id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091207.8 Rolnummer: 2008-0011 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-12-01 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 20:44 Fiches 1 - 2 Wanneer er geen beroep wordt aangetekend tegen een beslissing tot terugvordering van het OCMW is deze definitief geworden en kan enkel nagegaan worden of deze beslissing een wettige beslissing is. Het OCMW kan wettig beslissen tot terugvordering indien de aanvrager verzuimt om de nodige informatie te geven. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE - leefloon - terugvordering - definitieve beslissing - toetsing door de rechter - verzuim om de nodige informatie te geven Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 22 § 1 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Wet - 26-05-2002 - 24 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Nota: X GN Gerangschikt onder X GN - artikel 22 § 1 en artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 3, blz. 143-144 Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Bestaansminimum -terugvordering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2080011 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN DECEMBER TWEE-DUIZEND EN NEGEN In de zaak van: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MECHELEN, gevestigd te 2800 Mechelen, Lange Schipstraat 27, appellant, vertegenwoordigd door mr. P. B. advocaat te Mechelen, tegen: M. V., geïntimeerde, die niet verschijnt ter zitting, noch iemand voor haar. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 6 februari 2008, 28 januari 2009 en 2 november
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 5 december 2007 uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger.W., aan het OCMW van Mechelen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 11 december 2007; * het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 8 januari 2008 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 18 januari 2008; * de conclusies voor mevrouw V., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 23 juni 2008; * de conclusies voor het OCMW van Mechelen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 3 juli
- Mr. B. werd gehoord op de openbare terechtzitting van 2 november
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit hof op 8 januari 2008, tekende het OCMW van Mechelen, overeenkomstig de machtiging van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 januari 2008, hoger beroep aan tegen een vonnis van 5 december 2007 (A.R. 91.512) van de arbeidsrechtbank te Mechelen. Het vonnis werd aan het OCMW van Mechelen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 11 december
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure Mevrouw V. ontving vanwege het OCMW van Mechelen sedert 4 februari 2002 bestaansminimum categorie 2 t.b.v. 9338,56 euro per jaar als bijpassing op variabel loon en als voorschot op werkloosheidsuitkeringen; er werd geoordeeld dat zij het bewijs leverde bereid te zijn om te werken. Het bijzonder comité voor sociale zaken besliste op 3 december 2002 de beslissing van 19 maart 2002 te herzien, het recht op bestaansminimum categorie alleenstaande personen met minstens één minderjarig kind ten laste op te heffen vanaf 1 oktober 2002 ("mevrouw stuurde een brief aan het OCMW met het verzoek het recht bestaansminimum stop te zetten") en het bestaansminimum over de periode van 4 februari 2002 t/m 30 september 2002, t.b.v. 1764,13 euro, à ra-to van 100,00 euro per maand, terug te vorderen van mevrouw V. wegens onvoldoende medewerking aan het sociaal onderzoek en het achterhouden van gegevens ("mevrouw verklaart financieel te worden gesteund door haar echtgenoot doch wenste op dit vlak niet verder mee te werken aan het sociaal onderzoek - om de cliënt voltijds te kunnen tewerkstellen konden haar een aantal werkaanbiedingen worden voorgelegd, doch de cliënt daagde niet op en reageerde niet op onze uitnodigingen"). Deze beslissingen werden mevrouw V. ter kennis gebracht bij aangetekende brieven op 31 december
- Zij tekende hiertegen geen beroep aan. Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 11 april 2007, maakte het OCMW van Mechelen, in toepassing van de artikelen 22, §1, en 24, §1, eerste lid, van de R.M.I.-wet, na vergeefse aangetekende aanmaningen van 22 september 2003, 8 november 2004 en 12 april 2006, een terugvordering van schuld ten bedrage van 1764,13 euro aanhangig ten aanzien van mevrouw V. In hun vonnis van 5 december 2007, gewezen bij verstek van mevrouw V., verklaarden de eerste rechters de terugvordering onontvankelijk wegens verjaring voor de periode van 4 februari 2002 tot 11 april 2002 en de rest van de vordering ontvankelijk doch ongegrond; het OCMW van Mechelen werd, in toepassing van artikel 1017, tweede lid, Ger.W., veroordeeld tot de - niet begrote - kosten van het geding. Het OCMW van Mechelen stelde - alleen wat betreft de terugvordering over de periode van 12 april 2002 tot 30 september 2002 - tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 8 januari
- Eisen in hoger beroep Het OCMW van Mechelen vordert het beperkt hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering over de periode van 12 april 2002 tot 30 september 2002 gegrond te verklaren en mevrouw V. te veroordelen in terugbetaling van de som van 1281,45 euro, meer de gerechtelijke intresten; de door hem, in toepassing van artikel 1017, tweede lid, Ger.W., te betalen rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag van 120,78 euro. Mevrouw V. vraagt het hoger beroep onontvankelijk en ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen; het OCMW van Mechelen te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
- Ten gronde Het OCMW van Mechelen tekent enkel beroep aan tegen het vonnis voor zover de terugvordering van het bestaansminimum voor de periode van 12 april 2002 tot en met 30 september 2002 ongegrond werd verklaard. Bij beslissing van 19 maart 2002 werd aan mevrouw V. bestaansminimum verleend als voorschot op een werkloosheidsvergoeding. Er wordt geen bewijs geleverd dat deze beslissing aan mevrouw V. betekend werd, maar aangezien zij in een brief van 20 september 2002 vraagt om de hulp stop te zetten en het ondertussen ontvangen bestaansminimum te mogen terugbetalen, kan hieruit afgeleid worden dat zij op de hoogte was van de beslissing om het bestaansminimum als voorschot op de werkloosheidsuitkering uit te keren, hetgeen door haar trouwens niet ontkend wordt. Als gevolg van deze brief wordt het bestaansminimum bij beslissing van 3 december 2002 opgeheven vanaf 1 oktober 2002 en wordt tevens het bestaansminimum voor de periode van 4 februari 2002 tot en met 30 september 2002 teruggevorderd wegens het achterhouden van gegevens en onvoldoende medewerking aan het onderzoek. Tegen deze beslissing wordt nooit beroep aangetekend, hoewel in de brief die verstuurd werd aan mevrouw V. de beroepsmogelijkheden en de meeste formaliteiten van het handvest sociaal verzekerde vermeld werden. De beslissing van 3 december 2002 is dan ook definitief geworden. Wel dient het arbeidshof ambtshalve na te gaan of de bestreden beslissing een wettige beslissing is. (Cass. 10 september 2007, J.T.T. 2008, 1). De rechter moet zich in het kader van deze wettigheidscontrole niet beperken tot kennelijke onregelmatigheden, maar moet tevens de externe en interne wettigheid van de beslissing nagaan. (Cass. 23 oktober 2006, J.T.T. 2007, 1 en Cass. 4 december 2006, Rev. Dr. Etr. 2006, 541). Mevrouw V. heeft nooit beroep aangetekend tegen deze beslissing en ook in hoger beroep wordt geen enkel argument naar voor gebracht waaruit kan blijken dat de beslissing tot terugvordering niet wettig werd genomen. De terugvorderingsbeslissing van het OCMW van Mechelen, dat bevoegd was om deze beslissing te nemen, voldoet aan de formele wettigheidsvereisten, aan de motiveringsverplichting en bovendien wordt de beslissing wettig verantwoord. Zo blijkt uit het sociaal verslag dat mevrouw V. bepaalde informatie die relevant is om na te gaan of er recht was op een bestaansminimum nooit heeft verstrekt. In voormelde periode heeft het OCMW immers proberen na te gaan of haar echtgenoot zijn onderhoudsplicht nakwam, was zij mogelijk in het bezit van een wagen en werd aan haar huis aangekondigd dat ze een zwembad verkocht, waaruit het OCMW mocht afleiden dat zij beschikte over bestaansmiddelen. Wanneer mevrouw V. bovendien weigerde mee te werken aan het sociaal onderzoek, mocht het OCMW beslissen dat er geen recht was op een bestaansminimum. Tijdens de periode dat het bestaansminimum verleend werd, heeft mevrouw V. verzuimd om informatie te verstrekken over bestaansmiddelen waarover zij beschikte, waardoor het OCMW wettig kon beslissen dat zij ten onrechte bestaansminimum had ontvangen. Dit wordt bevestigd door de brief die mevrouw V. op eigen initiatief schrijft naar het OCMW van Mechelen in september 2002, waarbij ze zelf aan het OCMW vraagt om het bestaansminimum stop te zetten en aanbiedt om alles terug te betalen. De beslissing van het OCMW van Mechelen tot terugvordering is dan ook een wettige beslissing. Aangezien de beslissing tot terugvordering van het bestaansminimum definitief is geworden en niet onwettig is, is het OCMW van Mechelen dan ook gerechtigd om tot terugvordering over te gaan voor een bedrag van 1281,45 euro, dit is het verleende bestaansminimum voor de periode van 12 april 2002 tot en met 30 september 2002, meer de gerechtelijke intresten.
- De rechtsplegingsvergoeding De door mevrouw V. gevorderde rechtsplegingsvergoeding voor eerste aanleg kan niet worden toegekend daar zij niet werd vertegenwoordigd door een raadsman (en trouwens zelf verstek liet gaan). Het OCMW van Mechelen vraagt in toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 (KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, BS 9 november 2007) aan mevrouw V. de minimale rechtsplegingsvergoeding van 120,78 euro toe te kennen, "gelet op het feit dat concluante van rechtswege in de kosten zal worden veroordeeld, zelfs bij gegrondheid van haar hoger beroep en dus de facto met gedeeltelijke hervorming van het eerste vonnis in het nadeel van geïntimeerde". Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het minimumbedrag 120,78 euro, het basisbedrag 145,78 euro en het maximumbedrag 160,78 euro. Met het in artikel 1022 Ger.W. vermelde criterium "financiële draagkracht van de verliezende partij" is bedoeld dat het moet gaan om een "duidelijk onrechtvaardige situatie". De verlaging van het basisbedrag mag geen automatisme zijn, en de rechter kan daartoe slechts overgaan in zeer specifieke omstandigheden. (LAMON, H., "Verhaalbaarheid advocatenkosten, Wet van 21 april 2007", NjW. 2007, 439). Het loutere feit dat door toepassing van een wettelijke bepaling, met name artikel 1017 Ger.W., het OCMW steeds verwezen wordt in de kosten, is dan ook niet voldoende om het minimumbedrag toe te kennen. Het basisbedrag dient toegekend te worden. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 2 november 2009, waarover de aanwezige partij verklaart geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak (artikel 747 Ger.W.). Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 5 december 2007, behoudens wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft en voor zover er beroep tegen aangetekend werd. Opnieuw recht doende, veroordeelt mevrouw V. tot betaling aan het OCMW van Mechelen van het bedrag van duizend tweehonderd eenentachtig euro en vijfenveertig cent (1281,45 euro) aan ten onrechte ontvangen bestaansminimum over de periode van 12 april 2002 tot en met 30 september 2002, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het OCMW van Mechelen. Vereffent deze kosten aan de zijde van mevrouw V. op nihil euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door de heer R. SMETS, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend en negen. R. SMETS L. VAN NESPEN M. VAN GORP D. TORFS PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091207.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.