id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090615.19 Rolnummer: 2006-0279 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2012-04-12 Raadplegingen: 304 - laatst gezien 2026-07-02 19:59 Fiches 1 - 2 Het loon dat verworven is in de maand waarin de werkgever failliet wordt verklaard en de arbeidsovereenkomst door de curator is beëindigd, is ingevolge artikel 11 van de Loonbeschermingswet pas opeisbaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en meer bepaald op de daaropvolgende eerste betaaldag. De niet betaling daarvan kan hoe dan ook niet aan de werkgever worden toegerekend, nu de gefailleerde ingevolge het faillissement van rechtswege het beheer over zijn goederen verliest. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - tijdstip van uitbetaling - loonbescherming - loon verworven in de maand waarin de werkgever failliet wordt verklaard - tijdstip van opeisbaarheid van het loon Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 9 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - tijdstip van uitbetaling - loonbescherming - loon verworven in de maand waarin de werkgever failliet wordt verklaard - tijdstip van opeisbaarheid van het loon Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 11 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Fiche 3 Het misdrijf van niet betaling van loon voor overuren kan aan de afgevaardigd bestuurder van een naamloze vennootschap niet worden toegerekend, wanneer blijkt dat die bevoegdheid tot betaling van de lonen door de raad van bestuur werd gedelegeerd, en deze laatste over de nodige middelen beschikt om dit mandaat uit te oefenen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Strafbepalingen Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - strafbepalingen - sociaal strafrecht - betaling van het loon - misdrijf - toerekening - afgevaardigd bestuurder - bevoegdheid tot betaling van loon gedelegeerd aan iemand anders Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 42 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: III H Gerangschikt onder III H - artikel 9 en 11 en onder III H - artikel 42 (andere korte inhoud). Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 6, blz. 296-298 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2060279 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN E M, appellante, vertegenwoordigd door mr. C. De Lepeleire loco mr. J. De Chaffoy, advocaat te 2300 Turnhout, tegen :
- NV
- J M, geïntimeerden, vertegenwoordigd door mrs. M. Van Passel en A. Valckenborgh loco mr. H. Van Hoogenbemt, advocaten te 2000 Antwerpen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 9 januari 2006 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 21 april 2006, - de conclusie van de NV en de heer de M, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 oktober 2006, - de beschikking d.d. 5 augustus 2008, - de conclusie van mevrouw M, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 13 oktober 2008, - de conclusie van de NV en de heer de M, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 11 december 2008, - de conclusie van mevrouw M, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 16 februari 2009, - de conclusie van de NV en de heer de M, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 april 2009, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 19 juni 2006, 6 december 2006, 5 augustus 2008 en 18 mei
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 31 december 2003, vorderde mevrouw M de veroordeling van de NV en van de heer M tot betaling van 19.374,16 EUR schadevergoeding, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 3 januari 2003, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met conclusie van 14 maart 2005 vorderden de NV en de heer M dat de arbeidsrechtbank zich onbevoegd zou verklaren om kennis te nemen van de vordering, dienvolgens de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout te verzenden en de kosten aan te houden. Ondergeschikt vorderden de NV en de heer M rechtdoende op de exceptio obscuri libelli de dagvaarding nietig te verklaren. Meer ondergeschikt vorderden de NV en de heer M de vordering van mevrouw M onontvankelijk en minstens volledig ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 25 april 2005 handhaafde mevrouw M haar vordering, maar vorderde de exceptio van onbevoegdheid en de exceptio obscuri libelli af te wijzen. Derhalve zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de vordering. Met vonnis van 9 januari 2006 werd de vordering van mevrouw M ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd mevrouw M verwezen in de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 16 februari 2009 vordert mevrouw M het incidenteel beroep af te wijzen, vervolgens het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre de vordering van mevrouw M op hoofdberoep ongegrond werd verklaard. Mevrouw M vordert haar vordering op hoofdberoep geheel gegrond te verklaren en de NV en de heer M op hoofdberoep te veroordelen tot het betalen van 19.374,16 EUR schadevergoeding, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 3 januari 2003, met de gerechtelijke intresten en met de kosten van het geding. Met conclusie van 10 april 2009 vorderen de NV en de heer M in hoofdorde op incidenteel beroep dat het arbeidshof zich onbevoegd zou verklaren om kennis te nemen van de vordering, dienvolgens de zaak naar de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout zou verzenden en de kosten zou aanhouden. Ondergeschikt vorderen de NV en de heer M op hoofdberoep het bestreden vonnis te bevestigen, dienvolgens de oorspronkelijke vordering volledig ongegrond te verklaren en mevrouw M te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten Mevrouw M was vanaf 1 april 1989 in dienst van de NV. Deze vennootschap werd bij vonnis van 3 januari 2003 van de rechtbank van koophandel te Turnhout failliet verklaard. De curatoren van de failliete NV beëindigden de arbeidsovereenkomst met mevrouw M bij brief van 6 januari
- Mevrouw M diende een aangifte van schuldvordering in het passief van het faillissement in, voor 128.858,09 EUR. Dit bedrag omvatte naast een opzeggingsvergoeding van 109.483,93 EUR ook nog volgende bedragen: - loon 1 tot 3 januari 2003: 582,12 EUR - saldo overuren: 361,15 uren: 10.052,70 EUR - anciënniteitsdagen 2003: 205,98 EUR - vakantiegeld 2002-2003: 8.444,06 EUR - vakantiegeld 2003-2004: 89,30 EUR Totaal: 19.374,16 EUR. Bij vonnis van 10 februari 2004 verklaarde de rechtbank van koophandel de eis van mevrouw M ontvankelijk en gegrond voor een bedrag van 118.017,29 EUR dat in het bevoorrecht passief werd opgenomen. (stuk 8 van mevrouw M) Bij brief van 11 februari 2004 lieten de curatoren aan mevrouw M weten dat haar vordering niet in aanmerking kwam voor enig dividend. Het Fonds tot vergoeding van de ingeval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers betaalde aan mevrouw M een opzeggingsvergoeding van 22.310,40 EUR. De overige door mevrouw M gestelde eisen werden niet ingewilligd. Vervolgens dagvaardde mevrouw M de NV en de heer M voor de arbeidsrechtbank te Turnhout en zij vorderde hetgeen hiervoor sub II is weergegeven. De NV was in de periode waarop de vordering betrekking had afgevaardigd bestuurder van de NV. De heer M op zijn beurt was afgevaardigd bestuurder van de NV. Met vonnis van 9 januari 2006 verklaarden de eerste rechters de eis van mevrouw M ontvankelijk maar ongegrond. Tegen dit vonnis tekende mevrouw M op 21 april 2006 hoger beroep aan. Met conclusie van 30 oktober 2006 tekenden de NV en de heer M op hun beurt beperkt hoger beroep aan.
- De beoordeling 2.
- De materiële bevoegdheid Ingevolge artikel 607 van het Gerechtelijk Wetboek neemt het arbeidshof kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken en de voorzitters van de arbeidsrechtbanken. De bevoegdheid van de rechter in hoger beroep wordt evenwel niet alleen bepaald ten aanzien van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, maar ook ten aanzien van het voorwerp van het geschil. (Cass. 3 februari 1972, J.T. 1972, 228; conclusie adv.-gen. HENKES, vóór Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8, www.cass.be, op datum) Volgens artikel 9, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht die bepaald wordt naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisende karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen. De regels betreffende de volstrekte bevoegdheid zijn van openbare orde, zodat de rechter ambtshalve moet nagaan of hij bevoegd is. (Cass. 13 oktober 1997, A.C 1997, 966; J.T.T. 1997, 483; Cass. 2 november 1994, A.C. 1994, 911) Ook de rechter in hoger beroep moet, zelfs ambtshalve, zijn aldus vastgelegde volstrekte bevoegdheid nagaan, ook al is het hoger beroep beperkt tot de grondslag van de vorderingen die bij de eerste rechter aanhangig waren gemaakt. (Cass. 4 november 2002, R.W. 2004-2005, 100; Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8, concl. adv.-gen. Henkes, www.cass.be, op datum) De materiële bevoegdheid van een rechtscollege wordt niet beoordeeld op het tijdstip waarop het uitspraak moet doen, doch op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld. (Cass. 22 oktober 1981, R.W. 1982-83, 2457; J.T. 1982, 295) Bij de beoordeling van de bevoegdheid moet niet worden uitgegaan van het werkelijke door de rechtbank op te sporen voorwerp van het geschil, maar van de vordering, in de bewoordingen waarin ze door de eiser is gesteld. (Cass. 13 juni 2003, C.01.0320.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.5, www.cass.be, op datum; Cass. 13 oktober 1997, A.C. 1997, 401; Cass. 6 maart 1987, A.C. 1986, 894; Cass. 19 december 1985, A.C. 1985-86, 589; R.W. 1986-87, 279; J.T 1986, 281, concl. proc.-gen. E. KRINGS) Uit de dagvaarding blijkt dat mevrouw M vordert dat de NV en de heer M hoofdelijk, in solidum, de ene bij gebreke van de andere, zouden veroordeeld worden tot betaling van een schadevergoeding van 19.374,16 EUR wegens beweerde inbreuken op strafrechtelijke bepalingen van de Loonbeschermingswet en de Vakantiewet. De vordering van mevrouw M is bijgevolg onmiskenbaar een vordering ex delicto. Krachtens artikel 578, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen van burgerlijke aard die het gevolg zijn van een overtreding van de wetten en besluiten betreffende de arbeidsreglementering en de aangelegenheden onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, onverminderd de toepassing van de wetsbepalingen die deze bevoegdheid verlenen aan de strafgerechten wanneer een strafvordering voor hen aanhangig is. Nu de Loonbeschermingswet en de Vakantiewet ontegensprekelijk wetten zijn die de arbeidsreglementering betreffen, is het arbeidshof wel degelijk bevoegd om kennis te nemen van de vordering. De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk. 2.
- De eis ex delicto Overeenkomstig artikel 42 van de Loonbeschermingswet worden, onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van 26 tot 500 frank of met een van die straffen alleen: 1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de artikelen 3, 4, 5, 6, 9 tot 9quinquies, 11, 13, 14, 15, eerste lid, 18, 23 en 27 tot 34 of van de besluiten ter uitvoering van de artikelen 6, § 4, 9quater en 15, vierde lid, of van een beslissing van het bevoegde paritair comité, algemeen verbindend verklaard. (cursivering door het arbeidshof toegevoegd) In artikel 54, 2° Jaarlijkse Vakantiewet worden "de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die niet of niet binnen de voorgeschreven termijn of volgens de reglementaire modaliteiten het verschuldigde vakantiegeld hebben betaald" strafbaar gesteld. (cursivering door het arbeidshof toegevoegd) Naast de werkgever zijn dus ook de aangestelden of lasthebbers van de werkgever strafbaar, wanneer zij een van de hiervoor vermelde bepalingen van de Loonbeschermingswet en de Vakantiewet miskennen. Met aangestelden of lasthebbers wordt bedoeld: de personen die in opdracht deelnemen aan de leidende functie in de onderneming en die bekleed zijn met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken, ook al is die bevoegdheid naar tijd en plaats beperkt. (Cass. 15 augustus 1981, R.W. 1981-82, 1123) In deze werd bij beslissing van de algemene vergadering van 5 september 2000 van de NV , de NV , vertegenwoordigd door haar afgevaardigd bestuurder de heer M, benoemd tot bestuurder. Bij beslissing van de raad van bestuur van 20 februari 2001 werd de NV, tot afgevaardigd bestuurder van NV benoemd. Het wordt niet betwist dat de heer M. steeds de afgevaardigd bestuurder van de NV is gebleven. De strafrechtelijke sanctionering van deze sociaalrechtelijke verplichtingen van de werkgever impliceert dat de strafrechtelijk aansprakelijke natuurlijke personen door wie de werkgever-rechtspersoon heeft gehandeld, persoonlijk gehouden zijn tot uitvoering van de verbintenissen van de rechtspersoon op burgerlijk vlak. (vgl.VAN EECKHOUTTE,W., "Verjaring", in Aanwerven Tewerkstellen en Ontslaan, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, O 1003-240) Krachtens artikel 16 van de Faillissementswet verliest de gefailleerde, te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring, van rechtswege het beheer over al zijn goederen, zelfs over de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt. In deze wordt aan de NV en de heer M verweten dat zij strafrechtelijke bepalingen van de Loonbeschermingswet en de Vakantiewet hebben geschonden, door het verschuldigd loon en vakantiegeld niet te hebben betaald aan mevrouw M. Het arbeidshof stelt echter vast dat het gewone loon van 1 tot 3 januari en de zogenaamde "anciënniteitsdagen" (die op geen enkele wijze door mevrouw M worden geëxpliciteerd), loon is dat verworven is de eerste drie dagen van de maand voorafgaand aan het vonnis van faillietverklaring. Het niet betalen daarvan is echter geen gedraging die strafbaar is en die evenmin kan toegerekend worden aan de NV , noch aan de heer M. Dat loon werd immers pas eisbaar ingevolge het faillissement en de daarop volgende beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de curatoren, hetzij op een tijdstip waarop de NV en de heer M op grond van artikel 16 van de Faillissementswet van rechtswege reeds het beheer over de NV hadden verloren. Vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst was dit loon nog niet verschuldigd, en niet eisbaar. Volgens artikel 11 van de Loonbeschermingswet moet immers, wanneer de dienstbetrekking een einde neemt, het nog verschuldigde loon onverwijld worden uitbetaald en uiterlijk op de eerste betaaldag die volgt op de datum waarop de dienstbetrekking eindigt. Ook het vakantiegeld einde dienst is op grond van artikel 46 van het Vakantiebesluit pas verschuldigd en eisbaar geworden vanaf en ingevolge de beslissing van de curatoren om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, zodat ook het niet betalen van dit vakantiegeld einde dienst om dezelfde reden geen misdrijf is en niet kan toegerekend worden aan de NV en de heer M. Voor wat betreft de schadevergoeding voor "saldo overuren" voor een bedrag van 10.052,70 EUR, steunt mevrouw M zich eveneens op een beweerde inbreuk op de Loonbeschermingswet, zonder evenwel aan te duiden welke bepaling door de NV en de heer M zouden zijn geschonden. Vermoedelijk beroept mevrouw M zich op de niet naleving van artikel 9 bis van de Loonbeschermingswet, dat als volgt luidt: §
- Bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 moet het gewone loon voor elk uur dat verricht werd boven de grens van 40 uren of boven een lagere grens, zoals vastgesteld ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst, betaald worden op hetzelfde ogenblik en vastgesteld worden op dezelfde manier als het loon dat verschuldigd is voor de betaalperiode gedurende dewelke de inhaalrust is toegekend geworden. Wanneer de inhaalrust wegens het bepaalde in artikel 26bis, § 3, vierde lid, van dezelfde wet niet wordt toegekend, wordt het loon dat verschuldigd blijft betaald op het einde van de in dat lid bepaalde termijn van zes maanden en wordt het op dezelfde manier vastgesteld als het loon dat op dat ogenblik zou verschuldigd geweest zijn. Wanneer de inhaalrust niet kan worden toegekend vóór het einde van de opzeggingstermijn of vóór het einde van de overeenkomst voor een bepaalde tijd of een duidelijk omschreven werk of wanneer zonder opzegging een einde wordt gemaakt aan een overeenkomst voor onbepaalde tijd, moet het loon overeenkomstig artikel 11 worden betaald en moet het op dezelfde manier worden vastgesteld als het loon dat verschuldigd is of zou verschuldigd geweest zijn op het ogenblik van het einde van de arbeidsovereenkomst. §
- In geval overwerk wordt verricht dat recht geeft op overloon overeenkomstig artikel 29 van dezelfde wet, moet het overloon betaald worden volgens de bepalingen van artikel 9 van deze wet." Vooreerst stelt het arbeidshof vast dat uit de door mevrouw M zélf voorgebrachte beslissing van de raad van bestuur van de NV van 20 februari 2001 blijkt dat door de NV volmacht werd gegeven aan de heer V, algemeen directeur, de heer C, directeur beheerscontrole, de heer P, hoofdboekhouder, de heer G, financiële dienst en de heer L, bedrijfsjurist, voor de uitbetaling van wedden en lonen voor een waarde die vijftig miljoen BEF niet overschrijdt. (stuk 10 van mevrouw M) Daaruit blijkt meteen dat de NV en de heer M niet instonden voor de betaling van de lonen, zoals zij terecht voorhouden. De NV en de heer M tonen immers aan dat zij hun macht hebben gedelegeerd aan andere personen, bekleed met de bevoegdheid en het gezag om over de naleving van de verplichting tot betalen van loon te waken en die hiertoe de nodige middelen ter beschikking kregen, en zij tonen derhalve aan dat zij niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het hen aangewreven misdrijf. (vgl. BOES, R., Sociaal handhavingsrecht, A.T.O., Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, I, 801-430) Voor het overige toont mevrouw M op geen enkele wijze aan dat het beweerde misdrijf zou zijn begaan door de NV dan wel door de heer M. Het hoger beroep is ongegrond. BESLISSING De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk maar ongegrond. Het vonnis van 9 januari 2006 van de arbeidsrechtbank te Turnhout wordt bevestigd, zij het op grond van gewijzigde motieven. Mevrouw M wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend: - voor mevrouw M: 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof - voor de NV en de heer M begroot op: 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer R. BRUYNSERAEDE, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer H. VAN REETH, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 juni 2009 door de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090615.19 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div