← België

ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091008.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091008.6 Rolnummer: 2003-0668 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Unierecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 20:23 Fiches 1 - 4 De door de werkloze ingeroepen ongelijke behandeling ten opzichte van de Belgische onderdanen houdt geen verband met zijn nationaliteit (Oesbekistan) maar wel met het feit dat hij voor een welbepaalde periode niet voldeed aan de wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, meer bepaald artikel 30 van het Werkloosheidsbesluit. Het verschil in behandeling is dus gesteund op een relevant criterium, namelijk een onregelmatige tewerkstelling. Er is dus geen onderscheid in behandeling op basis van een discriminatiegrond, opgesomd in artikel 14 EVRM. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Werkloosheidsvergoeding Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - werkloosheidsvergoeding - toelaatbaarheidsvoorwaarden - wachttijd - arbeid in loondienst - ongelijke behandeling - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 30 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 30 en onder artikel 43, onder V D N - artikel 4 en onder IX C 3 - artikel

  1. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Werkloosheidsvergoeding SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Vreemde werknemers Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - werkloosheid - werkloosheidsvergoeding - toelaatbaarheidsvoorwaarden - vreemde en staatloze werknemers - ongelijke behandeling - V A N Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 43 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Vreemde werknemers Vrije woorden: Arbeidsvoorziening - vreemde arbeiders - werkloosheid - toelaatbaarheid - ongelijke behandeling - V D N Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1999 - 4 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 30 en onder artikel 43, onder V D N - artikel 4 en onder IX C 3 - artikel 14 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Vreemde werknemers SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM Vrije woorden: Internationale verdragen en verordeningen - raad van europa - verdrag rechten van de mens - werkloosheid - toelaatbaarheid - ongelijke behandeling - IX C 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 14 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Nota: Gerangschikt onder V A N - artikel 30 en artikel 43, onder V D N - artikel 4 en onder IX C 3 - artikel 14 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030668 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT OKTOBER TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: A. S., die woonstkeuze doet bij zijn raadsman: appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. R., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgend arrest.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 januari 2004, 27 april 2006 en 10 september 2009; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 oktober 2003 (A.R. nr. 357.034); - de akte van hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 november 2003; - de 'beroepsconclusies' voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 25 maart 2004; - de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt door de voorzitter van de kamer op 11 december
  3. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 10 september
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 19 november 2003, tekende A. S. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 oktober
  6. Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 22 oktober
  7. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  8. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer A. S. is afkomtig uit Oezbekistan en verblijft in België onder het statuut van kandidaat politiek vluchteling. Hij was voltijds tewerkgesteld als arbeider bij de bvba B. P. B. - thans genaamd bvba I. C. P. - gevestigd te ......... (stuk 5 administratief dossier: arbeidsovereenkomst voor arbeiders voor onbepaalde tijd met een beding van proeftijd opgemaakt op 26 september 2000). De werkgever kreeg van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - afdeling Migratie en Arbeidsmarktbeleid - een voorlopige arbeidsvergunning tot tewerkstelling van personen die het statuut van kandidaat politiek vluchteling hebben voor de periode van 16 oktober 2000 tot 15 oktober 2001, van 19 oktober 2001 tot 18 oktober 2002 en van 24 oktober 2002 tot 23 oktober 2003 (stukken 6, 7 en 8 administratief dossier: voorlopige arbeidsvergunningen van 10 oktober 2000, 18 oktober 2001 en 24 oktober 2002). Vanaf 9 januari 2003 worden werkloosheidsuitkeringen aangevraagd ingevolge tijdelijke werkloosheid (gebrek aan werk wegens economische oorzaken) (stuk 4 administratief dossier: formulier C 3.2 van 9 januari 2003). Op 24 januari 2003 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen, - in toepassing van de artikelen 30, 32, 37, 38, 43, §1, 142, 144 en 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en artikels 7 tot 17 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering- A. S. niet toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf datum van zijn aanvraag. De directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen nam deze beslissing op grond van volgende motivering (stuk 9 administratief dossier: C29 van 24.01.2003): "U bewijst geen voldoende aantal arbeidsdagen (of gelijkgestelde dagen): Op de datum van uw aanvraag was u 33 jaar. De reglementering voorziet dat de werknemer die minder dan 36 jaar is, 312 arbeidsdagen moet bewijzen in de loop van de 18 maanden vóór zijn uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen (artikel 30, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering). Deze periode van 18 maanden strekt zich uit van 09.07.2001 tot en met de dag vóór 09.01.
  9. Tijdens die periode bewijst u met de ingediende documenten geen enkele arbeidsdag (of gelijkgestelde dag). Uw prestaties als arbeider in de periode van 16.10.2000 tot en met 08.01.2003 worden niet in aanmerking genomen aangezien u niet voldeed aan de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. In de voormelde periode was u immers niet in het bezit van een geldige arbeidsvergunning (artikel 43, §1 van voormeld koninklijk besluit). Bovendien bewijst u niet het aantal arbeidsdagen dat vereist is voor een hogere leeftijdscategorie: 468 arbeidsdagen in de loop van 27 maanden of 624 arbeidsdagen in de loop van 36 maanden voor uw aanvraag (artikel 30, tweede lid van voormeld koninklijk besluit). U bent nog geen 36 jaar. Er kan bijgevolg niet onderzocht worden of u op grond van uw beroepsverleden toegelaten kan worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zoals voorzien in artikel 32 van voormeld koninklijk besluit." Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 15 april 2003 en ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 april 2003, tekende A. S. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van 24 januari 2003, ref. C29/71112/30/TV. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 oktober 2003 werd: - de vordering van A. S. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de administratieve beslissing van 24 januari 2003 van de werkloosheidsdirecteur te Antwerpen bevestigd; - de R.V.A., in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van A. S. begroot op 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding en 4,21 euro aantekenrecht; aan de zijde van de R.V.A. werden de kosten niet begroot. Met een akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 19 november 2003, tekende A. S. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen.
  10. Eisen in hoger beroep A. S. (appellant) vordert in zijn akte van hoger beroep: - het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende: * in hoofdorde de beslissing van de Gewestelijke Werkloosheids- directeur d.d. 24 januari 2003 te vernietigen en voor recht te zeggen dat appellant wel recht heeft op uitkeringen vanaf 9 januari 2003; * appellant voorbehoud te verlenen de Belgische Staat in de procedure te betrekken; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding in eerste aanleg en beroep conform de regels van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 1017, aan de zijde van appellant begroot op 57,02 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding verzoekschrift hoger beroep en 136,86 euro rechtsplegingsvergoeding beroep, aan te passen aan de wettelijke verhogingen. Ter openbare terechtzitting van 10 september 2009 verklaarde de raadsman van appellant zich te gedragen naar de wijsheid van het hof gelet op het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 8 september 2008, inzake A. K. tegen R.V.A. en De Belgische Staat - A.R. 06/359.130/A. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft verklaarde de raadsman van appellant het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te vorderen in toepassing van het K.B. 26 oktober
  11. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - bijgevolg het bestreden vonnis en de administratieve beslissing in al haar onderdelen te bevestigen.
  12. Ten gronde 5.
  13. Toelaatbaarheidsvoorwaarden Overeenkomstig artikel 30 van het Werkloosheidsbesluit moet de voltijdse werknemer - die minder dan 36 jaar is - een wachttijd doorlopen hebben van 312 arbeidsdagen in de loop van de 18 maanden voor de uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. De werknemer van vreemde nationaliteit die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt in België moet voldoen aan dezelfde algemene toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden als de Belgische werknemer; bij deze identieke basisvoorwaarden worden de bijzondere toelaatbaarheids- en toekennings-voorwaarden gevoegd zoals opgesomd in artikel 43 en 69 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit). Voor de vreemde of staatloze werknemer wordt in artikel 43 Werkloosheidsbesluit bepaald dat hij slechts toegelaten wordt tot het recht op uitkeringen indien hij voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en op deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten; daarbij wordt benadrukt dat de in België verrichte arbeid slechts in aanmerking komt indien hij verricht werd in overeenstemming met de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. Appellant was op datum van uitkeringsaanvraag 33 jaar zodat hij 312 arbeidsdagen moet bewijzen in de referteperiode van 18 maanden gaande van 9 juli 2001 tot en met 8 januari
  14. Aangezien appellant de Oezbeekse nationaliteit heeft, met een geldig verblijf in België onder het statuut van kandidaat politiek vluchteling, moet er aangetoond worden dat de arbeid die hij verricht heeft in België in voormelde referteperiode in overeenstemming was met de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. De wet van 30 april 1999 (B.S. 21 mei 1999) regelt de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Het koninklijk besluit nr. 34 van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van vreemde werknemers werd opgeheven op datum van 1 juni 1999 toen de wet van 30 april 1999 in werking trad (artikel 41 van het K.B. van 9 juni 1999). Artikel 4, §1 van de wet van 30 april 1999 bepaalt dat de werkgever die een buitenlandse werknemer wenst tewerk te stellen vooraf een arbeidsvergunning moet hebben verkregen van de bevoegde overheid. De werkgever mag de diensten van deze werknemer enkel gebruiken binnen de perken van deze vergunning. Overeenkomstig artikel 4, §4 kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen op welke voorwaarden een voorlopige arbeidsvergunning kan worden toegekend aan een werkgever. Artikel 5 van de wet van 30 april 1999 bepaalt dat om arbeid te verrichten, de buitenlandse werknemer vooraf een arbeidskaart moet hebben verkregen van de bevoegde overheid. Hij mag deze arbeid enkel verrichten binnen de perken van deze arbeidskaart. In tegenstelling tot het koninklijk besluit nr. 34 dat aan de minister de mogelijkheid gaf om bij ministerieel besluit en dus per omzendbrief vergunningen te verlenen aan vreemdelingen, voorziet de nieuwe wet van 30 april 1999 niet in een dergelijke ministeriële bevoegdheid. In artikel 4, §4 wordt wel aan de Koning de bevoegdheid gegeven om de voorwaarden vast te leggen voor een voorlopige arbeidsvergunning die kan worden toegekend aan een werkgever. Op 9 juni 1999 wordt het koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers genomen. In dit koninklijk besluit is slechts sprake van de arbeidskaarten A en B. Voor de specifieke situatie van kandidaat vluchtelingen werd geen regeling voorzien. Uiteindelijk gebeurt er een aanvulling met het koninklijk besluit van 6 februari 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (B.S. 27 februari 2003). Overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 6 februari 2003 wordt artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 aangevuld als volgt: "3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt." Tevens wordt, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 6 februari 2003, in hoofdstuk IV van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, een afdeling 3 ingevoegd, waarbij de huidige artikelen 17 en 18 worden vervangen als volgt: "Afdeling 3 . - De arbeidskaart C. Art.
  15. De arbeidskaart C wordt toegekend: 1° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd werden te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of diens gemachtigde, of, in geval van beroep, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, tot wanneer een beslissing wordt genomen inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; 2° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een aankomstverklaring hebben ontvangen overeenkomstig artikel 5 van de wet van 15 december 1980, tot wanneer zij gemachtigd worden tot een verblijf van meer dan drie maanden voor een beperkte duur in het kader van dezelfde maatregelen of tot wanneer een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend; 3° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of van diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep; 4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, voor zover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend; 5° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op grond van artikel 10 van de wet van 15 december 1980, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf en gedurende de periode van onderzoek van de vraag om herziening ingediend tegen een eventuele beslissing tot weigering van het verblijf, behalve wanneer het gezinsleden betreft van buitenlandse onderdanen van wie het verblijf beperkt is tot de geldigheidsduur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandig beroep of indien het buitenlandse onderdanen betreft bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, behalve indien het onderdanen betreft van een land dat met België verbonden is door een overeenkomst gebaseerd op wederkerigheid, 6°, 7°, 12°, 14° 15° en 25°; 6° aan de studenten die wettig in België verblijven en die in een onderwijsinrichting in België ingeschreven zijn voor het volgen van onderwijs met een volledig leerplan, voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies; 7° de echtgenoot van een onderdaan van de Europese Economische Ruimte, als die onderdaan van de Europese Economische Ruimte in België tewerkgesteld wordt sedert ten minste een jaar met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur; 8° de echtgenoot en de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls, alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord. Art.
  16. De maximale duur van de arbeidskaart C bedraagt een jaar; zij kan worden hernieuwd." Uit het geheel van deze nieuwe reglementering blijkt dat tussen 1 juni 1999 en 1 april 2003 geen voorlopige toelatingen tot tewerkstelling konden afgeleverd worden die conform waren aan de toen vigerende wetgeving, te weten de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Appellant voldoet bijgevolg niet aan de voorwaarden van artikel 43 van het werkloosheidsbesluit aangezien de voorlopige arbeidsvergunningen tot tewerkstelling, afgeleverd door het Ministerie van Vlaamse Gemeenschap op 10 oktober 2000, 18 oktober 2001 en 24 oktober 2002, niet werden afgeleverd conform de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. Met de door appellant gepresteerde arbeidsdagen in de periode van 9 juli 2001 tot en met 8 januari 2003 kan dienvolgens geen rekening gehouden worden aangezien hij in voormelde periode niet in het bezit was van een geldige arbeidsvergunning. Dit heeft tot gevolg dat appellant in de referteperiode geen enkele arbeidsdag (of gelijkgestelde dag) bewijst zodat hij niet voldeed aan de toelaatbaarheids-voorwaarde van artikel 30, 1ste lid, 1° van het werkloosheidsbesluit. 5.
  17. Het gelijkheidsbeginsel en het verbod tot discriminatie. Appellant houdt voor dat artikel 43, §1 van het Werkloosheidsbesluit een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel en van het verbod tot discriminatie op basis van nationaliteit zoals vervat in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM). Overeenkomstig artikel 14 EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden, die in het Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. In een arrest van 16 september 1996 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna E.H.R.M.) wordt het recht op een sociale prestatie als een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 (goedgekeurd bij wet van 11 mei 1955) beschouwd en gekoppeld aan artikel 14 van het EVRM dat het genot van de rechten en vrijheden vermeld in dit verdrag verzekert zonder onderscheid op welke grond ook waaronder nationale afkomst (E.H.R.M. van 16 september 1996, arrest Gaygusuz/Oostenrijk, T.V.R., 1996, 332). In voormeld arrest werd de Oostenrijkse wetgeving inzake werkloosheid die vreemdelingen geen recht op bepaalde uitkeringen toekent, strijdig geacht met het artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in relatie tot artikel 1 van het Eerste Protocol. Het E.H.R.M. overwoog dat de toekenning van een voordeel (het betrof hier een noodhulp) niet gebaseerd mag zijn op de nationaliteit van de aanvrager. In deze zaak voldeed de heer Gaygusuz aan alle voorwaarden van de Oostenrijkse werkloosheidswetgeving met uitzondering van het gegeven dat hij niet de Oostenrijkse nationaliteit had. Het E.H.R.M. stelde dat de uitsluiting van de heer Gaygusuz niet gebaseerd was op een objectief en redelijk onderscheid. Sommige rechtspraak heeft dan ook onder invloed van dit arrest van het E.H.R.M. aanvaard dat artikel 43 van het Werkloosheidsbesluit strijdig is met artikel 14 EVRM doordat het een onderscheid maakt op grond van nationaliteit zonder een objectieve en redelijke rechtvaardiging (Arbrb. Brugge, 29 juni 1998, Soc. Kron., 1999, 591). Wanneer echter het E.H.R.M. in het geciteerde arrest stelde dat er sprake was van een discriminatie betrof dit wel een vreemde werknemer die legaal in Oostenrijk verbleef en zich wel kon beroepen op een regelmatige tewerkstelling, maar die uitsluitend op grond van zijn nationaliteit werd uitgesloten van het recht op de uitkering. In huidig geschil dient echter te worden vastgesteld dat de ingeroepen ongelijke behandeling van appellant t.o.v. de Belgische onderdaan geen verband houdt met zijn (Oezbeekse) nationaliteit maar wel met het feit dat hij voor een welbepaalde periode niet voldeed aan de wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, meer bepaald de wet van 30 april
  18. Aldus is er geen sprake van een schending van artikel 14 van het EVRM wegens een onderscheiden behandeling op grond van geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Het verschil in behandeling is derhalve gesteund op een relevant criterium, nl. een onregelmatige tewerkstelling. Er is dus geen onderscheid in behandeling op basis van een discriminatiegrond, opgesomd in artikel 14 EVRM. Rest de vraag of het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel van het EVRM (of van de Belgische Grondwet) zich verzet tegen het opleggen aan vreemde werknemers van specifieke toelaatbaarheids- en toekennings-voorwaarden zoals opgesomd in artikel 43 en 69 van het Werkloos-heidsbesluit. Het gelijkheidsbeginsel wordt in de rechtspraak van het Arbitragehof, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de andere Belgische hoge rechtscolleges als volgt omschreven (zie Alen, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer rechtswetenschappen België, 1995, nr. 307: "De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel." In casu is geen sprake van een onrechtmatige ongelijke behandeling omdat er voor het criterium van onderscheid in casu een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, met name de principiële noodzaak voor België om toezicht te houden op de toegang tot zijn grondgebied en om die immigratie, samen met de nationale arbeidsmarkt te beheren en te beheersen. De wetgever heeft met het verschil in behandeling willen anticiperen op de ongewenste neveneffecten van een te grote tolerantie bij de toelaatbaarheid van vreemde en staatloze werknemers. Daarbij heeft men onmiskenbaar oog gehad voor de bescherming van de nationale arbeidsmarkt. Een sociale zekerheidsreglementering kan immers niet alleen een onderscheid maken in functie van haar primaire doelstelling, maar mag ook rekening houden met overwegingen van arbeidsmarktbeleid (Palsterman, P., "De rechtspraak van het Arbitragehof en het non-discriminatiebeginsel in de werkloosheidsverzekering" in Het Arbitragehof en de sociale zekerheid, die Keure, 2003, pag. 204) . De wetgever heeft in de werkloosheidsreglementering logischerwijze dezelfde redelijke en objectieve elementen in overweging genomen als in de vreemdelingenwetgeving en de wetgeving inzake tewerkstelling van vreemde arbeiders. Artikel 43 van het Werkloosheidsbesluit bevat dan ook de logische doorwerking van deze beide wetgevingen in de problematiek van de toelaatbaarheid in de werkloosheidsreglementering. De eigen finaliteit van de werkloosheidswetgeving belet niet dat de wetgever, vanuit een bezorgdheid om het systeem rechtvaardig en betaalbaar te houden, daarin de principes van de wetgeving betreffende het verblijf en de toelating tot de arbeid van vreemdelingen verankerd heeft. Het komt trouwens de wetgever toe de maatregelen vast te stellen die nodig zijn om het beoogde doel te bereiken; het komt de rechter niet toe daarenboven na te gaan of het door de bevoegde wetgever nagestreefde doel ook nog door andere wettelijke maatregelen zou bereikt kunnen worden (Arbitragehof, 13 oktober 1989, nr. 23/89, B.S. 8 november 1989). Artikelen 43 en 69 van het werkloosheidsbesluit maken dienvolgens geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel of het verbod tot discriminatie. 5.3 Besluit De door geïntimeerde genomen administratieve beslissing van 24 januari 2003 waarbij appellant, - in toepassing van de artikelen 30, 32, 37, 38, 43, §1, 142, 144 en 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en artikels 7 tot 17 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering - niet toegelaten werd tot het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 9 januari 2003, werd terecht door de arbeidsrechtbank bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 10 september
  19. Partijen verklaren geen opmerkingen te hebben over het advies. Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 20 oktober 2003 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. nr. 357.034). Verwijst geïntimeerde, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellant op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007- B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van geïntimeerde worden de kosten niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever, I. AERTS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier. en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van acht oktober tweeduizend en negen. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091008.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.