← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090525.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090525.15 Rolnummer: 2008-0415 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2012-04-12 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 19:49 Fiche De werknemer bevindt zich op de arbeidsplaats wanneer hij, na zijn normale werkzaamheden als kelner in een café, samen met collega's en de gerante naar een ander restaurant trekt om te eten, waar hij nadien, na het vertrek van de gerante, nog een uur blijft om de gerant van het restaurant te helpen met de opruim. Ook al stond deze activiteit buiten de eigenlijke werkuren en waren de werknemers, formeel gezien, vrij eraan deel te nemen, betrof het een groepsactiviteit waar nog kon nagekaart worden over de voorbije werkzaamheden in het café, en stond de werknemer derhalve onder het virtueel gezag van de werkgeefster. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering - Algemeen Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SECTOR - begripsomschrijving - ongeval op de weg naar of van het werk - uitvoering van de arbeidsovereenkomst - virtueel werkgeversgezag - groepsactiviteit na normaal werk Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 8, § 1, 2de lid - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 5, blz. 239-241 Tekst van de beslissing zevende kamer eindarrest op tegenspraak arbeidsongeval ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST AR 2080415 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: NV FIB, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, E. Jacquemainlaan 53, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 345.622, KBO nr. 0404.494.849, appellante, verschijnend bij mr. T. Claes loco mr. C. Van Vliet, advocaat te Antwerpen, tegen: N.M., wonende te 2880 Bornem-Hingene, dr. Walter Meesstraat 11, in haar hoedanigheid van erfgename van wijlen de heer S.V.W., geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door mevrouw L. Van Loock, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, met volmacht. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 13 oktober 2008 en 27 april

  1. Gelet op de stukken van de rechtspleging onder meer: * de dagvaarding uitgaande van N.M., in haar hoedanigheid van erfgename van de heer S.V.W., betekend op 1 december 2006 aan de NV FIB door J. Vanvelde, plaatsvervanger voor G. Labranche, gerechtsdeurwaarder met standplaats te Brussel; * het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 23 juni 2008, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van de NV FIB, neergelegd op de griffie van dit hof op 2 september 2008 en regelmatig ter kennis gebracht aan geïntimeerde met toepassing van artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; * de beschikking d.d. 17 november 2008 met toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek; * de conclusie voor geïntimeerde, aangetekend verzonden en ontvangen op de griffie van dit hof op 24 december 2008; * de conclusie voor appellante, neergelegd op de griffie van dit hof op 2 februari 2009; * de syntheseconclusie voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 3 maart
  2. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 27 april
  3. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 27 april 2009, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.
  4. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
  5. Feiten en voorgaanden. Wijlen S.V.W. was de echtgenoot van mevrouw N.M.. Hij werkte bij de BVBA P. te Aalst als kelner in bijberoep, waarvan de NV FIB, verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd, de arbeidsongevallenverzekeraar is. Op 11 november 2004 beëindigde S.V.W. zijn werk in het café te Aalst omstreeks 4 uur (sluitingsuur voor het publiek) en is daarna met zijn collega's nog iets gaan eten in restaurant "L." te" Aalst, waar hij omstreeks 7.30 vertrok naar huis (te Hingene). Onderweg, meer bepaald op de autoweg A12 ter hoogte van kilometerpaal 8 te Meise, is hij van de weg afgereden en is daarbij overleden. Het verkeersongeval gebeurde omstreeks 8 uur. Met schrijven van 6 januari 2005 deelde de wetsverzekeraar aan mevrouw M. mee dat voormeld dodelijk ongeval niet kon worden beschouwd als een ongeval op de weg naar of van het werk omdat het ongeval niet is "voorgevallen op het normale traject tussen de werkplaats en de verblijfplaats; er is een belangrijke onderbreking in tijd, niet gerechtvaardigd door overmacht." Aangezien mevrouw M. hiermee niet akkoord kon gaan dagvaardde zij op 1 december 2006 de wetsverzekeraar voor de arbeidsrechtbank te Mechelen. Zij vorderde te zeggen voor recht dat S.V.W. op 11 november 2004 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval in de zin van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de wetsverzekeraar te veroordelen tot betaling van de wettelijke vergoedingen ingevolge het dodelijk verkeersongeval dat wijlen haar echtgenoot trof. Bovendien vorderde ze de wetsverzekeraar te veroordelen tot betaling van de intresten op de achterstallige vergoedingen en tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vorderde N.M., alvorens recht te doen, haar toe te laten met alle rechtsmiddelen, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat haar echtgenoot op 11 november 2004 het slachtoffer werd van een dodelijk arbeidsongeval en in dit geval de kosten aan te houden. Tenslotte vorderde zij de veroordeling van de wetsverzekeraar tot de gerechtskosten en de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het uit te spreken vonnis. Met eindvonnis van 23 juni 2008 oordeelden de eerste rechters dat in casu wijlen S.V.W. zich op de normale arbeidsweg bevond om een verplichting na te komen die voortvloeide uit zijn arbeidsovereenkomst en dat deze verplichting een morele collegiale gewoonte was, op uitdrukkelijk verzoek van de zaakvoerster ter bevordering van de goede sfeer onder de personeelsleden, om na het werk samen nog iets te gaan eten of te drinken. De eerste rechters besloten dat het oponthoud van wijlen S.V.W. zeker niet belangrijk was in de geschetste context omdat het oponthoud maximaal 1,5 uur kan hebben geduurd. De vordering van N.M. werd dan ook ontvankelijk en gegrond verklaard en de eerste rechters veroordeelden de wetsverzekeraar tot betaling aan N.M. van de volgende wettelijk voorziene vergoedingen: - de tussenkomst in de begrafeniskosten ten bedrage van dertigmaal het gemiddeld dagloon; - de tussenkomst in de kosten voor het overbrengen van het stoffelijk overschot naar de plaats waar de familie haar overledene wenst te begraven. Bovendien veroordeelden de eerste rechters de wetsverzekeraar tot betaling aan N.M. "van een lijfrente gelijk aan 30% van het basisloon, berekend op een basisloon dat zal blijken uit een tegensprekelijk geschrift van akkoord dat partijen zullen hechten aan huidig vonnis. Verleent partijen in afwachting van dit akkoord, een voorbehoud in verband met dit basisloon." De wetsverzekeraar werd veroordeeld tot betaling van de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Tenslotte werd het vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. De wetsverzekeraar kon zich niet vinden in voormeld vonnis van 23 juni 2008 en tekende bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 2 september 2008, hoger beroep aan.
  6. Eisen in hoger beroep. - De NV FIB, appellante, vordert haar hoger beroep ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis volledig teniet te doen en de oorspronkelijke dagvaarding ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. "Kosten als naar recht". - N.M., geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot betaling van de kosten.
  7. Beoordeling. 4.
  8. In voorliggend geval dient het hof te oordelen of S.V.W., echtgenoot van geïntimeerde, op 11 november 2004 omstreeks 8 uur het slachtoffer werd van een arbeidswegongeval met de dood tot gevolg. Het is de weduwe van wijlen S.V.W. die de bewijslast draagt. Over het feit dat er zich een letsel en een plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan, bestaat er als dusdanig geen betwisting. 4.
  9. Overeenkomstig artikel 8, §1, lid 1 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt eveneens als arbeidsongeval aangezien "het ongeval dat zich voordoet op de weg naar en van het werk". Lid 2 van bovenvermeld artikel bepaalt dat onder de weg naar en van het werk wordt verstaan het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt en omgekeerd. De wetgever heeft zelf geen theoretische omschrijving gegeven van wat onder dit "normale" traject dient verstaan te worden. De voorbereidende werken laten er echter geen twijfel over bestaan dat een zeer brede interpretatie moet gegeven worden aan het begrip "normaal traject". Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt het begrip "normaal traject" gedefinieerd door rekening te houden met de normale tijd en de normale weg tussen de verblijfplaats en de werkplaats, of m.a.w. het normale traject veronderstelt een wegaflegging die zowel op chronologisch als op geografisch vlak als normaal kan worden aangemerkt. (Cass. 26 januari 1977, R.W. 1977-78, 685) Overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, die dit hof bijtreedt, blijft het traject normaal in de zin van artikel 8, § 1, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet indien:
  10. de omweg onbeduidend is;
  11. de omweg weinig belangrijk is en te verantwoorden door een wettige reden;
  12. de omweg wel belangrijk is, maar aan overmacht te wijten. (Cass. 18 december 2000, J.T.T. 2001, 106; Cass. 30 september 1996, R.W. 1997 - 1998, 25) Om het belang van de omweg te evalueren, dient niet enkel rekening te worden gehouden met het proportionaliteitsbeginsel maar ook met de feitelijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan op de dag van het ongeval. In artikel 8, § 2 van de Arbeidsongevallenwet worden de gelijkgestelde trajecten met de arbeidsweg opgesomd; deze opsomming is niet limitatief. 4.
  13. De plaats waar de werknemer werkt in de zin van artikel 8, § 1, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 is de plaats waar hij, in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, onder het gezag van de werkgever staat. (Cass. 17 april 1978, A.C. 1977-78, 944; Cass. 24 maart 1980, A.C., 1979-80, 917) Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de wetgever aan de werknemer een ruime bescherming heeft willen bieden. In beginsel staat de werknemer onder het gezag van de werkgever zolang hij ten gevolge van het verrichten van de arbeid in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt. De gezagsverhouding is derhalve niet noodzakelijk beperkt tot de arbeidstijd en de uitvoering van de arbeidsovereenkomst valt derhalve niet steeds samen met het eigenlijk verrichten van arbeid. Het gezag van de werkgever kan werkelijk of "virtueel" zijn, m.a.w. "wat een loutere mogelijkheid inhoudt", "wat mogelijk is". 4.
  14. Geïntimeerde draagt de bewijslast om aan te tonen dat wijlen S.V.W. zich op het ogenblik van het verkeersongeval op 11 november 2004 omstreeks 8 uur chronologisch op het normale traject bevond van de plaats waar hij werkte naar zijn verblijfplaats te Hingene. Over het feit dat S.V.W. zich op het geografisch normaal traject bevond, bestaat er als dusdanig geen betwisting tussen partijen. 4.
  15. Het hof dient na te gaan of juist vóór het ongeval ter gelegenheid van het restaurantbezoek de persoonlijke vrijheid van de getroffene beperkt was door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, aangezien het gezag van de werkgever louter virtueel kan zijn. (in die zin ook: J.F. Leclercq, "Het begrip ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in de leer van de arresten van het Hof van Cassatie", rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van dit Hof op 2 september 2002, B.S. 2002, nr. 02-3159). Er bestaat geen betwisting over het feit dat het café waar S.V.W. werkte sloot voor het publiek omstreeks 4 à 4.30 uur. Dit blijkt trouwens duidelijk uit de verklaring van de zaakvoerster van het café, mevrouw E.D. Tevens blijkt dat de kelners nadien nog dienden af te rekenen met de zaakvoerster. Uit de verklaring van S.D.S. afgelegd aan de sociaal controleur van het Fonds voor Arbeidsongevallen blijkt dat hij nog als klant aanwezig was tot na sluitingstijd, nadat het personeel afgerekend had (stuk 3, inventaris appellante). Dit blijkt tevens uit de verklaringen van M.V.A., P.R. (stuk 3, inventaris geïntimeerde) en D.V.L. (d.d. 19 februari 2009) (stuk 9, inventaris geïntimeerde). Aan de hand van de verklaringen afgelegd aan de sociaal controleur van het Fonds voor Arbeidsongevallen stelt het hof vast dat het regelmatig gebeurde dat de kelners, na sluitingstijd, al of niet samen met de zaakvoerster, nog iets gingen drinken: - N.M. verklaarde: "... Ik weet dat het een gewoonte was dat de zaakvoerster, E., na het sluiten van haar café nog met haar personeel iets ging drinken. Zij vond dat dit de sfeer onder het personeel ten goede kwam..." - E.D. (zaakvoerster) verklaarde: "...Af en toe gaan we na sluiting nog iets eten. In samenspraak met de werknemers werd beslist om dit op donderdagmorgen 11.11.2004 ook te doen. Normaal gaan we naar de P.C. in de S.straat te Aalst. Ik had geen zin om nog zo ver te gaan. Samen met hem zijn we naar restaurant ‘L.' gegaan. Dit restaurant is heel dichtbij gelegen. Iedereen is meegegaan. Dit was geen verplichting..." - S.D.S. verklaarde: "...Het personeel van de ‘p.' ging regelmatig na sluitingstijd met de zaakvoerster E. nog iets gaan eten. Gewoonlijk gingen ze in restaurant ‘P.C.' in de B.V.H.straat te Aalst. De meeste hadden geen zin om zo ver te gaan. Ik stelde voor om naar ‘L.' te gaan waar ik zelf iets zou klaarmaken want het restaurant was al gesloten. Eva verwachtte wel dat haar personeel mee ging. Als werkgever is zij vrij autoritair, al heb ik niet geweten dat ze ooit sancties genomen heeft tegen mensen die niet mee gingen eten. Omstreeks 6 uur zijn we in de ‘L.' aangekomen..." - F.G. verklaarde: "... Af en toe gaan we met de collega's na sluiting van de zaak nog iets eten. Op 11.11.2004 was dit het geval. De baas van restaurant ‘L.' in de M.straat te Aalst was nog in het café aanwezig. Aangezien we van plan waren nog te gaan eten stelde hij voor om naar zijn restaurant te gaan. Hij zou de keuken weer open maken. Ik herinner me zeker dat S., M., J., S., P. en E. de zaakvoerster zijn meegegaan. Er was geen enkele verplichting..." - M.V.A. verklaarde: "...Het gebeurde regelmatig dat er na de dienst nog ergens iets gegeten of gedronken werd..." - P.R. verklaarde: "...Zoals gewoonlijk waren we van plan om nog iets te gaan eten. S., de gerant van restaurant ‘L.' in de M.straat te Aalst was nog als klant aanwezig. S. stelde voor om naar de ‘L.' te gaan. Het restaurant was al gesloten maar hij zou er zelf iets klaarmaken. De meeste collega's en de zaakvoerster E.D. zijn meegegaan. De zaakvoerster gaat zelden mee. Niemand is verplicht om mee te gaan..." S.D.S., de gerant van restaurant "L.", vermeldt in zijn verklaring dat de collega's van S., S. zelf en de zaakvoerster (E.D.) omstreeks 6 uur zijn aangekomen in zijn restaurant omdat zij nog iets wensten te eten. Uit de verscheidene verklaringen (stukken 3) afgelegd ten aanzien van de sociaal controleur van het Fonds voor Arbeidsongevallen blijkt dat E.D. is weggegaan omstreeks 6.30 uur en dat S.V.W. is vertrokken omstreeks 7.30 uur. S. is dus langer in restaurant "L." gebleven dan de zaakvoerster (? één uur) en heeft er meegeholpen met het opruimen (cfr. verklaring P.R. en M.V.A.). Hij was niet dronken, maar moe (cfr. verklaringen E.D. en P.R.). Hij had er de voorbije dag trouwens ook nog zijn normale dagtaak opzitten bij Mazda (stuk 10, inventaris geïntimeerde). Aan de hand van de bijgebrachte verklaringen wordt afdoend aangetoond dat de zaakvoerster met S. en zijn collega's is gaan eten in restaurant "L." tussen 6 uur en 6.30 uur, en dat S.V.W. er onder het virtueel gezag stond van zijn werkgeefster, E.D., tot 6.30 uur. Daarna heeft hij mee helpen afruimen en is vertrokken uit het restaurant omstreeks 7.30 uur (cfr. verklaringen P.R. en M.V.A.). Deze chronologie in de tijd is volledig in overeenstemming te brengen met de tijdsduur die voor het geografisch traject van Aalst naar Hingene (54,5 km - 45 minuten) in aanmerking dient genomen te worden. Het ongeval is gebeurd op de A12 ter hoogte van Meise, toen 2/3 van het volledig traject was afgelegd om 8 uur (tijdstip oproep boordradio) zodat betrokkene logischerwijze 30 minuten aan het rijden was (2/3 van 45 minuten) op het ogenblik van het verkeersongeval. Een oponthoud van ? 1 uur (van 6.30 uur tot 7.30 uur) dient beschouwd te worden als onbelangrijk, des te meer nu dit "langer blijven" niet was ingegeven door persoonlijke motieven, maar erop gericht was om de gerant van het restaurant "L." mee te helpen met de opruim en dit aldus een wettige reden uitmaakte. De personeelsleden van het café "P." (BVBA P.) hadden duidelijk het akkoord van de zaakvoerster om te gaan eten in restaurant "L." tussen 6 uur en 6.30 uur, aangezien zij zelf haar personeelsleden begeleidde bij dit restaurantbezoek. Het betrof bovendien een groepsactiviteit waar nog kon nagekaart worden over de voorbije werkzaamheden in het café. Gelet op de omstandigheden en de voorliggende feitelijke gegevens besluit het hof dat wijlen S.V.W. tijdens zijn bezoek aan het restaurant "L." onder het virtueel gezag stond van zijn werkgeefster op 11 november
  16. Toen hij dit restaurant "L." verliet omstreeks 7.30 uur en een half uur later omstreeks 8 uur van de weg is afgereden op de A12 ter hoogte van Meise bevond hij zich aldus op het chronologisch en geografisch normaal traject nu dient aangenomen te worden dat restaurant "L." kan worden beschouwd als "werkplaats", ook al was de deelname aan deze groepsactiviteit niet verplicht. Het staat niet ter discussie dat getroffene overleed aan de letsels opgelopen naar aanleiding van het verkeersongeval d.d. 11 november
  17. Het hof besluit dan ook, zoals de eerste rechters, dat wijlen S.V.W. het slachtoffer werd van een arbeidswegongeval op 11 november 2004, met de dood tot gevolg. De wetsverzekeraar is bijgevolg gehouden de wettelijke vergoedingen te betalen aan geïntimeerde. Het hoger beroep komt ongegrond voor. 4.
  18. Op basis van de bijgebracht stukken door de wetsverzekeraar in verband met het basisloon voor de blijvende arbeidsongeschiktheid (stukken 7) bepaalt het hof dit op een bedrag van 20.168,089 EUR. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 23 juni 2008 (AR 07/90876/A). Voegt er aan toe dat het basisloon voor de blijvende arbeidsongeschiktheid 20.168,089 EUR bedraagt (twintigduizend honderdachtenzestig euro en negenentachtig honderdsten). Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep met toepassing van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  19. Laat de kosten aan de zijde van beide partijen onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegrotingen. Aldus gewezen door: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, R. VAN TRIEST, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, bijgestaan door de heer P. DEVOCHT, griffier en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting van 25 mei
  20. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090525.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.