← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.15 Rolnummer: 2008-0374 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-06-09 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 19:37 Fiche De meting van de zelfredzaamheid maakt een integrerend deel uit van de administratieve beslissing. Het beroep van een gerechtigde tegen deze beslissing kan er niet toe leiden dat de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid van de integratietegemoetkoming zou kunnen verminderd worden ten nadele van de aanlegger, ook niet per rubriek. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Tegemoetkoming - Algemeen Vrije woorden: Sociale voorzorg - tegemoetkoming aan gehandicapten - bedrag van de tegemoetkomingen - gehandicapten - integratietegemoetkoming - gerechtelijk recht - rechtsvordering - omvang - geen vermindering evaluatiegraad van zelfredzaamheid mogelijk, ook niet per rubriek Wettelijke bepalingen: Wet - 27-02-1987 - 6 - 31 ELI link Pub nr 1987022077 Annotaties Publicaties: SRK 2010 - - nr. 8, blz. 439-441 Tekst van de beslissing zesde kamer eindarrest op tegenspraak mindervaliden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST AR nr. 2080374 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: G.D.B., wonende te ..., appellante, verschijnend bij mr. T. Romain, advocaat te Antwerpen, tegen: DE FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, aan de Zwarte Lievevrouwstraat 3 C, geïntimeerde, verschijnend bij mr. P. De Backer, advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 11 september 2008 en 12 maart

  1. Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - het inleidend verzoekschrift uitgaande van G.D.B., aangetekend verzonden en ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 26 december 2006; - het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 mei 2007, waarbij een geneesheer-deskundige werd aangesteld, nl. dr. M. Van Melkebeke; - het deskundig verslag van dr. M. Van Melkebeke, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 maart 2008; - het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 18 juni 2008, betekend aan partijen op 24 juni 2008 overeenkomstig artikel 792, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van G.D.B., neergelegd op de griffie van dit hof op 23 juli 2008; - de beschikking d.d. 20 oktober 2008 met toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek; - de conclusie voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit hof op 1 december
  2. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 12 maart 2009 overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 12 maart 2009, waarna de debatten werden gesloten. Mevrouw R. Van Strydonck, eerste advocaat-generaal, werd gehoord in haar mondeling advies, waarop partijen niet repliceerden en het hof de zaak in beraad nam.
  3. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep werd naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.
  4. Feiten en voorgaanden. G.D.B. diende op 9 juni 2005 een aanvraag in tot het bekomen van een inkomensvervangende tegemoetkoming en een integratietegemoetkoming bij de diensten van huidig geïntimeerde. Zij lijdt aan congenitale agenesie van het grootste gedeelte van de rechtervoorarm en rechterhand. Daarbovenop heeft zij last van overbelastingsverschijnselen ter hoogte van het linker bovenste lidmaat, cervicale arthrose en heeft klachten aan heupen en knieën. Bij administratieve beslissing d.d. 23 oktober 2006 werd aan G.D.B. het volgende meegedeeld: "Alhoewel U voldoet aan de medische voorwaarden worden met ingang van 1 juli 2005 zowel de inkomensvervangende als de integratietegemoetkoming geweigerd of afgeschaft aangezien het bedrag van de in aanmerking te nemen inkomsten, het bedrag van de wettelijke voorziene tegemoetkoming te boven gaat (wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.)" Op 18 september 2006 werd aan G.D.B. een Algemeen Attest afgeleverd, met als datum van de kennisgeving 18 september 2006, waarin de FOD Sociale Zekerheid erkent dat mevrouw De Bock vanaf 1 juli 2005 en voor onbepaalde duur getroffen is door: - "Een vermindering van het verdienvermogen tot een derde of minder. Deze vermindering van verdienvermogen stemt overeen met een ongeschiktheid van ten minste 66%. - Een vermindering van zelfredzaamheid van 10 punten. Deze vermindering stemt overeen met een ongeschiktheid van ten minste 66%; - Een vermindering van de zelfredzaamheid inzake het criterium "verplaatsingsmogelijkheden" ten belope van 2 punten." Anderzijds vermeldt dit Algemeen Attest dat G.D.B. niet getroffen is door: - "Volledige blindheid. - Een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50% bedraagt. - Een volledige verlamming of amputatie van de bovenste ledematen." G.D.B. kon zich hierin niet vinden en tekende op 26 december 2006 beroep aan tegen de voormelde administratieve beslissing en het Algemeen Attest bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Zij meende aanspraak te kunnen maken op een hogere categorie voor de integratietegemoetkoming. Zij steunde zich hierbij op het advies van haar behandelend arts, dr. G. Gillard, die een totaal van 14 punten weerhield, of categorie
  5. De eerste rechters stelden met tussenvonnis van 16 mei 2007 dr. M. Van Melkebeke aan als deskundige met de opdracht de juiste graad van gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid van G.D.B. vanaf 1 juli 2005 vast te stellen (in het kader van de integratietegemoetkoming) en bovendien te onderzoeken of zij getroffen is door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50% bedraagt en/of een volledige verlamming of amputatie van de bovenste ledematen (in het kader van het Algemeen Attest). Dr. M. Van Melkebeke diende op 3 maart 2008 zijn verslag in ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen waarin hij de zaak als volgt besprak: "Mevrouw G.D.B. is aangetast door een congenitale agenesie van het grootste gedeelte van rechter voorarm en hand. Benevens deze evidente handicap lijdt zij bovendien aan overbelastingsverschijnselen ter hoogte van het linker bovenste lidmaat en cervicartrose. Zij vertoont ook klachten aan de heupen en knieën. Het klinisch onderzoek bevestigt de agenesie van rechter voorarm en hand, maar toont een goede functie van het aanwezige gedeelte van het rechter bovenste lidmaat. De functie van het linker bovenste lidmaat is goed. Er kan hier hoogstens een beperkte tendinopathie worden weerhouden aan schouder, elleboog en pols. Er is ook sprake van rhizarthrose, maar waarvan er eigenlijk nauwelijks klinische verschijnselen zijn. Er is minimale arthrose van de vingers. De functie van de lumbale wervelzuil is goed. De functie van de onderste ledematen is goed. In functie van al deze gegevens meen ik als volgt op de vragen van de Rechtbank te kunnen antwoorden: De graad van zelfredzaamheid op basis van het Ministrieel Besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling va de categorieën en handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op integratietegemoetkoming (B.S. van 6.8.1987), genomen ter uitvoering van artikel 9 van de wet van 27 januari 1987 en artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 6 juli 1987, wordt bepaald als volgt: I. Verplaatsingsmogelijkheden: quotatie:
  6. II. Mogelijkheden om zijn voedsel te nuttigen of te bereiden: quotatie:
  7. III. Mogelijkheid om voor zijn persoonlijke hygiëne in te staan en zich te kleden: quotatie:
  8. IV. Mogelijkheid om de woning te onderhouden en huishoudelijk werk te verrichten: quotatie:
  9. V. Mogelijkheden om te leven zonder toezicht, bewust te zijn van een gevaar en het gevaar te kunnen vermijden: quotatie:
  10. VI. Mogelijkheden tot communicatie en sociaal contact: quotatie:
  11. Dit brengt ons tot een totaal van 10 punten. Wat betreft de integratietegemoetkoming wordt de zelfredzaamheid van mevrouw G.D.B. vanaf 01/07/2005 bepaald op 10 punten op een totaal van 18 punten. Er is sinds die datum geen wijziging ingetreden in de vermindering van zelfredzaamheid. Betreffende de vraag of patiënte getroffen is door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en tenminste 50% bedraagt en betreffende de vraag van een volledige verlamming of amputatie van de bovenste ledematen, op deze beide vragen, rekening houdend met het K.B. van 08/02/2006, dient op beide vragen negatief te worden geantwoord." Er werden voor G.D.B. nog opmerkingen geformuleerd op het voorverslag die als volgt door de gerechtsdeskundige werden beantwoord: "Het verslag werd op 17/12/2007 aan de raadslieden en raadsgeneesheren van de partijen opgestuurd met verzoek eventuele opmerkingen te formuleren voor 17/01/
  12. Dokter G. GILLARD liet mij op 16/01/2008 weten dat hij nog opmerkingen wenste te formuleren. Dd. 07/02/2008 heb ik deze opmerkingen ontvangen: Dokter G. GILLARD meent dat de graad van verlies van zelfredzaamheid van mevrouw G.D.B. ten minste 12 punten bedraagt. Het verslag van Dokter G. GILLARD wordt in bijlage gevoegd. Ik kan de beoordeling van Dokter GILLARD niet volgen. Ik meen dat hij de restmogelijkheden van mevrouw G.D.B., die met haar aangeboren afwijking toch gedurende 27 jaar werkzaam is geweest op het Ministerie van Landsverdediging, onderschat. Zo meen ik dat mevrouw G.D.B. — en dit blijkt duidelijk uit het klinisch onderzoek en de klachten, beschreven pagina 5 en 6 van het onderhavig verslag — nauwelijks moeilijkheden heeft voor de verplaatsing. De mogelijkheden om voedsel te nuttigen en te bereiden zijn slechts in beperkte mate aangetast en verdienen zeker geen quotatie
  13. Hetzelfde moet ook gezegd worden van de mogelijkheden om voor haar persoonlijke hygiëne in te staan en zich te kleden. Voor het onderhoud van de woning heb ik reeds een quotatie 3 toegekend. Er is helemaal geen reden om aan te nemen dat er meer dan lichte beperkingen zouden zijn voor het leven zonder toezicht en de communicatie en het sociaal contact. Het spijt mij dus geen gevolg te kunnen geven aan het verzoek tot herevaluering, zoals geformuleerd door Dokter G. GILLARD. Ik zie geen reden om de oorspronkelijke besluitvorming wat de integratietegemoetkoming betreft te wijzigen. Verder dien ik vast te stellen dat ik in het verslag, zoals ik het in voorlezing heb opgestuurd, geen antwoord heb gegeven op de vragen van de Rechtbank wat betreft het "Algemeen Attest". Deze vragen worden uiteraard eveneens beantwoord in de hieronder volgende definitieve besluitvorming." De deskundige bleef bij zijn initieel besluit. Met eindvonnis van 18 juni 2008 sloten de eerste rechters zich aan bij de bevindingen van de gerechtsdeskundige en verklaarden de vordering van G.D.B. ongegrond, bevestigden de bestreden beslissing d.d. 23 oktober 2006 en 28 september 2006 "Met dien verstande dat het gebrek aan zelfredzaamheid geëvalueerd dient te worden op 11 punten in plaats van 10 punten". De FOD Sociale Zekerheid werd verwezen in de kosten van het geding. Bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 23 juli 2008, tekende G.D.B. hoger beroep aan.
  14. Eisen in hoger beroep: - G.D.B., appellante, vordert haar hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, vervolgens het bestreden vonnis te hervormen als volgt: voor recht te zeggen dat haar oorspronkelijke vordering wel gegrond is en zij in aanmerking dient te komen voor minstens een totaalscore van 12 punten verminderde zelfredzaamheid, of categorie
  15. Tenslotte vordert zij de veroordeling van geïntimeerde tot de gerechtskosten. De raadsman van appellante verklaarde zich op de openbare terechtzitting van 12 maart 2009 akkoord met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober
  16. - De FOD Sociale Zekerheid, geïntimeerde, vordert het hoger beroep ongegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in alle beschikkingen. Kosten als naar recht.
  17. Beoordeling. Het hof dient te oordelen welke de graad van zelfredzaamheid is van G.D.B. vanaf 1 juli 2005 met het oog op de toekenning van de integratietegemoetkoming. De eerste rechters hebben daartoe een gerechtsdeskundige aangesteld, met name dr. Van Melkebeke, die besloot tot een totaalscore van 10 punten. De eerste rechters hebben zich aangesloten bij de medische bevindingen van dr. Van Melkebeke, behalve voor wat betreft de rubriek "verplaatsing" waarvoor 2 punten werden toegekend in plaats van één punt, omdat de geneesheer-expert van de FOD Sociale Zekerheid zelf 2 punten had toegekend voor deze rubriek. De arbeidsrechtbank overwoog terecht dat de meting van de zelfredzaamheid een integrerend deel uit maakt van de administratieve beslissing en dat het beroep van een gerechtigde tegen deze beslissing er niet toe kan leiden dat de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid voor de integratietegemoetkoming zou kunnen verminderd worden ten nadele van de aanlegger, ook niet per rubriek. De graad van zelfredzaamheid van G.D.B. werd door de eerste rechters bepaald op 11 punten. Appellante meent aanspraak te kunnen maken op een integratietegemoetkoming categorie 3, en is van mening dat zij minstens in aanmerking komt voor een totaalscore van 12 punten. Zij argumenteert dat voor de rubrieken "voeding" en "persoonlijke hygiëne" een hogere score dient te worden toegekend, zijnde 3 punten in plaats van 2 punten, zijnde het standpunt van haar behandelende arts, dr. Gillard. Geïntimeerde daarentegen sluit zich aan bij het bestreden vonnis en gedraagt zich naar de wijsheid van het Arbeidshof wat betreft de toekenning van 11 punten, wat nog steeds categorie 2 inhoudt voor de integratietegemoetkoming. Geïntimeerde argumenteert dat er geen enkele reden is om voor de rubrieken "voeding" en "persoonlijke hygiëne" 3 punten toe te kennen, nu appellante hiervoor geen nieuwe medische elementen naar voor brengt en haar argumentatie dezelfde is als in eerste aanleg (waaronder de opmerkingen van dr. Gillard). Het hof stelt vast dat de eerste rechters terecht oordeelden dat voor de rubriek "verplaatsing" twee punten dienen toegekend te worden in plaats van één punt, nu de geneesheer-expert van geïntimeerde zelf reeds 2 punten had toegekend voor deze rubriek. De eerste rechters hebben terecht verwezen naar de vaste rechtspraak van dit hof in dit verband. Wat betreft de overige rubrieken stelt het hof vast dat het deskundig verslag van dr. Van Melkebeke volledig en nauwgezet werd opgesteld. De opmerkingen welke werden geformuleerd voor appellante door dr. Gillard werden door de deskundige afdoende beantwoord. Het betreft een duidelijk verslag met een omstandige motivering. Er werden naar aanleiding van de procedure in hoger beroep geen nieuwe medische elementen aangebracht. Het hof sluit zich dan ook aan bij de bevindingen van dr. Van Melkebeke met betrekking tot de betwiste rubrieken "voeding" en "persoonlijke hygiëne"; uit de voorliggende gegevens van het deskundig verslag blijkt dat voor deze rubrieken niet kan worden besloten tot de onmogelijkheid zonder hulp van derden. Dr. Van Melkebeke weerhield voor deze rubrieken terecht grote moeilijkheden of 2 punten. Gelet op wat voorafgaat, besluit het hof dat de graad van zelfredzaamheid vanaf 1 juli 2005 dient te worden bepaald op een totaal van 11 punten, te weten: - verplaatsing : 2 punten - voeding : 2 punten - persoonlijke hygiëne : 2 punten - onderhoud woning : 3 punten - toezicht : 1 punt - communicatie en sociale contacten : 1 punt Dit stemt overeen met een integratietegemoetkoming categorie 2, zijnde de categorie die werd weerhouden in de administratieve beslissing van de FOD Sociale Zekerheid d.d. 23 oktober
  18. Het hof bevestigt bijgevolg het bestreden vonnis. Het hoger beroep is ongegrond OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord mevrouw R. VAN STRYDONCK, eerste advocaat-generaal, in haar eensluidend mondeling advies, gegeven op de openbare terechtzitting van 12 maart 2009, waarna partijen niet repliceerden. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen 18 juni 2008 (AR 06/394.306/A). Verwijst geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep met toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellante op 145,78 EUR rechtsplegingsvergoeding met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober
  19. Laat de kosten aan de zijde van geïntimeerde onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen door: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE BOECK, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door de heer P. DEVOCHT, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zesde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting van 23 april
  20. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090423.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.