id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090611.10 Rolnummer: 2004-0383 Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-09-29 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 19:58 Fiches 1 - 3 Aan de twee huwelijken (naar Marokkaans recht) van de man is naar Belgisch recht nooit een einde gekomen. Daardoor kunnen enkel (afgeleide) pensioenrechten toegekend worden aan de vrouw uit het eerste huwelijk en niet aan de vrouw uit het tweede huwelijk nu de conventie tussen België en Marokko desbetreffend van 24 juni 1968, wet 20 juli 1970 daarover niets voorziet. De Belgische regelgeving voorziet niet in een uitzonderingsregel met betrekking tot een in het buitenland volledig wettig ontstane toestand van bigamie. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden - Bigamie Vrije woorden: rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - echtgenoten van Marokkaanse nationaliteit - huwelijken in Marokko - feitelijke scheiding - verstoting - bigamie Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 147 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Echtgenoot Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - rust- en overlevingspensioenen - echtgenoten van Marokkaanse nationaliteit - huwelijken in Marokko - feitelijke scheiding - verstoting - bigamie Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - 74 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 Koninklijk Besluit met nummer - 24-10-1967 - 31 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Bilaterale verdragen Vrije woorden: internationale verdragen en verordeningen - bilaterale verdragen - echtgenoten van Marokkaanse nationaliteit - huwelijken in Marokko - feitelijke scheiding - verstoting - bigamie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 24-06-1968 - 3 § 1 - 01 Link Justel databank 19680624-01 Nota: I B - VII E - IX A Gerangschikt onder I B - artikel 147, onder VII E - artikel 74 en onder IX A - artikel 3 §
- Annotaties Publicaties: SRK 2009 - - nr. 10 - blz. 503-505 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040383 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: M M, wonende te , appellante, verschijnend bij mr. A. CRAYBEX, advocaat te Maasmechelen, tegen : DE RVP met burelen gevestigd te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. M. SAHIN loco mr. P. VANAGT, advocaat te Genk. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 8 december 2004 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 10 december 2004 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 28 december 2004; - de conclusies en aanvullende conclusies van appellante neergelegd ter griffie en ter zitting respectievelijk op 23 februari 2007 en 14 mei 2009 en de conclusies, tweede, derde en syntheseconclusies van geïntimeerde respectievelijk neergelegd ter griffie op 8 december 2005, 27 september 2006, 2 april 2007 en 4 december
- Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 14 mei
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging
- De heer M K, geboren op 1 juli 1951, en van Marokkaanse nationaliteit huwde een eerste maal op 25 september 1968 in Marokko met mevrouw T F, eveneens van Marokkaanse nationaliteit (stuk 10 administratief dossier geïntimeerde).
- In 1971 kwam M K naar België om er te werken in de steenkoolmijn.
- Op 7 december 1979 huwde hij een tweede maal in Marokko met appellante die eveneens van Marokkaanse nationaliteit is; hij verstootte haar op 4 november 1981 doch herhuwde haar op 25 juli
- De heer M K en mevrouw T F leven sinds 1 januari 1987 feitelijk gescheiden (stukken 8 en 9 administratief dossier geïntimeerde) en sinds 18 maart 1987 leeft K ook feitelijk gescheiden van appellante (stukken 3 en 9 administratief dossier geïntimeerde).
- De heer K werkte tot in het jaar 1999 in de mijn en vroeg op 26 januari 2000 zijn rustpensioen aan dat hem bij administratieve beslissing van 27 oktober 2000 werd toegekend.
- Op 28 november 2002 vroeg appellante in toepassing van artikel 74 van het KB van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers de uitbetaling van een gedeelte van het rustpensioen van haar echtgenoot Kaan bij geïntimeerde vanaf 1 december 2002 (stuk 3 administratief dossier geïntimeerde).
- Op 7 maart 2003 besliste geïntimeerde haar vanaf 1 december 2002 een rustpensioen als feitelijk gescheiden echtgenote toe te staan ten bedrage van 10.287,22 EUR meer een verwarmingstoelage ten bedrage van 318,60 EUR (stuk 5a administratief dossier geïntimeerde).
- Op 18 november 2003 vroeg T F, in toepassing van artikel 74 van het hoger reeds vermelde KB, aan geïntimeerde eveneens de uitbetaling van een gedeelte van het rustpensioen van haar echtgenoot M K als feitelijk gescheiden echtgenote (stuk 27 administratief dossier geïntimeerde).
- Op 12 februari 2004 besliste geïntimeerde zijn beslissing van 7 maart 2003 te herzien en appellante het pensioen als feitelijk gescheiden echtgenote te weigeren op grond van volgende motivering: "Aangezien uw echtgenoot nog steeds gehuwd is met mevrouw F, kan - naar Belgisch recht - uw huwelijk met Dhr. K niet erkend worden" (stuk 1 administratief dossier geïntimeerde).
- Appellante die niet kon akkoord gaan met voormelde beslissing stelde bij verzoekschrift d.d. 11 mei 2004 hiertegen verhaal in bij de arbeidsrechtbank te Tongeren.
- Op 25 oktober 2004 besliste geïntimeerde aan de heer K het gezinspensioen toe te kennen vanaf 1 december 2003 evenwel gedeeld door twee ingevolge de aanvraag om pensioen vanwege mevrouw F d.d. 18 november 2003 conform artikel 74 van het hoger reeds vermelde KB (stukken 25 en 27 administratief dossier geïntimeerde).
- Op dezelfde datum (= 25 oktober 2004) besliste geïntimeerde aan mevrouw F de helft van het gezinspensioen toe te kennen vanaf 1 december 2003 ingevolge haar aanvraag om pensioen d.d. 18 november 2003 conform artikel 74 van het voormelde KB (stukken 26 en 27 administratief dossier geïntimeerde).
- Op 8 december 2004 deed de arbeidsrechtbank te Tongeren uitspraak over het verhaal van appellante tegen de administratieve beslissing van geïntimeerde d.d. 12 februari 2004 waarbij geïntimeerde zijn beslissing van 7 maart 2003 besloot te herzien en aan appellante het pensioen als feitelijk gescheiden echtgenote te weigeren. De arbeidsrechtbank verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond, bevestigde de administratieve beslissing en verwees geïntimeerde in de kosten van het geding. De eerste rechters waren vooreerst van oordeel dat er geen betwisting meer kan bestaan over het feit dat de huwelijken van een Marokkaan met twee Marokkaanse vrouwen afgesloten conform de Marokkaanse wetgeving in Marokko als rechtsgeldig moeten aanvaard worden. Echter dient nagegaan of de rechtsgevolgen van het tweede huwelijk t.a.v. geïntimeerde, meer bepaald dat de tweede echtgenote als feitelijk gescheiden echtgenote aanspraak kan maken op een gedeelte van het rustpensioen van haar echtgenoot, niet indruisen tegen de essentiële economische beginselen van de Belgische rechtsorde wat volgens de eerste rechters in casu het geval is want door het feit dat de heer K, terwijl hij nog steeds rechtsgeldig was gehuwd met T F, een tweede huwelijk aanging met appellante kan deze laatste hierdoor als tweede echtgenote aanspraak maken op een gedeelte van de pensioenrechten van de heer K terwijl deze zelf het volledige gezinspensioen behoudt wat de financiering van het Belgisch sociale zekerheidsstelsel ondermijnt en deze financiering is van internationale openbare orde gezien het een essentieel onderdeel vormt van de Belgische economische orde. Het monogame karakter van het huwelijk, zoals vastgesteld in artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek is een belangrijke pijler van de maatschappelijke ordening en is tevens bepalend voor de financiering van het Belgisch pensioenstelsel.
- Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof d.d. 28 december 2004 stelde appellante hoger beroep in tegen voormeld vonnis. II. In rechte
- Appellante betoogt dat de motivering van geïntimeerde om haar als feitelijk gescheiden echtgenote van de heer K een gedeelte van het rustpensioen te weigeren, met name het feit dat haar huwelijk met laatstgenoemde niet kan erkend worden omdat deze nog steeds gehuwd is met een andere vrouw, met name met mevrouw T F, geen steek houdt nu voor wat de grondvereisten betreft voor een geldig huwelijk de nationale wet van de toekomstige echtgenoten toepasselijk is en bigamie ten tijde van het huwelijk van appellante met de heer K in Marokko toegelaten was; haar huwelijk moet dan ook in België erkend worden.
- Het hof onderschrijft het standpunt van appellante met betrekking tot de erkenning door België van een in Marokko door een Marokkaanse man en Marokkaanse vrouw aangegane tweede huwelijk; zulks wordt overigens door geïntimeerde ook niet langer meer betwist doch geïntimeerde stelt dat dit niet de hamvraag is in huidige zaak doch wel de vraag of dit tweede huwelijk rechtsgevolgen kan hebben t.a.v. hem, zodat hij conform artikel 74 van het KB van 21 december 1967 inzake rust- en overlevingspensioen werknemers dient in te gaan op de gevraagde uitbetaling van een gedeelte van het rustpensioen van de echtgenoot aan diens tweede vrouw die van hem feitelijk gescheiden leeft of anders gezegd, kan de tweede echtgenote zich beroepen op artikel 74 van voormeld KB om als feitelijk gescheiden echtgenote een deel van het rustpensioen van haar echtgenoot op te eisen. Geïntimeerde meent van niet en het hof treedt hem hierin bij. Immers t.a.v. iedere ingediende pensioenaanvraag dient te worden nagegaan of er al dan niet rechten kunnen worden toegekend en bij de toekenning van pensioenrechten wordt steeds de vigerende wetgeving terzake toegepast op nationaal, bilateraal of internationaal vlak naargelang het voorliggend geval. In casu werd het eerste huwelijk nooit ontbonden, noch ingevolge overlijden, noch ingevolge echtscheiding. Tot op heden zijn er twee bestaande huwelijken, rechtsgeldig afgesloten naar Marokkaans recht, maar waarbij slechts pensioenrechten kunnen worden toegekend aan het eerste - nog steeds bestaande - huwelijk. Geen rechten kunnen worden toegekend aan de tweede echtgenote gezien de conventie tussen België en Marokko inzake sociale zekerheid, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij wet van 20 juli 1970, niets voorziet ten aanzien van de andere echtgenotes dan de voor de Belgische rechtsorde wettige echtgenote van een in leven zijnde gepensioneerde echtgenoot. De Belgische pensioenwetgeving voorziet geen uitzonderingsregeling met betrekking tot een in het buitenland volledig wettig ontstane toestand van bigamie. Dit is logisch vermits de gehele Belgische wetgeving (de pensioenwetgeving inbegrepen) gebaseerd is op het monogame karakter van het huwelijk zoals vastgesteld in artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek dat een belangrijke pijler vormt van onze maatschappelijke ordening hetgeen ook door appellante in haar besluiten wordt erkend. Geïntimeerde doet niets anders dan hetgeen wettelijk voorgeschreven is toe te passen. Aan de basis van heel de pensioenregeling, en meer bepaald van de regels in verband met de berekening van de als rustpensioen toegekende bedragen, ligt de regel dat één werknemer slechts één wettige echtgenote kan hebben. Dit principe wordt trouwens expliciet bevestigd in het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni
- Artikel 1 stelt immers dat de Belgische of Marokkaanse werknemers die loonarbeiders zijn of ingevolge de in artikel 2 van het Verdrag opgesomde wetgevingen betreffende de sociale zekerheid, met loonarbeiders gelijkgesteld zijn, respectievelijk aan de in Marokko of in België van kracht zijnde wetgevingen onderworpen worden en de voordelen ervan genieten, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van elk dezer staten. Artikel 3 § 1 bepaalt verder dat de werknemers die op het grondgebied van één dezer landen tewerkgesteld zijn, onder de toepassing vallen van de vigerende wetgevingen van de plaats waar zij arbeiden. De tekst van dit Verdrag dat bij wet werd bekrachtigd is een expliciete verwijzing naar de in België toepasselijke regels voor de toekenning van een rustpensioen en van een rustpensioen in het algemeen: een werknemer die pensioengerechtigd is kan zijn aanspraken op een gezinspensioen laten gelden voor zijn wettige echtgenote, en dit is in België slechts één persoon. De artikelen 66 en 74 van het KB van 21 december 1967 tot vaststelling van het Algemeen Reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers blijven ook in casu onveranderd van toepassing met dien verstande dat betreffende artikelen alleen verband houden met het eerste huwelijk en niet met het tweede huwelijk, gezien geen pensioenrechten kunnen worden toegekend met betrekking tot het tweede huwelijk omdat aan een volgend huwelijk slechts rechtsgevolgen kunnen worden toegekend na ontbinding van het vorige. Artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat geen tweede huwelijk mag worden aangegaan vóór de ontbinding van het eerste, is op dat vlak duidelijk en eveneens in casu van toepassing. Zulks wordt ook bevestigd door vroegere rechtspraak en het hof verwijst dienaangaande meerbepaald naar zijn arrest d.d. 5 september 2005 inzake K t/ RVP, A.R. 0970800 (stuk 2 geïntimeerde) en zijn arrest d.d. 19 januari 2006 inzake A-O t/ RVP, A.R. 2000337 (stuk 1 geïntimeerde) alsook naar een arrest van het arbeidshof te Brussel d.d. 23 november 2000 inzake RVP t/ C M, A.R. 39.599 - 39.713 (stuk 4 geïntimeerde). Bovendien ingaan op de aanspraken van appellante houdt in dat geïntimeerde tot een dubbele betaling van het in artikel 74 van het KB van 21 december 1967 voorziene gedeelte van het rustpensioen van de heer K dient over te gaan, éénmaal aan zijn eerste echtgenote T F van wie hij ook feitelijk gescheiden leeft en éénmaal aan appellante, hetgeen de financiering en leefbaarheid van het Belgisch sociaal zekerheidsstelsel en meer specifiek van het pensioenstelsel zou aantasten, sociaal zekerheidsstelsel dat toch een essentieel onderdeel vormt van de Belgische economische orde, zodat de rechtsgevolgen die appellante aan haar huwelijk met K - dat voor deze laatste een tweede huwelijk is - wil verbinden t.a.v. geïntimeerde ingaan tegen de regels van de Belgische internationale openbare orde. Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 9 juni 1998 inzake A.B. t/ RVP, gepubliceerd in Sociaal Rechtelijke Kronieken 2001, waarnaar appellante verwijst om haar stelling te staven, is achterhaald door de hoger aangehaalde rechtspraak; de andere door haar naar voor gebrachte casus betreft een arbeidsongeval dat echter niet zomaar op dezelfde lijn kan worden gesteld als een pensioentoekenning nu het totaal verschillende wetgevingen betreft zowel nationaal, bilateraal als internationaal. De door appellante naar voor geschoven en volgens haar vergelijkbare situatie van een Belgische man die tweemaal huwt en tweemaal uit de echt scheidt, is irrelevant. Immers de betreffende Belgische man heeft nooit tegelijkertijd twee echtgenotes gehad. Zoals appellante het voorstelt werden de beide huwelijken opeenvolgend ontbonden naar Belgisch recht en dit ingevolge een echtscheiding; dat er eerst een periode van feitelijke scheiding aan vooraf is gegaan, is niet ongewoon. De twee echtgenotes van de Belgische man hebben evenwel nooit tegelijkertijd een deel van het pensioen van die echtgenoot genoten ingevolge de feitelijke scheiding, maar wel gewoon de één na de ander, in functie van het op dat ogenblik bestaande huwelijk. Bovendien zouden aan die Marokkaanse echtgenotes dezelfde rechten worden toegekend als aan die Belgische ex-echtgenotes indien zij ex-echtgenotes zouden zijn, met andere woorden indien zij dus uit de echt gescheiden zouden zijn van hun Marokkaanse echtgenoot overeenkomstig een buitenlandse rechterlijke beslissing die erkend kan worden binnen de Belgische openbare orde (toepassing artikel 570 Ger. W. tot 1 oktober 2004 of artikel 25 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht vanaf 1 oktober 2004). Zo regelen de artikelen 75 en 76 van het KB van 27 december 1967 tot vaststelling van het Algemeen Reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers de toekenning van het rustpensioen aan de uit de echt gescheiden echtgenoot, welke nationaliteit die ook moge hebben, op voorwaarde dat er een buitenlandse rechterlijke beslissing kan worden voorgelegd die erkend kan worden binnen de Belgische openbare orde. In casu gaat het om een Marokkaanse man die tweemaal gehuwd is en die daarenboven tegelijkertijd twee echtgenotes heeft. Tot op heden is er geen sprake van een echtscheiding, noch t.o.v. mevrouw F, noch t.o.v. appellante. De beide huwelijken werden nooit ontbonden. De beide huwelijken zijn dus nog bestaande. Voor de beide huwelijken is er alleen sprake van een "feitelijke scheiding", wat niet de ontbinding van het huwelijk tot gevolg heeft. Een feitelijke scheiding is immers geen echtscheiding zodat de vergelijking niet opgaat. Het argument van appellante dat het bigame huwelijk gevolgen kan hebben op het vlak van het pensioenrecht aangezien er tot de feitelijke scheiding van de heer K in 1987 geen ernstige band bestond met de Belgische rechtsorde, kan niet aanvaard worden omdat het niet correct is. De gegevens door geïntimeerde bekomen via het Rijksregister of de kruispuntbank tonen aan dat de heer K sinds 6 januari 1971 - lang vóór diens tweede huwelijk - ononderbroken in België woont. De heer K heeft zich sinds 1971 "hoofdzakelijk" in België gevestigd. Bovendien zijn er omstandigheden van professionele aard die een duurzame band met België aantonen, namelijk de kennisgeving van de beslissing d.d. 15 september 2000 ingevolge diens aanvraag om rustpensioen specificeert bij de toekenning van het rustpensioen met ingang van 1 februari 2000 dat voor de vaststelling van het pensioen de jaren 1971 tot 1999 in aanmerking worden genomen. Ook in het jaar 1979 - het tweede huwelijk dateert van 7 december 1979 - had de heer K zijn gewone verblijfplaats omwille van zijn professionele bezigheden in België. Ook merkt het hof op dat de heer K een eerste maal huwde met appellante op 7 december 1979 en een tweede maal met haar huwde op 25 juli 1985 - na haar te hebben verstoten op 4 november 1981 - dat terwijl hij zijn gewone verblijfplaats had in België én een duidelijke professionele band had met België. De heer K had zodoende toen wel zeer duidelijk de wil om een duurzame band met België te scheppen en heeft die nog steeds. Ook appellante heeft duidelijk de wil om een duurzame band met België te scheppen - en dit tijdens het huwelijk want het huwelijk is niet beëindigd: er is slechts een feitelijke scheiding - gezien zij een eerste maal naar België is gekomen op 30 september 1982 en dit tot 3 juni 1983, en thans hier in België onafgebroken woont sinds 18 maart
- Tenslotte is het hof van oordeel dat niet kan ingegaan worden op het verzoek van appellante tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof in verband met de door haar beweerde mogelijke discriminatie tussen een Marokkaanse man die tweemaal gehuwd is en overlijdt waarbij conform artikel 24 § 2 van het Algemeen Verdrag d.d. 24 juni 1968 (goedgekeurd bij wet d.d. 20 juli 1970) het overlevingspensioen gelijkelijk verdeeld wordt onder de twee weduwes enerzijds en anderzijds een Marokkaanse man die tweemaal gehuwd is en tweemaal feitelijk gescheiden leeft van deze twee echtgenotes en waarbij conform artikel 74 van het KB van 21 december 1967 de tweede echtgenote geen deel van het rustpensioen van haar echtgenoot kan bekomen, vraag die door appellante geformuleerd wordt als volgt: "Schendt art. 74 van het KB. dd. 21 december 1967 tot vaststelling van het Algemeen Reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers - regeling feitelijk gescheiden echtgenotes, de artikelen 10 en 11 der Grondwet gezien de ongelijke behandeling en gevolgen tussen een rust- en overlevingspensioen?". Noch artikel 26 § 1 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) noch enige andere wettelijke bepaling verleent aan het Hof de bevoegdheid prejudiciële uitspraak te doen over de vraag of een koninklijk besluit in strijd is met artikel 10 en 11 van de Grondwet. Bovendien is het hof van oordeel dat de door appellante voorgehouden vergelijking niet opgaat nu beide situaties dermate verschillend zijn zodat van enige schending geen sprake kan zijn gezien de situatie van een persoon die overleden is en wiens huwelijk dus ontbonden is niet vergelijkbaar is met de situatie van een persoon die nog in leven zijnde twee echtgenotes heeft ingevolge twee huwelijken. Rekeninghoudend met al hetgeen voorafgaat besluit het hof dan ook dat de regeling "feitelijk gescheiden levende echtgenoten" conform artikel 74 van het KB van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers alleen van toepassing is t.a.v. het eerste huwelijk van de heer K met mevrouw F en dat er bij leven van de heer K geen pensioenrechten kunnen worden toegekend aan het tweede huwelijk van de heer K met appellante omdat het rechtsgevolgen heeft t.a.v. geïntimeerde die ingaan tegen de Belgische Internationale Openbare orde tenzij het eerste huwelijk rechtsgeldig wordt ontbonden. Het hoger beroep is ongegrond. Rest er nog op te merken dat de door appellante begrote gerechtskosten herleid moeten worden. Aangezien het in onderhavig geschil gaat om een vordering in verband met de vaststelling of afwijzing van een recht op uitkeringen en niet om een vordering die ertoe strekt een veroordeling tot de betaling van een geldsom van meer dan 2.500 EUR te doen uitspreken (vgl. artikel 4 van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W.), dient de aan appellante toekomende rechtsplegingsvergoeding vereffend te worden op de gebruikelijke vaste rechtsplegingsvergoeding van 145,78 EUR. OP D I E G R O N D E N, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer R N, advocaat-generaal, in zijn mondeling advies op de openbare terechtzitting van 14 mei 2009, waaromtrent partijen niet meer wensten te repliceren. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 8 december
- Verwijst geïntimeerde in de kosten van de procedure in hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van appellante op 145,78 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Laat deze onvereffend aan de zijde van geïntimeerde bij gebreke aan afgifte kostenstaat. Aldus gewezen door: de heer G V, kamervoorzitter, de heer T K, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer W M, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw L K, griffier en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van elf juni tweeduizend en negen. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090611.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div