← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090908.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090908.4 Rolnummer: 2008-0226 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-29 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 20:12 Fiche Een arbeidsongschikte werkneemster die een schriftelijke toestemming heeft van de adviserend geneesheer om tijdens haar arbeidsongeschiktheid een deeltijdse activiteit als bediende te hervatten en die zonder haar mutualiteit te verwittigen een activiteit als zelfstandige aanvat, oefent geen activiteit uit die beantwoordt aan de voorwaarden waarvoor ze eerder een toelating van de adviserend geneesheer heeft bekomen. De zelfstandige activiteit betreft een normale werkhervatting waardoor de betrokkene niet langer voldeed aan de voorwaarden van artikel 100, § 1 van de Gec. Wet van 14 juli 1994 en waardoor ze niet kan genieten van de voordelen voorzien in artikel 101 en 102 van voornoemde wet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Algemeen Vrije woorden: sociale zekerheid voor werknemers - coördinatie ziekte- en invaliditeitsverzekering - arbeidsongeschiktheid - hervatting arbeid zonder toelating van de adviserend geneesheer Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100 § 1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde Kamer. Ziekteverzekering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2080226 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: L. V., appellante, op de zitting vertegenwoordigd door mr. G. V. B., loco mr. W. V. B., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen:

  1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALI-TEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. D., advocaat te 2050 Antwerpen,
  2. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, tweede geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. L. K., loco mr. R. L., advocaat te 2018 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
  3. Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 4 juni 2008, 12 mei 2009 en 9 juni 2009; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de voorzitter van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 18 maart 2008 (A.R. 06/381.165/A en A.R. 06/381.192/A); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 23 april 2008; - de 'beroepsconclusie' voor eerste geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 30 mei 2008; - de 'beroepsconclusie' voor tweede geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 augustus 2008; - de 'beroepsconclusie' voor appellante, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 24 november 2008; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 9 juni 2009, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 9 juni 2009; - de repliek van appellante op het advies van het openbaar ministerie, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 juni
  4. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van: - het administratief dossier van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (stuk 7 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen - A.R. 381.192); - het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (stuk 5 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen - A.R. 381.165); - de bundel van de raadsman van appellante bestaande uit 12 genummerde stukken, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 april
  5. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 12 mei
  6. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 juni 2009 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn van 10 dagen, in beraad genomen.
  7. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 23 april 2008, tekende L. V. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 18 maart 2008 (A.R. nr. 06/381.165/A en A.R. 06/381.192/A). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 21 maart
  8. Appellante tekende voor ontvangst van de gerechtsbrief op 27 maart 2008 (zie blauwe kaart - bericht van ontvangst voor een gerechtsbrief - stuk 17 rechtsplegingsgdossier). Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  9. Feiten en voorgaande rechtspleging Mevrouw L. V. werd arbeidsongeschikt erkend vanaf 31 januari 1994 en genoot uitkeringen in het kader van de wettelijke verplichte uitkeringsverzekering voor loontrekkenden. Na een periode van primaire arbeidsongeschiktheid werd betrokkene door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering als invalide erkend tot en met 30 juni
  10. Vanaf 1 augustus 1994 had L. V. een schriftelijke toestemming van de adviserend geneesheer van de Christelijke Mutualiteit om een deeltijdse activiteit als bediende te hervatten, dagelijks van 8h00 tot 12h
  11. In dit kader was betrokkene werkzaam als bediende bij de nv De Vaderlandsche. Via haar ziekenfonds werden in maart 2005 hernieuwde loonstaten toegezonden aan de nv De Vaderlandsche; door de personeelsdienst van de nv De Vaderlandsche werd aan de mutualiteit echter meegedeeld dat L. V. uit dienst was vanaf 28 februari
  12. Vanaf 1 maart 2002 werkte L. V. bij de bvba Modern Assurantie-kantoor, dit op zelfstandige basis. Zij ondertekende een verklaring van aansluiting bij het Sociaal Verzekeringsfonfs VEV als zelfstandige in hoofdberoep (stuk 6 bundel appellante: attest Sociaal Verzekeringsfonds VEV van 21 februari 2002). Deze niet medegedeelde verandering van sociaal statuut met oncontroleerbare prestaties werd door de betrokken instanties beschouwd als een normale werkhervatting die niet gedekt was door een voorafgaande toelating van de adviserend geneesheer. Deze vaststelling resulteerde in een aantal administratieve beslissingen die door L. V. werden aangevochten bij de arbeidsrechtbank met een inleidend verzoekschrift van 11 augustus 2005:
  13. De beslissing van 23 mei 2005 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering waarbij een einde werd gesteld aan de arbeidsongeschiktheid wegens de uitoefening van een niet vooraf toegelaten activiteit tijdens de periode van 19 februari 2002 tot 31 maart 2005 en waarbij de aanvraag tot erkenning van de staat van invaliditeit volgens artikel 101 en 102 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 werd geweigerd dat de uitgevoerde activiteit beschouwd werd als een normale werkhervatting.
  14. De beslissing van 22 juni 2005 van de Christelijke Mutualiteit Antwerpen waarbij, gelet op de tweejarige verjaringstermijn, de onrechtmatig genoten uitkeringen van 5 april 2003 tot en met 30 maart 2005 ten bedrage van 19.133,13 euro werden teruggevorderd.
  15. De beslissing van 8 juli 2005 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering waarbij aan L. V. werd meegedeeld dat zij niet kon genieten van de voordelen van de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet van 14 juli
  16. In de procedure in eerste aanleg voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen vorderde L. V. de vernietiging van volgende beslissingen:
  17. De beslissing van 23 mei 2005 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  18. De terugvorderingbeslissing van 22 juni 2005 van de Christelijke Mutualiteit Antwerpen. Met besluiten van 27 februari 2007 stelde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een tegenvordering in tot terugbetaling van een bedrag van 19.133,13 euro; deze terugvordering steunde op de beslissing van 23 mei 2005 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering waarbij werd vastgesteld dat L. V. vanaf 19 februari 2002 een activiteit heeft uitgeoefend zonder voorafgaandelijke toelating van de adviserend geneesheer van haar ziekenfonds. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 18 maart 2008 werd: - de hoofdvordering van L. V. ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de beslissing van 23 mei 2005 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering bevestigd; - de terugvorderingbeslissing van 22 juni 2005 van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten bevestigd; - de tegenvordering ontvankelijk en gegrond verklaard en L. V. veroordeeld tot betaling aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van een bedrag van 19.133,13 euro meer de interesten vanaf 22 juni 2005; - de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek veroordeeld tot de kosten van het geding die door geen der partijen werden begroot. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 23 april 2008, tekende L. V. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis.
  19. Eisen in hoger beroep L. V. (appellante) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht doende: * de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invalidi-teitsverzekering van 23 mei 2005 en de beslissing van de Christelijke Mutualiteit Antwerpen van 22 juni 2005 te vernietigen, minstens niet toepasselijk te verklaren met toepassing van artikel 159 G.W.; * voor recht te zeggen dat appellante sinds 19 februari 2002 terecht uitkeringen heeft ontvangen en dat zij kan genieten van de voordelen die de toepassing van de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet van 17 juli 1994 met zich mee brengt; - minstens alvorens recht te doen, appellante toe te laten om te bewijzen met alle wettelijke middelen, getuigen inbegrepen, dat Dr. Peys tijdens een controlebezoek d.d. 4 april 2002 in kennis werd gebracht van de nieuwe werkactiviteit van mevrouw L. V. en alsdan zijn mondelinge toelating verleende aan mevrouw L. V.; - alleszins geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van appellante begroot op 72,86 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 186,00 euro rolrecht hoger beroep en 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (eerste geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - de bestreden beslissing te bevestigen; - appellante te veroordelen om aan eerste geïntimeerde 19.133,13 euro te betalen, meer de interesten vanaf 22 juni
  20. Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (tweede geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - de bestreden administratieve beslissing te bevestigen in al haar onderdelen; - tevens appellante te veroordelen tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van tweede geïntimeerde begroot op het basisbedrag van 291,50 euro, mits verdeling van de gerechtskosten omdat appellante ook een beslissing van het V.I. aanvecht.
  21. In rechte 5.
  22. Situering van het geschil in hoger beroep Met betrekking tot de hoofdvordering overwoog de arbeidsrechtbank: - dat de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 23 mei 2005 wel afdoende gemotiveerd was en derhalve niet strijdig is met de Wet Motivering Bestuurshandelingen; - dat uit de stukken van het administratief dossier en de bijgebrachte stukken blijkt dat L. V. op 19 februari 2002 spontaan de arbeid heeft hervat als zelfstandige in hoofdberoep, waaruit zij inkomsten verkreeg, zonder hiervoor de voorafgaandelijke toelating te hebben gevraagd aan de adviserend geneesheer; - dat de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidbeginsel en het evenredigheidbeginsel, niet werden geschonden; - dat er onvoldoende overeenstemmende en zwaarwichtige vermoedens in het dossier aanwezig zijn die een getuigenverhoor rechtvaardigen om aan te tonen dat L. V. reeds op 4 april 2002 mondeling de toelating van de adviserend geneesheer zou hebben bekomen voor de uitoefening van een zelfstandige activiteit; - dat het beroep tegen de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering ongegrond is. Met betrekking tot de tegenvordering overwoog de arbeidsrechtbank: - dat deze terugvordering gesteund is op de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 23 mei 2005 waarbij werd vastgesteld dat L. V. zonder voorafgaandelijke toestemming het werk had hernomen; - dat, gelet op de ongegrondheid van de hoofdvordering, de tegenvordering gegrond voorkomt. De belangrijkste grieven van appellante tegen het bestreden vonnis kunnen als volgt worden samengevat:
  23. de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 23 mei 2005 werd niet afdoende gemotiveerd;
  24. de overstap naar het statuut van zelfstandige was louter formeel en brengt inhoudelijk geen verandering aan de werkzaamheden die zij deeltijds als bediende verrichtte en waarvoor zij wel toelating had van de adviserend geneesheer;
  25. uiteindelijk werd er op 13 april 2005 wel toelating verleend door de adviserend geneesheer om de activiteit als zelfstandige deeltijds uit te oefenen;
  26. appellante kan niet worden uitgesloten van de voordelen van de artikelen 101 en 102 van de Gec. Wet van 14 juli 1994;
  27. de beslissingen zijn strijdig met de beginselen van behoorlijk bestuur. 5.
  28. Beoordeling 5.2.
  29. Exceptie van nietigheid Appellante laat gelden dat de beslissing van tweede geïntimeerde van 23 mei 2005 nietig is wegens schending van de formele motiveringsplicht. In toepassing van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991) moeten de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk worden gemotiveerd; de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zij moeten afdoende zijn. Een afdoende motivering is een motivering die haar doel bereikt, meer bepaald een motivering die de sociaal verzekerde in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen zodat hij met kennis van zaken kan uitmaken of het aangewezen is de beslissing aan te vechten. De bestreden administratieve beslissing luidt als volgt: "Geachte mevrouw V., Terwijl u arbeidsongeschikt was erkend, heeft u een activiteit uitgeoefend vanaf 19-02-2002 zonder voorafgaande toelating van de adviserend geneesheer van uw ziekenfonds. Aldus heeft u een einde gesteld aan uw arbeidsongeschiktheid (artikel 100 §1 en §2 van de wet gecoördineerd op 14.07.1994). De adviserend geneesheer van uw ziekenfonds heeft aan de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit voorgesteld u te laten genieten van de voordelen van artikel 101 en 102 van de wet gecoördineerd op 14.07.1994 (56bis en 56ter van de wet van 09.08.1963). Op 20-05-2005 heeft de voltallige vergadering van de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit deze aanvraag onderzocht en vastgesteld dat de uitgevoerde activiteit moet beschouwd worden als een normale werkhervatting en dat u, bijgevolg niet kan genieten van de voordelen van de artikelen 101 en 102 van de Wet gecoördineerd op 14.07.1994." Uit lezing blijkt dat voormelde beslissing van tweede geïntimeerde van 23 mei 2005 afdoende een feitelijke motivering bevat (vaststelling van een niet-toegelaten arbeid gedurende een periode van arbeidsongeschiktheid) alsmede een juridische motivering (verwijzing naar artikelen 100, 101 en 102 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). Dienvolgens kan geen schending van de formele motiveringsplicht weer-houden worden. 5.2.
  30. Beslissing van 23 mei 2005 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering Overeenkomstig artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die:
  31. alle werkzaamheid heeft onderbroken,
  32. als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen,
  33. waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitgeoefend hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Eveneens als arbeidsongeschikt wordt erkend de werknemer die onder bepaalde voorwaarden een vooraf toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, vanuit geneeskundig oogpunt, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50% behoudt. Overeenkomstig artikel 230, §2 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, moet de gerechtigde om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, vóór de hervatting van elke activiteit hiertoe een aanvraag richten tot de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling die de toelating kan verlenen voor zover zij verenigbaar is met de betrokken aandoening. Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. Aan de gerechtigde wordt kennis gegeven van de toelating. Een afschrift van deze toelating wordt door de verzekeringsinstelling gezonden aan de provinciale dienst voor geneeskundige controle. De aanvraagmodaliteiten zijn geregeld in artikel 16, eerste en derde lid van de Verordening van 16 april
  34. In huidig geschil had appellante op 25 juli 1994 de toelating van de adviserend geneesheer om deeltijds te werken vanaf 1 augustus 1994 als bediende, dagelijks van 8u tot 12u (stuk 4 bundel appellante: kennisgeving van toestemming om een activiteit uit te oefenen tijdens een arbeidsonge-schiktheid). In deze kennisgeving wordt duidelijk melding gemaakt dat appellante, vanaf de maand van de aanvangsdatum van de toegelaten arbeid, maandelijks een verklaring van de werkgever met vermelding van het brutoloon dat zij tijdens die maand heeft verdiend, alsmede van het daarmee overeenstemmend aantal arbeidsdagen moet overmaken, hetzij een verklaring op erewoord dat zij een zelfstandige werkzaamheid heeft hervat. Uit de voorgebrachte gegevens blijkt dat appellante vanaf 1 augustus 1994 deeltijds als bediende werkte voor rekening van de nv De Vaderlandsche; uit het door appellante voorgebrachte addendum aan haar arbeidsovereenkomst blijkt dat werkgever en werknemer met wederzijdse toestemming de bestaande arbeidsovereenkomst beëindigden vanaf 28 februari
  35. Vervolgens was appellante vanaf 1 maart 2002 werkzaam als zelfstandige in hoofdberoep (stuk 6 bundel appellante: verklaring van aansluiting als zelfstandige bij Sociaal Verzekeringsfonds VEV van 21 februari 2002); haar zelfstandige activiteit in hoofdberoep werd uitgevoerd in de BVBA Modern Assurantiekantoor te Kalmthout, zijnde het verzekeringskantoor van haar echtgenoot, alwaar zij vrij spel had om de beperkingen en de voorwaarden van de toelating van de adviserend geneesheer om de arbeid te hervatten naar haar hand te zetten. Appellante blijft in gebreke aan te tonen dat zij haar mutualiteit correct heeft geïnformeerd over de wijziging in haar arbeidsomstandigheden en haar statuut, laat staan dat zij zou aantonen dat de adviserend geneesheer haar toelating zou gegeven hebben om in haar nieuwe hoedanigheid bij haar echtgenoot te werken tijdens haar arbeidsongeschiktheid. De toelating moet vooraf bekomen worden onder meer om controle op het naleven van de voorwaarden door de verzekerde mogelijk te maken. De voorafgaande toelating is essentieel om het arbeidsinkomen met prestaties van de uitkeringsverzekering te mogen cumuleren (Cass., 14 februari 1973, T.S.R., 1973, 15). Uit de documenten die appellante, sedert haar tewerkstelling bij haar echtgenoot, heeft overgemaakt aan haar mutualiteit blijkt dat zij zich bleef opgeven als bediende (zie maandelijkse inkomstenverklaringen) zodat de indruk werd gewekt dat de oude activiteit zonder meer werd voortgezet. Uiteindelijk is het naar aanleiding van een initiatief van de mutualiteit zelf, in maart 2005, waarbij de mutualiteit aan De Vaderlandsche meldde dat er nieuwe formulieren in voege waren, dat de mutualiteit voor het eerst kennis kreeg van de gewijzigde arbeidsomstandigheden van appellante. De overwegingen van appellante omtrent het beperkte inkomen dat zij verworven heeft uit haar zelfstandige activiteit of het feit dat haar zelfstandige activiteit gelijkaardig was aan haar toegelaten activiteit doet uiteraard geen afbreuk aan de vaststelling dat zij van statuut is veranderd en zich niet gehouden heeft aan de strikte voorwaarden voor de werkhervatting. Appellante kan evenmin een argument putten uit het feit dat zij vanaf 5 april 2005 wel toelating had bekomen om tijdens haar arbeidsongeschiktheid een activiteit uit te oefenen als zelfstandige van maandag tot en met vrijdag van 8u tot 12u (zie in het administratief dossier LCM de beslissing van 5 april 2005 van de adviserend geneesheer: kennisgeving van toestemming om een activiteit uit te oefenen tijdens een arbeidsongeschiktheid) Er is geen enkele reden om op basis van deze toelating een periode van meer dan 3 jaar wederrechtelijk genoten uitkeringen te regulariseren. Dat de adviserend geneesheer uiteindelijk wel een toelating verleende van zodra de juiste toedracht bekend was getuigt juist van een integere benadering van het dossier van appellante door haar mutualiteit die de schade voor haar lid duidelijk heeft willen beperken. Samenvattend besluit het arbeidshof dat het onbetwistbaar vaststaat dat appellante in de periode vanaf 19 februari 2002 tot 4 april 2005 een zelfstandige activiteit heeft uitgeoefend tijdens haar arbeidsongeschiktheid en deze activiteit niet beantwoordde aan de voorwaarden waarvoor ze de voorafgaandelijk toelating van de adviserend geneesheer had verkregen. De uitgevoerde zelfstandige activiteit betreft een normale werkhervatting waardoor appellante vanaf 19 februari 2002 tot 4 april 2005 niet meer voldeed aan de voorwaarden van artikel 100, §1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en bijgevolg niet kan genieten van de voordelen voorzien door de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet van 14 juli
  36. Door de activiteit die appellante uitoefende kon zij namelijk ten volle haar rechten inzake sociale zekerheid vrijwaren. Er is ten deze dan ook geen sprake van het verlies van de sociale verzekerbaarheid in hoofde van verzekerde. Aangezien de artikelen 101 en 102 juist tot doel hebben de sociale verzekerbaarheid te waarborgen voor al de dagen die niet gedekt zijn door uitkeringen, als gevolg van de terugvordering ervan wegens een niet-toegelaten werkhervatting, is in casu geen toepassing van hogervermelde artikelen mogelijk. De artikelen 101 en 102 beogen namelijk geen regularisering van een normale werkhervatting (cf verslag van de heer Charlier uitgebracht in de Kamer van Volksvertegenwoordigers namens de Commissie van Sociale Zaken op 4 oktober 1991 over de wijzigingen door de Senaat aangebracht aan het wetsontwerp, Parl. St. Kamer van Volksvertegenwoordigers, 810/5 - 90/91; Arbh. Antwerpen, 11 mei 2001, I.B. RIZIV, 2001/4, p. 455) De arbeidsrechtbank heeft dienvolgens terecht de bestreden administratieve beslissing van 23 mei 2005 van tweede geïntimeerde bevestigd. 5.2.
  37. Terugvordering Overeenkomstig artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 is hij die ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de uitkeringsverzekering verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. Aangezien appellante voor de periode van 19 februari 2002 tot 31 maart 2005 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 100, §1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 dienen, in toepassing van artikel 164, de ten onrechte ontvangen prestaties te worden terugbetaald. Er bestaat tussen partijen geen betwisting over de becijfering van de ten onrechte genoten prestaties van 5 april 2003 tot en met 30 maart 2005 zodat in het bestreden vonnis appellante terecht werd veroordeeld tot betaling aan eerste geïntimeerde van een bedrag van 19.133,13 euro meer de interesten vanaf 22 juni
  38. 5.2.
  39. Beginselen van behoorlijk bestuur Appellante roept een schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en redelijkheidsbeginsel. De toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan geen afwijking van de wet rechtvaardigen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet leiden tot een negatie van het legaliteitsbeginsel. Anders dan de beginselen van behoorlijk bestuur is het legaliteitsbeginsel immers rechtstreeks gegrond op een grondwettekst, namelijk artikel 159 van de Grondwet, naar luid waarvan de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Met verwijzing naar een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en/of redelijkheidsbeginsel kan dienvolgens niet beslist worden dat appellante gerechtigd is op prestaties van de uitkeringsverzekering indien niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarden van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (Cass., 29 november 2004, J.T.T., 2005, 104). Vanuit deze invalshoek beschouwd zijn bijgevolg de door appellante aangevoerde grieven i.v.m. een mogelijke schending van voornoemde beginselen van behoorlijk bestuur, en ongeacht of ze al dan niet feitelijk gegrond zijn, niet terzake dienend. Bovendien, en voor zoveel als nodig, dient te worden opgemerkt dat de sanctie voor het miskennen van de beginselen van behoorlijk bestuur een toepassing uitmaakt op de zorgvuldigheidsnorm vervat in de artikelen 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, wat aanleiding zou kunnen geven tot schadeloosstelling voor bewezen schade wat door appellante in huidig geschil niet wordt gevorderd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 juni
  40. Appellante heeft op 16 juni 2009 schriftelijk gerepliceerd op het advies. Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 18 maart 2008 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 06/381.165/A en A.R. 06/381.192/A). Verwijst overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering ieder voor de helft in de kosten van beide aanleggen. Vereffent de kosten aan de zijde van L. V. op 72,86 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 291,50 euro rechtsple-gingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, W. BOGAERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, F. CONVENS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van acht september tweeduizend en negen. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090908.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.