id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090420.9 Rolnummer: 2007-0072-2007-0073 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-05-10 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-07-02 19:35 Fiches 1 - 2 Een arbeidsongeval kan een zeer courante handeling betreffen en een bewijs van een externe op het lichaam inwerkende kracht is geen vereiste voor het bewijs van de plotselinge gebeurtenis. Het aangehaalde feit of element moet zich niet onderscheiden van de normale dagtaak en moet niet meer dan normale inspanningen vergen of het maken van meer dan normale lichaamsbewegingen, bijzondere werkomstandigheden of abnormale arbeidsgegevens. Het feit dat het optillen van patiënten integraal deel uitmaakt van de normale dagtaak van verpleegkundigen is derhalve geen criterium. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs Vrije woorden: Begripsomschrijving - arbeidsongeval - plotselinge gebeurtenis - normale dagtaak - VI A Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 7 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Vrije woorden: Begripsomschrijving - vermoeden van ongeval - plotselinge gebeurtenis - normale dagtaak - VI A Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder VI A - artikel 7 en onder VI A - artikel 9 Annotaties Publicaties: Limb. Rl. - - 2010 - blz. 30-35 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070072 + 2070073 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak A.R. 2070072: ZOL, gevestigd te , appellante, vertegenwoordigd door mr. K. L., tegen: C.S., wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. A. C. En in de zaak A.R. 2070073 ZOL, gevestigd te , appellante, vertegenwoordigd door mr. K. L. tegen: C.S., wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. A. C. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. In de zaak gekend onder A.R. nr. 2070072: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis van 21 december 2006 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren gekend onder A.R. nr. 1389/2005 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 8 maart 2007 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de conclusies en stavingsstukken van partijen. In de zaak gekend onder A.R. nr. 2070073: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis van 21 december 2006 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren gekend onder A.R. nr. 1389/2005 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift per gewone post ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 maart 2007 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de conclusies en stavingsstukken van partijen. INZAKE DE BEIDE VORDERILNGEN SAMEN: ONTVANKELIJKHEID VAN DE HOGER BEROEPEN De hogere beroepen werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist; de hogere beroepen dienen ontvankelijk te worden verklaard. Het Hof stelt vast dat de rechtsvorderingen onder A.R. 2070072 en A.R. 2070073 werden ingesteld tussen dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid en dat de vorderingen zeer nauw met elkaar verbonden zijn en minstens in verband staan met dezelfde oorzaak. De beide vorderingen zijn gelijklopend of verknocht zodat het in het belang van een goede rechtsbedeling en teneinde tegenstrijdige oplossingen te voorkomen past beide zaken samen te voegen teneinde er in één arrest uitspraak over te doen. In tegenstelling tot de aanhangigheid staat de samenhang ter vrije beoordeling van de rechter, zulks ongeacht het voorwerp of de oorzaak waarop de rechtsvorderingen betrekking hebben, of de identiteit van de gedingvoerende partijen. (Cass. 15.5.1981, Arr. Cass. 1980-1981, 1073/Cass. 28.9.1984, Arr. Cass. 1984-1985, 165) Het Hof voegt de zaken gekend onder A.R. 2070072 en A.R. 2070073 samen. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en in de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 16 februari 2009 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN C.S. werkt als verpleegkundige in het z.o.l. en is aldaar statutair vast benoemd. Haar statuut was dit van een hoofdverpleegkundige. C.S. zou bij het heffen van een patiënt op 13 juni 2004 het slachtoffer van een arbeidsongeval geworden zijn. 13 juni 2004 was een zondag (met name een zondag dat verkiezingen plaatsvonden). Die dag werkte zij in een morgenpost (A-post), beginnende om 6.45 uur en eindigend om 15.15 uur voor een full-time verpleegkundige. Op 13 juni 2004 werkte zij in een minimale personeelsbezetting samen met haar collega-verpleegkundige S.N. toen zij die voormiddag rond 9 uur een beloproep kreeg van een patiënt van de betrokken dienst Orthopedie W
- Betrokken patiënt was P.C., die na het voorval volgende verklaring aflegde: "Als patiënt belde ik voor hulp na een recente heupoperatie. De verpleegkundige van dienst, met name R.S. hielp mij uit de lage ziekenhuiszetel op naar mijn looprek (zittend - naar rechtstaande houding). Tijdens deze handeling voelde ik plots een felle pijnscheut in mijn been, dit bracht mij en het looprek uit evenwicht en zo wankelden beiden. De verpleegkundige trok mij en het rek terug recht en verder omhoog, om alzo te beletten dat ik zou vallen met alle mogelijk gevolgen na een operatie van enkele dagen oud. Terug gaan zitten was niet mogelijk en te moeilijk in deze situatie. Zelf kloeg zij na deze handeling van felle pijn in de rug en benen." (stuk 5 geïntimeerde) S. verklaarde dat geïntimeerde dat zij op 13 juni 2004 op de afdeling orthopedie werkte en geïntimeerde na het beantwoorden van de beloproep zeer moeizaam kon stappen, zitten of stilstaan; zij deze rugklachten had na het manipuleren van de patiënt en verwezen werd naar de dienst spoedgevallen die in een andere campus beschikbaar was (stuk 3 geïntimeerde). Dit feit werd eveneens bevestigd door getuige M.P. (stuk 4 geïntimeerde). Geïntimeerde werd door radiologieverpleegkundige P. meegenomen naar de C.S.J. waar zij zich diende aan te melden als personeelslid bij een ongeval. Geïntimeerde was ingevolge het ongeval afwezig van 13 juni 2004 tot 16 juli
- Volgens de richtlijnen van het z.o.l. moest de ongevalsaangifte inzake arbeidsongevallen bij de personeelsdienst ingediend worden. Aangezien de personeelsdienst 's zondags gesloten is deed geïntimeerde op 14 juni 2004 de ongevalsaangifte. Verzekeringsmaatschappij E., verzekeraar van appellante, stelde een dossier "aangifte van arbeidsongeval" op op 18 juni
- Dit document werd niet door geïntimeerde ondertekend. Uit dit document zou blijken dat de kennisgeving aan de werkgever gebeurde op 13 juni
- NV E. zou tot de conclusie gekomen zijn dat de ongevalsaangifte zelf pas op 18 juni 2004 zou gebeurd zijn. Volgens geïntimeerde wordt dit argument tegengesproken door haar stuk 8, zijnde een schrijven van E., waarin men erkent in de eerste zin: "Uw werkgever zendt ons een arbeidsongevalaangifte op uw naam". Dit betekent volgens geïntimeerde dat men die ten laatste op 18 juni 2004 ontvangen zou hebben vanwege de personeelsdienst, maar niet dat geïntimeerde zou gewacht hebben tot 18 juni 2004 alvorens de aangifte in te dienen. Volgens geïntimeerde weigert appellante het ongeval te erkennen als een arbeidsongeval. Met schrijven van 27 oktober 2004 werd door appellante aan geïntimeerde een aangetekend schrijven gericht waarin dit werd meegedeeld (stuk 6 geïntimeerde). Na ontvangst van dit schrijven zou geïntimeerde getracht hebben de zaak in der minne te regelen, deze poging is echter zonder resultaat is gebleven. C.S. verzoekt te zeggen voor recht dat het ongeval haar overkomen op zondag 13 juni 2004 in het z.o.l., een arbeidsongeval uitmaakt en het z.o.l. te horen veroordelen tot betaling van een provisionele vergoeding van één EUR. De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en heeft alvorens recht te doen ten gronde, Dr. M. aangesteld als deskundige. Tegen dit vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 21 december 2006 werden twee verzoekschriften neergelegd ter griffie van dit Arbeidshof, namelijk op 8 maart 2007 en op 9 maart
- POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellant postuleert het door haar ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; voor recht te zeggen dat de gebeurtenis van 13 juni 2004 geen arbeidsongeval is; dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. Geïntimeerde postuleert de zaken gekend onder A.R nrs. 2070073 en 2070072 samen te voegen; het beroep zo ontvankelijk alleszins ongegrond te verklaren; dienvolgens het vonnis a quo integraal te bevestigen; geïntimeerde (bedoeld wordt appellante) te veroordelen tot de kosten. Minstens conform artikel 877 e.v. Gerechtelijk Wetboek appellante te bevelen de nodige stukken te overleggen. Geïntimeerde toe te laten te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen: - dat zij op zondag 13 juni 2004 tewerkgesteld was op de dienst Orthopedie van de Campus A.D. te Genk en met name op kamer 4 van die afdeling een beloproep ontving van de heer C.P. omstreeks 9 uur; - dat zij alleen op die beloproep inging en het nodige deed voor het verbedden van C.P., waarbij deze plots veel pijn kreeg en wankelde op het looprek, zodat hij terug moest recht getrokken worden; - dat geïntimeerde bij deze handeling plots een pijnscheut in haar benen voelde en in tegenstelling tot de uren voordien niet meer kon stappen en onmogelijk kon blijven zitten of staan, zodat zij verwezen werd naar de dienst spoedgevallen; - dat mevrouw P.M., verpleegster verbonden aan de C.S.J. haar meegenomen heeft naar de spoeddienst, aldaar waar zij omstreeks 9.36 uur aankwam; - dat zij op de personeelsdienst formele aangifte gedaan heeft van het arbeidsongeval vanaf het eerste moment dat dit mogelijk was, nl. vanaf maandag 14 juni
- MOTIVERING - BEOORDELING
- Het bestreden vonnis dient bevestigd te worden en het Hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het Hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige.
- In casu is naar het oordeel van het Hof het aanwijsbaar element, in tijd en ruimte situeerbaar, dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, en dat niet onderscheiden moet zijn van de normale en gewone dagtaak, onder rubriek 13 van de aangifte van arbeidsongeval omschreven (stuk 6 geïntimeerde).
- Voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet wordt, krachtens artikel 7, eerste lid, van die wet als arbeidsongeval aangezien, elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Artikel 7, tweede lid bepaalt: "Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst." Krachtens artikel 9 van die wet wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van een letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen. De wetgever heeft geen complete bepaling van het arbeidsongeval gegeven. Deze beslissing stoelde op de bekommernis de breedst mogelijke interpretatie toe te laten met het oog op de ruimst mogelijke bescherming van de fysische integriteit van de werknemer (J.R. RAUWS, De behoefte aan een definitie van het wettelijk begrip arbeidsongeval anno 1971, R.W. 1976-1977, 2008 e.v.; Parl. Besch., Senaat, 1969-1970, nr. 328, 10; Parl. Besch., Senaat, 1970-1971, nr. 215, 49; J. HUYS, De professionele risicoverzekering dekt ook de "gewone risico's" bij het uitvoeren van de arbeidsovereenkomst, R.W. 1998-1999, 572). Artikel 9 geeft zelf geen concrete inhoud aan het begrip plotse gebeurtenis. Een plotse gebeurtenis kan worden omschreven als een duidelijk in tijd en ruimte lokaliseerbare gebeurtenis die bovendien slecht een korte tijdspanne in beslag neemt (C. Persyn, R. Janvier, W. Van Eeckhoutte, o.c. 1244-1253) en die het letsel heeft kunnen veroorzaken. De uitvoering van de gewone en normale dagtaak kan een plotselinge gebeurtenis zijn, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt. Het is niet vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak of van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.
- Het oordeel dat "het uitvoeren van een draai- en hefbeweging (...) een zodanige alledaagse gebeurtenis (is), te meer daar geen noemenswaardig gewicht werd geheven welke behoort tot de normale uitoefening van de dagtaak en welke op geen enkele wijze verschilt van de op andere ogenblikken gedane inspanningen" alsmede de eiseres niet moet worden gemachtigd tot het aangeboden getuigenbewijs omdat die "enkel maar (zou) kunnen getuigen (...) dat (de eiseres) een draaibeweging maakte en een doos uit de rekken nam, derhalve een banale en onbeduidende beweging uitvoerde welke de werknemer ondervindt bij de uitvoering van zijn beroep, vermits het zich op iedere andere plaats en op een ander ogenblik had kunnen voordoen" en de gevolgtrekking dat aldus de plotselinge gebeurtenis een aanwijsbaar element vereist dat wordt aangetoond dat onderscheiden is van de uitoefening van de normale dagtaak, schendt de artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet (Cass. 13 november 2006, S.06.0049.N. onuitg.; vergelijk ook Cass. 30 oktober 2006, S.06.0035.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3, onuitg.).
- Een arbeidsongeval kan dus ook "een zeer courante handeling" betreffen, en een bewijs van een externe op het lichaam inwerkende kracht is geen vereiste voor het bewijs van de plotselinge gebeurtenis.
- Inzake arbeidsongevallen is het derhalve voldoende dat de getroffene of zijn rechthebbenden het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis (het bewijs moet zeker zijn) in tijd en ruimte situeerbaar, waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, aanwijzen (artikelen 870 Ger.W en 1315 B.W.), zodat het letsel, alsdan met toepassing van artikel 9 Arbeidsongevallenwet, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt. Letsel en plotselinge gebeurtenis dienen overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Uit artikel 9 Arbeidsongevallenwet blijkt dat het letsel en de plotselinge gebeurtenis onderscheiden bestanddelen zijn van het ongeval. Het "letsel" geeft aanleiding tot schadevergoeding. Het letsel is immers de schade en zonder schade geen vergoeding. De schade heeft wel een bepaalde betekenis nl. de schade die op de ene of de andere manier de fysische of mentale integriteit van de werknemer aantast. Die integriteit is aangetast zodra het letsel voor de werknemer kosten meebrengt nl. medische of farmaceutische kosten (Arbeidsongevallen, ARON, Kluwer, Hoofdst. 1, afd. 2, Comm. 1.2/75, nr. 3270). Uit de artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet volgt dat het letsel niet uitsluitend mag te wijten zijn aan de inwendige gesteldheid van de getroffene, doch die artikelen vereisen niet dat de oorzaak of een van de oorzaken van de plotselinge gebeurtenis buiten het organisme van de getroffene ligt (Cass. 6 maart 2006, S.05.0104.N; Cass. 30 oktober 2006, S.06.0035.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3). De bewijslast van het letsel berust op het slachtoffer (stukken 1 en 7 geïntimeerde). Het letsel hoeft niet plotseling te zijn; het moet wel en enkel veroorzaakt zijn door een plotselinge gebeurtenis.
- Geïntimeerde steunt vooreerst op het aangifteformulier om te stellen dat de plotselinge gebeurtenis en het letsel zich voordeden tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst alsmede dat de "plotselinge gebeurtenis" voldoende aangetoond is (stuk 6 geïntimeerde). Verder zijn er de bijgebrachte verklaringen.
- Het Hof dient te oordelen of hic et nunc op afdoende wijze het bewijs wordt geleverd van de feiten die als plotselinge gebeurtenis in aanmerking zouden kunnen genomen worden. Een eenvoudige verklaring van het slachtoffer is zoals de wetsverzekeraar in essentie argumenteert onvoldoende, indien deze niet geschraagd wordt door voldoende eensluidende en overeenstemmende gegevens. Luidens artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Deze gevolgtrekkingen worden luidens artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek, in de gevallen waarin het bewijs door vermoedens is toegelaten, aan het beleid van de rechter overgelaten, voor zover hij hierbij het wettelijk begrip "feitelijk vermoeden" niet miskent door aan bekende feiten gevolgen te verbinden die er onverenigbaar mee zijn. Appellante vermeldde in conclusies de bekende, feitelijke elementen (de feiten werden onmiddellijk gemeld; de arts werd onmiddellijk geraadpleegd en deze stelde de letsels vast; de ongevalsaangifte bevat een (gedetailleerde) weergave van de feiten waaruit zij bij wege van vermoedens afleidde dat moest worden aangenomen dat zich op 13 juni 2004 tijdens de werkuren, de plotselinge gebeurtenis had voorgedaan die geïntimeerde aanvoerde. Anders oordelen zou strijdig zijn met de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek door het regelmatig door geïntimeerde aangevoerd bewijs door vermoedens niet in acht te nemen. Resumerend is het Hof derhalve van oordeel dat voor het bestaan van een arbeidsongeval in de zin van artikelen 7 en 9 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de vereiste plotselinge gebeurtenis zich niet moet onderscheiden van de normale dagtaak en niet meer dan normale inspanningen moet vergen of het maken van een meer dan normale lichaamsbeweging veronderstellen, nu het volstaat dat het aanwijsbaar element, al dan niet behorend tot de normale arbeidstaken, het letsel heeft kunnen veroorzaken, zonder dat er wordt vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de (normale) uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Bij de concrete beoordeling van deze zaak, en meer in het bijzonder het bestaan van een bijzonder aanwijsbaar element dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, dient er geen sprake te zijn van buitengewone werkomstandigheden (een banale beweging volstaat; een plotselinge gebeurtenis die onderscheiden was van de normale uitvoering van de beroepsbezigheid is niet vereist). Het komt het Hof immers voor dat het Hof van Cassatie duidelijk geen "abnormaliteitsvereiste" bij de beoordeling van de plotselinge gebeurtenis vereist (Cass. 26 november 2007, S.07.0019.N/1; Cass. 6 maart 2006, S.05.0104.N.; Cass. 7 februari 2005, S.07.0158.N; Cass. 6 september 2004, S.04.0080.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7., J.T.T. 2005, 26; Cass. 5 april 2004, J.T.T. 2004, 468, concl. LECLERCQ; Cass. 24 november 2003, J.T.T. 2004, 34; Cass. 23 september 2002, S.01.0089.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020923.5; Cass. 6 mei 2002, S.01.0180.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.8; Cass. 3 april 2000, Arr. Cass. 694; Cass. 14 februari 2000, Arr. Cass. 2000, 412, concl. LECLERCQ). Het aangehaalde feit of element moet zich niet onderscheiden van de normale dagtaak en moet niet meer dan normale inspanningen vergen of het maken van meer dan normale lichaamsbewegingen, bijzondere werkomstandigheden of abnormale arbeidsgegevens. Dat het optillen van patiënten integraal deel uitmaakt van het werk als verpleegkundige is derhalve geen criterium. Het tegenbewijs van het bij artikel 9 Arbeidsongevallenwet bedoelde wettelijk vermoeden inzake het oorzakelijk verband tussen een bewezen letsel en een plotselinge gebeurtenis, wordt slechts geleverd wanneer wordt aangetoond dat het letsel zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan zonder de bedoelde plotselinge gebeurtenis (oorzakelijkheidsbegrip). Het is de wetsverzekeraar die vervolgens het tegenbewijs dient te leveren (eventueel door middel van een onderzoek van haar inspectiediensten). Daarnaast kan "in het kader van het door de wetsverzekeraar (wettelijk) te leveren tegenbewijs" een geneesheer-deskundige worden aangesteld. De omstandigheid dat een bepaalde beweging zich ook elders en op een ander ogenblik kan voordoen, neemt niet weg dat door het slachtoffer kan worden aangetoond dat het letsel in de concrete omstandigheden van de zaak werd veroorzaakt door dergelijke beweging die een bijzonder aanwijsbaar element in de uitoefening van de gewone dagtaak uitmaakt. De causaliteit tussen een feit en een letsel wordt niet opgeheven door de loutere omstandigheid dat dit feit zich ook op een ander ogenblik en zonder aanwijsbare aanleiding had kunnen voordoen. Door deze vaststelling wordt immers niet aannemelijk gemaakt dat het letsel zich, zonder de door het slachtoffer aangewezen plotselinge gebeurtenis, ook en op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan. Het slachtoffer moet niet aanvoeren dat de plotselinge gebeurtenis "effectief" het letsel heeft veroorzaakt, maar wel het letsel "heeft kunnen" veroorzaken.
- Voor wat betreft de concrete omstandigheden waarin dit ongeval heeft plaatsgevonden kan verwezen worden naar de verklaring van de betrokken patiënt, (P.C.), die het volgende verklaart: "Als patiënt belde ik voor hulp na een recente heupoperatie. De verpleegkundige van dienst, met name R.S., hielp mij uit de lage ziekenhuiszetel op naar mijn looprek (zittend-naar rechtstaande houding). Tijdens deze handeling voelde ik plots een felle pijnscheut in mijn been, dit bracht mij en het looprek uit evenwicht en zo wankelden beiden. De verpleegkundige trok mij en het rek terug recht en verder omhoog, om alzo te beletten dat ik zou vallen met alle mogelijke gevolgen na een operatie van enkele dagen oud. Terug gaan zitten was niet mogelijk en te moeilijk in deze situatie. Zelf kloeg zij na deze handeling van felle pijn in de rug en benen." (stuk 5 geïntimeerde). Verder verklaarde haar collega S. dat zij op 13 juni 2004 op de afdeling orthopedie werkte en geïntimeerde na het beantwoorden van de beloproep zeer moeizaam stappen kon en onmogelijk kon blijven zitten of stilstaan. Eén en ander wordt bevestigd door getuige P. M. (stuk 4 geïntimeerde). Volgens de richtlijnen van appellante diende de ongevalsaangifte inzake arbeidsongevallen bij de personeelsdienst ingediend te worden en het verdere verloop van één en ander, zoals naar voren gebracht door partijen bevat naar het oordeel van het Hof geen tegenstrijdigheden.
- Ten overvloede merkt het Hof op dat het slachtoffer enkel dient te bewijzen dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de uitoefening van het ambt of de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Is dit bewijs geleverd, dan vermoedt men dat het ongeval gebeurd is door de uitoefening van het ambt of de uitvoering van de overeenkomst, dus dat het om een arbeidsongeval gaat (R. JANVIER, Arbeidsongevallen Publieke Sector, Brugge Die Keure, 1988, 97). Dienaangaande wordt in casu geenszins bewijs geleverd dat geïntimeerde niet conform de instructies van de werkgever handelde. Op dat punt argumenteert geïntimeerde: "Dat het dan ook verbijsterend is nota bene in beroepsbesluiten van de eigen werkgever, bij wie men in statutaire dienst is, te moeten lezen dat de werkgever niet zgn zou weten:
- op welke afdeling dat geïntimeerde werkte, terwijl ze daar al sedert 2002 werkt.
- welke de kamer van de heer C.P. was, een patiënt die nota bene facturen aan ZOL voor zijn verpleging in die kamer heeft moeten betalen terwijl geïntimeerde steeds gepreciseerd heeft dat het daar in die kamer was dat het ongeval plaatsvond (Het inschrijvingsetiket van de heer Corthouts dat geïntimeerde gelukkig bewaard heeft bij haar stukken, verschaft alleszins de nodige informatie).
- in welke post geïntimeerde aan het werk was (dit staat letterlijk op blz. 5 van de beroepsbesluiten van de werkgever te lezen)". OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Voegt de zaken gekend onder de A.R. nrs. 2070072 en 2070073 samen. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 21 december 2006 gewezen onder A.R. nr. 1389/
- Verwijst de zaak met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek naar de eerste rechter om haar toe te laten haar onderzoeksmaatregel uit te voeren en nadien op dat onderdeel te beslissen. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep conform artikel 68 Arbeidsongevallenwet. Vereffent de kosten aan de zijde van appellante op 145,78 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Laat de kosten aan de zijde van geïntimeerde onvereffend wegens de niet-indiening van een omstandige onkostenstaat. Aldus gewezen door: Dhr. J. M., kamervoorzitter, Dhr. B. L., raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Dhr. D. S., raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, Dhr. E. N., griffier, en uitgesproken door voormelde Voorzitter van de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 20 april
- ?? A.R. 2070072 + 2070073 - 7° kamer - blz. 13 Blz 1 PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090420.9 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020923.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040906.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061030.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div