← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090319.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090319.11 Rolnummer: 2004-0388 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-04-08 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 19:26 Fiche De uitvoering van de arbeidsovereenkomst kan geheel of gedeeltelijk door de betrokken partijen in onderling akkoord worden geschorst. De wet voorziet niet dat de overeenkomst tot schorsing van de deeltijdse overeenkomst schriftelijk moet opgemaakt zijn om geldig te zijn. Rechtsgeldig tot stand gekomen (mondelinge) overeenkomsten tot schorsing van de bestaande arbeidsovereenkomst zijn aan de RSZ als derde tegenstelbaar. Het bewijs van zo een overeenkomst kan geleverd worden door de verklaring van de werkgever in het kader van het door de inspectiediensten gevoerd onderzoek, aangevuld met een door de werknemer ondertekende verklaring. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - bijdrageplicht - deeltijdse arbeid - conventionele schorsing - bewijslast - VII A Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. nr. 2040388 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: x, wonende te x, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. S. VANDERMEERSCH loco mr. H. BUYSSENS, advocaat te 2018 ANTWERPEN, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. M. SWINNEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 11 september 2008, van 18 december 2008 en van 15 januari

  1. Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na: het tussenarrest van 11 september 2008 waarbij de heropening van de debatten werd bevolen; de conclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het hof op 30 oktober 2008; de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het hof op 12 december 2008; het schriftelijke advies van het openbaar ministerie gelezen en neergelegd op de zitting van 15 januari 2009 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid van het gerechtelijk wetboek. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 18 december
  2. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 15 januari
  3. Wat voorafgaat Bij tussenarrest van deze kamer van 11 september 2008 werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard, doch alvorens uitspraak te doen ten gronde, werden de debatten heropend. "Het hof acht het nodig om de debatten te heropenen om twee redenen: werd in 1993 voor de deeltijdse werknemers het werkrooster openbaar gemaakt, en zo ja, wat voorzag dit werkrooster dan? (voor 1993 regulariseerde de RSZ immers theoretisch op basis van het verplicht minimum aantal uren voor deeltijdse werknemers, zijnde 13 uren); de debatten waren gesloten op het ogenblik dat het openbaar ministerie in zijn mondelinge advies voorstelt om de problematiek te benaderen, niet vanuit de toepassing van artikel 22 ter van de RSZ-wet maar vanuit de theorie van de schorsing van de arbeidsovereenkomst. Deze benadering is nieuw in het debat en ze werd tot dusver niet aan een tegensprekelijk debat van de partijen onderworpen. Het betreft de grond van de zaak en de repliek op het advies van het openbaar ministerie volstaat op dit vlak niet om opnieuw tot een tegensprekelijk debat te komen tussen de gedingpartijen. Uit respect voor de rechten van de verdediging, heropent het hof de debatten om de partijen toe te laten te onderzoeken of er in de tewerkstelling van I.H. sprake kan zijn van een schorsing van de arbeidsovereenkomst en zo ja, wat in die juridische omgeving het lot is van de vordering van de RSZ. De partijen zelf hebben nooit opgeworpen dat er sprake zou zijn van een schorsing van de arbeidsovereenkomst." In zijn conclusies, neergelegd op de griffie van het hof op 30 oktober 2008, geeft de RSZ aan dat het moeilijk is schriftelijk te repliceren op een mondeling gegeven advies. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 11 september 2008 nochtans duidelijk weergegeven hoe het openbaar ministerie in zijn mondelinge advies van 13 juni 2008 de problematiek in deze zaak benaderde en welke de rechtsgrond was die het openbaar ministerie van toepassing achtte. Bovendien heeft het hof in dit tussenarrest naar aanleiding van deze benadering aan de partijen duidelijke vragen gesteld. In principe mochten de partijen aldus geen hinder ondervinden van het feit dat het advies door het openbaar ministerie mondeling was gegeven. x heeft daarvan ook daadwerkelijk geen hinder ondervonden want hij heeft zijn standpunt naar aanleiding van de heropening der debatten duidelijk en omstandig geformuleerd in zijn conclusies van 12 december 2008 (stuk 16 in het dossier van de rechtspleging). In deze conclusies volhardt x trouwens in zijn eerder genomen conclusies. Hij vraagt om de vordering van de RSZ, die nog het voorwerp uitmaakt van het hogere beroep, ongegrond te verklaren. Het bezwaar van de RSZ wordt verworpen. Verdere beoordeling De raadsman van x wijst er terecht op dat de eerste reden waarom de debatten in het tussenarrest van 11 september 2008 werden heropend niet relevant is vermits het hof niet door een twistpunt is gevat dat op het jaar 1993 betrekking heeft. Samen met het openbaar ministerie aanvaardt x dat het toestaan aan I.H. van afwezigheid op het werk in de kwartalen die in het kader van het hogere beroep aan de orde zijn, een werkwijze is die moet worden beschouwd als een mondelinge en conventionele schorsing van de arbeidsovereenkomst. De RSZ neemt over de toepasselijke rechtsgrond geen verder standpunt in. Het hof sluit zich aan bij het standpunt van het openbaar ministerie dat er in deze zaak geen sprake is van een afwijking van het afgesproken werkrooster vermits de RSZ niet voorhoudt dat er door I.H. prestaties werden verricht buiten de uren die in het werkrooster werden opgenomen. Aldus speelt het eerste vermoeden van artikel 22ter van de RSZ-wet niet. Evenmin houdt de RSZ voor dat er sprake is van ‘een ontstentenis van openbaarmaking van het werkrooster' zodat ook het tweede vermoeden van artikel 22ter van de RSZ-wet niet van toepassing is. Samengevat komt het hier op neer dat bij de beoordeling van deze zaak artikel 22ter van de RSZ-wet niet van toepassing is. Het feit dat door x aan zijn werknemer I.H.de toestemming werd gegeven om van het werk gedurende meerdere dagen per kwartaal afwezig te blijven, dient juridisch te worden gekwalificeerd als een schorsing van de arbeidsovereenkomst. Zoals elke andere wederkerige overeenkomst kan ook de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk door het akkoord van de partijen worden geschorst. De modaliteiten van deze schorsing kunnen autonoom door de betrokken partijen worden vastgelegd. Wettelijk is er niet voorgeschreven dat de overeenkomst tot schorsing van een deeltijdse arbeidsovereenkomst telkens schriftelijk moet worden opgemaakt om geldig te zijn. Deze overeenkomst kan ook een niet geschreven vorm aannemen. Is de onderlinge toestemming van de partijen tot schorsing van de arbeidsovereenkomst in deze zaak bewezen? Het hof oordeelt van wel. x verklaarde immers op 26 mei 1997 aan de sociale inspectie dat aan I.H. elk kwartaal een aantal dagen afwezigheid werd toegekend. Zijn wil daartoe staat derhalve vast. Anderzijds legt x in zijn dossier een door I.H. ondertekende verklaring voor waarin zij bevestigt dat de afwezigheden op haar verzoek werden toegestaan en dat deze niet door de werkgever werden opgelegd. Zij bevestigt dat zij op de dagen van deze toegestane afwezigheid niet werkte. Ook haar akkoord met de verschillende dagen van schorsing staat vast. De beide verklaringen, die een uitspraak over het verleden doen, dekken alle voorgevallen schorsingen van de arbeidsovereenkomst in. Uit de getuigenverklaring die de dochter van I.H., C.C., in eerste aanleg aflegde, kan worden afgeleid dat I.H. suikerziek was en zich op bepaalde ogenblikken slecht voelde. Deze gezondheidstoestand kan een verklaring zijn voor de toegestane afwezigheid. Hoe dan ook, de RSZ bewijst de ongeldigheid van de wilsovereenstemming over de schorsingen van de arbeidsovereenkomst niet. Er is geen reden om te twijfelen aan de oprechtheid van x toen hij op 26 mei 1997 zijn verklaring aflegde aan de inspectie. Anderzijds vecht de RSZ de authenciteit van het stuk dat x voorlegt niet aan noch de rechtsgeldigheid ervan. De verklaring van I.H. is bewijskrachtig en geldt mede als bewijs van de telkens mondeling tot stand gekomen overeenkomst tot schorsing van de arbeidsovereenkomst. Rechtsgeldig tot stand gekomen overeenkomsten tussen x en I.H. telkens over de schorsing van de tussen hen afgesloten arbeidsovereenkomst is aan de RSZ als buitenstaander tegenstelbaar. In zijn strijd tegen het zwartwerk heeft de wetgever op het terrein van de schorsing van de arbeidsovereenkomst immers geen ingrepen gedaan. Dit is ook logisch nu RSZ-bijdragen enkel verschuldigd kunnen zijn als er arbeidsprestaties zijn geleverd. In principe worden er tijdens een schorsing van de arbeidsovereenkomst geen arbeidsprestaties geleverd. In deze zaak heeft de RSZ niet vastgesteld dat I.H. meer arbeidsprestaties voor x heeft geleverd dan deze die aan de RSZ werden aangegeven. Er bestaat geen wettelijke regel op basis waarvan de RSZ kan eisen dat een deeltijdse werknemer de prestaties moet leveren die in zijn arbeidsovereenkomst werden vastgelegd, noch een regel die de RSZ toelaat bijdragen artificieel te berekenen op het geheel van de conventioneel afgesproken prestaties, of ze nu werden gepresteerd of niet. Een geldig overeengekomen schorsing van de arbeidsovereenkomst staat een dergelijke soort van bijdrageberekening in de weg. Het beperkte hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijke advies, gegeven op de openbare terechtzitting van 15 januari 2009, waarover partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het beperkte hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Bevestigt het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 maart
  4. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 15 maart 2004 behalve in de mate dat het x veroordeelde om aan de RSZ een saldo te betalen van VIJFENNEGENTIG euro en NEGENENZESTIG eurocent (95,69 euro) ten titel van bijdrageopslagen en intresten met betrekking tot het tweede en het derde kwartaal van het jaar 2000 (rekeninguittreksel, procedure 302, afgesloten op 20 maart 2001). Opnieuw wijzende, wijst de RSZ af van het restant van zijn vordering. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten aan de zijde van x op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 55,78 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding en op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de RSZ op 115,12 euro dagvaarding, 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 55,78 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding en op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen door de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer K. DE COCK, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer O. MAGNUS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door mevrouw L. VAN CALSTER, griffier. en uitgesproken door voormelde voorzitter van de negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdende te Antwerpen in openbare terechtzitting van negentien maart tweeduizend en negen: PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090319.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.