id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 02 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090302.16 Rolnummer: 2008-0318 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2011-06-09 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 19:19 Fiches 1 - 4 Om aanspraak te kunnen maken op de gewaarborgde gezinsbijslag dient de vreemdeling gemachtigd te zijn om in het Rijk te verblijven. De gewaarborgde gezinsbijslag kan voor een bepaalde periode zelfs retroactief worden toegekend. De vreemdeling heeft slechts recht op zulke retroactief toe te kennen gewaarborgde gezinsbijslag voor zover hij gans die periode gemachtigd was om in het Rijk te verblijven. Indien betrokkene tijdens die (retroactieve) periode enkel gedekt wordt door een verblijfsaanvraag, is er geen daadwerkelijke machtiging, en dus ook geen recht op de uitkering. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Algemeen Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - vreemdelingen - gewaarborgde gezinsbijslag - vreemdeling - machtiging tot verblijf - voorafgaande periode - retroactieve toekenning - enkel een aanvraag tot machtiging Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 9 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 14 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Gewaarborgd Vrije woorden: Sociale voorzorg - gewaarborgde gezinsbijslag - toepassingsgebied - gewaarborgde gezinsbijslag - vreemdeling - machtiging tot verblijf - voorafgaande periode - retroactieve toekenning - enkel een aanvraag tot machtiging Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1971 - 1 - 02 ELI link Pub nr 1971072007 Vrije woorden: Sociale voorzorg - gewaarborgde gezinsbijslag - aanvraag - gewaarborgde gezinsbijslag - vreemdeling - machtiging tot verblijf - voorafgaande periode - retroactieve toekenning - enkel een aanvraag tot machtiging Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1971 - 7 - 02 ELI link Pub nr 1971072007 Nota: I P - X D Gerangschikt onder I P - artikelen 9 en 14 en onder X D - artikelen 1 en
- Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 8, blz. 424-426 Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Gezinsbijslag ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2080318 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE MAART TWEEDUI-ZEND EN NEGEN In de zaak van: S. N., appellante, vertegenwoordigd door mr. L. D. loco mr. A. D. P., advocaat te Antwerpen, tegen : RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERK-NEMERS, gevestigd te 1040 Brussel, Trierstraat 70, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. M. D. L. loco mr. D. G., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 3 september 2008 en 2 februari
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 6 juni 2008 uitgesproken door de elfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., aan N. ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 13 juni 2008; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 25 juni 2008 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 13 juni 2008; * de conclusies voor de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 22 september 2008; * de conclusies voor N., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 20 november 2008; * de tweede/syntheseconclusies voor de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 19 december
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 2 februari
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 juni 2008, tekende N. hoger beroep aan tegen een vonnis van 6 juni 2008 (A.R. 07/399916/A) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan N. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 13 juni
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure N., die een aanvraag had ingediend tot regularisatie van verblijf overeenkomstig het vroegere artikel 9, 3° Vreemdelingenwet, werd op 27 oktober 2006 gemachtigd tot een verblijf van twaalf maanden waarna ze ingeschreven werd in het vreemdelingenregister. Op 5 februari 2007 deed N. een aanvraag voor gewaarborgde gezinsbijslag voor haar kind A. Met een aangetekend schrijven van 14 augustus 2007 deelde de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers aan N. mee: "Wij onderzochten met ingang van 1 februari 2006 (Artikel 7 (van de wet van 20 juli 1971) - terugwerkende kracht 1 jaar) uw recht op gewaarborgde gezinsbijslag ten behoeve van uw zoon A. Wij namen volgende beslissingen: Periode van 1 februari 2006 tot 30 november 2007 Artikel 1, 6e lid (van de wet van 20 juli 1971) bepaalt dat de aanvrager die vreemdeling is, moet toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Uit de gegevens in ons dossier blijkt dat u niet aan gestelde voorwaarde voldoet. Dit heeft voor gevolg dat het recht op gewaarborgde gezinsbijslag niet kan vastgesteld worden. Periode vanaf 1 december 2006 tot 28 februari 2007 Wij stellen de gewaarborgde gezinsbijslag betaalbaar over de periode van 1 december 2006 tot 28 februari 2007 ten behoeve van uw zoon A. Het verschuldigd bedrag, euro 437,70, ontvangt u eerstdaags. Periode vanaf 1 maart 2007 Artikel 2 (van de wet van 20 juli 1971) stelt dat deze gezinsbijslag slechts verschuldigd is wanneer geen enkel ander recht op kinderbijslag bestaat krachtens een Belgische, een buitenlandse of internationale regeling. U bent sedert 20 maart 2007 tewerkgesteld. Op deze basis ontstaat een recht op kinderbijslag in het stelsel van de werknemers. Bijgevolg kan u geen aanspraak maken op gewaarborgde gezinsbijslag. De dienst RSZPPO heeft het recht op kinderbijslag reeds vastgesteld vanaf 1 maart 2007 en zal de betalingen overnemen (...)." N. tekende tegen de weigering van toekenning van gezinsbijslag voor de periode van 1 februari 2006 tot 30 november 2006 verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 3 september
- Met een brief van 3 oktober 2007 meldde de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers aan N.: "Wij komen terug op ons schrijven van 14 augustus
- Meester D. legt een beslissing voor van de FOD Binnenlandse Zaken waaruit blijkt dat u gemachtigd bent in België te verblijven krachtens de wet van 15 december 1980 vanaf 27 oktober
- De beslissing laat ons toe uw recht op gewaarborgde gezinsbijslag vast te stellen over de periode van 01 oktober 2006 (in plaats van vanaf 01 december 2006) tot 28 februari
- De bedragen verschuldigd over de periode van 01 oktober 2006 tot 30 november 2006, euro 291,80, ontvangt u rond 10 oktober ek." De eerste rechters verklaarden in hun vonnis van 6 juni 2008, gewezen bij verstek van de Rijksdienst, de vordering ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigden de administratieve beslissing van 3 oktober 2007, die een herziening en aanvulling is van de oorspronkelijke beslissing van 14 augustus 2007; de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers werd, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger.W., veroordeeld tot de kosten van het geding. N. stelde hiertegen hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 25 juni
- Eisen in hoger beroep N. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat zij ten behoeve van haar zoon A. recht heeft op gewaarborgde gezinsbijslag in de periode van 1 februari 2006 tot 30 november 2006; de kosten ten laste te leggen van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, begroot op 145,78 euro. De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en vast te stellen dat over de periode van 1 februari 2006 tot en met 30 september 2006 niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1, 6de lid, van de wet van 20 juli 1971, zodat voor deze periode geen gewaarborgde gezinsbijslag kan worden toegekend; kosten als naar recht.
- Ten gronde Gelet op de toelating tot verblijf vanaf oktober 2006, werd volgens het schrijven van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers van 3 oktober 2007 de gewaarborgde gezinsbijslag toegekend voor de maanden oktober en november
- N. merkt op dat er geen bewijs van betaling voorligt, waardoor het arbeidshof dient te onderzoeken of de beslissing van 3 oktober 2007 terecht werd genomen en dus moet vaststellen of er recht is op gewaarborgde gezinsbijslag voor de periode van 1 februari tot en met 30 november
- Artikel 1 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag vermeldt de voorwaarden waaraan de aanvrager van de gewaarborgde gezinsbijslag moet voldoen om hierop recht te hebben. Zo moet de aanvrager in België verblijven en een kind hoofdzakelijk of uitsluitend ten laste hebben. Verder moet voldaan worden aan twee bijkomende voorwaarden. Zo bepaalt artikel 1 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag dat de aanvrager gedurende minstens de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan werkelijk en ononderbroken moet verbleven hebben in België. De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers betwist niet dat N. op het ogenblik van de aanvraag aan deze voorwaarde voldeed. Indien de aanvrager een vreemdeling is, zoals N., moet er aan een bijkomende voorwaarde voldaan worden. De vreemdeling moet immers toegelaten of gemachtigd zijn om in België te verblijven of er zich te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, hierna Vreemdelingenwet. Uit artikel 1 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag kan afgeleid worden dat beide voorwaarden cumulatief vervuld moeten worden. Dit wordt bevestigd door de voorbereidende werken betreffende de totstandkoming van deze bepaling, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat door het invoeren van een verblijfsvoorwaarde een bijkomende voorwaarde voor de aanvrager wordt opgelegd. (Verslag aan de Koning bij het KB nr. 242 tot wijziging van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, B.S. 13 januari 1984). Toegelaten of gemachtigd tot verblijf Overeenkomstig artikel 1 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag moet de aanvrager toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of er zich te vestigen. Aangezien artikel 1 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag uitdrukkelijk verwijst naar de Vreemdelingenwet, moet voor de interpretatie van de termen "toegelaten" en "gemachtigd" terug gegrepen worden naar die Vreemdelingenwet waarin voormelde termen een specifieke betekenis hebben. Zo wordt met "toelating tot verblijf" de toelating bedoeld om in België te verblijven gedurende meer dan drie maanden (zie artikel 9 e.v. Vreemdelingenwet), terwijl met "machtiging tot vestiging" de machtiging bedoeld wordt die verleend wordt aan de vreemdeling die onbeperkt in België mag verblijven (zie artikel 14 e.v. Vreemdelingenwet). Het wordt niet betwist dat N. pas in oktober 2006 gemachtigd werd om in België te verblijven in de zin van de Vreemdelingenwet. Er kan dus vastgesteld worden dat N. voor de maanden oktober en november 2006 recht heeft op gewaarborgde gezinsbijslag. Dit wordt trouwens ook erkend door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers die, volgens een schrijven van 3 oktober 2007, ondertussen zou overgegaan zijn tot betaling van de achterstallige gewaarborgde gezinsbijslag. Er is recht op gewaarborgde gezinsbijslag voor de maanden oktober en november
- Terugwerkende kracht van de aanvraag Op het ogenblik van de aanvraag tot het bekomen van gewaarborgde gezinsbijslag voldeed N. aan de verblijfsvoorwaarde en werd haar ook de gewaarborgde gezinsbijslag toegekend. Bovendien werd tevens onderzocht of ze, overeenkomstig artikel 7 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag, ook recht had op de kinderbijslag in de periode voorafgaand aan de aanvraag, aangezien de kinderbijslag kan toegekend worden vanaf de maand die één jaar voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Aangezien N. toegelaten werd om langer dan drie maanden in België te verblijven in oktober 2006, werd de gewaarborgde gezinsbijslag vanaf oktober 2006 toegekend. De gezinsbijslag werd geweigerd voor de periode voorafgaand aan de toelating tot verblijf. N. was immers voor oktober 2006 niet toegelaten of gemachtigd om op het grondgebied te verblijven. Zij had enkel een aanvraag ingediend tot regularisatie van verblijf. Het loutere feit dat een vreemdeling een aanvraag heeft ingediend tot regularisatie van verblijf, betekent niet dat deze persoon toegelaten of gemachtigd is om in België te verblijven. (Cass., 21 april 1997, Soc. Kron. 1997, 500). Bovendien wordt er geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat N. ook voor oktober 2006 toegelaten of gemachtigd was om in België te verblijven. De verlening van een machtiging tot verblijf overeenkomstig artikel 9, 3° Vreemdelingenwet geldt bovendien enkel voor de toekomst en heeft geen terugwerkende kracht. (Cass. 19 maart 2001, J.T.T. 2001, 347). Pas wanneer het verblijf geregulariseerd is en de toelating tot verblijf verleend werd, kan er derhalve recht zijn op gewaarborgde gezinsbijslag. Uit de lezing van artikel 1 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag leidt N. nochtans af dat aan de voorwaarde om toegelaten of gemachtigd te zijn enkel moet voldaan zijn op het ogenblik van de aanvraag en dat deze voorwaarde niet vervuld moet zijn voor de periode van één jaar voorafgaand aan de aanvraag; zij verwijst hiervoor naar rechtsleer. Dit standpunt berust evenwel op een verkeerde lezing van voormeld artikel alsook op een verkeerde lezing van de geciteerde rechtsleer. Uit de lezing van artikel 1 Wet Gewaarborgde Gezinsbijslag kan enkel afgeleid worden dat er maar recht is op gewaarborgde gezinsbijslag indien de vreemdeling toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied. Nergens wordt vermeld dat deze voorwaarde niet zou moeten vervuld zijn wanneer het recht op gezinsbijslag onderzocht wordt in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Het loutere feit dat twee auteurs stellen dat de vreemdeling op het ogenblik van de aanvraag toegelaten of gemachtigd moet zijn in België te verblijven, wijzigt deze stelling niet. De auteurs doen immers geen uitspraak over het recht op gewaarborgde gezinsbijslag wanneer de vreemdeling voor de aanvraag niet toegelaten of gemachtigd is om op het grondgebied te verblijven. Aangezien de aanvrager van de gewaarborgde gezinsbijslag toegelaten of gemachtigd moet zijn om in België te verblijven in de zin van de Vreemdelingenwet en vastgesteld werd dat N. pas vanaf oktober 2006 aan deze voorwaarden voldeed, moet besloten worden dat er pas vanaf oktober 2006 een recht op gewaarborgde gezinsbijslag kan vastgesteld worden. De beslissingen van 14 augustus 2007 en 3 oktober 2007 dienen bevestigd te worden. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 2 februari 2009, waarover partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 6 juni
- Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers. Vereffent deze kosten aan de zijde van N. op 145,78 euro rechts-plegingsvergoeding. Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer R. VAN TRIEST, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer I. VERREYT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend en negen. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090302.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div