id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090928.1 Rolnummer: 2008-0337 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Internationaal publiekrecht - Unierecht Invoerdatum: 2009-10-14 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 20:19 Fiches 1 - 3 De werknemersvertegenwoordigers die deel uitmaken van de Europese ondernemingsraad genieten eenzelfde bescherming tegen ontslag als de leden die de werknemers vertegenwoordigen in de ondernemingsraad. Deze bescherming verbonden aan de Europese ondernemingsraad vangt aan de dertigste dag die voorafgaat aan hun aanwijzing en eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt. Het einde van het mandaat als vertegenwoordiger van de werknemers in de ondernemingsraad, het C.P.B.W. of als vakbondsafgevaardigde impliceert geenszins het einde van het mandaat als lid van de Europese ondernemingsraad. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet het lidmaatschap van de plaatselijke ondernemingsraad, het C.P.B.W. of vakbondsafvaardiging een voorwaarde of vereiste is om werknemersvertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad te blijven. Eens de werknemersvertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad is aangewezen op de wijze zoals voorzien in artikel 29 van de C.A.O. nr. 62 behoudt hij zijn mandaat met de daaraan verbonden ontslagbescherming voor vier jaar, voor zover het niet voortijdig beëindigd wordt, wat onder meer het geval kan zijn als hij zelf het mandaat neerlegt of dit mandaat wordt ingetrokken of vervalt op een andere door de wet of in de overeenkomst vooziene wijze. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 Vrije woorden: Arbeidsovereenkomst - ontslag - mandaat in Europese ondernemingsraad - bijzondere beschermingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 62 - 06-02-1996 - 45 - 34 Link Justel databank 19960206-34 Nota: Gerangschikt onder IV D - artikel 45 - IV BIS G - artikel 9 en onder IX D 6 - artikel
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Europese ondernemingsraad Vrije woorden: Arbeidsovereenkomst - ontslag - mandaat in Europese ondernemingsraad - bijzondere beschermingsvergoeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-08-2005 - 9 - 81 ELI link Pub nr 2005009650 Wet - 23-04-1998 - 9 - 47 ELI link Pub nr 1998012192 Nota: Gerangschikt onder IV D - artikel 45 - IV BIS G - artikel 9 en onder IX D 6 - artikel 10 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE Vrije woorden: Arbeidsovereenkomst - ontslag - mandaat in Europese ondernemingsraad - bijzondere beschermingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 22-09-1994 - 10 - 41 Link Justel databank 19940922-41 Nota: Gerangschikt onder IV D - artikel 45 - IV BIS G - artikel 9 en onder IX D 6 - aritkel 10 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2080337 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN NV, met maatschappelijke zetel te , appellante, vertegenwoordigd door mr. A. C., advocaat te, tegen : C. B., wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer R. L., afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 30 oktober 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het eensluidend verklaard afschrift van het op 8 april 2008 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 4 juli 2008, - de beschikking d.d. 16 september 2008, - de conclusie van mevrouw B., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 18 september 2008, - de conclusie van de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 26 november 2008, - de conclusie van mevrouw B., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 1 december 2008, - de conclusie van de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 16 februari 2009, - de conclusie van mevrouw B., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 maart 2009, - het advies van de heer F.S., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 13 augustus 2009, - de repliek op het advies van het openbaar ministerie van mevrouw B., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 28 augustus 2009, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 15 september 2008, 16 september 2008 en 8 juni
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met dagvaarding, betekend op 17 november 2005, vorderde mevrouw B. de veroordeling van de NV, hierna genoemd de NV, tot betaling van: - 86.636,00 EUR bruto beschermingsvergoeding - 1,00 EUR bruto provisioneel aanvullende beschermingsvergoeding - 229,80 EUR bruto loon voor feestdagen - 30,66 EUR bruto vakantiegeld op loon voor feestdagen, vermeerderd met de wettelijke en/of gerechtelijke intresten, te berekenen op het netto-equivalent, afgeleid van hogervermelde brutobedragen, na afhouding van de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen en tot de kosten van het geding. Mevrouw B. vorderde de NV te veroordelen tot afgifte van volgende sociale bescheiden: een loonfiche, een individuele rekening, een fiscale steekkaart 281.10 m.b.t. de gevorderde bedragen en een verbeterd C4-formulier onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging per document. Met conclusie van 14 maart 2006 vorderde de NV de vordering van mevrouw B. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren met verwijs in de kosten van het geding. Met conclusie van 4 mei 2006 handhaafde mevrouw B. haar vordering, maar vorderde in ondergeschikte orde de NV te veroordelen tot het betalen van: - 25.990,80 EUR bruto aanvullende opzeggingsvergoeding - 1,00 EUR bruto provisioneel aanvullende opzeggingsvergoeding - 229,80 EUR bruto loon voor feestdagen - 30,66 EUR bruto vakantiegeld op loon voor feestdagen, vermeerderd met de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met conclusie van 6 december 2006 handhaafde de NV haar vordering, maar vorderde haar toe te laten middels een getuigenverhoor aanvullend het bewijs te leveren van de neerlegging en opvolging van het mandaat van mevrouw B. in de EO vóór de datum van ontslag, om nadien verder te handelen als naar recht. Met vonnis van 30 oktober 2007 werd de NV veroordeeld tot het betalen van: - 86.636,00 EUR bruto beschermingsvergoeding - 229,80 EUR bruto loon voor feestdagen - 30,66 EUR bruto vakantiegeld op loon voor feestdagen, alle bedragen wat het netto betreft vermeerderen met de wettelijke intresten zoals bepaald door artikel 10 van de Wet betreffende de Arbeidsovereenkomsten en de gerechtelijke intresten tot op de dag der algehele betaling. De NV werd tevens veroordeeld tot afgifte van de volgende documenten: - loonafrekening - individuele rekening - fiscale fiche 281.10 - het formulier C4 voor de hoger toegekende bedragen. Het meer of anders gevorderde door mevrouw B. werd afgewezen. De eerste rechters bevolen de heropening der debatten voor wat betreft het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de bruto aanvullende beschermingsvergoeding (patronale bijdrage in groepsverzekering gedurende 48 maanden). Tevens bevolen de eerste rechters dat mevrouw B. een conclusie met berekening en eventuele bewijsstukken voor 15 december 2007 neerlegde. De NV kreeg een termijn tot 1 januari 2008 om hierop te reageren. De beslissing betreffende de kosten werden aangehouden. Met conclusie van 27 februari 2008 vorderde mevrouw B. de NV te veroordelen tot het betalen van 3.887,29 EUR bruto aanvullende beschermingsvergoeding (patronale bijdrage in groepsverzekering voor 30 resterende maanden) vermeerderd met de wettelijke intresten. Met vonnis van 8 april 2008 werd de NV veroordeeld tot het betalen van 3.887,29 EUR bruto aanvullende beschermingsvergoeding (patronale bijdrage in groepsverzekering voor 30 resterende maanden) vermeerderd met de wettelijke intresten. De NV werd verwezen in de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 16 februari 2009 vordert de NV de bestreden vonnissen te vernietigen en opnieuw rechtsprekend de oorspronkelijke vordering van mevrouw B. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Tevens vordert de NV haar toe te laten middels een getuigenverhoor aanvullend het bewijs te leveren van de neerlegging en opvolging van het mandaat van mevrouw B. in de EO vóór de datum van ontslag, om nadien verder te handelen als naar recht. Ten slotte vordert de NV mevrouw B. te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Met conclusie van 10 maart 2009 vordert mevrouw B. het hoger beroep van de NV ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het incidenteel beroep van mevrouw B. ontvankelijk en gegrond te verklaren. Derhalve vordert mevrouw B. in hoofdorde de bestreden vonnissen te bevestigen inzoverre de NV veroordeeld werd tot betaling van: - 86.636,00 EUR beschermingsvergoeding - 3.887,29 EUR aanvullende beschermingsvergoeding - 229,80 EUR bruto loon voor feestdagen - 30,66 EUR bruto vakantiegeld op loon voor feestdagen, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op het netto opeisbaar gedeelte van deze sommen tot en met 30 juni 2005 en op de bruto-bedragen vanaf 1 juli
- In ondergeschikte orde vordert mevrouw B. de NV te veroordelen tot het betalen van: - 25.990,80 EUR bruto aanvullende opzeggingsvergoeding - 229,80 EUR bruto loon voor feestdagen - 30,66 EUR bruto vakantiegeld op loon voor feestdagen, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op het netto opeisbaar gedeelte van deze sommen tot en met 30 juni 2005 en op de bruto-bedragen vanaf 1 juli
- Mevrouw B. vordert bij veroordeling tot de kosten van het geding deze te willen beperken tot het minimumbedrag van 1.000,00 EUR per aanleg. Op 13 augustus 2009 legde het openbaar ministerie zijn advies neer ter griffie en op 28 augustus 2009 legde mevrouw B. haar repliek daarop neer. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten Mevrouw B. was als bediende in dienst van de NV van 20 juni 1977 tot 2 december 2004, datum waarop de NV eenzijdig de arbeidsovereenkomst beëindigde mits betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 18 maanden loon. (stuk 8 van mevrouw B.) Sedert 6 maart 2001 maakte mevrouw B. deel uit van de werknemersvertegenwoordiging in de Europese ondernemingsraad van de NV N. H., waarvan de NV, kortweg de NV genoemd, deel uitmaakt. Mevrouw B. was geen kandidaat bij de sociale verkiezingen van 2004 en genoot tot 6 november 2004 ontslagbescherming als gewezen vertegenwoordigster van de werknemers in de ondernemingsraad van de firma. Zij was, overeenkomstig artikel 6 van de overeenkomst inzake de Europese informatie- en overlegvergadering van de NV N.H., op de Belgische Interzetel vergadering van 5 maart 2001 aangeduid als vertegenwoordigster van de werknemers in de Europese ondernemingsraad van de NV N.H.. Op diezelfde vergadering was mevrouw Agnes Frees aangeduid als plaatsvervanger. Met brief van 23 december 2004 deelde mevrouw B. via haar vakorganisatie aan de NV het volgende mee: "Geachte Heer L. Betreft: ontslag Mevrouw B. Onlangs heeft Mevrouw B. met ons contact opgenomen i.v.m. haar ontslag bij NV. Het verbaast ons dat betrokkene ontslagen wordt enkele dagen nadat haar bescherming als lid van het comité verlopen is. Zij was echter nog steeds beschermd vanuit haar mandaat in de Europese Ondernemingsraad van Nutreco. De opname van dit mandaat is haar niet in dank afgenomen geweest, maar zij heeft nooit ontslag genomen uit dit mandaat en is ook niet vervangen geweest. De wet van 23 april 1998, artikel 9 kent dezelfde bescherming toe van de wet van '91 aan leden van Europese ondernemingsraden. Wij vragen u hierbij dan ook een beschermingsvergoeding van 4 jaar, onder aftrek van de 18 (formule Claeys is trouwens 27 maanden) reeds uitbetaalde maanden. De feestdagen 25 december en 1 januari zijn niet betaald door een andere werkgever en moeten dus ook vergoed worden, samen met het vakantiegeld hierop. Mogen wij u vriendelijk verzoeken dit zo spoedig mogelijk over te maken aan Mevrouw B.. Indien u mij hierover nog telefonisch wenst te contacteren, kan u mij terug bereiken vanaf 10 januari
- In afwachting verblijven wij, Hoogachtend, K. S. Secretaris LBC-NVK" (stuk 10 van mevrouw B.) Daarop antwoordde de NV via haar advocaat dat mevrouw B. geen aanspraak kon maken op de door haar gevorderde beschermingsvergoeding, omdat zij op het ogenblik van haar ontslag geen bijzondere bescherming meer genoot en haar mandaat in de Europese ondernemingsraad vóór 2 december 2004 reeds een einde had genomen. (stuk 1 van de NV) Op 17 november 2005 dagvaardde mevrouw B. de NV voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderde hetgeen hiervoor sub II is weergegeven. Met vonnissen van 30 oktober 2007 en 8 april 2008 beslisten de eerste rechters hetgeen hiervoor sub II is vermeld. Tegen die vonnissen tekende de NV op 4 juli 2008 hoger beroep aan.
- De beoordeling 2.
- De bijzondere beschermingsvergoeding - einde van het mandaat in de Europese ondernemingsraad Volgens artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG genieten de leden van de bijzondere onderhandelingsgroep, de leden van de Europese ondernemingsraad en de werknemersvertegenwoordigers die hun taak in het kader van de procedure van artikel 6, lid 3, vervullen, bij het verrichten van hun taak een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen als de werknemersvertegenwoordigers bij of krachtens de nationale wetgeving en/of de gebruiken in het land waar zij hun dienstbetrekking hebben. Dit betreft in het bijzonder het deelnemen aan de vergaderingen van de bijzondere onderhandelingsgroep of de Europese ondernemingsraad of aan andere vergaderingen in het kader van de in artikel 6, lid 3, bedoelde overeenkomst en de betaling van het loon van de leden die behoren tot het personeel van de onderneming met een communautaire dimensie of het concern met een communautaire dimensie, voor de duur dat zij van het werk afwezig moeten zijn om hun taak te vervullen. Hoewel de ontslagbescherming in dit artikel 10 niet expliciet is geregeld, moet er niettemin van worden uitgegaan dat de Europese regelgever zulk een bescherming uitdrukkelijk heeft beoogd. Dit blijkt uit de aanhef van de Richtlijn zélf, waarin het volgende is bepaald: "Overwegende dat moet worden bepaald dat werknemersvertegenwoordigers die handelen in het kader van de richtlijn bij het verrichten van hun taak een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen genieten als de werknemersvertegenwoordigers bij of krachtens de nationale wetgeving en/of de gebruiken van het land waar zij hun dienstbetrekking hebben; zij mogen op geen enkele wijze worden gediscrimineerd wegens de wettige uitoefening van hun activiteiten en dienen op het gebied van ontslag en andere sancties naar behoren te worden beschermd." In de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 gesloten in de NAR, wordt in artikel 45 het volgende bepaald: "De in België tewerkgestelde leden van de bijzondere onderhandelingsgroep, leden van de Europese ondernemingsraad en werknemersvertegenwoordigers die hun taak in het kader van de procedure van artikel 25 vervullen, genieten bij het verrichten van hun taak dezelfde rechten en dezelfde bescherming als de leden die de werknemers vertegenwoordigen in de ondernemingsraad, in het bijzonder wat betreft de deelneming aan de vergaderingen en aan de eventuele voorbereidende vergaderingen en de betaling van hun loon voor de duur dat zij afwezig moeten zijn om hun taak te vervullen." Artikel 9 van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, voorziet dat de werknemersvertegenwoordigers in de bijzondere onderhandelingsgroepen en in de Europese ondernemingsraden, evenals de werknemersvertegenwoordigers die hun taak vervullen in het kader van procedures ter informatie en raadpleging die in voorkomend geval in de plaats komen van een Europese ondernemingsraad en hun vervangers van de bijzondere ontslagregeling bepaald door de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen genieten. In deze bepaling wordt ook vastgesteld dat deze ontslagbescherming van toepassing is voor elk ontslag dat plaatsvindt in een periode die aanvangt de dertigste dag voorafgaand aan hun aanwijzing en die eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt. Volgens het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad van 4 april 2000 over de stand van toepassing van de richtlijn 94/45/EG voor wat betreft de bescherming van de werknemersvertegenwoordigers, wordt melding gemaakt van het feit dat (onder meer) in België verwezen wordt naar de algemene regelgeving betreffende werknemersvertegenwoordigers, vertrouwenslieden van de vakbond of andere vakbondsafgevaardigden, die alleen kunnen ontslagen worden om ernstige redenen die niet met hun werkzaamheden verband houden. Op basis van de hiervoor vermelde regelgeving kan, zoals tevens gesteld in het uitmuntend advies van het Openbaar Ministerie, worden besloten dat werknemersvertegenwoordigers die een rol spelen bij de Europese ondernemingsraad beschermd zijn tegen ontslag. Deze bescherming vangt aan op de dertigste dag die voorafgaat aan hun aanwijzing en eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt. Gedurende deze periode zijn op deze werknemers de bepalingen van de wet van 19 maart 1991 (Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden) die voorzien in een bijzondere ontslagbescherming van toepassing. De sanctie voor het niet volgen van de voorschriften inzake ontslag zoals voorzien in deze wet is de herplaatsing in de onderneming en/of betaling van de in de artikelen 15 tot 18 van die wet bedoelde vergoedingen. Dit geldt voor de in België tewerkgestelde werknemers die een rol spelen in een raad of een procedure opgericht of ingesteld volgens de regels die gelden in een andere lidstaat. De bepalingen van die wet zijn ook van toepassing op de werknemers die een rol spelen in een ondernemingsraad ingesteld op basis van een overeenkomst zoals voorzien in artikel 6 van de Europese Richtlijn of in een raad ingesteld op basis van de subsidiaire voorschriften. (O. VANACHTER, "De Europese ondernemingsraad", in M. RIGAUX en P. HUMBLET (eds.), Actuele Problemen van het Arbeidsrecht 6, Intersentia Rechtswetenschappen, 2001, 670-672) In deze rijst de vraag of mevrouw B. op het ogenblik van haar ontslag als lid van de Europese ondernemingsraad nog ontslagbescherming genoot, hoewel zij in geen enkel nationaal orgaan, dus noch in de ondernemingsraad en het comité voor bescherming en preventie op het werk, noch als vakbondsafgevaardigde, nog enige bijzondere ontslagbescherming genoot. De NV is immers van oordeel dat het mandaat in de Europese ondernemingsraad beëindigd was vóór het ontslag van mevrouw B. omwille van het wegvallen van haar mandaat in de ondernemingsraad. Minstens zou volgens de uit de door mevrouw B. aangenomen houding afgeleid kunnen worden dat zij haar mandaat had neergelegd voor 2 december
- De NV houdt dus vooreerst voor dat ingevolge de beëindiging van het mandaat in de ondernemingsraad (en de daaraan gekoppelde ontslagbescherming) ook het mandaat in de Europese ondernemingsraad verviel. Zij steunt zich hiervoor op artikel 6 van de overeenkomst, de "Agreement on European Information and Consulting for Nutreco International B.V." (stuk 7, en artikel 29 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 van 6 februari
- Het artikel 6 van de hiervoor vermelde overeenkomst voorziet dat de vertegenwoordigers in overeenstemming met de nationale wetgeving gekozen worden uit de representatieve vertegenwoordigingsorganen of - waar deze bestaan - uit de ondernemingsraden. Artikel 29 van de C.A.O. nr. 62 luidt als volgt: "De in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad worden aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de ondernemingsraden. Wanneer er geen akkoord is onder die vertegenwoordigers, worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen door de meerderheid van die vertegenwoordigers. Bij ontstentenis van ondernemingsraad worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen door en onder de werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen. Wanneer er geen akkoord is onder die vertegenwoordigers, worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen door de meerderheid van die vertegenwoordigers. Bij ontstentenis van ondernemingsraad en comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, kan elk paritair comité de vakbondsafvaardigingen van de ondernemingen of vestigingen die onder zijn sectorale bevoegdheid vallen, machtigen de leden van de Europese ondernemingsraad aan te wijzen. Bij ontstentenis van ondernemingsraad of comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen in de in België gelegen ondernemingen of vestigingen, en bij ontstentenis van machtiging van het paritair comité, hebben de werknemers van de onderneming of van de vestiging het recht de leden van de Europese ondernemingsraad te verkiezen of aan te wijzen." Beide bepalingen zijn dus gelijkluidend voor zover zij voorhouden dat de vertegenwoordigers van de werknemers die in de Europese ondernemingsraad zullen zetelen moeten aangewezen worden uit de werknemersvertegenwoordigers die lid zijn van de lokale ondernemingsraad. Voornoemde bepalingen voorzien bijgevolg in de procedure en de wijze waarop de werknemersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraad moeten worden aangewezen of aangeduid. De NV interpreteert deze bepalingen echter ten onrechte in die zin dat het einde van het mandaat als vertegenwoordiger van de werknemers in de ondernemingsraad of als vakbondsafgevaardigde ook het einde betekent van het mandaat als lid van de Europese ondernemingsraad. Omdat mevrouw B. geen nationaal mandaat meer bekleedde in de ondernemingsraad, het comité voor preventie en bescherming op het werk, en zij evenmin vakbondsafgevaardigde was, was volgens de NV ook haar mandaat in de Europese ondernemingsraad vervallen en genoot zij ook niet langer van de daaraan verbonden ontslagbescherming. Het arbeidshof kan deze mening echter niet delen. Artikel 29 van de CAO nr. 62 en ook artikel 6 van de bewuste overeenkomst hebben uitsluitend betrekking op de aanwijzing van de leden van de Europese ondernemingsraad. Noch deze bepalingen, noch de andere hoger geciteerde wettelijke bepalingen met betrekking tot de ontslagbescherming voor de leden van de Europese ondernemingsraad, voorzien dat het lidmaatschap van de plaatselijke ondernemingsraad, het comité voor preventie en bescherming op het werk of vakbondsafvaardiging een voorwaarde of vereiste is om werknemersvertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad te blijven. Uit de besproken bepalingen valt niet af te leiden dat de ontslagbescherming van het lid van de Europese ondernemingsraad wegvalt op het ogenblik dat het mandaat in de ondernemingsraad beëindigd wordt. De bedoeling van de wetgever was een bescherming te bieden die de normale uitoefening van het mandaat door de betrokken werknemersvertegenwoordigers moest waarborgen. Daarbij dient dus voor ogen gehouden te worden dat de voorziene beschermingsregels vooral de bescherming van het mandaat beogen en dat de Europese richtlijn ook bepaalt dat éénzelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten worden toegekend aan de mandataris in de Europese ondernemingsraad als deze welke in het nationaal recht voorzien zijn voor de mandatarissen in gelijkaardige nationale overlegorganen. De door de richtlijn beoogde bescherming is niet gewaarborgd als zou aangenomen worden dat een werknemersafgevaardigde die naast een mandaat in een nationaal overlegorgaan een mandaat in een Europees overlegorgaan bekleedt slechts zou beschermd worden voor de duur van zijn nationaal mandaat, zodat wanneer zijn Europees mandaat langer duurt dan zijn mandaat in een nationaal overlegorgaan, hij voor zijn Europees mandaat niet dezelfde bescherming zou genieten als deze die aan zijn nationaal mandaat is gekoppeld. (vgl. Arbh. Brussel, 4 december 2007, J.T.T. 2008, 162) Uit de ter zake toepasselijke wettelijke bepalingen kan niet afgeleid worden dat, van zodra de werknemersvertegenwoordiger werd gekozen uit de leden van de nationale ondernemingsraad, het mandaat in de Europese ondernemingsraad geen bestaansrecht zou hebben zonder een voortdurend mandaat in die nationale ondernemingsraad. Het arbeidshof besluit dat eens de werknemersvertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad is aangewezen op de wijze zoals voorzien in artikel 29 van de CAO nr. 62, hij zijn mandaat met de daaraan verbonden ontslagbescherming voor vier jaar behoudt, tenzij het voortijdig zou beëindigd worden, wat onder meer het geval kan zijn als hij zelf zijn mandaat neerlegt of dit mandaat wordt ingetrokken of vervalt op een andere door de wet of de overeenkomst voorziene wijze. De beëindiging van het mandaat in de nationale ondernemingsraad heeft alleszins niet automatisch het einde van het mandaat in de Europese ondernemingsraad tot gevolg. De NV voert nu aan dat mevrouw B. haar mandaat van werknemersvertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad reeds had neergelegd vóór haar ontslag. De NV, die terzake de bewijslast draagt, levert daarvan evenwel geen afdoende bewijs. Uit de e-mails die mevrouw B. verzond op 2 en 3 november 2004, waarin zij het respectievelijk heeft over de aanduiding van haar opvolger en het feit dat zij niet naar de vergadering van de raad van 9 november 2004 zal gaan en op die vergadering zou vervangen worden door mevrouw Tamara Houben, blijkt geenszins dat zij ontslag zou genomen hebben uit haar mandaat van de Europese ondernemingsraad. Het enige dat uit voornoemde mails met zekerheid kan afgeleid worden is dat haar opvolging als vertegenwoordigster in de Europese ondernemingsraad in het begin van november 2004 ter sprake kwam, wat evenwel nog niet bewijst dat mevrouw B. reeds effectief ontslag genomen had uit dit mandaat. Ook het door de NV voorgebrachte verslag van de vergadering van 2 november 2004 (stuk 1.
- van de NV) volstaat niet als afdoende bewijs van de bewering als zou mevrouw B. ontslag genomen hebben uit haar mandaat van de Europese ondernemingsraad. Niet alleen is dit verslag niet ondertekend, maar bovendien betwist mevrouw B. dat zij dit verslag ooit zou ontvangen hebben. Het niet protesteren tegen de inhoud ervan kan dan ook niet als een begin van bewijs beschouwd worden. Mevrouw B. erkent enkel dat er een ontmoeting is geweest op 2 november 2004 op vraag van de heer Goris, waarbij Melinda Van Tulden en Tamara Houben aanwezig waren. De door de NV voorgebrachte geschreven verklaring van de heer Goris, volgens dewelke mevrouw B. tijdens de vergadering van 2 november 2004 haar mandaat als afgevaardigde in de Europese ondernemingsraad heeft neergelegd en haar opvolging werd geregeld, volstaat naar het oordeel van het arbeidshof evenmin als afdoende bewijs van de bewering van de NV dat mevrouw B. reeds voor haar ontslag haar mandaat in de Europese ondernemingsraad had neergelegd. De NV biedt evenwel aan het bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van "de neerlegging van opvolging van het mandaat van eiseres (lees: mevrouw B.) in de EO vóór de datum van ontslag". Het aldus omschreven bewijsaanbod kan naar het oordeel van het arbeidshof evenwel niet worden toegestaan omdat het feit niet afdoende bepaald is vermits onder meer geen precieze datum waarop mevrouw B. haar mandaat in de Europese ondernemingsraad zou hebben neergelegd wordt aangewezen. Uit wat voorafgaat volgt dat de NV gehouden is tot betaling van de door mevrouw B. gevorderde beschermingsvergoeding en de aanvullende beschermingsvergoeding, waarvan de becijfering niet wordt betwist. 2.
- De overige vorderingen De overige door de eerste rechters toegekende vergoedingen worden door de NV blijkbaar niet betwist, minstens wordt daarover geen enkel middel aangevoerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de beslissing van de eerste rechters voor wat betreft het toegekende feestdagenloon en het vakantiegeld daarop te wijzigen. 2.
- De intresten Mevrouw B. wijzigt haar vordering in die zin dat zij de betaling vordert van wettelijke intrest op het netto bedragen van de door de eerste rechters toegekende vergoedingen vanaf de datum van eisbaarheid tot 30 juni 2005, dit wil zeggen nadat op de bruto bedragen de in artikel 23 van de Loonbeschermingswet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht en vanaf 1 juli 2005 op de bruto bedragen. Die wijziging van de vordering wordt door de NV niet betwist, zodat deze kan worden ingewilligd. BESLISSING, De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Substituut - generaal F. S. heeft een schriftelijk advies verleend. De vonnissen van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 30 oktober 2007 en van 8 april 2008 worden vernietigd, doch enkel voor wat de uitspraak over de intresten betreft. Het arbeidshof oordeelt daarover opnieuw en veroordeelt de NV om aan mevrouw B. de wettelijke intrest te betalen op de door de eerste rechters in de bestreden vonnissen toegekende vergoedingen, nadat de in artikel 23 van de Loonbeschermingswet bedoelde inhoudingen daarop in mindering zijn gebracht, vanaf hun datum van eisbaarheid tot 30 juni 2005, en vanaf 1 juli 2005 op de door de eerste rechters toegekende bedragen, vooraleer de in artikel 23 van de Loonbeschermingswet bedoelde inhoudingen daarop in mindering zijn gebracht. De NV wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend: - voor de NV begroot op: 3.000 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor mevrouw B. niet begroot. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. G., kamervoorzitter, de heer M. H., raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer P. D. B., raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. H., griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september 2009 door de heer J. G., kamervoorzitter en in aanwezigheid van mevrouw A. H., griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090928.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div