loopt niet steeds door bij herverkiezing. Het neemt een aanvang bij de eedaflegging. Het kan niet meer gecumuleerd worden met het pensioen wanneer de eed na de laatste dag van de maand van de 65ste verjaardag afgelegd werd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - rust- en overlevingspensioenen - berekening van het rustpensioen - toegelaten activiteit - politiek mandaat - gemeenteraadslid of schepen - aanvang nieuw mandaat - VII E Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 29-04-1981 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1981000713 Nota: Gerangschikt onder VII E - artikel 10 en onder VII E - artikel
- Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - rust- en overlevingspensioen - beroepsarbeid - toegelaten activiteit - politiek mandaat - gemeenteraadslid of schepen - aanvang nieuw mandaat - VII E Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 25 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 29-04-1981 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1981000713 Nota: Gerangschikt onder VII E - artikel 10 en onder VII E - artikel 25 Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 10 - blz. 507-509 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2080229 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF JANUARI TWEEDUI-ZEND EN NEGEN In de zaak van:
- M.V.H.,
- G.J.,
- D.J., appellanten, die, met een akte neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 september 2008, het geding hervatten als rechtsopvolgers van oorspronkelijk appellant, wijlen de heer J.J., overleden op 30 april 2008, vertegenwoordigd door mr. S.B. loco mr. L.V., advocaat te K., tegen: RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Zuidertoren, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. S.H. loco mr. R.V., advocaat te A. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het ar-beidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 4 juni 2008 en 1 december
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 20 maart 2008 uitge-sproken door de zesde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, over-eenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., aan de heer J.J. ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 28 maart 2008; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeids-hof op 25 april 2008 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 30 april 2008; * de conclusies voor de Rijksdienst voor Pensioenen (hierna RVP), ontvan-gen ter griffie van dit arbeidshof op 7 augustus 2008; * de akte van gedinghervatting voor mevrouw V.H. en de heren J., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 september 2008; * de conclusies voor mevrouw V.H. en de heren J., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 september
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 1 december
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 april 2008, te-kende de heer J.J. hoger beroep aan tegen een vonnis van 20 maart 2008 (AR 06/397218/A) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan de heer J.J. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 28 maart
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure De heer J.J. werd, wegens het bereiken van de wettelijke pensioen-leeftijd, ingevolge een ambtshalve onderzoek met ingang van 1 november 2006 een rustpensioen als werknemer ten bedrage van 8745,39 euro per jaar (indexcijfer 116,15) toegekend. De heer J.J. liet op 26 oktober 2006, via zijn advocaat, aan het RSVZ en de RVP weten het ambt van schepen in de gemeente K. te bekleden, "alleszins tot het einde van het jaar en normalerwijze ook volgend jaar tot en met 28/10/2007." Op 6 november 2006 verklaarde hij nog een politiek mandaat uit te oefenen (model 74, bundel RVP). Op de schriftelijke vraag van de RVP "zullen uw bruto-inkomsten in 2007 meer of minder bedragen dan 17149,20 euro ?", antwoordde de heer J.J. op 23 november 2006: "vermoedelijk meer! ...". Begin januari 2007 legde de heer J.J. de eed af als schepen te K. (zie stukken 1 en 2, bundel Jacobs). De RVP nam vervolgens op 1 februari 2007 volgende administratieve beslis-sing: "Als gepensioneerde mag u een beperkte beroepsactiviteit uitoefenen. Dat heeft geen invloed op uw pensioen als uw beroepsinkomen onder het toegelaten grensbedrag blijft. Op 23/11/2006 hebt u verklaard dat uw beroepsinkomen niet wordt beperkt tot het toegelaten grensbedrag vanaf 1/1/
- De beslissing van 11/1/2006 waarbij de Rijksdienst voor pensioenen (RVP) u een pensioen als werknemer toekende, wordt daarom herzien. De RVP schorst dit pensioen vanaf 1/1/2007 (...)." De heer J.J. tekende met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 23 april 2007, beroep aan tegen voormelde beslissing van de RVP. In hun vonnis van 20 maart 2008 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk doch ongegrond en ze bevestigden de bestreden administratieve beslissing van de RVP van 1 februari
- De RVP werd in toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeeld tot de kosten van het geding. Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 25 april 2008, tekende de heer J.J. hoger beroep aan tegen dit vonnis. De heer J.J. overleed op 30 april
- Mevrouw M.V.H. en de heren G. en D. J. hervatten, met een akte neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 september 2008, het geding als rechtsopvolgers van wijlen de heer J.J..
- Eisen in hoger beroep MevrouwV.H. en de heren J. vorderen het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en, opnieuw beslissend, de oorspronkelijke beslissing van de RVP van 1 februari 2007 te herzien en de schorsing op te heffen; de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de RVP te leggen. De RVP vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en zowel de administratieve beslissing als het bestreden vonnis te bevestigen; kosten als naar recht.
- In rechte Oorspronkelijk appellant was niet akkoord dat zijn rustpensioen vanaf 1 janu-ari 2007 geschorst werd omdat zijn inkomsten meer zouden bedragen dan het toegelaten grensbedrag. Dat deze inkomsten hoger zullen zijn dan het toege-laten grensbedrag wordt niet betwist en kan afgeleid worden uit de eigen ver-klaring van oorspronkelijk appellant (stuk 2, bundel RVP). Oorspronkelijk appellant stelde evenwel dat hij door de uitoefening van een politiek mandaat, hij was schepen van de gemeente K., dit mandaat kon cumuleren met zijn pensioen en dat dit pensioen derhalve niet moest geschorst worden. 4.
- Nieuw mandaat De cumulatie van pensioen en de inkomsten uit een politiek mandaat wordt geregeld door artikel 6 van het koninklijk besluit van 29 april 1981 tot uitvoe-ring van de artikelen 10 en 25 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, dat be-paalt: "Voor toepassing van de artikelen 10 en 25 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en van artikel 3 van de wet van 20 juli 1990 tot instel-ling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpas-sing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn of van artikel 5 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leef-baarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden toegelaten zonder verklaring:
- de uitoefening tot het verstrijkt van een politiek mandaat of van een mandaat van voorzitter of van lid van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, voor zover het vóór de ingangsda-tum van het pensioen en uiterlijk de laatste dag van de maand van de 65e verjaardag van de mandataris is ingegaan of voor zover dat liep op 1 april 1979;...". Vanaf 1 november 2006 wordt aan oorspronkelijk appellant een rustpensioen toegekend als gevolg van het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Aan-gezien hij op dat ogenblik reeds een politiek mandaat bekleedt, mag hij de in-komsten uit dit mandaat cumuleren met zijn rustpensioen. Begin januari 2007 legt oorspronkelijk appellant de eed af als gemeenteraads-lid en schepen van de gemeente K. (stukken 1 en 2, bundel J.). De RVP stelt dat het hier de uitoefening van een nieuw mandaat betreft, waardoor voormeld artikel 6 KB 29 april 1981 niet meer kan toegepast worden aangezien dit politiek mandaat werd opgenomen na de ingangsdatum van het pensioen op 1 november
- Oorspronkelijk appellant stelt dat hij zijn mandaat reeds had opgenomen voor 1 november 2006 aangezien hij bij de verkiezingen van 8 oktober 2006 op-nieuw verkozen werd. Een politiek mandaat is een mandaat dat verworven wordt door verkozen te worden door middel van verkiezingen en kan derhalve maar gelden tijdens de duur waarvoor de politicus werd verkozen. Zelfs indien oorspronkelijk ap-pellant verschillende keren eenzelfde politiek mandaat bekleedde, betekent dit niet dat er hier sprake is van een ononderbroken mandaat. Om de zes jaar, het betreffen hier gemeenteraadsverkiezingen, moet de kiezer immers een nieuw mandaat verlenen. Er is dan ook geen sprake van eenheid van mandaat. Dit mandaat wordt opgenomen op het ogenblik van de installatie van de ge-meenteraad en de eedaflegging. De uitredende gemeenteraadsleden en sche-penen blijven immers in functie tot de nieuwe gemeenteraadsleden geïnstal-leerd worden. (Artikel 6, §2, en artikel 47 Gemeentedecreet 15 juli 2005). Dat de eedaflegging noodzakelijk is wordt bevestigd door artikel 7, §4, Ge-meentedecreet, dat bepaalt dat de verkozen gemeenteraadsleden die op de in-stallatievergadering aanwezig zijn en hun eed niet afleggen, geacht worden af-stand te hebben gedaan van hun mandaat. Anders gezegd, zonder eedafleg-ging heeft het verkozen gemeenteraadslid geen nieuw mandaat. Het wordt niet betwist dat oorspronkelijk appellant geïnstalleerd werd en de eed heeft afgelegd begin januari 2007, en dus vanaf dat ogenblik zijn nieuw mandaat heeft opgenomen. Dat deze informatie bekend was voor het ingaan van zijn pensioen, wijzigt de-ze vaststelling niet. Het is niet de datum van de verkiezingen, maar wel de da-tum van installatie en eedaflegging die bepalend is voor het begin van het mandaat. Aangezien het mandaat van oorspronkelijk appellant derhalve hernieuwd werd na de ingangsdatum van zijn pensioen, moet dit worden aangegeven en mogen de inkomsten de grenzen van de toegelaten arbeid niet overschrijden. (K. REYNIERS en A. VAN REGENMORTEL, "Bijklussen in de sociale zekerheid: de juridi-sche omkadering kritisch belicht", in R. JANVIER, A. VAN REGENMORTEL en V. VER-VLIET (eds.), Actuele problemen van het sociale-zekerheidsrecht, Brugge, die keure, 2007, p. 448; J. SPILLEBEEN, "Het arbeidsverbod in de ouderdoms-, werkloosheids- en ziekte- en invaliditeitsverzekering", TSR 1987, 149; X., "Kanttekeningen. Terugslag van de uitoefening van een beroepsbezigheid op de uitbetaling van het werknemerspensioen", BTSZ 1984, 665). De RVP heeft dan ook een correcte beslissing genomen door het pensioen van oorspronkelijk appellant vanaf 1 januari 2007 te schorsen omdat de inkomsten uit het politiek mandaat de grenzen van de toegelaten arbeid overschrijden. 4.
- Discriminatie Oorspronkelijk appellant stelt dat in de interpretatie dat houders van een poli-tiek mandaat hun pensioen niet mogen combineren met de inkomsten uit dit mandaat, er discriminatie dient vastgesteld te worden ten aanzien van houders van een politiek mandaat die een voltijdse job hebben en deze inkomsten wel mogen cumuleren. De houders van een schepenambt zouden immers negatief gesanctioneerd worden voor het verder zetten van hun politiek mandaat na het bereiken van de pensioenleeftijd, en dit zou in strijd zijn met de ratio legis van artikel 6 KB 29 april 1981 dat tot doel zou hebben het sociale en politieke engagement te stimuleren. Vooreerst dient vastgesteld dat er geen sprake is van discriminatie tussen per-sonen die voltijds werken en gepensioneerden. De categorie van personen die voltijds werken zijn immers niet te vergelijken met personen die leven van een vervangingsinkomen dat betaald wordt via het stelsel van de sociale zeker-heid. Bovendien wordt de ratio legis van artikel 6 KB 29 april 1981 niet geschon-den aangezien voormeld artikel enkel bepaalt dat de inkomsten uit een nieuw of hernieuwd mandaat, dat begint na het ingaan van het pensioen, dienen aan-gegeven te worden. Houders van een politiek mandaat worden ten aanzien van andere gepensioneerden zelfs bevoordeeld omdat zij, tijdens een lopend mandaat, hun inkomsten mogen cumuleren met hun pensioen. Het argument als zou oorspronkelijk appellant binnen hetzelfde mandaat her-verkozen zijn voor zijn 65ste verjaardag, werd reeds eerder afgewezen. Het is immers de datum van installatie en eedaflegging die het begin van het man-daat bepalen. Van een mogelijke discriminatie tussen het opnemen van een nieuw mandaat of de herverkiezing binnen hetzelfde mandaat kan dan ook geen sprake zijn, aangezien in beide gevallen de regel van artikel 6 KB 29 april 1981 zal toegepast worden. Van enige discriminatie is geen sprake. De bestreden beslissing werd terecht genomen. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzit-ting van 1 december 2008, waarover partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Geeft akte aan mevrouw M.V.H. en de heren G. en D. J. van hun hervatting van het geding als rechtsopvolgers van wijlen de heer J.J. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 maart
- Legt de - niet begrote - kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de RVP. Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door de heer R. SMETS, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het ar-beidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijf januari tweeduizend en negen. R. SMETS L. VAN NESPEN M. VAN GORP D. TORFS PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090105.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div