← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090119.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090119.13 Rolnummer: 2007-0104 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-01-26 Raadplegingen: 160 - laatst gezien 2026-07-02 18:59 Fiches 1 - 3 Een eenvoudige verklaring van het slachtoffer van een arbeidsongeval is onvoldoende om tot het bestaan van plotse gebeurtenis te besluiten. Volgens artikel 1349 Burgerlijk Wetboek zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Deze gevolgtrekkingen worden luidens artikel 1353 Burgerlijk Wetboek, in de gevallen waar het bewijs door vermoedens is toegelaten, aan het beleid van de rechter overgelaten, voor zover hij hierbij het wettelijk begrip 'feitelijk vermoeden' niet miskent door aan bekende feiten gevolgen te verbinden die er onverenigbaar mee zijn. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - sociaal recht - arbeidsongeval - bewijs Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1349 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1353 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Algemeen Vrije woorden: Beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - begripsomschrijving - vermoeden van ongeval - sociaal recht - bewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: I B - VI A Gerangschikt onder I B - artikel 1349, onder I B - artikel 1353 en onder VI A - artikel

  1. Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven 2009 - + noot Steven RENETTE - blz. 129-139 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Zevende Kamer Eindarrest op tegenspraak. Artikel 579 - Arbeidsongevallen Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2070104 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: M. P., wonende te appellante, verschijnend bij mevr. T. B. tegen: K.B.C. V. N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te geïntimeerde, verschijnend bij mr. M. L. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis van 20 maart 2007 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt gekend onder A.R. nr. 2053873 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 5 april 2007 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 24 november 2008 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN Appellante is tewerkgesteld als schoonmaakster bij de Vrije Basisschool, Generaal de Wittestraat 29 te 35445 Halen. Op woensdag 23 februari 2005 diende zij te werken van 13.00 uur tot 18.00 uur. Volgens appellante is zij om 13.00 uur, zonder lichamelijke hinder, begonnen met het poetsen van klaslokalen en tijdens het stofzuigen van de klaslokalen stonden de stoelen op de banken/talfels; doordat hierbij een stoel werd aangeraakt, dreigde deze te vallen en zou appellante met haar rechterarm een achterwaartse beweging gemaakt hebben om de stoel te grijpen. Vervolgens hoorde zij een krakend geluid en zou zij een pijnscheut gevoeld hebben. Haar collega (getuige M. F.) heeft verder gestofzuigd terwijl appellante met haar linkerhand stof heeft afgenomen, om zo haar dagtaak verder te zetten en te beëindigen om 18.00 uur. Na haar werk is appellante naar huis gegaan en werd zij door dokter A. V. N. omstreeks 22u45 onderzocht. Aldaar stelde Dr. A. V.N. vast dat appellante vermoedelijk leed aan een tussenribspierverrekking. Verder onderzoek later wees een fractuur rib 6 rechts ventraal uit. De volgende ochtend, donderdag 24 februari 2005, heeft appellante aan haar werkgever laten weten dat Dr. A. V. N. haar werkonbekwaam heeft geacht tot en met vrijdag 25 februari
  2. Vervolgens werd aangifte gedaan. Op 17 mei 2005 laat geïntimeerde weten dat zij het ongeval niet kan aanvaarden als zijnde een arbeidsongeval om de volgende reden: "Het letsel kan niet worden toegeschreven aan de aangegeven feiten. Bovendien is er geen plotse gebeurtenis in de zin van de wet en de rechtspraak inzake arbeidsongevallen." Appellante ging op 6 oktober 2005 over tot dagvaarding. De bij dagvaarding van 6 oktober 2005 ingeleide vordering strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen om aan appellante te betalen het met intresten en kosten vermeerderde bedrag van: - de wettelijke vergoedingen voor de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 23 februari 2005 tot en met 18 april 2005, te berekenen op een basisloon van 32.748,12 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intrest; - 36,80 EUR als betaling van het eigen aandeel van appellante in de medische kosten. In ondergeschikte orde over te gaan tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige, met de gebruikelijke opdracht. Bij vonnis van 20 maart 2007 oordeelde de Eerste Rechter dat de feiten van 23 februari 2005 niet als arbeidsongeval kunnen worden erkend aangezien appellante onvoldoende het bewijs levert van de plotselinge gebeurtenis. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis te vernietigen; het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende geïntimeerde bijkomend te veroordelen tot de betaling aan appellante van: - de wettelijke vergoedingen voor de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 23 februari 2005 tot en met 18 april 2005, te berekenen op een basisloon van 32.748,12 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intrest; - 36,80 EUR als betaling van het eigen aandeel van appellante in de medische kosten; - geïntimeerde tevens te veroordelen tot de betaling van de gerechtelijke intrest op de aldus toegekende vergoedingen en in de kosten van het geding. Appellante betaalde 104,34 EUR voor de inleidende dagvaarding; - geïntimeerde tevens te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. In ondergeschikte orde appellante te machtigen tot het bewijs door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, van volgende feiten: - appellante is op 23 februari 2005 zonder enige lichamelijke hinder begonnen met het schoonmaken van de klaslokalen; - appellante heeft met haar rechterarm een achterwaartse beweging gemaakt om een vallende stoel te grijpen, waarna zij een krakend geluid hoorde en een pijnscheut voelde. - appellante heeft niet meer verder kunnen stofzuigen en heeft haar dagtaak verdergezet door met haar linkerhand stof af te nemen; - een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijk opdracht. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren en het eerste vonnis integraal te bevestigen. MOTIVERING - BEOORDELING
  3. De plotselinge gebeurtenis - aangifteformulier - bewijslast 1.
  4. Het aangifteformulier van arbeidsongeval vermeldt dat appellante bezig was met poetsactiviteiten en zich kwetste (cf. supra: antecedenten). 1.
  5. Volgens artikel 62, eerste lid Arbeidsongevallenwet, gewijzigd bij artikel 143 Wet 27 december 2004, is de werkgever of zijn aangestelde verplicht ieder ongeval dat aanleiding kan geven tot de toepassing van de wet aan te geven bij de bevoegde verzekeringsonderneming; hetzij rechtstreeks, hetzij via het portal van de sociale zekerheid. (...) De aangifte kan in principe eveneens gedaan worden door de getroffene of zijn rechthebbenden (art. 62, tweede lid Arbeidsongevallenwet). 1.
  6. Indien de verzekering van oordeel is dat bepaalde zaken niet duidelijk zijn, dan wordt er in de regel een onderzoek gedaan door een inspecteur van de maatschappij. In het concrete procesverloop is het Hof hoogst verwonderd dat zulks niet gebeurde. De initiële bewijslast ligt weliswaar bij het slachtoffer, doch op een bepaald ogenblik zijn beide partijen immers naar het oordeel van het Hof gehouden (in dezelfde mate) mee te werken aan de bewijsplicht (art. 871 Ger.W.). Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de bewijsplicht (aanvoeringslast) en de bewijslast. De bewijslast wordt door twee beginselen beheerst: de loyale medewerking van de partijen en de actieve tussenkomst hierbij van de rechter om de partijen en derden tot samenwerking aan te zetten. De artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek concretiseren deze taak van de rechter.
  7. PRINCIPES 2.
  8. Voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet wordt, krachtens artikel 7, eerste lid, van die wet als arbeidsongeval aangezien, elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Artikel 7, tweede lid bepaalt: "Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst." Krachtens artikel 9 van die wet wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen. De wetgever heeft geen complete bepaling van het arbeidsongeval gegeven. Deze beslissing stoelde op de bekommernis de breedst mogelijke interpretatie toe te laten met het oog op de ruimst mogelijke bescherming van de fysische integriteit van de werknemer (J.R. RAUWS, De behoefte aan een definitie van het wettelijk begrip arbeidsongeval anno 1971, R.W. 1976-1977, 2008 e.v.; Parl. Besch., Senaat, 1969-1970, nr. 328, 10; Parl. Besch., Senaat, 1970-1971, nr. 215, 49; J. HUYS, De professionele risicoverzekering dekt ook de "gewone risico's" bij het uitvoeren van de arbeidsovereenkomst, R.W. 1998-1999, 572). Artikel 9 geeft zelf geen concrete inhoud aan het begrip plotse gebeurtenis. Een plotse gebeurtenis kan worden omschreven als een duidelijk in tijd en ruimte lokaliseerbare gebeurtenis die bovendien slechts een korte tijdspanne in beslag neemt (C. Persyn, R. Janvier, W. Van Eeckhoutte, o.c. 1244-1253) en die het letsel heeft kunnen veroorzaken. 2.
  9. De uitvoering van de gewone en normale dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis zijn, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt. Het is niet vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak of van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. 2.
  10. Het oordeel dat "het uitvoeren van een draai- en hefbeweging (...) een zodanige alledaagse gebeurtenis (is), te meer daar geen noemenswaardig gewicht werd geheven welke behoort tot de normale uitoefening van de dagtaak en welke op geen enkele wijze verschilt van de op andere ogenblikken gedane inspanningen" alsmede de eiseres niet moet worden gemachtigd tot het aangeboden getuigenbewijs omdat die "enkel maar (zou) kunnen getuigen (...) dat (de eiseres) een draaibeweging maakte en een doos uit de rekken nam, derhalve een banale en onbeduidende beweging uitvoerde welke de werknemer ondervindt bij de uitvoering van zijn beroep, vermits het zich op iedere andere plaats en op een ander ogenblik had kunnen voordoen" en de gevolgtrekking dat aldus de plotselinge gebeurtenis een aanwijsbaar element vereist dat wordt aangetoond dat onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak, schendt de artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet (Cass. 13 november 2006, S.06.0049.N, onuitg.; vergelijk ook Cass. 30 oktober 2006, S.06.0035.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3, onuitg.).
  11. Een arbeidsongeval kan dus ook "een zeer courante handeling" betreffen, en een bewijs van een externe op het lichaam inwerkende kracht is geen vereiste voor het bewijs van de plotselinge gebeurtenis.
  12. Inzake arbeidsongevallen is het derhalve voldoende dat de getroffene of zijn rechthebbenden het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis (het bewijs moet zeker zijn), in tijd en ruimte situeerbaar, waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, aanwijzen (artikel 870 Ger.W. en 1315 B.W.), zodat het letsel, alsdan met toepassing van artikel 9 Arbeidsongevallenwet, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. Letsel en plotselinge gebeurtenis dienen overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Uit artikel 9 Arbeidsongevallenwet blijkt dat het letsel en de plotselinge gebeurtenis onderscheiden bestanddelen zijn van het ongeval. Het "letsel" geeft aanleiding tot schadevergoeding. Het letsel is immers de schade en zonder schade geen vergoeding. De schade heeft wel een bepaalde betekenis nl. de schade die op de ene of de andere manier de fysische of mentale integriteit van de werknemer aantast. Die integriteit is aangetast zodra het letsel voor de werknemer kosten meebrengt nl. medische of farmaceutische kosten (Arbeidsongevallen, ARON, Kluwer, Hoofdst. 1, afd. 2, Comm. 1.2/75, nr. 3270).
  13. Uit de artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet volgt dat het letsel niet uitsluitend mag te wijten zijn aan de inwendige gesteldheid van de getroffene, doch die artikelen vereisen zelfs niet dat de oorzaak of een van de oorzaken van de plotselinge gebeurtenis buiten het organisme van de getroffene ligt (Cass. 6 maart 2006, S.05.0104.N; Cass. 30 oktober 2006, S.06.0035.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3; www.cass.be).
  14. De bewijslast van het letsel berust op het slachtoffer (ribfractuur). Het letsel hoeft niet plotseling te zijn: het moet wel en enkel veroorzaakt zijn door een plotselinge gebeurtenis.
  15. Appellante steunt ten deze op het aangifteformulier om te stellen dat plotselinge gebeurtenis en letsel zich voordeden tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, alsmede dat de "plotselinge gebeurtenis" voldoende aangetoond is. Het Hof dient te oordelen of hic et nunc op afdoende wijze het bewijs wordt geleverd van de feiten die als plotselinge gebeurtenis in aanmerking zouden kunnen genomen worden. 8.
  16. Een eenvoudige verklaring van het slachtoffer is zoals de wetsverzekeraar argumenteert onvoldoende, indien deze niet geschraagd wordt door voldoende eensluidende en overeenstemmende gegevens. 8.
  17. Volgens artikel 1349 Burgerlijk wetboek zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Deze gevolgtrekkingen worden luidens artikel 1353 Burgerlijk wetboek, in de gevallen waarin het bewijs door vermoedens is toegelaten, aan het beleid van de rechter overgelaten, voor zover hij hierbij het wettelijk begrip "feitelijk vermoeden" niet miskent door aan bekende feiten gevolgen te verbinden die er onverenigbaar mee zijn. 8.
  18. Het slachtoffer (geïntimeerde) vermeldde in conclusies de bekende, feitelijke elementen (de feiten werden onmiddellijk gemeld; de arts werd geraadpleegd en deze stelde de letsels vast; de ongevalsaangifte bevat een (gedetailleerde) weergave van de feiten) waaruit zij bij wege van vermoedens afleidde dat moest worden aangenomen dat zich tijdens de werkuren, de plotselinge gebeurtenis had voorgedaan die zij aanvoerde. Anders oordelen zou strijdig zijn met de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk wetboek door het regelmatig door geïntimeerde aangevoerd bewijs door vermoedens niet in acht te nemen.
  19. Resumerend is het Hof derhalve van oordeel dat voor het bestaan van een arbeidsongeval in de zin van artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de vereiste plotselinge gebeurtenis zich niet moet onderscheiden van de normale dagtaak en niet meer dan normale inspanningen moet vergen of het maken van een meer dan normale lichaamsbeweging veronderstellen, nu het volstaat dat het aanwijsbaar element, al dan niet behorend tot de normale arbeidstaken, het letsel heeft kunnen veroorzaken, zonder dat er wordt vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de (normale) uitvoering van de arbeidsovereenkomst. 10.
  20. Bij de concrete beoordeling van deze zaak, en meer in het bijzonder het bestaan van een bijzonder aanwijsbaar element dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, dient er geen sprake te zijn van buitengewone werkomstandigheden (een banale beweging volstaat; een gebeurtenis die onderscheiden was van de normale uitvoering van de beroepsbezigheid is niet vereist). Het komt het Hof immers voor dat het Hof van Cassatie duidelijk geen "abnormaliteitsvereiste" bij de beoordeling van de plotselinge gebeurtenis vereist (Cass. 26 november 2007, S.07.0019.N/1; Cass. 6 maart 2006, S.05.0104.N.; Cass. 7 februari 2005, S.04.0158.N.; Cass. 6 september 2004, S.04.0080.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7., J.T.T. 2005, 26; Cass. 5 april 2004, J.T.T. 2004, 468, concl. LECLERCQ; Cass. 24 november 2003, J.T.T. 2004, 34; Cass. 23 september 2002, S.01.0089.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020923.5; Cass. 6 mei 2002, S.01.0180.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.8; Cass. 3 april 2000, Arr. Cass. 2000, 694; Cass. 14 februari 2000, Arr. Cass. 2000, 412, concl. LECLERCQ). Het aangehaalde feit of element moet zich niet onderscheiden van de normale dagtaak en moet niet meer dan normale inspanningen vergen of het maken van meer dan normale lichaamsbewegingen, bijzondere werkomstandigheden of abnormale arbeidsgegevens. 10.
  21. Het tegenbewijs van het bij artikel 9 Arbeidsongevallenwet bedoelde wettelijk vermoeden inzake het oorzakelijk verband tussen een bewezen letsel en een plotselinge gebeurtenis, wordt slechts geleverd wanneer wordt aangetoond dat het letsel zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zonder de bedoelde plotselinge gebeurtenis (oorzakelijkheidsbegrip). Het is de wetsverzekeraar die vervolgens het tegenbewijs dient te leveren (eventueel d.m.v. een onderzoek van haar inspectiediensten). Daarnaast kan "in het kader van het door de wetsverzekeraar (wettelijk) te leveren tegenbewijs" een geneesheer - deskundige worden aangesteld. De omstandigheid dat een bepaalde beweging zich ook elders en op een ander ogenblik kan voordoen, neemt niet weg dat door het slachtoffer kan worden aangetoond dat het letsel in de concrete omstandigheden van de zaak werd veroorzaakt door dergelijke beweging die een bijzonder aanwijsbaar element in de uitoefening van de gewone arbeidstaak uitmaakt. 10.
  22. De causaliteit tussen een feit en een letsel wordt niet opgeheven door de loutere omstandigheid dat dit feit zich ook op een ander ogenblik en zonder aanwijsbare aanleiding had kunnen voordoen. Door deze vaststelling wordt immers niet aannemelijk gemaakt dat het letsel zich, zonder de door het slachtoffer aangewezen plotselinge gebeurtenis, ook en op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan. Het slachtoffer moet niet aanvoeren dat de plotselinge gebeurtenis "effectief" het letsel heeft veroorzaakt, maar wel het letsel "heeft kunnen" veroorzaken.
  23. TOEPASSING 11.
  24. het Hof stelt vast dat ten deze in eerste instantie de feiten niet betwist werden door geïntimeerde. Volgens geïntimeerde kan het letsel niet worden toegeschreven aan de gegeven feiten en is er geen sprake van een plotse gebeurtenis in de zin van de wet en de rechtspraak inzake arbeidsongevallen. Appellante verwijst naar haar ongevalsaangifte alsmede naar haar verklaring van 8 maart 2005 (stuk 1 geïntimeerde). Het Hof stelt vervolgens in concreto vast dat: de werkgever onmiddellijk in kennis werd gesteld van de feiten (aangifteformulier - stuk 2 appellante); diezelfde dag er eerste medische vaststellingen werden gedaan (attest eerste vaststellingen - stuk 2 appellante); er een collega aanwezig was die de feiten heeft zien gebeuren (verklaring van 8 maart 2005 - stuk 1 geïntimeerde). Uit de aangifte blijkt dat appellante de werkgever onmiddellijk in kennis heeft gesteld van het gebeuren (aangifteformulier - stuk 2 appellante). Uit de verklaring van 8 maart 2005 blijkt vervolgens dat appellante haar werkgever de volgende morgen, donderdag 24 februari 2005, de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft meegedeeld ten gevolge van de feiten van 23 februari 2005 waarvan de werkgever reeds eerder van in kennis werd gesteld. 11.
  25. Door het verrichten van activiteiten waarvoor appellante haar rechterarm niet moest gebruiken, kon appellante haar dienst beëindigen om 18.00 uur. De huisarts attesteerde op 23 februari 2005 - in het attest van eerste medische vaststellingen - als volgt: "musculaire elongatie ter hoogte van het rechter ribbenrooster b - afsluiten van fractuur door RX". Door geïntimeerde wordt het niet aangetoond dat het uur van de onderzoeking (22.45 u) aan appellante verweten dient te worden. Het was voor Dr. V.N. blijkbaar op 23 februari 2005 duidelijk dat er een mogelijke fractuur aanwezig was bij appellante. Dit gegeven wordt op 3 maart 2005 bevestigd naar aanleiding van een onderzoek van het skelet wat wees op een fractuur rib 6 rechts ventraal. 11.
  26. De argumentatie van de wetsverzekeraar dat de uitgebreide verklaring van het vallen van de stoel pas 1,5 jaar na de feiten wordt aangehaald in besluiten en initieel nergens, noch in de aangifte, noch in de verklaring vermeld stond, wordt door het Hof verworpen. Het gaat immers niet op dat een juridisch sterk onderbouwde verzekeraar eerst bijkomend uitleg en nuancering vraagt, om daarna te stellen dat men dat niet onmiddellijk en exact op die wijze had gelibelleerd. Op die wijze poogt een verzekeraar tegenstrijdigheden uit te lokken van de verbaal zwakkere. Het is correct dat appellante in haar verklaring van 8 maart 2005 heeft gesteld dat zij rustig heeft doorgewerkt. Blijkbaar bedoelde appellante hier gewoon mee dat zij haar werkzaamheden heeft verder gezet door - rekening houdend met de pijn - met haar linkerarm het stof verder af te doen en het stofzuigen over te laten aan een collega, M. F.. 11.
  27. Dezelfde redenering volgt het Hof voor de getuigenverklaring. In beroepsbesluiten stelt geïntimeerde dat zij het hoogst eigenaardig vindt dat van haar collega - getuige geen enkele schriftelijke verklaring wordt bijgebracht. Appellante blijft terecht de mening toegedaan dat in deze materie het geen noodzakelijkheid is dat een partij eerst een geschreven verklaring bijbrengt - zodat het begin van bewijs wordt geleverd - vooraleer een Rechtbank / Hof kan ingaan op een getuigenaanbod. Aangezien in een schriftelijke verklaring geen nuances kunnen weergegeven worden en in huidig casus blijkt dat de wetsverzekeraar steeds op zoek gaat naar woordelijke tegenstrijdigheden, is appellante niet geneigd om schriftelijke verklaringen te overleggen, omdat op dergelijke manier van werken het bewijs voor het slachtoffer onmogelijk wordt gemaakt. Het Hof wenst te wijzen op het feit dat deze getuige duidelijk wordt vermeld in de verklaring van appellante van 8 maart 2005 (gedateerd vóór de weigeringsbrief van geïntimeerde van 17 mei 2005): "eventuele getuige, mijn collega F. M.". Het Hof is dan ook van oordeel dat geïntimeerde als wetsverzekeraar getuige F. had dienen te contacteren aangezien zij als rechtstreekse getuige werd opgegeven door appellante.
  28. Appellante diende tenslotte op woensdag 23 februari 2005 schoon te maken van 13.00 ur tot 18.00 uur. Het ongeval heeft zich voorgedaan kort na aanvang van de werkzaamheden. Er bestaat in casu geen twijfel dat de feiten zich hebben voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.
  29. Appellante bewijst een letsel, namelijk een fractuur rib 6 rechts ventraal, alsook een plotselinge gebeurtenis namelijk een achterwaartse beweging met de rechterarm om de vallende stoel te grijpen. Het tegenbewijs wordt door geïntimeerde niet geleverd.
  30. Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 20 maart 2007, gewezen onder A.R. nr.
  31. Opnieuw rechtdoende, veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellante van: - de wettelijke vergoedingen voor de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 23 februari 2005 tot en met 18 april 2005, te berekenen op een basisloon van 32.748,12 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intrest; - 36,80 EUR als betaling van het eigen aandeel van appellante in de medische kosten. Veroordeelt geïntimeerde tot de betaling van de gerechtelijke intrest op de aldus toegekende vergoedingen en in de kosten van het geding. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellante op 104,34 EUR kosten dagvaarding. Laat deze kosten aan de zijde van geïntimeerde onvereffend wegens de niet-indiening van een omstandige onkostenstaat. Aldus gewezen door: Dhr. J. MARTENS, Kamervoorzitter, Dhr. J. MEYERS, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Dhr. R. URBAIN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, Dhr. E. NOBEN, griffier, en uitgesproken door voormelde Voorzitter van de derde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 19 januari
  32. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090119.13 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020923.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.