← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090623.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090623.10 Rolnummer: 2008-0277 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-09-14 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 20:02 Fiche De onterechte veroordeling van een partij in plaats van een andere kan niet bestreden worden met een vordering tot verbetering van het vonnis maar enkel door het instellen van hoger beroep. Door in een interpretatief vonnis een andere partij te veroordelen wordt er drastisch ingegrepen in de rechten van de gedingpartijen, wat een schending uitmaakt van artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT Vrije woorden: Interpretatief vonnis - uitbreiding van rechten - I A Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 793 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2080277 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: P. M., handelend in de hoedanigheid van moeder en erfgename van haar overleden minderjarige zoon R. A., wonend te appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. G., loco mr. P. L., advocaat te 2800 Mechelen, tegen:

  1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. P. V. R., advocaat te 2400 Mol,
  2. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, tweede geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. P. N., advocaat te 2800 Mechelen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft na beraadslaging het volgend arrest uitgesproken.
  3. Procedure De zaak gekend onder A.R. 2010498 werd op de openbare terechtzitting van 6 december 2004 ambtshalve weggelaten van de algemene rol. Met verzoekschrift in toepassing van artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 2 juni 2008, verzocht mr. P. L., raadsman van appellante, om conclusietermijnen te bepalen alsmede een rechtsdag te verlenen. Op 4 juni 2008 werd aan partijen medegedeeld dat de zaak, na ambtshalve weglating van de algemene rol, opnieuw werd ingeschreven onder A.R.
  4. Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 september 2001, 6 december 2004 en 26 mei 2009; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, bij verstek t.o.v. eerste geïntimeerde en op tegenspraak t.o.v. appellant en tweede geïntimeerde gewezen en uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 20 april 2000 (A.R. 59948); - het proces-verbaal van vrijwillige verschijning strekkende tot uitlegging en verbetering van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 20 april 2000, neergelegd ter openbare terechtzitting van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 14 december 2000; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 14 juni 2001 (A.R. 76569); - het verzoekschrift tot hoger beroep tegen het vonnis van 14 juni 2001, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 juli 2001; - de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt te Antwerpen op 22 juli 2008; - de 'beroepsconclusies' voor eerste geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 10 september 2008; - de verbeterende beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt te Antwerpen op 17 september 2008; - de 'conclusies' voor tweede geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 20 november 2008; - de 'besluiten in hoger beroep' voor appellante, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 21 januari
  5. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van: - het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering (stuk 1 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen); - de bundel van de raadsman van P. M., neergelegd ter openbare terechtzitting van 26 mei 2009; - de bundel van de raadsman van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, neergelegd ter openbare terechtzitting van 26 mei
  6. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 26 mei
  7. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  8. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 juli 2001, tekende P. M. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen en uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Mechelen op 14 juni 2001 (A.R. 76.569). Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 20 juni
  9. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  10. Feiten en voorgaande rechtspleging P. M. diende op 22 september 1994 via de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een aanvraag in bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering om een verzekeringstegemoetkoming te bekomen in de kosten van een aanpassing van een elektronische rolwagen ten voordele van haar zoon R. A. Deze aanvraag gebeurde in het kader van artikel 28, §8 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen. Met schrijven van 14 maart 1995 deelde het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering aan de geneesheer-directeur van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten mee: "dat het college van geneesheren-directeurs op zijn zitting van 22 februari 1995 een gunstige beslissing heeft genomen inzake de verzekeringstegemoetkoming van een elektronisch of elektrisch wagentje 615790 en het toebehoren 616173, 616534, 617912 en 617131 x 2 zover het wagentje wordt afgeleverd na 11 maart
  11. (...) Anderzijds heeft het College een ongunstig advies uitgebracht voor de verstrekking 616232 op basis van artikel 28, §8, 16° van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen. Het gaat niet om een vervaardiging naar maat zoals voorzien in artikel 28, §8, 16° van de nomenclatuur (...)." P. M. tekende verhaal aan tegen voornoemde beslissing en vorderde de terugbetaling voor de verstrekking 616232 (supplement voor een naar maat vervaardigd wagentje) op basis van artikel 28, §8, 16° van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen. Bij tussenvonnis van 14 maart 1996 van de arbeidsrechtbank te Mechelen werd de vordering ontvankelijk verklaard doch alvorens ten gronde te beslissen Dr. R. Mathijs als deskundige aangesteld met opdracht advies te verlenen omtrent het feit of de aanpassing van het elektrisch wagentje van wijlen R. A. al dan niet in aanmerking kan komen voor terugbetaling van de verstrekking
  12. De deskundige komt tot het besluit dat de aanpassingen van het elektrisch wagentje niet in aanmerking komen voor terugbetaling onder verstrekking 616232 maar wel onder verstrekking
  13. Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Mechelen van 20 april 2000 werd: - de vordering van P. M. gegrond verklaard; - de bestreden administratieve beslissing hervormd; - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering veroordeeld om aan Patricia Mergaerts de terugbetaling te doen voor de kosten van de rolwagen, zoals die voor haar zoon R. A. aangepast gebouwd werd; - het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering verwezen in de kosten van het geding met inbegrip van de kosten van het deskundig onderzoek; de kosten van het deskundig onderzoek werden begroot op 13.500 Belgische frank. Op verzoek van P. M. heeft gerechtsdeurwaarder Marc Vermeulen op 29 juni 2000 het vonnis van de arbeidsrechtbank Mechelen van 20 april 2000 betekend aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Op 14 juli 2000 zond gerechtsdeurwaarder J. Gielen aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering een afrekening met verzoek een bedrag van 9.794,40 euro te betalen (stuk 4 bundel tweede geïntimeerde: afrekening gerechtsdeurwaarder J. Gielen van 14.07.00). Op 14 december 2000 hebben partijen ter openbare terechtzitting van de arbeidsrechtbank te Mechelen een proces-verbaal van vrijwillige verschijning neergelegd welke ertoe strekte een verbetering en uitlegging te bekomen van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 20 april
  14. Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Mechelen van 14 juni 2001 werd: - de vordering van P. M. tot verbetering en uitlegging van het vonnis ontvankelijk verklaard; - het vonnis van 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, verbeterd in die zin dat in het vonnis op blz. 3, voorlaatste alinea, de zin "Hervormt de bestreden administratieve beslissing in kwestie en veroordeelt tweede verweerder (het RIZIV) om aan eiseres de terugbetaling te doen." moet worden gelezen als volgt : "Hervormt... en veroordeelt eerste verweerder (de LCM) om aan..." - het vonnis van 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, uitgelegd in die zin dat de vordering van eiseres gegrond kon worden verklaard en dat eerste verweerder dient te worden veroordeeld om aan eiseres de terugbetaling te doen van de kosten voor de aanpassing van de rolwagen, waardoor een besturing via de kin mogelijk wordt en dit onder de verstrekking 616173 van de nomenclatuur; - voor recht gezegd dat, wanneer deze terugbetaling ondertussen reeds gebeurd is, er geen verdere tussenkomst meer verschuldigd is; - voor recht gezegd dat overeenkomstig artikel 800 Ger. W. melding van het beschikkend gedeelte van huidig vonnis zal gemaakt worden op de kant van het verbeterd vonnis dd. 20 april 2000 en dat geen uitgifte, afschrift noch uittreksel van het verbeterd vonnis zal uitgereikt worden in de toekomst zonder de melding daarop van het beschikkend gedeelte van huidig verbeterend vonnis; - akte verleend aan partijen dat zij uit hoofde van de procedure geen bijkomende kosten begroten. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 juli 2001, tekende P. M. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.
  15. Eisen in hoger beroep P. M., handelend in de hoedanigheid van moeder en erfgename van haar overleden minderjarige zoon R. A. (appellante) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis van 14 juni 2001 te hervormen en voor recht te zeggen dat appellante gerechtigd is op de terugbetaling voor de kosten van de rolwagen, zoals die voor haar zoon R. A. aangepast gebouwd werd ten belope van 6.782,44 euro (273.603 Bef); - geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, aan haar zijde begroot op 2,97 euro expeditiekosten, 98,91 euro betekening vonnis en 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (eerste geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep van appellante als onontvankelijk, minstens ongegrond af te wijzen; - over de kosten te oordelen als naar recht. Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (tweede geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis waartegen beroep te bevestigen; - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering akte te verlenen van zijn incidenteel hoger beroep; - de beroepsprocedure te aanzien als tergend en roekeloos en appellante te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, begroot op 291,50 euro, bedrag te verhogen met gerechtelijke intresten vanaf het aanvatten van de beroepsprocedure; - aanvullend, in alle omstandigheden vast te stellen dat de procedure tot uitlegging geen afzonderlijke aanleg vormt, zoals omschreven in het KB van 26 oktober 207 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, zodat er geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend.
  16. Ten gronde 5.
  17. Situering van het geschil in hoger beroep Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank Mechelen van 20 april 2000 werd de beslissing van het College van geneesheren-directeurs van 22 februari 1995 hervormd en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering veroordeeld om aan P. M. de kosten van de rolwagen, zoals die voor haar zoon R. A. aangepast gebouwd werd, terug te betalen. Met een proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 14 december 2000 (stuk 1 dossier rechtspleging arbeidsrechtbank Mechelen) zijn alle gedingpartijen vrijwillig verschenen voor de arbeidsrechtbank te Mechelen met verzoek het vonnis van 20 april 2000 van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank in Mechelen te verbeteren en uit te leggen: * verbetering: in genoemd vonnis de zin "Hervormt de bestreden administratieve beslissing in kwestie en veroordeelt tweede verweerder om aan eiseres de terugbetaling te doen..." te wijzigen tot "Hervormt... en veroordeelt eerste verweerder om aan ...": * uitlegging: aan partijen meer precies toe te lichten welke kosten er aan eiseres dienen te worden terugbetaald. Bij vonnis van 14 juni 2001 van de arbeidsrechtbank te Mechelen werd de vordering tot verbetering en uitlegging ontvankelijk verklaard. Het dispositief van het bestreden vonnis luidt als volgt: "Verbetert het vonnis d.d. 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, in die zin dat in het vonnis op blz. 3, voorlaatste alinea, de zin: "Hervormt de bestreden administratieve beslissing in kwestie en veroordeelt tweede verweerder (het RIZIV) om aan eiseres de terugbetaling te doen" Moet worden gelezen als volgt: "Hervormt...en veroordeelt eerste verweerder (de LCM) om aan ..." Legt het vonnis d.d. 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, uit in die zin dat de vordering van eiseres gegrond kon worden verklaard en dat eerste verweerder diende te worden veroordeeld om aan eiseres de terugbetaling te doen van de kosten voor de aanpassing van de rolwagen, waardoor een besturing via de kin mogelijk wordt en dit onder de verstrekking 616173 van de nomenclatuur." Met een verzoekschrift van 19 juli 2001 heeft P. M. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 14 juni 2001 van de arbeidsrechtbank te Mechelen; dit hoger beroep is beperkt tot de 'uitlegging' van het vonnis van 20 april 2000 van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank in Mechelen. P. M. laat gelden dat het interpretatief vonnis van 14 juni 2001 van de arbeidsrechtbank te Mechelen de rechten van de partijen ten aanzien van het vonnis van 20 april 2000 heeft gewijzigd, minstens beperkt, hetgeen in strijd is met artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek. Op 'incidenteel beroep' vordert het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering lastens P. M. een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Uit het beschikkingsbeginsel volgt dat de appelrechter de grenzen van het geschil - zoals bepaald door de partijen - moet respecteren zodat de betwisting in hoger beroep beperkt is tot volgende vragen:
  18. Worden de rechten van partijen in het uitleggend vonnis al dan niet gewijzigd?
  19. Is het ingesteld hoger beroep tergend en roekeloos? Volledigheidshalve moet benadrukt worden dat het niet tot de rechtsmacht van dit arbeidshof behoort om een oplossing aan te reiken voor een probleem dat ontstaan is bij de uitvoering van het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 20 april
  20. 5.
  21. Beoordeling 5.2.
  22. Hoofdberoep Overeenkomstig artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, die uitleggen zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. Samen met het openbaar ministerie stelt het arbeidshof vast dat in het bestreden interpretatief vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 14 juni 2001, de rechten van partijen werden gewijzigd hetgeen een schending uitmaakt van artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek. Immers, in het vonnis van 20 april 2000 werd het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering veroordeeld om de kosten van de rolwagen, zoals die aangepast gebouwd werd voor de zoon van appellante, terug te betalen. Dit blijkt uit volgende formulering in het dispositief van het vonnis van 20 april 2000 (A.R. nr 59948) inzake M. P. (eiseres) tegen de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (eerste verweerder) en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (tweede verweerder): "Rechtdoende bij verstek jegens eerste verweerder en op tegenspraak jegens tweede verweerder. Verklaart de vordering van eiseres gegrond. Hervormt de bestreden administratieve beslissing in kwestie en veroordeelt tweede verweerder om aan eiseres de terugbetaling te doen voor de kosten van de rolwagen, zoals die voor haar zoon R. A. aangepast gebouwd werd." [onderlijning door arbeidshof] In het bestreden vonnis van 14 juni 2001 wordt echter een andere partij, meer bepaald de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, veroordeeld tot terugbetaling van de kosten voor de aanpassing van de rolwagen. Dit blijkt uit volgende formulering in het dispositief van het interpretatief vonnis van 14 juni 2001 (A.R. 76569) inzake M. P. (eiseres) tegen de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (eerste verweerder) en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (tweede verweerder): "Legt het vonnis d.d. 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, uit in die zin dat de vordering van eiseres gegrond kon worden verklaard en dat eerste verweerder diende te worden veroordeeld om aan eiseres de terugbetaling te doen van de kosten voor de aanpassing van de rolwagen, waardoor een besturing via de kin mogelijk wordt en dit onder de verstrekking 616173 van de nomenclatuur." [onderlijning door arbeidshof] De stelling dat enkel de verzekeringsinstellingen kunnen veroordeeld worden tot terugbetaling van de kosten van de rolwagen is juridisch correct maar dit neemt niet weg dat de 'onterechte' veroordeling van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering enkel kon bestreden worden door het geëigend rechtsmiddel, met name hoger beroep, wat door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering echter werd nagelaten. Door thans in het interpretatief vonnis een andere partij, meer bepaald de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten te veroordelen tot terugbetaling van de kosten van de rolwagen, wordt drastisch ingegrepen in de rechten van de gedingpartijen, hetgeen een schending uitmaakt van artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek. Het verbod om hetgeen werkelijk is beslist te wijzigen, aan te vullen of er vaststellingen aan toe te voegen, en het verbod om bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen gelden zelfs indien hetgeen werkelijk is beslist of indien die bevestigde rechten onwettig zouden zijn (Cass. 17 november 1997, Arr. Cass. 1997, 482) Gelet op de weerhouden schending van artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek is het hoofdberoep gegrond in zoverre de vernietiging wordt gevorderd van volgend dispositief van het vonnis van 14 juni 2001: "Legt het vonnis d.d. 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, uit in die zin dat de vordering van eiseres gegrond kon worden verklaard en dat eerste verweerder diende te worden veroordeeld om aan eiseres de terugbetaling te doen van de kosten voor de aanpassing van de rolwagen, waardoor een besturing via de kin mogelijk wordt en dit onder de verstrekking 616173 van de nomenclatuur." Aangezien het arbeidshof niet wettig als appelrechter kennis kan nemen van de grond van de zaak, zoals deze beslecht is in het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de arbeidsrechtbank van Mechelen van 20 april 2000, kan geen uitspraak gedaan worden over de vordering van appellante "voor recht te zeggen dat appellante gerechtigd is op de terugbetaling voor de kosten van de rolwagen, zoals die voor haar zoon R. A. aangepast gebouwd werd ten belope van 6.782,44 euro (273.603 Bef)". 5.2.
  23. Vordering tot schadevergoeding Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering vordert P. M. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 291,50 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Het arbeidshof stelt vast dat het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering haar vordering tot schadevergoeding ten onrechte betitelt als een 'incidenteel beroep' daar waar het in werkelijkheid om een 'tegeneis in hoger beroep' handelt gezien de vordering tot schadevergoeding niet aanhangig was voor de arbeidsrechtbank. De in huidig geschil geformuleerde tegeneis kan voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld daar ze een verweer uitmaakt tegen een hoofdberoep. Het instellen van hoger beroep is volkomen rechtmatig wanneer het rechtsmiddel strekt tot de vernietiging of hervorming van een nadelige rechterlijke uitspraak, op grond van ernstige grieven; alleen kennelijk misbruik van de mogelijkheid om zich tot de beroepsrechter te wenden kan tot veroordeling tot schadevergoeding aanleiding geven. In huidige zaak werd het hoger beroep geenszins ingeleid met een schuldige lichtzinnigheid vermits het gegrond wordt verklaard. Hieruit volgt dat de tegeneis van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering wegens tergend of roekeloos hoger beroep ongegrond is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 26 mei
  24. De raadsman van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. De raadsman van P. M. en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van P. M. ontvankelijk en gegrond. Vernietigt volgend dispositief van het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 14 juni 2001 in de openbare zitting van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 76.569): "Legt het vonnis d.d. 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, uit in die zin dat de vordering van eiseres gegrond kon worden verklaard en dat eerste verweerder diende te worden veroordeeld om aan eiseres de terugbetaling te doen van de kosten voor de aanpassing van de rolwagen, waardoor een besturing via de kin mogelijk wordt en dit onder de verstrekking 616173 van de nomenclatuur." Verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over de vordering van P. M. "te zeggen voor recht dat appellante gerechtigd is op de terugbetaling voor de kosten van de rolwagen, zoals die voor haar zoon R. A. aangepast gebouwd werd ten belope van 6.782,44 euro (273.603 Bef)". Beveelt in toepassing van artikel 800 van het Gerechtelijk Wetboek dat de griffier bij de arbeidsrechtbank te Mechelen op de kant van het vonnis van 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer bij de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943 melding maakt van volgend beschikkend gedeelte van huidig arrest van 23 juni 2009: Vernietigt volgend dispositief van het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 14 juni 2001 in de openbare zitting van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 76.569): "Legt het vonnis d.d. 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, uit in die zin dat de vordering van eiseres gegrond kon worden verklaard en dat eerste verweerder diende te worden veroordeeld om aan eiseres de terugbetaling te doen van de kosten voor de aanpassing van de rolwagen, waardoor een besturing via de kin mogelijk wordt en dit onder de verstrekking 616173 van de nomenclatuur." Zegt voor recht dat geen uitgifte, afschrift, noch uittreksel van het vonnis van 20 april 2000, uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, gekend onder A.R. 59943, mag worden uitgereikt tenzij daarop melding is gemaakt van voormeld dispositief van huidig arrest van 23 juni
  25. Verklaart de tegeneis van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits-verzekering wegens tergend en roekeloos beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van P. M. op 2,97 euro kosten eensluidende uitgifte van het vonnis van 20 april 2000, 98,91 euro kosten betekening vonnis van 20 april 2000 door gerechtsdeurwaarder M. Vermeulen en 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, W. BOGAERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, F. CONVENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend en negen. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090623.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.