← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.14 Rolnummer: 2007-0152 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-06-09 Raadplegingen: 345 - laatst gezien 2026-07-02 19:37 Fiche In zoverre de Bijzondere Bijstandscommissie oordeelt of er in beginsel aanspraak kan gemaakt worden op een verhoogde tenlasteneming gelet op de 'zeer uitzonderlijke zorgbehoefte' van de persoon met een handicap, oefent zij een gebonden bevoegdheid uit. Gelet op deze gebonden bevoegdheid van de BBC kan de Arbeidsrechtbank de beslissing van het VAPH toetsen met volle rechtsmacht. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Sociale reclassering SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Sociale reclassering - Vlaamse Gemeenschap Vrije woorden: Sociale voorzorg - de sociale reclassering van de mindervaliden - gehandicapten - sociale integratie - Vlaamse Gemeenschap - bijzondere bijstandscommissie - zeer uitzonderlijke zorgbehoeften - gebonden bevoegdheid - macht van de rechter - soevereine beoordeling Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 13-07-2001 - 19 - 95 ELI link Pub nr 2001036231 Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 8, blz. 436-439 Tekst van de beslissing zesde kamer eindarrest op tegenspraak mindervaliden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST AR nr. 2070152 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, voorheen het VLAAMS FONDS VOOR SOCIALE INTEGRATIE VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP genoemd, met zetel gevestigd te 1210 Brussel, Sterrenkundelaan 30, appellante, verschijnend bij mr. M. Kempen loco mr. B. Mailleux, advocaat te Genk, tegen: G.V.K., wonende te ..., optredend voor zijn verlengd minderjarig verklaarde zoon C.V.K., geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. A. Van Raemdonck, advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 10 mei 2007, 12 februari 2009 en 12 maart

  1. Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - het verzoekschrift uitgaande van G.V.K., aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 21 februari 2006; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 14 februari 2007 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (AR 386.532) en betekend aan partijen op 16 februari 2007 met toepassing van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van het Vlaams Agentschap, aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van dit hof op 7 maart 2007 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor G.V.K., neergelegd ter griffie van dit hof op 27 juni 2007; - de conclusie voor het Vlaams Agentschap, ontvangen ter griffie van dit hof op 24 januari 2008; - de aanvullende conclusie voor G.V.K., neergelegd ter griffie van dit hof op 7 mei
  2. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen met toepassing van artikel 750 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting d.d. 12 februari
  3. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 12 februari 2009, waarna de debatten werden gesloten. Mevrouw R. Van Strydonck, eerste advocaat-generaal, werd gehoord in de voorlezing van haar schriftelijk advies, dat tevens werd neergelegd op de zitting van 12 maart 2009 en dat diezelfde dag aan partijen werd meegedeeld met toepassing van artikel 767, § 3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek; partijen hebben niet gerepliceerd binnen de voorziene termijn van 15 dagen, waarna het hof de zaak in beraad nam.
  4. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.
  5. Feiten en voorgaanden. C.V.K. is de verlengd minderjarig verklaarde zoon van G.V.K. en geboren op 9 juni
  6. Hij werd prematuur geboren en werd getroffen door een hersenbloeding. Hierop ontwikkelde hij stuipen en lijdt aan hydrocefalie ("waterhoofd"). Hij is tevens behept met epilepsie en is ook nog fysiek en mentaal gehandicapt. Op 24 juni 2005 deed G.V.K. bij het Vlaams Fonds (thans het Vlaams Agentschap) een aanvraag tot het bekomen van een tegemoetkoming in de kosten voor (stuk 4, adm. bundel VAPH): - een verticale platformlift voor rolstoelgebruikers type A1- Artico; - til- en verplaatsingssystemen met plafondmotor en railsysteem met tiljuk en tildoek voor gebruik in meerdere ruimtes; - douchestoel; - hoog/laagbad; - relaxzetel; - verzorgingskussen; - hoog/laag verstelbare verzorgingstafel; - transparante schuifdeur tussen 2 delen van badkamer; - geautomatiseerde schuifdeur tussen inkom en leefruimte. Het Vlaams Fonds besliste bij administratieve beslissing d.d. 9 augustus 2005 het refertebedrag voor de lift ten bedrage van 7.543,73 EUR toe te kennen, 8.469,97 EUR voor het til- en verplaatsingssysteem en 394,19 EUR voor een douchestoel. G.V.K. kon hiermee niet akkoord gaan omdat hij de volledige vergoeding wenste voor de platformlift, het hoog/laagbad en de relaxzetel. Hij verzocht de Bijzondere Bijstandscommissie zich hierover uit te spreken. De Bijzondere Bijstandscommissie oordeelde in haar vergadering van 27 januari 2006 dat met betrekking tot de meerkosten voor de vloerdouche een gedeeltelijke tegemoetkoming kon worden verleend van 143 EUR en wat betreft de op maat gemaakte deur tussen woonkamer en badkamer een tegemoetkoming ten bedrage van 713 EUR te verlenen. Wat betreft de automatische deur tussen hal en woonkamer oordeelde de Bijzondere Bijstandscommissie dat het refertebedrag voor een automatische deuropener reeds werd toegekend en dat er geen uitzonderlijke zorgbehoefte kon weerhouden worden. Wat betreft de lift erkende de Bijzondere Bijstandscommissie de uitzonderlijke zorgbehoefte niet en besliste dan ook geen bijkomende tegemoetkoming te kunnen verlenen. Met aangetekende brief d.d. 14 februari 2006 bracht het Vlaams Fonds haar ongunstige beslissing ter kennis van G.V.K.. G.V.K. kon zich hiermee niet akkoord verklaren en tekende beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van het Vlaams Fonds met verzoekschrift, aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 21 februari
  7. Bij vonnis van 14 februari 2007 oordeelden de eerste rechters dat de wetswijziging vanaf 1 november 2005 hier niet van toepassing was, verklaarden de vordering van G.V.K. ontvankelijk en gegrond wat betreft de kokerlift en vernietigden de bestreden administratieve beslissing van het Vlaams Fonds d.d. 14 februari 2006 wat dit onderdeel betrof. Zij zegden voor recht dat er in casu sprake is van een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte en bevalen de verzending van het administratief dossier naar de Bijzondere Bijstandscommissie, teneinde het dossier te laten beoordelen betreffende de tenlasteneming van de aanvullende kosten voor een kokerlift. Verder zegden zij voor recht dat het Vlaams Agentschap een nieuwe beslissing diende te nemen aangaande de aanvullende tegemoetkoming, rekening houdend met de motivering van het vonnis en dat deze beslissing ter kennis moest gebracht worden van G.V.K.. De kosten werden ten laste gelegd van het Vlaams Agentschap. De eerste rechters overwogen hierbij dat de Bijzondere Bijstandcommissie een discretionaire bevoegdheid bezit wanneer er een aanvraag aan haar wordt gericht waarbij tussenkomst wordt gevraagd voor een hulpmiddel dat niet op de refertelijst voorkomt en zij dus slechts een marginaal toetsingsrecht hebben. Het vonnis werd aan partijen betekend met toepassing van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek en ter kennis gebracht aan partijen op 16 februari
  8. Het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap tekende hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis met verzoekschrift, aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van dit hof op 7 maart
  9. Eisen in hoger beroep. - Het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (kort: V.A.P.H.), appellante, verzoekt het ingesteld hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen en te zeggen voor recht dat de genomen beslissing d.d. 14 februari 2006 naar behoren gemotiveerd is en dienvolgens wettig genomen werd. - G.V.K., geïntimeerde, verzoekt het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Tenslotte vordert hij de veroordeling van appellante tot betaling van de kosten van het geding.
  10. Beoordeling. 4.
  11. In voorliggend geval dient het hof te oordelen of G.V.K., optredende voor zijn verlengd minderjarig verklaarde zoon C.V.K., aanspraak kan maken op een bijkomende tegemoetkoming vanwege het Vlaamse Agentschap voor Personen met een Handicap (kortweg VAPH) voor de kosten van een lift in zijn nieuwbouwwoning waarvoor hij slechts het refertebedrag ten bedrage van 7.543,73 EUR toegekend kreeg bij beslissing van het VAPH dd. 9 augustus
  12. Op 14 februari 2006 nam het VAPH de beslissing geen aanvullende tegemoetkoming te verlenen in de kosten van de lift en volgde hierbij het advies van de Bijzondere Bijstandscommissie (kortweg BBC) dat als volgt luidt: "De Bijzondere Bijstandscommissie erkent de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte niet en beslist geen bijkomende tegemoetkoming te verlenen. De commissie is van oordeel dat de bebouwde oppervlakte voldoende groot is om badkamer en slaapkamer op het gelijkvloers te plaatsen". 4.
  13. Het hof wordt zodoende gevraagd na te gaan op welke wijze het toezicht kan uitoefenen op de litigieuze beslissing van de Bijzondere Bijstandscommissie. Het openbaar ministerie wijst in haar schriftelijk advies terecht op het onderscheid dat ter zake moet gemaakt worden tussen gebonden en de discretionaire bevoegdheden van de overheden (In verband met dit onderscheid, zie concl. van toenmalig adv.-Gen. Velu voor Cass., 10 april 1987, Ver. K., A.R. 5590 en 5619, A.C., 1986-87, 1065, nrs. 20-21). In geval van gebonden bevoegdheden bepaalt een wettelijk voorschrift de inhoud en/of het voorwerp van de beslissing die het bestuur moet nemen zodra de in de wet gestelde voorwaarden zijn vervuld. Volgens de gevestigde rechtspraak van het Hof van Cassatie nemen de rechtbanken in dergelijke gevallen met volheid van rechtsmacht kennis van de door de partij ingestelde vordering die gegrond is op een precieze juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij wier uitvoering eiser een eigen belang heeft (cfr. de rechtspraak geciteerd in voetnoot 1 van de concl. van adv.-gen. Dubrulle voor Cass., 4 maart 2004, www.cass.be). Er is anderzijds sprake van discretionaire bevoegdheid indien aan het bestuur appreciatievrijheid wordt gelaten over de wijze waarop de toegekende bevoegdheid wordt uitgeoefend en het bestuur de oplossing kan kiezen die hem het meest gepast lijkt, binnen de grenzen van de wet (Cass., 24 november 2006, A.R. nr. C.5.0436.N, www.cass.be; Cass., 15 februari 1999, Soc. Kron., 1999, 316). Het Hof van Cassatie heeft evenwel ook aangenomen dat de rechterlijke macht tevens bevoegd is om de door de overheid bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden (Cass., 24 november 2005, A.R. C.04.0317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.3, www.cass.be; Cass., 19 april 1991, A.R. 7140, A.C., 1990-91, nr. 436 en 14 januari 1994, A.R. C.93.0255.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940114.19, nr. 20, beide met concl. adv.-gen. D'Hoore). Ook bij de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid blijft het bestuur immers gebonden door bepaalde spelregels. Deze hebben tot doel de rechten, vrijheden en belangen van de rechtsonderhorigen te beschermen en arbitraire machtsuitoefening en machtsmisbruik te voorkomen. De Aanbeveling R

(80)2 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa geeft een overzicht van de vereisten waaraan het overheidsoptreden bij de uitoefening van discretionaire bevoegdheden moet voldoen. Deze principes zijn in de Belgische rechtsorde afdwingbaar via de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur enerzijds en via algemene of specifieke wettelijke bepalingen anderzijds (cfr. uitdrukkelijke motivering, openbaarheid van bestuur of het handvest van de sociaal verzekerde). In een arrest van 11 december 2006 oordeelde het Hof van Cassatie dat de arbeidsrechtbank die kennis neemt van een geschil over een beslissing die het bestuur genomen heeft op grond van de haar toevertrouwde discretionaire bevoegdheid, bevoegd is om toezicht te houden op de wettigheid van de bestreden beslissing, en na te gaan of het bestuur bij het uitoefenen van die bevoegdheid niet onredelijk of willekeurig heeft gehandeld (Cass., 11 december 2006, A.R. S.06.0016.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.1, www.cass.be). Bij die toetsing mag de rechterlijke macht het bestuur zijn beleidsvrijheid evenwel niet ontnemen en zich niet in de plaats van het bestuur stellen, zulks op grond van het beginsel van de scheiding der machten (Cass., 11 december 2006, A.R. S.06.0016.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.1; Cass., 24 november 2006, A.R. C.05.0436.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2, www. cass.be; Cass., 19 april 1991, A.R. 7140, A.C., 1990-91, nr. 436, met conl. O.M.). De administratieve rechtsleer en rechtspraak hebben er sedert geruime tijd op gewezen dat, voor eenzelfde handeling, de overheid van wie ze uitgaat, in talrijke gevallen, zoals ook hier het geval is, kan verkeren in een toestand waarbij zij, enerzijds, gebonden is ten aanzien van bepaalde elementen van die handeling en, anderzijds, over een discretionaire macht beschikt ten aanzien van andere elementen van die handeling (zie concl. van toenmalig adv.-Gen. Velu voor Cass., 10 april 1987, Ver. K., A.R. 5590 en 5619, A.C., 1986-87, 1065, nr. 21, p. 1067-1068). 4.
  1. De hier toepasselijke bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap (B.S., 20 november 2001), luiden als volgt: "Artikel 1 Binnen de perken van de kredieten, vastgelegd op de begroting van het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap, kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit individuele materiële bijstand worden verleend voor de sociale integratie van personen met een handicap. Het Vlaams Fonds kan, ten belope van 10% van de vastgelegde kredieten, individuele bijstand voor de sociale integratie verlenen die buiten de bepalingen en bedragen van de refertelijst in de bijlage bij dit besluit vallen. Art.
  2. De materiële bijstand kan aan de persoon met een handicap alleen toegekend worden voor kosten die, door de behoefte die voortvloeit uit de handicap, noodzakelijk zijn voor zijn sociale integratie. De in het eerste lid bedoelde kosten moeten bijkomende uitgaven zijn ten opzichte van de uitgaven die een valide persoon in dezelfde omstandigheden moet doen. De bijstand kan alleen toegekend worden als de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van de bijstand in functie zijn van de handicap, en in verhouding staan tot het bedrag van de gevraagde bijstand dat vermeld staat op de refertelijst in de bijlage bij dit besluit. Art.
  3. De beslissing over de tenlasteneming van de bijstand gebeurt door het toekennen van een persoonlijke bijstandskorf. De persoonlijke bijstandskorf is samengesteld uit hulpmiddelen die in de refertelijst in de bijlage bij dit besluit vermeld staan en die op deze lijst gekoppeld worden aan de door de provinciale evaluatiecommissie toegekende functiebeperking en interventieniveau en het door het Vlaams Fonds toegekend functioneringsdomein. Voor personen met een meervoudige handicap, kan bij de samenstelling van de persoonlijke bijstandskorf geput worden uit verschillende combinaties: functiebeperking, interventieniveau, functioneringsdomein. De tenlasteneming van de bijstand gebeurt maximaal voor de waarde die de hulpmiddelen vertegenwoordigen in de refertelijst in de bijlage bij dit besluit. (...) Art.
  4. In afwijking van de bepaling van artikel 16, tweede lid, kan de toegekende persoonlijke bijstandskorf samengesteld zijn uit hulpmiddelen die wel voldoen aan de voorwaarden, gesteld in dit besluit, maar die niet in de refertelijst in de bijlage bij dit besluit opgenomen zijn, op voorwaarde dat de bij artikel 31 bedoelde commissie een gunstige beslissing neemt. Art.
  5. In afwijking van de bepaling, vermeld in artikel 16, vierde lid, kan de tenlasteneming gebeuren voor een bedrag dat hoger is dan de waarde die de hulpmiddelen vertegenwoordigen in de refertelijst in de bijlage bij dit besluit, op voorwaarde dat de commissie, bedoeld in artikel 31, oordeelt dat het bedrag in de refertelijst niet volstaat gelet op de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte van de persoon. Bij het bepalen van de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte houdt deze commissie rekening met de globale situatie van de persoon". Art.
  6. §
  7. Er wordt een bijzondere bijstandscommissie opgericht die tot taak heeft bij wijze van individuele bijzondere maatregel te oordelen over de tenlasteneming van de bij artikel 1, tweede lid, bedoelde hulpmiddelen, binnen de in dat artikel vastgelegde budgettaire beperking." (...)" 4.
  8. In zoverre de Bijzondere Bijstandscommissie oordeelt of een hulpmiddel kan worden ten laste genomen binnen de in artikel 1, tweede lid, vastgelegde budgettaire beperking van 10% van de vastgelegde kredieten, oefent het een discretionaire bevoegdheid uit: aan de commissie wordt de vrijheid gelaten te beoordelen in welke mate de tenlasteneming van de voor de sociale integratie noodzakelijke kost budgettair haalbaar is. In zoverre de Bijzondere Bijstandscommissie oordeelt of de aanvrager in beginsel aanspraak kan maken op een verhoogde tenlasteneming boven het in de refertelijst voorziene bedrag gelet op de "zeer uitzonderlijke zorgbehoefte" van de persoon met een handicap, oefent zij een gebonden bevoegdheid uit nu de "zeer uitzonderlijke zorgbehoefte" een rechtsbegrip betreft dat de BBC niet naar eigen goeddunken kan invullen, doch dient te beoordelen op grond van de in de wet gestelde voorwaarde, nl. vanuit de globale situatie van de gehandicapte. De rechter kan bijgevolg de beslissing van de BBC beoordelen met volle rechtsmacht en vanuit die optiek overgaan tot marginale toetsing: hij kan verifiëren of de BBC uit de vastgestelde feitelijke gegevens van de zaak wettig heeft kunnen afleiden of de gehandicapte vanuit zijn globale situatie zich al dan niet in een toestand bevindt van "zeer uitzonderlijke zorgbehoefte", m.a.w. of de BBC dat rechtsbegrip niet heeft miskend of gedenatureerd. De elementen waaraan dat rechtsbegrip dient te worden getoetst, werden inmiddels ingevoegd in artikel 19 van het Besluit van 13 juli 2001 bij Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008: "De commissie beoordeelt de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte op basis van de volgende elementen: 1° de persoon met een handicap bevindt zich in een situatie die op een treffende wijze verschilt van die van de groep van personen met soortgelijke beperkingen; 2° de situatie, vermeld in 1°, is het gevolg van factoren als eventuele aanvullende gezondheidsproblemen of de sociale, professionele en gezinssituatie." Ofschoon deze bepaling nog niet toepasselijk was op de litigieuze aanvraag om een bijkomende tegemoetkoming, lijkt het aangewezen dat de beoordeling van de zorgbehoefte van C.V.K. in casu gebeurt aan de hand van de voornoemde criteria die overigens reeds gehanteerd werden in de rechtspraak. Zo oordeelde het arbeidshof te Gent dat "degene die zich beroept op de notie "zeer uitzonderlijke zorgbehoefte" dient aan te tonen dat er in zijn globale situatie - in vergelijking met de groep van aanvragers met een gelijkaardige handicap - zeer specifieke knelpunten zijn van financiële of professionele aard, uitzonderlijke gezondheidsproblemen, verzwarende factoren binnen het gezin, die maken dat het voor hem werkelijk onmogelijk is zich het gevraagde noodzakelijke hulpmiddel aan te schaffen zonder bijzondere tussenkomst van de appellant" (Arbh. Gent, 21 december 2005, onuitg., bundel appellante, st. 11). Nu het hof zodoende van oordeel is dat het de litigieuze beslissing van het VAPH kan toetsen met volle rechtsmacht gelet op de gebonden bevoegdheid van de BBC, verwerpt het het standpunt van het VAPH en de eerste rechters dat de BBC terzake over een discretionaire bevoegdheid zou beschikken zodat de rechter enkel zou kunnen toetsen of de genomen beslissing al dan niet kennelijk onredelijk of onwettig is. In casu werd de aanvraag niet afgewezen omdat het hulpmiddel om budgettaire redenen niet kon toegekend worden - hetgeen een discretionaire beoordeling zou zijn geweest - maar wel omdat C.V.K. niet voldeed aan de in de wetgeving gestelde voorwaarde inzake "zeer uitzonderlijke zorgbehoefte", hetgeen een gebonden bevoegdheid impliceert. 4.
  9. Samen met de eerste rechters stelt het hof vast dat de nieuwe refertelijst welke in voege is getreden op 1 november 2005 (Ministerieel Besluit van 6 oktober 2005) niet van toepassing is op onderhavige betwisting gezien de aanvraag voor volledige tussenkomst voor de installatie van een ‘verticale platformlift voor rolstoelgebruikers type A1 - Artico' gebeurde op 27 juni 2005 en dus voor 1 november 2005 (bundel appellante, st. 4). Om een gelijke behandeling van de aanvragen te garanderen, wordt overeenkomstig artikel 11 van het inschrijvingsbesluit de ingangsdatum van de tenlasteneming bepaald. De op dat ogenblik van toepassing zijnde reglementering dient te worden toegepast (Arbr. Brussel, 12 juli 2004, onuitg., bundel appellante, st. 13). De eerste rechters hebben er bovendien terecht op gewezen dat tegen de beslissing van het VAPH van 9 augustus 2005, waarbij het refertebedrag werd toegekend ten bedrage van 7.543,73 EUR en de zaak werd verwezen naar de BBC, geen hoger beroep werd aangetekend. G.V.K. werpt in zijn besluiten terzake op dat uit de notulen van de BBC dd. 27 januari 2006 niet blijkt van wanneer zijn concrete aanvraag voor specifiek een kokerlift dateert, zodat niet kan vastgesteld worden dat het hier om een aanvraag van voor 1 november 2005 zou gaan. Het hof stelt vast dat G.V.K. zowel in de besluiten in eerste aanleg als in graad van beroep de aard van het gevraagde hulpmiddel betwist (platformlift of kokerlift). Op 24 juni 2005 deed G.V.K. bij het VAPH een aanvraag voor tussenkomst in een aantal hulpmiddelen. Nummer 1 in de vragenlijst betrof de tussenkomst in de aankoop van een verticale platformlift voor rolstoelgebruikers type A1 - Aritco (bundel appellante, st. 4). Op 30 juni 2005 maakte hij aan het VAPH een gedetailleerde prijsofferte over voor de platformlift (bundel appellante, st. 5), waarna het VAPH bij beslissing van 9 augustus 2005 het refertebedrag voor een platformlift toekende, zijnde 7.543,73 EUR (bundel appellante, st. 6). Bij brief van 19 augustus 2005 maakte G.V.K. de prijsofferte over aan het VAPH van de hulpmiddelen waarvoor hij een 100 % tussenkomst van het VAPH vraagt en vroeg hij "deze offerte samen met de offertes voor verticale platformlift te laten bespreken voor de Bijzondere Bijstandscommissie." (bundel appellante, st. 7) Op 18 oktober 2005 richt G.V.K. een brief aan het VAPH waarin hij het volgende stelt: "In bijlage zenden wij u het aangepaste bouwplan. Hierbij kunt u al de inplanting van de personenlift, alsook het railsysteem voor de plafondlift terugvinden. Wij hopen door dit aangepaste plan u toe te sturen dat dit alsnog kan dienen ter verduidelijk naar de Bijzondere Bijstandscommissie te Brussel.(...)" (bundel appellante, st. 8) Bij brief van 14 februari 2006 deelt het VAPH haar beslissing mee geen tegemoetkoming te verlenen voor "een bijdrage in het factuurbedrag van bijkomende tussenkomst lift" (bundel appellante, st. 10) omdat de BBC in haar vergadering van 27 januari 2006 de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte niet erkent inzake "verhoging lift" (bundel appellante, st. 9). In zijn beroepsbesluiten (p. 3) voert G.V.K. aan dat hij "in wezen bedoelde een tussenkomst aan te vragen voor een kokerlift, hetgeen hij pas na zijn eerdere aanvraag doorhad en besefte; Om die reden bezorgde (hij) op 18 oktober 2005 aan appellant V.A.P.H. een aangepast bouwplan en vroeg hij toen om de zaak voor de Bijzondere Bijstandscommissie voor te brengen". Het hof stelt vast dat deze argumentatie niet ernstig is. De keuze voor een verticale platformlift boven een ander soort lift op het vlak van de verticale circulatie in de nieuwbouwwoning bleek weloverwogen zoals blijkt uit het bij de aanvraag gevoegd verslag van de toegankelijkheidsadviseur van de VZW ATO dd. 20 juni 2005 (bundel appellante, st. 4): "In eerste instantie werd door de familie geopteerd voor een traplift op een 140 cm brede trap. Dit had tot gevolg dat er min. 2 rolstoelen dienden aanwezig te zijn, dat er meer manipulaties dienden te gebeuren met Christophe wat soms lijdt tot spasmen en onrust. Uiteindelijk, na overleg is een verticale platformlift voor het welzijn van Christophe de beste oplossing, zonder te moeten overgaan tot het installeren van een huislift die een nog groter oppervlakte zou innemen. Immers het voorgestelde type van platformlift kan ingebouwd worden in de inkomhal en kan bij niet gebruik als circulatieruimte fungeren, wat bij een huislift niet kan." Het hof stelt bovendien vast dat G.V.K. bij zijn aanvraag om tegemoetkoming in de kosten voor de "verticale platformlift voor rolstoelgebruikers type A1 - Artico" plannen heeft gevoegd van de nieuwbouwwoning opgesteld door de toegankelijkheidsadviseur van de V.Z.W. ATO waarop de inplanting van de verticale platformlift zeer duidelijk te zien is (bundel appellante, bijlage aan st. 4) In de aanhef van de offerte voor de verticale platformlift, die G.V.K. op 30 juni 2005 overmaakte aan het VAPH, wordt gepreciseerd dat "de Aritco A1-Platformlift de ideale vervanger is van een normale personenlift, waarvoor echter geen liftschacht, liftput en machinekamer dient voorzien te worden." In die brief heeft G.V.K. het overigens duidelijk over de prijsofferte "voor platformlift type A1". Uit bovenstaande elementen blijkt overduidelijk dat G.V.K. zeer goed wist dat zijn aanvraag betrekking had op een verticale platformlift, en niet op een personenlift, waaromtrent de adviseur van de VZW ATO, na overleg, negatief had geadviseerd. Het hof besluit dan ook dat door G.V.K. geen aanvraag werd gericht tot het VAPH voor tussenkomst in een personenlift of kokerlift. De omstandigheid dat hij, na bij brief van 19 augustus 2005 aan het VAPH te hebben gevraagd "de offertes voor Verticale platformlift te laten bespreken voor de Bijzondere Bijstandscommissie", plots zonder enige uitleg ‘ter verduidelijking' een bouwplan overmaakt met de inplanting van een personenlift zonder dat er van een dergelijke lift voordien sprake was, vermag hieraan geen afbreuk te doen. Het hof stelt ten overvloede vast dat, mocht die brief van G.V.K. als een aanvraag om tussenkomst in een personenlift worden beschouwd, quod non, deze aanvraag hoe dan ook dateert van voor 1 november 2005, ogenblik waarop de nieuwe refertebedragen zijn in voege getreden. In haar aanvullende besluiten voor de eerste rechters (st. 10) heeft het VAPH er op gewezen dat het onderscheid in platform- of kokerlift haar beslissing echter niet kon beïnvloeden nu zij dit onderscheid pas sinds 1 november 2005 toepast en zij voor die datum slechts één refertebedrag (van 7.543,73 EUR) toekent, ongeacht het soort lift. Nu het VAPH tevens tot de bevinding kwam dat er in hoofde van C.V.K. geen sprake kan zijn van een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte zodat niet voldaan was aan de voorwaarde om een bijkomende tussenkomst te verlenen boven voormeld refertebedrag, was het onderscheid tussen de twee soorten liften inderdaad niet relevant. In de hypothese dat het hof evenwel zou oordelen dat Christophe zich wel degelijk in een situatie bevindt van zeer uitzonderlijke zorgbehoefte, wordt dit onderscheid wel relevant nu hij alsdan wel in aanmerking komt voor een bijkomende tegemoetkoming in de kosten van de lift boven het reeds toegekende refertebedrag van 7.543,73 EUR. Die vaststelling is des te pertinenter nu het openbaar ministerie vanuit die optiek in haar schriftelijk advies aanbeveelt om het bedrag van de tussenkomst in de lift op te trekken naar het bedrag voor een kokerlift vermeld in de refertelijst van toepassing vanaf 1 november 2005, zoals ingevoerd bij Ministerieel Besluit van 6 oktober 2005 (18.190 EUR). Nu G.V.K. evenwel geen aanvraag heeft gedaan bij het VAPH voor tussenkomst in een kokerlift, dient het nieuw refertebedrag voor een plateaulift desgevallend in aanmerking te worden genomen (10.285 EUR). 4.
  10. De weigeringsbeslissing, die het hof met volle rechtsmacht kan toetsen, is gesteund op het gegeven dat de BBC de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte niet erkent om reden "dat de bebouwde oppervlakte voldoende groot is om badkamer en slaapkamer op het gelijkvloers te plaatsen". (bundel appellante, st. 10) Het hof stelt vast dat die redengeving tegengesproken wordt door de elementen van het dossier. Zulks blijkt niet alleen uit de plannen van de nieuwe woning, maar ook uit volgende passus uit het verslag van de toegankelijkheidsadviseur van de VZW ATO dd. 20 juni 2005: "Gezien de volledige rolstoelafhankelijkheid van Christophe, de daardoor ontstane benodigde meeroppervlakte en de noodzaak te voldoen aan de stedenbouwkundige voorschriften i.v.m. bouwzones, bleek tijdens het voorontwerp dat zowel de aangepaste badkamer als de slaapkamer van Christophe zich op de verdieping dienden te situeren waardoor een liftsysteem noodzakelijk werd. Ook diende er op de verdieping een systeem voorzien te worden om Christophe op een logische, praktische manier te verplaatsen van uit het bed naar de badkamer d.m.v. een tillift op rail" (bundel appellante, bijlage aan st. 4). De motivering van de weigeringsbeslissing dd. 14 februari 2006 valt bovendien niet te verzoenen met de beslissing van het VAPH over de bijstandskorf VF/2052 van C.V.K. dd. 9 augustus 2005 waarbij hem hulpmiddelen werden toegekend ervan uitgaande dat diens slaapkamer en badkamer zich wel degelijk op de verdieping van de nieuwbouwwoning bevinden (cfr. lift, onderhoudscontract lift, til of verplaatsingssysteem op rail, onderhoudscontract van dit systeem). Nu het VAPH het refertebedrag voor de lift had toegekend, hetgeen impliceert dat zij akkoord ging met de inrichting van de slaapkamer en badkamer van Christophe op de verdieping, kon de BBC op dat principe niet meer terugkeren ter gelegenheid van de beoordeling van de zorgbehoefte van Christophe. Het hof stelt bovendien vast dat de BBC die zorgbehoefte niet beoordeeld heeft vanuit het enig wettelijk criterium, nl. "de globale situatie van de persoon" (cfr. Art. 19, B. Vl. R.13 juli 2001). Vanuit die optiek stelt het hof vast dat C.V.K. zwaar fysiek gehandicapt is: hij is continu rolstoelgebonden, heeft een grote visuele handicap en tevens epilepsie. Bovendien is hij ook zwaar mentaal gehandicapt: hij leeft in zijn eigen wereld en heeft geen echt contact met zijn medebewoners nu verbale communicatie onmogelijk is. Buiten zijn stereotiepe tikken tegen zijn voorhoofd of tanden, is hij zich niet verder bewust van zijn lichaamsfuncties. Hij heeft permanent, dus ook 's nachts, controle nodig en kent totaal geen zelfredzaamheid. Christophe heeft intensieve verzorging nodig en moet bijgestaan worden voor elke activiteit van het dagelijks leven. Deze verzorging wordt moeilijker naarmate hij ouder en zwaarder wordt. Volgens de geneesheer van de Dienst voor geneeskundige Controle van het RIZIV vertoont Christophe een ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid van 100% sedert 30 oktober 1990 welke definitief is (bundel appellante, st. 4, 2de blad, keerzijde). Volgens het algemeen attest van het Ministerie van Sociale Voorzorg dd. 6 november 1992 is Christophe o.m. getroffen door volledige blindheid sedert 1 april 1991 en voor onbepaalde duur (bundel appellante, st. 4, 3de blad). Zoals de eerste rechters hebben vastgesteld is het duidelijk dat Christophe zelf onvoldoende inkomsten heeft om de kosten van de lift te betalen. Hij zal nooit in staat zijn zelf een inkomen te verwerven, laat staan een beroepswerkzaamheid op regelmatige basis uit te oefenen. De tegemoetkomingen waarop hij aanspraak kan maken via de FOD Sociale Zekerheid zijn nauwelijks toereikend om de kosten van zijn instelling te betalen. De inkomsten van G.V.K. zijn weliswaar vrij hoog, doch een deel van deze inkomsten dienen aangewend te worden voor de extra kosten van de instelling en de verzorging van Christophe gedurende de weekends en vakantieperiodes. Hij bouwt bovendien, speciaal voor zijn zoon, een nieuwe woning, volledig aangepast aan zijn handicap, nu het onmogelijk bleek de bestaande woning daartoe te verbouwen. De verantwoording van de nieuwbouw blijkt uit de studie van de toegankelijkheidsadviseur van het ATO (bundel appellante, bijlage aan st. 4). Het lijdt geen twijfel dat de kosten van een nieuwe woning, met de extra uitgaven om deze woning aan te passen aan de situatie van Christophe (cfr. o.m. grotere oppervlakte van de ruimten ingevolge het gebruik van een rolstoel), zwaar door zullen wegen op het gezinsbudget. Zoals het openbaar ministerie in haar schriftelijk advies, komt het hof tot het besluit dat de zeer zware meervoudige handicap van Christophe, gepaard gaande met blindheid, epilepsie, gedrags- en communicatiestoornissen, de kostprijs van de door de handicap genoodzaakte nieuwbouw, met de aanzienlijke meerkost voor de aanpassing aan deze handicap, en de omstandigheid dat hijzelf geen beroepsactiviteit kan uitoefenen om deze kosten te financieren - kortom de globale situatie van Christophe - wijst op een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte in de zin van artikel 19 van het BVR van 13 juli
  11. Hij bevindt zich wel degelijk in een situatie die op een treffende wijze verschilt van die van de groep van personen met soortgelijke beperkingen gelet op zijn uitermate erge gezondheidsproblemen, zijn professionele beperkingen en gezinssituatie. Er bestaat dan ook aanleiding toe het bestreden vonnis te bevestigen waar het de bestreden beslissing van het VAPH dd. 14 februari 2006 wat betreft de lift vernietigt en voor recht zegt dat er in casu sprake is van een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte. De eerste rechters hebben terecht vastgesteld dat zij niet bevoegd zijn om zelf de tegemoetkoming voor de lift te bepalen en dienvolgens de verzending bevolen van het administratief dossier naar de Bijzondere Bijstandscommissie. De eerste rechters gaan er evenwel verkeerdelijk van uit als zou de bestreden beslissing van het VAPH dd. 14 februari 2006 betrekking hebben op een "kokerlift" nu G.V.K. een aanvraag om tegemoetkoming heeft gedaan voor een plateaulift, inzonderheid een verticale platformlift voor rolstoelgebruikers van het type A1 - Aritco (cfr. supra). Zulks is van belang nu de Bijzondere Bijstandscommissie het bedrag zal bepalen van de bijkomende tegemoetkoming in de kosten van de lift boven het reeds toegekende refertebedrag in functie van de budgettaire beperkingen en mogelijkheden, en bij die afweging desgewenst rekening zou kunnen houden met de op 1 november 2005 in voege getreden nieuwe refertebedragen welke verschillend zijn voor een kokerlift (18.190 EUR) en een plateaulift (10.285 EUR). OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Gehoord mevrouw R. VAN STRYDONCK, eerste advocaat-generaal, in de voorlezing van haar schriftelijk advies, dat tevens neergelegd werd op de openbare terechtzitting van 12 maart 2009 en waarop partijen niet repliceerden. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Zegt verder voor recht dat de aanvraag om bijkomende tegemoetkoming waarover de bestreden beslissing van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap van 14 februari 2006 geoordeeld heeft, en de Bijzondere Bijstandscommissie zich opnieuw zal moeten uitspreken, betrekking heeft op een plateaulift. Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen dd. 14 februari 2007 (A.R. nr. 386.532), zij het op deels andere gronden. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellante; Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding. Laat de kosten aan de zijde van appellante onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen door: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE BOECK, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door P. DEVOCHT, griffier en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zesde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting van 23 april
  12. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.14 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940114.19 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051124.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.