← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090323.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090323.11 Rolnummer: 2007-0001 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2012-04-12 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-02 19:26 Fiche In de oude wet op de beroepsziekten van 1927 was uitdrukkelijk bepaald dat er enkel schadeloosstelling was bij een overlijden indien dit 'rechtstreeks en uitsluitend' voortvloeide uit ziekten veroorzaakt door een beroepsactiviteit. De wetgever van 1963 (de Beroepsziektewet werd later gecoördineerd in de wet van 3 juni 1970) heeft expliciet deze situatie willen rechtzetten door te bepalen dat het unieke causale verband niet langer was vereist en dat de ziekte of het overlijden volledig diende te worden vergoed wanneer ze voorkomt uit een beroepsrisico, zelfs wanneer er sprake zou zijn van andere oorzaken. De stelling volgens dewelke de beroepsziekte een 'determinerende' invloed moet hebben gehad op het overlijden, kan derhalve niet worden bijgetreden. De graad van de rol of invloed (determinerend of niet) is juridisch irrelevant. Het is voldoende dat de beroepsziekte het overlijden heeft vergemakkelijkt en er één van de redenen van was. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Beroepsziekte - Fonds voor beroepsziekten Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - BEROEPSZIEKTEN IN DE PRIVE SECTOR - schade en schadeloosstelling - overlijden - beroepsziekte - geen determinerende invloed van de beroepsziekte op het overlijden vereist Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 03-06-1970 - 33 - 02 ELI link Pub nr 1970060309 Annotaties Publicaties: SRK 2011 - Het arrest verscheen in Limburgs Rechtsleven 2009, blz. 201-205 - nr. 9, blz. 488 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Zevende Kamer Eindarrest op tegenspraak. Artikel 579 beroepsziekten Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2070001 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: FONDS VOOR DE BEROEPSZIEKTEN, met zetel gevestigd te 1210 Brussel, Sterrenkundelaan 1, appellante, vertegenwoordigd door mr. J. D, advocaat te , tegen: A.V., weduwe L.C., wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. G. W.. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis van 28 september 2006 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren gekend onder A.R. nr. 740/2003 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 januari 2007, alsmede de conclusies en stavingsstukken van partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist, en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en in de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 23 februari 2009 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN Op datum van 2 juni 2002 deed A.V., geïntimeerde, als rechthebbende van wijlen de heer C.L., een aanvraag om schadeloosstelling vanwege het Fonds voor de Beroepsziekten op grond van artikel 33 van de Beroepsziektenwet. Het Fonds voor de Beroepsziekten verwierp de aanvraag van A. V. als ongegrond, stellende dat het overlijden van de heer C. niet werd veroorzaakt of beïnvloed door de beroepsziekte. L.C. was overleden na een aortakunstklep-operatie omdat hij na de ingreep een ernstige pulmonale hypertensie ontwikkelde en een sterk verminderde longfunctie. Volgens de chirurg, dr. V.C. werd dit overlijden veroorzaakt door zijn verleden als mijnwerker, waardoor hij een door het Fonds voor de Beroepsziekten erkende beroepsziekte zou opgelopen hebben. Op 7 maart 2003 werd het Fonds voor de Beroepsziekten gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank Tongeren. A.V. vorderde: - te zeggen voor recht dat het overlijden van C.L. werd veroorzaakt of beïnvloed door de beroepsziekte. Eventueel een aanstelling van een geneesheer-deskundige met als opdracht de rechtbank te adviseren of de dood van de heer C. werd veroorzaakt dan wel beïnvloed door de beroepsziekte; - het Fonds voor de Beroepsziekten krachtens artikel 33 van de gecoördineerde Wetten op de Beroepsziekte te veroordelen in betaling van een schadeloosstelling aan A.V.. Bij tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 17 juni 2003 werd Dr. M. D. aangesteld als deskundige. Om deontologische redenen kon Dr. M D. zijn opdracht niet aanvaarden en er werd bij tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 28 november 2003 in zijn vervanging voorzien door Prof. M. D.. Prof. M. D. legde zijn verslag neer ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Tongeren op 28 november

  1. Bij tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 19 november 2004 werd om reden dat naar het oordeel van de rechtbank nog steeds medische twijfels bestonden een college van deskundigen aangesteld in de personen van Dr. M. De B., Dr. C. B. en Dr. J.P. P. Het deskundig verslag van het college van deskundigen werd ter griffie van de Arbeidsrechtbank neergelegd op 18 juli
  2. Bij eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 28 september 2006 verklaarden de eerste rechters de vordering van A.V. gegrond. RETROACTEN Het bestreden vonnis volgt navolgende redenering: "... De deskundigen stellen: ‘Bij het overlijden van wijlen de Heer C. L.,, was er slechts een beperkte rol in de onstaangenese van de dodelijke afloop na aortaklepstenose-operatie, geattribueerd door de vergoedbare beroepsziekte waaraan hij leed, namelijk antracosilicose.' In de bespreking van het verslag stellen de deskundigen dat de heer C. overleed ten gevolge van een postoperatief verwikkeld verloop na een aortaklepstenose operatie ter behandeling van zijn matige tot ernstige aortastenose. De heer C. was tevens bekend met verschillende ziektes, zoals diabetes, hypertensie, verschillende maagulcera, een silicose tgv ondergrondse mijnarbeid. En verder: ‘Vertrekkend vanuit een unicausaliteitshypothese is de ingreep, zoals uitgevoerd bij de 82-jarige heer C., reeds niet van enig gevaar gespeend. De aanwezige co-morbiditeiten, namelijk diabetes en COPD-lijden, waarvan antracosilicose tot een deel atribueert, maken de ingreep zeer risocovol. Preoperatief werd de eventuele potentiële gevaarverhoging veroorzaakt door de aanwezige antracosilicose, voldoende ingeschat en gering bevonden. Zoals de meeste ontwikkelingen, bestudeerd op medisch vlak, is ook deze medische geschiedenis muticausaal. De voornaamste causale factoren bij het overlijden van de Heer C. zijn zeker in de eerste plaats het essentiële grote operatieve risico, wat dus reeds in se bestond, alsmede de vrij hoge leeftijd, en de verschillende co-morbiditeiten, waarvoor slechts een geringere rol in de ontstaangenese is weggelegd.' Volgens het Fonds voor Beroepsziekten is niet voldaan aan de vereisten van artikel 33 van de beroepsziektewet, dat stelt dat de beroepsziekte het overlijden moet hebben veroorzaakt of beïnvloed en moet de beroepsziekte de voornaamste oorzaak van het overlijden zijn. De beroepsziekte moet niet uitsluitend noch de voornaamste oorzaak van het overlijden zijn. Dat met andere woorden, als het vereist is dat er een verband bestaat tussen de ziekte en het overlijden, het niet noodzakelijk is dat er een rechtstreeks verband bestaat of dat de ziekte de enige doodsoorzaak zou zijn. (Arbh. Mons 22.6.1992, RDS 1993, p. 67, zie eveneens F. Demet, R. Manette, Pdelooz, D. Kreit, "Les maladies professionelles", De Boeck en Larcier, 1996, p.37). Het volstaat dat het overlijden vergemakkelijkt werd. (Arbh. Mons 7.1.1998, J.T.T. 98, 412) De eerste rechter verwijst naar het commentaar van mevrouw De Brucq bij het arrest Hof van Beroep Mons van 14.2.1997, zoals bijgebracht door Alice Vandijck in haar stuk
  3. ‘*Het is niet toegestaan tussen de andere ziekten dan beroepsziekten en de beroepsziekten een soort van vergelijkende waardering te maken, wanneer er sprake is van een zelfs onrechtstreekse invloed van de beroepsziekte op het overlijden, wordt die als enige verantwoordelijke van het kwaad beschouwd, dat is een doorslaggevend verschil tussen het forfaitaire recht dat van toepassing is inzake schadeloosstellingen voor schade die voortvloeit uit beroepsziekten en het gemeen recht. (arbrb Verviers, 2de kamer, 30.10.1978, J.T.T. 1980, 147) *Wanneer er sprake is van een, zelfs onrechtstreekse invloed van de beroepsziekte op het overlijden van het slachtoffer, is de door de wet voorziene forfaitaire schadeloosstelling verschuldigd. (Arbh. Liège Id.L.1980 p.219) Verder is er de rubriek ‘bespreking' van het deskundig verslag van Prof. Decramer, dewelke bij tussenvonnis d.d. 28.11.2003 door de rechtbank werd aangesteld. Hierin wordt gesteld dat er een duidelijke gestoorde diffusiecapaciteit was. Deze werd 3 x gemeten en er was een daling die naar alle waarschijnlijkheid minstens gedeeltelijk te wijten was aan antracosiliose. Tenslotte is er het post mortem verslag van Dr Van Canneyt, anesthesist. Hierin wordt gewag gemaakt van ernstige pulmonale hypertensie, ook als doodsoorzaak. Rekening houdend met alle medische stukken en deskundige verslagen, besluit de eerste rechter dat de beroepsziekte voor een deel, zij het gering, mee de oorzaak is van het overlijden van de Heer Cannas Luigi en dat het Fonds voor de Beroepsziekten, krachtens artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de beroepsziekte, gehouden is in betaling van de rente." POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het vonnis waartegen beroep te hervormen; de vordering van de oorspronkelijke eisende partij, thans geïntimeerde, ontvankelijk te verklaren, doch af te wijzen als zijnde niet gegrond op basis van de besluiten van het college van deskundigen. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren te bevestigen in al haar schikkingen; gedaagde (bedoeld wordt het F.B.Z.) tevens in graad van beroep te horen veroordelen tot de gerechtskosten. MOTIVERING - BEOORDELING
  4. Het bestreden vonnis dient bevestigd te worden en het Hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het Hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige.
  5. PRINCIPES 2.
  6. In rechte dient verwezen naar artikel 33 Beroepsziektenwet alsmede indirect naar de Arbeidsongevallenwet. De cruciale vraag in termen van het Fonds voor de Beroepsziekten is de vraag naar veroorzaking of beïnvloeding van het overlijden door de beroepsziekte. Bijgevolg dient de beroepsziekte NIET de enige oorzaak van het overlijden te zijn, maar de causale rol moet VASTSTAAN. De beïnvloeding betreft een juridisch-causale en niet een louter feitelijke. De beroepsziekte dient enkel te voldoen aan de conditio-sine-qua-non-vereiste van een juridische oorzaak. 2.
  7. De bewijslast rust alleszins op de rechthebbenden; met betrekking tot het overlijden ingevolge beroepsziekte bestaat geen wettelijke vermoeden van oorzakelijk verband. De medische feiten dienen geïnterpreteerd in die zin; de gerechtelijke zekerheid zal in deze naar het oordeel van het Hof derhalve eventueel niet het niveau van de absolute zekerheid bereiken. Causaliteitstoetsing staat in deze immers gelijk met onderzoek van de mate van vergemakkelijking of vervroeging door de beroepsziekte. Volgens het Fonds voor de Beroepsziekten dient nagegaan of betrokkene, zonder de beroepsziekte, niet op het bewuste tijdstip zou overleden zijn.
  8. Uit de ontstaansgeschiedenis van de Wet op de beroepsziekten blijkt dat de wetgever wilde afstappen van de opvatting van de vroegere Wet van
  9. Deze wet stelde dat schadeloosstelling enkel was verschuldigd voor schade die "rechtstreeks en uitsluitend" voortvloeide uit ziekten veroorzaakt door een beroepsactiviteit. De wetgever van 1963 (de wet werd later gecoördineerd in de Wet van 3 juni 1970) heeft expliciet gewild om deze situatie recht te zetten door te bepalen dat het unieke causale verband niet langer was vereist en dat de ziekte (of het overlijden) volledig diende te worden vergoed wanneer ze voorkomt uit een beroepsrisico, zelfs wanneer er sprake zou zijn van andere oorzaken (cf. supra). De wetgever heeft in de parlementaire voorbereiding expliciet gesteld dat "op dit gebied zowel als op het gebied van de arbeidsongevallen het van weinig belang is dat de ziekte al dan niet de enige oorzaak is van de arbeidsongeschiktheid of van het overlijden, het volstaat dat de schade niet had bestaan of minder erg was geweest zonder deze oorzaak." (Parl. St. Senaat 1962-63, XI 237, p.4). 4.
  10. Zowel de eerste deskundige Prof. Dr. D.C., als het college van deskundigen zijn ten deze van oordeel dat de beroepsziekte van de heer CANNAS in het overlijden een rol heeft gespeeld en dat de causaliteit derhalve bewezen is. De graad van de rol of invloed (of het nu determinerend was of eerder beperkt) heeft naar het oordeel van het Hof geen juridische relevantie (cf. supra). 4.
  11. Essentieel in deze is dat de gerechtsdeskundige Prof. Dr. D.C. medisch tot de volgende ‘ondubbelzinnige eindconclusie' kwam: "Derhalve meen ik op de vraag van de rechtbank te moeten antwoorden, dat inderdaad het overlijden van de heer .L.C. op 02.06.2002 het gevolg was van een vergoedbare beroepsziekte. Dit overlijden was het gevolg van een kunstklep operatie voor het plaatsen van een aortakunstklep, maar het overlijden werd in de hand gewerkt door de bestaande pulmonale hypertensie en diffusiestoornis, die te wijten was aan zijn beroepsziekte silicose of mijnwerkerspneumoconiose." Dit was eveneens de mening van de behandelende geneesheer Dr. V C. die naar aanleiding van het overlijden van wijlen de heer C. in tempore non suspecto heeft verklaard ‘dat de complicaties grotendeels het gevolg zijn van de longbeschadiging die hij nog had opgelopen door meerdere jaren in de steenkoolmijnen te hebben gewerkt.' De beroepsziekte heeft het overlijden bijgevolg vergemakkelijkt. Uit de medische antecedenten en het ziekterelaas van de heer C. blijkt dat er een onlosmakelijk verband is tussen de beroepsziekte silicose en de diverse cardio-pulmonaire problemen die mee aan de basis hebben gelegen van het overlijden.
  12. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 28 september 2006, gekend onder A.R. nr. 740/
  13. Verwijst appellante in de kosten in graad van hoger beroep in toepassing van artikel 53 van de wet van 3 juni
  14. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 291,50 EUR (basisbedrag) rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Laat ze aan de zijde van appellante onbegroot wegens de niet-indiening van een omstandige onkostenstaat. Aldus gewezen door: Dhr. J. M., Mevr. B. L., Dhr. J.C. V.R., Dhr. E. N., en uitgesproken door voormelde Voorzitter van de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 23 maart
  15. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090323.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.