← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090420.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090420.11 Rolnummer: 2070536 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2014-02-11 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-07-02 19:35 Fiches 1 - 3 Het ontbreken van een akkoord over de datum van indiensttreding staat de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst niet in de weg. Het gevolg is dat de uitvoering van de verbintenissen uit de overeenkomst onbepaald is uitgesteld, totdat hierover een aanvullend akkoord tot stand komt. Wanneer de gewestelijke overheid een arbeidsovereenkomst sluit met het oog op de aanwerving van een algemeen directeur voor een gewestelijke luchthaven maar de man nooit in dienst treedt, en de Minister-President van het Vlaams Gewest nadien bevestigt dat met hem niet meer verder zou worden samengewerkt, dan staat dit gelijk met een ontslagbeslissing. Het ontslag van een arbeidscontractant in overheidsdienst is geen bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is. De term 'bestuurshandeling' impliceert immers een eenzijdige rechtshandeling die te situeren is in het specifieke domein van het bestuursrecht, wat meteen inhoudt dat het toepassingsgebied van deze wet niet uitgebreid mag worden tot eenzijdige rechtshandelingen in een contractueel kader, nu de voormelde wet niet van toepassing is op contractuele verhoudingen. Evenmin zijn de beginselen van behoorlijk bestuur, die deel uitmaken van het publiek recht, van toepassing op de contractuele arbeidsverhouding en de beëindiging ervan tussen een administratieve overheid en haar werknemer. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - arbeidsovereenkomst - bestaan - geen akkoord over de datum van indiensttreding - geen indiensttreding - latere bevestiging dat met hem niet meer verder zou worden samengewerkt - impliciet ontslag - overheidssector - arbeidscontractant - ontslag - geen bestuurshandeling - uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - algemene beginselen van behoorlijk bestuur - voorafgaand verhoor - niet van toepassing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1234 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING - arbeidsovereenkomst - bestaan - geen akkoord over de datum van indiensttreding - geen indiensttreding - latere bevestiging dat met hem niet meer verder zou worden samengewerkt - impliciet ontslag - overheidssector - arbeidscontractant - ontslag - geen bestuurshandeling - uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - algemene beginselen van behoorlijk bestuur - voorafgaand verhoor - niet van toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING - verjaring - bestaan - geen akkoord over de datum van indiensttreding - geen indiensttreding - latere bevestiging dat met hem niet meer verder zou worden samengewerkt - impliciet ontslag - overheidssector - arbeidscontractant - ontslag - geen bestuurshandeling - uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - algemene beginselen van behoorlijk bestuur - voorafgaand verhoor - niet van toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: I B - II AAN Gerangschikt onder I B - artikel 1234, onder II AAN - artikelen 3 en

  1. Annotaties Publicaties: SRK 2013 - - nr. 7, blz. 355-358 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ___________________ ARREST A.R. 2070536 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN J.L., wonende te ..., appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Vervaeke, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen :
  2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering,voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie Leefmilieu en Natuur, met kabinet te 1000 Brussel, Graaf de Ferrarisgebouw, Koning AlbertII-Laan, 20, bus 1,
  3. VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, met kabinet te 1000 Brussel, Koolstraat, 35, geïntimeerden, vertegenwoordigd door mr. T. Peeters, advocaat te 2018 Antwerpen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 27 augustus 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 27 september 2007, * de beschikking d.d. 26 november 2007, * de conclusie voor het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 december 2007, * de conclusie voor de heer L., ontvangen op de griffie van dit arbeidshof op 15 januari 2008, * de conclusie voor het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 14 februari 2008, * de conclusie voor de heer L., ontvangen op de griffie van dit arbeidshof op 14 maart 2008, * de conclusie voor het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 1 april 2008, * de verbeterende beschikking d.d. 20 mei 2008, * de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 november 2007, 26 november 2007, 20 mei 2008, 13 februari 2009 en 13 maart
  4. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG De inleidende dagvaarding, betekend op 23 oktober 2006, van de heer L. lastens het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, strekte ertoe: In hoofdorde: - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap binnen de 14 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis, dienen over te gaan tot het bepalen en mededelen van de ingangsdatum en de plaats van uitvoering van de aangegane arbeidsovereenkomst, - te bevelen dat de ingangsdatum zich dient te situeren in een tijdsbestek van 1 maand na het tussen te komen vonnis, - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te goeder trouw de nodige hulpmiddelen en materialen ter uitvoering ter beschikking van de heer L. dienen te stellen vanaf de ingangsdatum, - voor het geval het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap niet overgaan tot de aanduiding en mededeling van de ingangsdatum en plaats van uitvoering van de overeenkomst binnen de vastgestelde termijn van 14 dagen na de betekening van het vonnis, een dwangsom op te leggen van 5.000,00 EUR per dag vertraging vanaf het verstrijken van deze termijn en zolang er niet zal aan zijn voldaan. In ondergeschikte orde: - minstens te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap uitvoering dienen te geven aan de arbeidsovereenkomst en de heer L. dienen te werk te stellen vanaf 1 november 2006 op een kantoor gelegen op de Luchthaven van Antwerpen en het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot een schadevergoeding van 5.000,00 EUR per dag vertraging in het gevolg geven aan dit gerechtelijke bevel, vermeerderd met een vergoedende intrest vanaf elke vertragingsdag tot betaling. In meer ondergeschikte orde: - de gerechtelijke ontbinding van de tussen partijen bestaande overeenkomst wegens wanprestatie van het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap uit te spreken op de datum van de uitspraak en ten laste van het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, minstens de contractbreuk door hen gepleegd vast te stellen en hen te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.000.000,00 EUR, onder voorbehoud van vermeerdering of nadere specificatie in de loop van het geding, vermeerderd met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 18 juni 2003 en met de gerechtelijke intresten. In nog meer ondergeschikte orde: - het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.000.000,00 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten wegens "culpa in contrahendo". Ten slotte vorderde de heer L. het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, nettegenstaande elke voorziening, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Met conclusie van 6 december 2006 verzochten het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de vorderingen van de heer L. lastens de Vlaamse Gemeenschap onontvankelijk te verklaren en de vorderingen tot gedwongen uitvoering van de arbeidsovereenkomst ontoelaatbaar en onontvankelijk, minstens verjaard, en in ieder geval ongegrond te verklaren. Tevens vorderde het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de vorderingen gesteund op de contractbreuk verjaard en minstens ongegrond te verklaren en de vorderingen gesteund op een culpa in contrahendeo ongegrond te verklaren. Ten slotte vorderde het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de heer L. te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 7 februari 2007 werd de vordering met betrekking tot een aantal punten uitgebreid, gewijzigd en/of geherformuleerd en werd niet langer aangedrongen op de in meer ondergeschikte orde geformuleerde vordering tot ontbinding van de overeenkomst. De conclusie strekt ertoe: In hoofdorde - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap binnen de 14 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis dienen over te gaan tot uitvoering van de aanstelling van de heer L. als Algemeen Directeur Luchthaven Antwerpen/ Deurne van 18 juli 2003 en dat zij moeten overgaan tot het bepalen en mededelen van de ingangsdatum en de plaats van uitvoering van deze aanstelling ter uitvoering van de beslissing van de Regering van 18 juli 2003, - te bevelen dat de ingangsdatum zich dient te situeren in een tijdsbestek van 2 maanden na het vonnis, - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te goeder trouw de nodige hulpmiddelen en materialen ter uitvoering ter beschikking van de heer L. dienen te stellen vanaf de ingangsdatum, - voor het geval het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap niet overgaan tot de aanduiding en mededeling van de ingangsdatum en plaats van uitvoering van de overeenkomst binnen de vastgestelde termijn van 14 dagen na de betekening van het vonnis, een dwangsom op te leggen van 5.000,00 EUR per dag vertraging vanaf het verstrijken van deze termijn en zolang er niet zal aan zijn voldaan. In ondergeschikte orde: - minstens te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap uitvoering dienen te geven aan de aanstelling van Algemeen Directeur van 18 juli 2003 en de heer L. dienen te werk te stellen vanaf de eerste dag van de tweede maand, die volgt op deze waarin het vonnis is uitgesproken, op een kantoor gelegen op de Luchthaven van Antwerpen/ Deurne en het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot een schadevergoeding van 5.000,00 EUR per dag vertraging of in gebreke blijven ten aanzien van dit gerechtelijke bevel, te vermeerderen met een vergoedende intrest vanaf elke vertragingsdag tot betaling, - bovendien het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot betaling van volgende bedragen: - 287.634,95 EUR materiële schadevergoeding 2003-2006 - 1,00 EUR provisioneel materiële schadevergoeding vanaf 1 januari 2007 - 344.999,99 EUR morele schadevergoeding voor de periode 2003-2006 - 1,00 EUR provisioneel morele schadevergoeding vanaf 1 januari 2007, bedragen te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 13 juli 2003 en met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding. In meer ondergeschikte orde: - vast te stellen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap hun verplichtingen voortspruitende uit de aanstelling van 18 juli 2003 en de ermee verbonden arbeidsovereenkomst, minstens contractbelofte, op foutieve wijze niet nakomen, en hen te veroordelen tot de hierboven vermelde schadevergoedingen. In nog meer ondergeschikte orde: - het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.000.000,00 EUR wegens "culpa in contrahendo", te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Ten slotte vorderde de heer L. het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Met conclusie van 15 maart 2007 vorderde het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de vorderingen van de heer L. lastens de Vlaamse Gemeenschap onontvankelijk te verklaren en de vorderingen van de heer L. verjaard minstens ongegrond te verklaren, met verwijs van de heer L. in de kosten van het geding. In tweede en laatste conclusies van 16 april 2007 wordt de vordering nogmaals gewijzigd en uitgebreid, waarbij de vordering tot betaling van schadevergoeding zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde wordt gesteld en de gevorderde bedragen worden uitgebreid, alsmede bijkomend in ondergeschikte orde de aanstelling van een deskundige wordt gevorderd. De heer L. vorderde als volgt: In hoofdorde - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap binnen de 14 dagen na de betekening van het vonnis dienen over te gaan tot uitvoering van de aanstelling van de heer L. als Algemeen Directeur Luchthaven Deurne van 18 juli 2003 en dat zij moeten overgaan tot het bepalen en mededelen van de ingangsdatum en de plaats van uitvoering van deze aanstelling ter uitvoering van de beslissing van de Regering van 18 juli 2003, - te bevelen dat de ingangsdatum zich dient te situeren in een tijdsbestek van 2 maanden na het vonnis, - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te goeder trouw de nodige hulpmiddelen en materialen ter uitvoering ter beschikking van de heer L. dienen te stellen vanaf de ingangsdatum, - voor het geval het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap niet overgaan tot de aanduiding en mededeling van de ingangsdatum en plaats van uitvoering van de overeenkomst binnen de vastgestelde termijn van 14 dagen na de betekening van het vonnis, een dwangsom op te leggen van 5.000,00 EUR per dag vertraging en zolang er niet zal aan zijn voldaan. In ondergeschikte orde: - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap uitvoering dienen te geven aan de aanstelling van Algemeen Directeur van 18 juli 2003 en de heer L. dienen te werk te stellen vanaf de eerste dag van de tweede maand, die volgt op deze waarin het vonnis is uitgesproken, op een kantoor gelegen op de Luchthaven Antwerpen/ Deurne en het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot een schadevergoeding van 5.000,00 EUR per dag vertraging of in gebreke blijven ten aanzien van dit gerechtelijke bevel, te vermeerderen met een vergoedende intrest vanaf elke vertragingsdag tot betaling, - in beide gevallen, het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot betaling van volgende bedragen: - 585.901,87 EUR materiële schadevergoeding voor de periode 18 juli 2003 tot en met 30 juni 2007, - 1,00 EUR provisioneel materiële schadevergoeding voor de periode vanaf 1 juli 2007, - 344.999,99 EUR morele schadevergoeding voor de periode 18 juli 2003 tot en met 30 juni 2007, - 1,00 EUR provisioneel morele schadevergoeding voor de periode vanaf 1 juli 2007, bedragen te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 18 juli 2003 en met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding. Tevens in ondergeschikte orde vorderde de heer L. een deskundige aan te stellen met als opdracht de materiële schade te berekenen die de heer L. heeft geleden sedert 18 juli 2003 of sedert de datum te bepalen door de rechtbank tot op datum van het afsluiten van het deskundig verslag of tot op de datum te bepalen door de rechtbank, bestaande in het verschil tussen de als Algemeen Directeur Luchthaven te genieten bezoldiging, salarisschaal A 311 verhoogd met aanpassing indexcijfer, en alle volgens het Vlaams Personeelsstatuut van 15 juli 2002, nadien volgens het Vlaams Personeelsstatuut van 13 januari 2006, enerzijds en de effectief in dezelfde periode genoten lonen en wedden, met betrekking tot dezelfde periode anderzijds, zowel wat betreft de brutobedragen, als wat betreft de nettobedragen; eveneens de schadelijke impact te bepalen wat betreft het toekomstig pensioen, en te antwoorden op alle nuttige vragen te stellen door partijen. Ondertussen vorderde de heer L. reeds voorlopig een provisioneel bedrag van 200.000,00 EUR materiële schadevergoeding toe te kennen, te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 18 juli 2003 en met de gerechtelijke intresten. In meer ondergeschikte orde: - vast te stellen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap hun verplichtingen voortspruitende uit de aanstelling van 18 juli 2003 en de ermee verbonden arbeidsovereenkomst, minstens contractbelofte, op foutieve wijze niet nakomen, en hen te veroordelen tot de hierboven vermelde schadevergoedingen, op andere gronden toe te kennen, zoals gevorderd. In nog meer ondergeschikte orde: - het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot betaling van een vermengde materiële en morele schadevergoeding van 1.000.000,00 EUR wegens "culpa in contrahendo", te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Ten slotte vorderde de heer L. het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Met conclusie van 15 mei 2007 verzocht het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de vorderingen van de heer L. lastens de Vlaamse Gemeenschap onontvankelijk te verklaren. De vorderingen die betrekking hebben op de uitvoering van een eenzijdige aanstelling, onontvankelijk te verklaren, in ieder geval de vordering, gesteund op een arbeidsovereenkomst, verjaard te verklaren; minstens de vorderingen ongegrond te verklaren. Ten slotte vorderde het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de heer L. te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij vonnis van 27 augustus 2007 werd de gewijzigde en uitgebreide vordering van de heer L., zoals geformuleerd in zijn laatste conclusies van 16 april 2007, onontvankelijk verklaard wegens verjaring. De kosten van het geding werden ten laste van de heer L. gelegd. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep, zoals geformuleerd in laatste conclusie van de heer L. van 14 maart 2008 strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, In eerste orde - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap binnen de 14 dagen na de betekening van het tussen te komen arrest, dienen over te gaan tot uitvoering van de aangegane arbeidsovereenkomst, minstens de administratiefrechtelijke beslissing, aanstelling van de heer L. als Algemeen Directeur Luchthaven Antwerpen/ Deurne van 18 juli 2003 en dat zij moeten overgaan tot het bepalen en mededelen van de ingangsdatum en de plaats van uitvoering van deze aanstelling ter uitvoering van de beslissing van de Regeringsbeslissing van 18 juli 2003, - te bevelen dat de ingangsdatum zich dient te situeren in een tijdsbestek van 2 maanden na het tussen te komen arrest, - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te goeder trouw de nodige hulpmiddelen, infrastructuren en materialen ter uitvoering ter beschikking van de heer L. dienen te stellen vanaf de ingangsdatum, - voor het geval het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap niet overgaan op het hierbovenvermelde bevel tot de aanduiding en mededeling van de ingangsdatum en plaats van uitvoering van de overeenkomst binnen de vastgestelde termijn van 14 dagen na de betekening van het arrest, een dwangsom op te leggen van 5.000,00 EUR per dag vertraging vanaf het verstrijken van deze termijn en zolang er niet zal aan zijn voldaan. In tweede en ondergeschikte orde: - te bevelen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap uitvoering dienen te geven aan de afgesloten arbeidsovereenkomst, minstens de administratiefrechtelijke aanstelling van Algemeen Directeur van 18 juli 2003 en de heer L. dienen te werk te stellen vanaf de eerste dag van de tweede maand, die volgt op deze waarin het arrest is uitgesproken, op een kantoor gelegen op de Luchthaven van Antwerpen/ Deurne en het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot een schadevergoeding van 5.000,00 EUR per dag vertraging of in gebreke blijven ten aanzien van dit gerechtelijke bevel, te vermeerderen met een vergoedende intrest vanaf elke vertragingsdag tot betaling, - in beide gevallen, het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap solidair te veroordelen tot betaling van 1,00 EUR provisionele materiële schadevergoeding alsook tot een morele schadevergoeding van 1,00 EUR, bedragen te vermeerderen met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 18 juli 2003 en met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, en de debatten te heropenen om partijen toe te laten nader stelling te nemen over de uiteindelijke bedragen en de componenten van de schadevergoeding, waarvan het bedrag vooralsnog en voorlopig geraamd wordt op 25.000,00 EUR onder voorbehoud van nadere specificatie, na verdere stellingname van partijen desbetreffend, -ondergeschikt een deskundige aan te stellen met als opdracht de materiële schade te berekenen die de heer L. heeft geleden sedert 18 juli 2003 of sedert de datum te bepalen door de rechtbank tot op datum van het afsluiten van het deskundig verslag of tot op de datum te bepalen door de rechtbank, bestaande in het verschil tussen de als Algemeen Directeur Luchthaven te genieten bezoldiging, salarisschaal A 311 verhoogd met aanpassing indexcijfer, en alle volgens het Vlaams Personeelsstatuut van 15 juli 2002, nadien volgens het Vlaams Personeelsstatuut van 13 januari 2006, enerzijds en de effectief in dezelfde periode genoten lonen en wedden, met betrekking tot dezelfde periode anderzijds, zowel wat betreft de brutobedragen, als wat betreft de nettobedragen; eveneens de schadelijke impact te bepalen wat betreft het toekomstig pensioen, en te antwoorden op alle nuttige vragen te stellen door partijen; om daarna verder te beslissen; in dat geval ondertussen reeds voorlopig een provisioneel bedrag van 25.000,00 EUR, minstens 1,00 EUR provisioneel ten titel van materiële schadevergoeding toe te kennen, vermeerderd met de verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 18 juli 2003, alsook de gerechtelijke intresten. In derde en ondergeschikte orde: - vast te stellen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap hun verplichtingen voortspruitende uit de aanstelling van 18 juli 2003 en de ermee verbonden arbeidsovereenkomst, minstens contractbelofte, op foutieve wijze niet nakomen, en hen te veroordelen tot de hierboven gevorderde provisionele bedragen aan schadevergoeding, desgevallend op andere gronden toe te kennen, en de debatten te heropenen om partijen toe te laten nader stelling te nemen over de uiteindelijke bedragen en de componenten van de schadevergoeding. In vierde en ondergeschikte orde: - het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot betaling van 1,00 EUR provisionele materiële en 1,00 EUR provisionele morele schadevergoeding, vermeerderen met de gerechtelijke intresten wegens "culpa in contrahendo", de debatten te heropenen om partijen toe te laten verder te concluderen over bedrag en samenstelling van de toe te kennen schadevergoeding. Ten slotte vordert de heer L. het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 1 april 2008 verzoeken het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Dienvolgens de vorderingen van de heer L., voor zover die betrekking hebben op de uitvoering van een eenzijdige aanstelling, onontvankelijk te verklaren, in ieder geval de vordering gesteund op een arbeidsovereenkomst, verjaard te verklaren, minstens de vorderingen ongegrond te verklaren. Ten slotte vordert het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap de heer L. te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  5. De feiten Eind 2002 werd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Wegen en Verkeer een vacature geplaatst voor de functie van enerzijds Algemeen Directeur Luchthaven Antwerpen en anderzijds Algemeen Directeur Luchthaven Oostende. (stuk 1 van de heer L.) De aankondiging m.b.t. voormelde vacatures bepaalde o.m. dat de aanwervingen zouden gebeuren in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur en dit aan een marktconforme honorering. De regionale Luchthaven Antwerpen/ Deurne functioneert als "Dienst met Afzonderlijk Beheer (DAB)" en hangt dus af van het Vlaams Gewest, Ministerie van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Samen met 43 andere kandidaten nam de heer L. deel aan de selectie voor de functie van Algemeen Directeur Luchthaven Antwerpen-Deurne, waar hij in januari 2003 uitkwam als eerste gerangschikte. Er werd vervolgens een ontwerp van arbeidsovereenkomst opgesteld tussen de Vlaamse Gemeenschap als werkgever en de heer L. als werknemer, die voorzag in de aanwerving van laatstgenoemde als bediende voor het uitoefenen van de functie van algemeen directeur van de luchthaven in Antwerpen voor een onbepaalde tijd. (stuk 4 van de heer L.) Verder voorzag dit ontwerp qua bezoldiging in de betaling van een wedde in de salarisschaal A 311 en in de toepassing van de geldelijke bepalingen vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 houdende de organisatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel. (artikel 4 ontwerp arbeidsovereenkomst) Artikel 5 van het ontwerp voorzag in een aanvullende pensioenregeling, met name de overname van het ING-pensioenplan van de toenmalige werkgever van de heer L.. Dit ontwerp van arbeidsovereenkomst bevatte geen datum van indiensttreding en werd nooit door partijen ondertekend. Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap stellen dat in het voorjaar 2003 voor het beheer van de Regionale Luchthaven Antwerpen-Deurne gedacht werd aan de oprichting van een participatieve publiek-private samenwerkingsvennootschap (PPS) voor de ondertunneling, de ontwikkeling van de bedrijfsterreinen en de exploitatie van de luchthaven. Op 27 juni 2003 verleende de Vlaamse regering haar principiële goedkeuring aan dergelijk project. Op 14 juli 2003 maakte het directoraat-generaal van de Administratie Wegen en Verkeer van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de heer L. per fax een aantal documenten over met betrekking tot het uitwerken van voormelde PPS voor de ondertunneling van de Krijgsbaan te Deurne. (stuk 5 van de heer L.) Hierop antwoordde de heer L. met een faxbericht van 14 juli 2003, waarin hij te kennen gaf dat de lectuur van het dossier bij hem vragen opriep, in het bijzonder met betrekking tot zijn positie c.q. verantwoordelijkheden binnen het afgeslankte DAB en waarbij hij tevens verzocht zijn aanstelling te verdagen tot in september 2003 omdat de onderhandelingen met zijn toenmalige werkgever slechts begin augustus 2003 konden plaatsvinden. (stuk 6 van de heer L.) De Vlaamse regering besliste in haar vergadering van 18 juli 2003 officieel zowel tot de goedkeuring van de procedure voor een publiek-private samenwerking voor de Luchthaven van Deurne, als tot de aanstelling van de heer L. als Algemeen Directeur van de luchthaven van Deurne. Deze aanstelling gebeurde in volgende bewoordingen: " De Vlaamse Regering beslist: 1.De heer J.L. aan te stellen tot algemeen directeur van de Luchthaven Antwerpen (Deurne) met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur; 2.De Vlaamse Minister, bevoegd voor de openbare werken, te belasten met de uitvoering van deze beslissing." (stuk 7 bis van de heer L.) Uit de voorgebrachte stukken en de door partijen aangebrachte en niet betwiste feitelijke argumentatie blijkt dat de verdere uitwerking van het PPS-dossier in de daaropvolgende maanden bleef aanslepen en in afwachting hiervan de effectieve indiensttreding van de heer L. door de Vlaamse Gemeenschap werd uitgesteld, niettegenstaande laatstgenoemde herhaaldelijk aandrong bij de bevoegde instanties om zijn mandaat te kunnen opnemen. Zo bracht de heer L. met een e-mail bericht van 9 mei 2004 de aangelegenheid in volgende bewoordingen onder de aandacht van de toenmalige Vlaamse Minister van mobiliteit Steve Stevaert: "In januari 2003 heeft u mij, als Vlaams minister van mobiliteit in samenspraak met minister Van Grembergen en toenmalig minister-president Dewael, geslecteerd voor de functie van algemeen directeur voor de luchthaven Antwerpen. Graag herhaal ik u nogmaals mijn dank voor uw vertrouwen. Wegens diverse oorzaken werd mijn benoeming maar eerst in juli 2003 bevestigd door de Vlaamse regering. Bovendien zou door de PPS de functie uitgehold worden. Op suggestie van het kabinet van minister Bossuyt had ik in augustus overleg met minister Van Mechelen. Deze suggereerde mij te wachten met mijn mandaat op te nemen totdat de PPS-constructie zich duidelijk zou aftekenen; hij verwachte dat dit zeker zou gebeuren in het najaar. Ondertussen blijft het PPS-dossier aanslepen en wordt geen voortgang verwacht voor eind van het jaar. Bovendien is de huidige luchthaven commandant, dhr. P., pensioengerechtigd. In overleg met dhr. J. V., directeur-generaal van de administratie wegen en verkeer, vroeg ik vorige week aan het kabinet van minister Bossuyt mijn arbeidscontract te ondertekenen, conform de beslissing van de Vlaamse regering. Vanuit de positie van algemeen directeur zou ik dan mee vorm kunnen geven aan de PPS. Dhr. V. M., kabinetschef van minister Bossuyt, kreeg echter een veto vanuit het kabinet van minister Van Mechelen met de vraag te wachten tot oktober. U begrijpt dat het moeilijk is zich 2 jaar "standby" te houden. Graag doe ik beroep op u om in dit dossier duidelijkheid te verkrijgen. Ik heb via uw secretariaat verzocht om een kort onderhoud. Lokatie en uur zijn van geen belang; ik pas mijn agenda aan. Met dank bij voorbaat." (stukken 14 en 15 van de heer L.) Op 20 september 2004 werd de heer L. ontvangen op het kabinet van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening Dirk Van Mechelen, die in een brief van 23 september 2004 bevestigde dat op dat ogenblik geen verdere uitspraken aangaande het PPS-dossier konden worden gedaan en waarbij de heer L. werd doorverwezen naar de Vlaamse Minister van Openbare Werken, op wiens voorstel hij op 18 juli 2003 werd aangesteld. (stuk 16 van de heer L.) Opnieuw gingen maanden voorbij waarin door de heer L. via briefwisseling en e-mailberichten bij verschillende instanties werd aangedrongen om uitvoering te geven aan zijn aanstelling als algemeen directeur van de luchthaven te Deurne. (stukken 17 tot en met 22 van de heer L.) Met een brief van 10 oktober 2005 gaf de toenmalige Vlaamse minister van Openbare Werken Kris Peeters uiteindelijk het volgende te kennen: "U vraagt u mijn aandacht voor uw aanstelling als algemeen directeur van de Luchthaven Antwerpen (Deurne). De vorige Vlaamse regering heeft beslist over te gaan tot uw aanstelling als algemeen directeur van de luchthaven Antwerpen (Deurne). Evenwel werd ook de beslissing genomen om een onderhandelingsprocedure op te starten voor de oprichting van een participatieve PPS voor de exploitatie van de luchthaven. Gelet op de gevolgen van deze laatste beslissing was het niet aangewezen om de procedure tot de aanstelling van een algemeen directeur voor de luchthaven verder te zetten." (stuk 23 van de heer L.) Hierop reageerde de heer L. met een brief van 20 oktober 2005, waarin hij te kennen gaf verrast te zijn door de inhoud van voormelde brief doch nog steeds bereid te zijn om zijn verantwoordelijkheden op te nemen. (stuk 24 van de heer L.) Op 29 mei 2006 richtte de heer L. een aangetekende brief aan de Minister-President van de Vlaamse regering, waarin hij de Vlaamse regering formeel aanmaande om hem binnen een termijn van één maand definitief en duidelijk ter kennis te brengen of zijn aanstelling van 18 juli 2003 gehandhaafd, dan wel geannuleerd zou worden. (stuk 26 van de heer L.) Bij gebreke aan reactie werd deze aanmaning gerappelleerd met een aangetekende brief van 5 juli
  6. (stuk 27 van de heer L.) Door de Vlaamse minister van Openbare Werken Kris Peeters werd hierop afwijzend gereageerd met een brief van 28 juli 2006, waarvan de inhoud luidt als volgt: "Via de diensten van de Minister-President van de Vlaamse Regering bereikte mij uw brief van 29 mei jl. waarin u aandringt op een spoedige standpuntbepaling inzake de aanstelling van een algemene directeur van de luchthaven van Deurne. Zoals u wellicht reeds via diverse kanalen heeft vernomen, wordt met het oog op de verdere exploitatie van de Antwerpse luchthaven de mogelijkheid van een publiekprivaat samenwerkingsverband onderzocht. In dit kader bestaat de intentie om een afzonderlijke maatschappij op te richten, waarvan de beheerraad een directeur kan aanstellen. De aanwerving van een algemeen directeur in deze fase van de onderhandelingsprocedure met regionale en commerciële partners is dan ook niet aan de orde." (stuk 28 van de heer L.) In een aangetekend verstuurde antwoordbrief van 3 augustus 2006 schreef de heer L. aan minister van openbare werken Peeters het volgende: "(...) In mijn brief aan de Minister President van de Vlaamse Regering van 29 mei 2006, heb ik een duidelijke vraag gesteld, waarop ik nog steeds geen antwoord heb gekregen van uwentwege. Ik heb gevraagd mij definitief en duidelijk te laten weten of mijn aanstelling van 18 juli 2003 gehandhaafd wordt en de datum te bepalen wanneer, hoe, en waar ik mijn functie, waartoe ik ben aangesteld; ook kan opnemen, dan wel of mijn aanstelling als algemeen directeur geannuleerd wordt. Of in andere woorden, gelieve mij te antwoorden op de vraag of ik mij verder ter beschikking moet houden om de toegewezen functie op te nemen, of niet. Het lijkt mij elementair dat U na de tijd die is verstreken sedert mijn aanstelling, in juli 2003, mij daar nu duidelijkheid over verschaft, zodat ik opnieuw een carrièreplanning kan maken. Desbetreffend verwacht ik van uwentwege, zoals het behoort, een spoedig en duidelijk antwoord.". (stuk 29 van de heer L.) Daarop repliceerde minister Peeters in een niet gedateerde brief het volgende: "Geachte heer L., Nadat de Vlaamse Regering op de vergadering van 18 juli 2003 tot uw aanstelling als algemeen directeur van de luchthaven van Deurne besliste, diende deze aanstelling nog in een arbeidsovereenkomst geconcretiseerd te worden. Gezien zulk een document om de u reeds in mijn vorige schrijven aangehaalde reden niet werd opgesteld, is er van enige arbeidsrelatie uiteraard geen sprake. Omwille van de ongewijzigde situatie terzake zal er dienvolgens geen arbeidsovereenkomst afgesloten worden. Ik hoop dat u hiervoor begrip kan opbrengen. Hoogachtend, Kris Peeters Vlaams minister van Openbare Werken, Engergie, Leefmilieu en Natuur". (stuk 30 van de heer L.) Verdere briefwisseling leidde niet tot een vergelijk en op 23 oktober 2006 ging de heer L. over tot dagvaarding in onderhavige zaak.
  7. De beoordeling 2.
  8. De ontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap Op goede gronden naar dewelke het arbeidshof verwijst en die hierbij als herhaald worden beschouwd, hebben de eerste rechters in het bestreden vonnis (blz. 11, sub "III a) Exceptie van onontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap) terecht geoordeeld dat de vordering zoals ingesteld ten laste van de Vlaamse Gemeenschap wel degelijk ontvankelijk is. 2.
  9. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst De heer L. beroept zich op het bestaan van een arbeidsovereenkomst om de uitvoering ervan te vorderen. Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap houden voor dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst werd gesloten, zodat de vordering van de heer L. zonder voorwerp is. Het arbeidshof oordeelt terzake als volgt. De heer L. maakt in zijn conclusies van 14 maart 2008 (§§ 22-24) een nauwgezette en correcte juridische analyse betreffende de voorwaarden die moeten vervuld zijn opdat partijen verbonden zouden kunnen zijn door een arbeidsovereenkomst. Het arbeidshof verwijst daarnaar en aanziet die uiteenzetting hierbij als herhaald. Op grond van de door de heer L. in zijn conclusies van 14 maart 2008 (§§25-27) aangehaalde feiten en middelen, die het arbeidshof hierbij uitdrukkelijk als herhaald aanziet, blijkt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst werd gesloten. Noch de - overigens onjuiste - bewering van het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap dat de juiste inhoud van de functie niet zou bepaald zijn, noch het feit dat geen ingangsdatum van de overeenkomst werd bepaald, doen daaraan afbreuk. Over de door de heer L. uit te oefenen functie bestond immers niet de minste twijfel, namelijk die van algemeen directeur van de luchthaven te Deurne. Dat alle daaraan verbonden taken niet in detail gekend of bepaald waren is niet relevant. Zo kan ook de overeenkomst waarbij een persoon als "directeur" in dienst wordt genomen niet zonder meer als ongeldig worden aangezien, alleen maar omdat over de juiste functie-inhoud geen verdere details vermeld zijn. Ook het feit dat geen datum was bepaald waarop de arbeidsovereenkomst zou aanvangen, volstaat op zich niet om de geldigheid van de arbeidsovereenkomst aan te tasten. Het ontbreken van een akkoord over de datum van indiensttreding staat de totstandkoming van die overeenkomst niet in de weg. Het heeft tot gevolg dat de uitvoering van de verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst onbepaald is uitgesteld, totdat hierover een aanvullend akkoord tot stand komt. (Arbh. Gent, 15 maart 2006, Soc. Kron. 2007, 203) 2.
  10. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst - verjaring Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap houden voor dat de arbeidsovereenkomst op 10 oktober 2005 werd beëindigd, zodat de vordering van de heer L., die werd ingesteld met dagvaarding van 23 oktober 2006, in toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet verjaard is. De heer L. op zijn beurt voert aan dat de brief van 10 oktober 2005 van minister van openbare werken Peeters niet als een ontslag kan aangezien worden, zodat de vordering niet verjaard is. Voor de goede orde is het van belang de tekst van de brief van 10 oktober 2005 te citeren: "Betreft: Luchthaven Antwerpen (Deurne) aanstelling de heer J.L. als algemeen directeur. Geachte heer L., U vraagt u mijn aandacht voor uw aanstelling als algemeen directeur van de Luchthaven Antwerpen (Deurne). De vorige Vlaamse regering heeft beslist over te gaan tot uw aanstelling als algemeen directeur van de luchthaven Antwerpen (Deurne). Evenwel werd ook de beslissing genomen om een onderhandelingsprocedure op te starten voor de oprichting van een participatieve PPS voor de exploitatie van de luchthaven. Gelet op de gevolgen van deze laatste beslissing was het niet aangewezen om de procedure tot de aanstelling van een algemeen directeur voor de luchthaven verder te zetten. Met oprechte groeten, Kris Peeters Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur". (stuk 10 van het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap) Naar het oordeel van het arbeidshof blijkt uit die brief afdoende duidelijk dat de minister hiermee kenbaar heeft gemaakt dat het niet aangewezen was om nog langer de procedure tot aanstelling van een algemeen directeur voor de luchthaven te Deurne verder te zetten, waarmee ontegensprekelijk werd bedoeld dat alleszins geen verdere stappen zouden worden ondernomen om uitvoering te geven aan hetgeen voorheen reeds was overeengekomen en/of beslist, met name dat de heer L. de algemeen directeur van de luchthaven te Deurne zou worden. Vermits voorheen tussen partijen reeds een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen, hoewel de minister zich daar misschien niet eens terdege van bewust was, volgt uit zijn brief ontegensprekelijk dat hij beslist heeft dat met de heer L. niet meer verder zou worden samengewerkt en dat deze in ieder geval niet de algemeen directeur van de luchthaven te Deurne zou worden, wat dan ook de onherroepelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst impliceerde. De heer L. heeft dit allicht ook zo begrepen, wat onder meer blijkt uit zijn brief van 28 februari 2006 aan minister Van Brempt, waarin hij het volgende schrijft: "(...) 10 oktober 2005 stuurt het kabinet van Minister Peeters mij een brief waarin wordt gesteld dat doordat een PPS werd opgestart het niet meer opportuun is een directeur aan te stellen." (stuk 25 bis van de heer L.) De heer L. had dan ook goed begrepen dat de brief van minister Peeters van 10 oktober 2005 betekende dat hij niet de algemeen directeur van de luchthaven van Deurne zou worden. Wanneer de minister schreef dat het niet aangewezen "was" om de procedure tot aanstelling van een algemeen directeur verder te zetten (en hij dus de verleden tijd gebruikte), betekent zulks niet dat zijn brief van 10 oktober 2005 geen ontslagbeslissing kon inhouden. Weliswaar geeft hij daarmee te kennen dat reeds in het verleden door de beslissing van het opstarten van een onderhandelingsprocedure voor de oprichting van een PPS de aanstelling van een algemeen directeur van de luchthaven niet aangewezen was, maar dat neemt niet weg dat hij in zijn laatste brief van 10 oktober 2005, bij gebreke van een eerder genomen duidelijke beslissing over het lot van de heer L. als algemeen directeur van de luchthaven van Deurne, op duidelijke en definitieve wijze heeft willen laten blijken dat de heer L. hoe dan ook geen algemeen directeur van de luchthaven van Deurne zou worden. Anders dan de heer L. voorhoudt, kan uit het feit dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap in hoofdorde voorhouden dat geen arbeidsovereenkomst werd gesloten niet het besluit getrokken worden dat zij een gerechtelijke bekentenis zouden gedaan hebben, inhoudende dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap - wegens het niet bestaan van een arbeidsovereenkomst - ook geen ontslag konden geven. De bewering van de heer L., als zou het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap een gerechtelijke bekentenis hebben gedaan door in hoofdorde voor te houden dat geen arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan en derhalve de brief van 10 oktober 2005 geen wil tot ontslag kan inhouden, is onjuist. Artikel 1356, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat een gerechtelijke bekentenis een verklaring is die in rechte gedaan wordt door de partij of door haar bijzondere gevolmachtigde en die een volledig bewijs oplevert tegen hem die de bekentenis gedaan heeft. Dergelijke bekentenis kan slaan zowel op rechtsfeiten als op materiële feiten, maar niet op een rechtsvraag. De rechter moet bij de uitlegging van een gerechtelijke bekentenis alle feitelijke gegevens ervan in aanmerking nemen, maar hij is niet gebonden door de juridische gevolgen die de partij die de bekentenis heeft afgelegd eruit afleidt. (Cass 17 juni 2005, C.03.0608.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.12, www.cass.be, op datum) Voor het overige merkt het arbeidshof op dat het feit dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap in hoofdorde het bestaan van een arbeidsovereenkomst ontkennen, op zich niet volstaat om daaruit af te leiden dat zij daarmee meteen erkennen dat de bevoegde minister geen ontslaghandeling heeft kunnen stellen. Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap voeren immers tevens aan dat, indien de rechter zou oordelen dat er wel degelijk een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, die overeenkomst door de minister eenzijdig werd beëindigd. Het ontslag door de Vlaamse Gemeenschap van een bediende waarmee een arbeidsovereenkomst werd gesloten is, in tegenstelling tot wat de heer L. betoogt, geen eenzijdige administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de R.v.St.-Wet of een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is. (A. DE BECKER, "De motivering van het ontslag van een arbeidscontractant in de publieke sector", R.W. 2007-2008, blz. 96-100) De term "bestuurshandeling" impliceert immers een eenzijdige rechtshandeling die te situeren is in het specifieke domein van het bestuursrecht, wat meteen inhoudt dat het toepassingsgebied van deze wet niet uitgebreid kan worden tot eenzijdige rechtshandelingen in een contractueel kader, nu de voormelde wet niet van toepassing is op contractuele verhoudingen. (A. DE BECKER, o.c, blz. 102) Evenmin zijn de beginselen van behoorlijk bestuur, die deel uitmaken van het publiekrecht, van toepassing op de contractuele arbeidsverhouding en de beëindiging ervan tussen een administratieve overheid en haar werknemer. Zo is, in tegenstelling tot wat de heer L. voorhoudt, ook artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur in deze niet van toepassing. De contractuele arbeidsverhouding in de publieke sector wordt immers beheerst door de regels van het arbeidsrecht dat deel uitmaakt van het privaatrecht. Nu de beginselen van behoorlijk bestuur in de regel niet van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen partijen, kan de heer L. zich niet op de beweerde schending van bepaalde van die beginselen beroepen, zoals de vermelding van de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep, om de onregelmatigheid van het ontslag te staven. In zijn conclusie van 14 maart 2008 (§42) voert de heer L. nog aan dat de brief van 10 oktober 2005 niet als een daad van beëindiging kan beschouwd worden omdat hij niet uitging van de terzake bevoegde minister. Hij gaat daarbij echter uit van de verkeerde premisse dat de minister van openbare werken, energie, leefmilieu en natuur, eertijds de heer Peeters, niet de functioneel bevoegde minister was. Volgens artikel XIV 21 van Besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2002, berust de ontslagbevoegdheid voor de personeelsleden met een hooggekwalificeerde betrekking als bedoeld in artikel XIV 2, 4°, en een bezoldiging minstens gelijk aan A 311, bij de functioneel bevoegde Vlaamse minister(s). Nu de functie van de heer L. daaraan beantwoordde kon minister Peeters als functioneel bevoegd minister wel degelijk de arbeidsovereenkomst beëindigen. Voor het overige kan worden opgemerkt dat de heer L. de beweerde miskenning van de ontslagbevoegdheid niet tijdig heeft betwist, zodat ervan kan worden uitgegaan dat minister Peeters wel degelijk, desgevallend als gevolmachtigde van de Vlaamse Regering, terecht de ontslagbeslissing heeft genomen. Besluitend is het arbeidshof van oordeel dat de vorderingen van de heer L. die steunen op het bestaan een arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet verjaard zijn, vermits zij bij dagvaarding van 23 oktober 2006 aanhangig werden gemaakt, hetzij langer dan één jaar na 10 oktober 2005, tijdstip waarop de overeenkomst door de Vlaamse Regering werd beëindigd. Het hoger beroep is ongegrond. 2.
  11. De gerechtskosten Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap vorderen de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 15.000 EUR, zijnde het basisbedrag voor een vordering hoger dan 1.000.000,00 EUR. De heer L. daarentegen houdt voor dat zijn in hoofdorde gestelde vordering "een niet in geld waardeerbare vordering" betreft zoals bedoeld in artikel 3 van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De in ondergeschikte orde gestelde vorderingen daarentegen zijn volgens de heer L. gewaardeerd in geld, maar slechts voorlopig en bij benadering. Het arbeidshof oordeelt terzake als volgt. Voor de invulling van het begrip "niet in geld waardeerbare vorderingen" kan worden teruggevallen op de rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot de artikelen 592 en 619 van het Gerechtelijk Wetboek, respectievelijk vorderingen waaraan een dwangsom kan worden gekoppeld wat volgens artikel 1385 bis van het Gerechtelijk Wetboek per definitie onmogelijk is ingeval van veroordeling tot betaling van een geldsom. Naar het oordeel van het arbeidshof is de in hoofdorde gestelde vordering van de heer L. een niet in geld waardeerbare vordering, nu ze strekt tot het doen uitvoeren van een arbeidsovereenkomst of tot uitvoering van een administratiefrechtelijke beslissing. De heer L. vordert echter tevens dat, wanneer gevolg wordt gegeven aan zijn hoofdvordering en zijn in eerste ondergeschikte orde gestelde vordering, het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap solidair zouden veroordeeld worden tot betaling van 1,00 EUR voorlopige morele schadevergoeding en van 1,00 EUR voorlopige materiële schadevergoeding, vermeerderd met intrest vanaf 18 juli 2003, en dat de debatten zouden worden heropend om partijen nader stelling te laten nemen over het uiteindelijk verschuldigd bedrag van de schadevergoeding, waarvan het bedrag voorlopig op 25.000,00 EUR wordt geraamd. Nog meer in ondergeschikte orde vordert de heer L. de aanstelling van een gerechtsdeskundige om de materiële schade te berekenen die hij sedert 18 juli 2003 heeft geleden, en vraagt dat voorlopig reeds een bedrag van 25.000,00 EUR zou worden toegekend, vermeerderd met intresten. Op de openbare terechtzitting van 13 maart 2009 verklaart de heer L. dat de in ondergeschikte orde van zijn conclusies van 14 maart 2008 (blz. 52, 3de laatste zin) gevorderde bedrag van 25.000,00 EUR beperkt wordt tot 1,00 EUR provisioneel. In nog meer ondergeschikte orde vordert de heer L. vast te stellen dat het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap hun verplichtingen uit de administratieve aanstelling van 18 juli 2003 en de ermee verbonden arbeidsovereenkomst niet nakomen, minstens hun contractbelofte niet nakomen, en hen te veroordelen tot de gevorderde provisionele bedragen aan schadevergoeding, en in meest ondergeschikte orde tenslotte vordert hij ook nog de betaling van 1,00 EUR voorlopige morele schadevergoeding en van 1,00 EUR voorlopige materiële schadevergoeding wegens "culpa in contrahendo". Het arbeidshof is van oordeel dat, wanneer een vordering een provisioneel bedrag (al dan niet gecombineerd met de aanstelling van een gerechtsdeskundige) tot voorwerp heeft, dit in de regel een niet in geld waardeerbare vordering betreft. Derhalve is de heer L. als verliezende partij gehouden tot betaling van de in artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR. Er bestaat evenwel niet de minste aanleiding om, zoals de heer L. vordert, een lager bedrag dan het basisbedrag toe te kennen, nu uit niets blijkt dat de financiële draagkracht van de heer L. beperkt zou zijn, de zaak in feite zeer complex is, en er geen "kennelijk onredelijke situatie" voorhanden is. BESLISSING De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond. Het vonnis van 27 augustus 2007 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt bevestigd. De heer L. wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend: - voor de heer L. begroot op: 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof - voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest begroot op: 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer A. DE VISSCHER, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer M. VERHAEGHE, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 april 2009 door de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090420.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.