id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091207.9 Rolnummer: 2008-0085 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2011-12-01 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-02 20:44 Fiches 1 - 3 Een EU-onderdaan heeft een onvoorwaardelijk recht op verblijf van drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat. Hij heeft echter geen recht op leefloon. De Verblijfsrichtlijn sluit niet uit dat een EU-onderdaan in de eerste drie maanden van zijn verblijf recht heeft op equivalent leefloon indien aan de voorwaarden van de OCMW-wet is voldaan, o.m. de werkbereidheid. Aan deze voorwaarde is ten deze evenwel niet voldaan. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE - leefloon - EU-onderdaan - verblijf van drie maanden van rechtswege - geen recht op leefloon - recht op maatschappelijke dienstverlening - werkbereidheid Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 3, 3° - 47 ELI link Pub nr 2002022559 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - RECHTSHANDELINGEN - Richtlijn Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - RICHTLIJNEN VAN DE EEG - leefloon - EU-onderdaan - verblijf van drie maanden van rechtswege - geen recht op leefloon - recht op maatschappelijke dienstverlening - werkbereidheid Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 2004/38/EG - 29-04-2004 - 7 - 74 Link Justel databank 20040429-74 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - RICHTLIJNEN VAN DE EEG - leefloon - EU-onderdaan - verblijf van drie maanden van rechtswege - geen recht op leefloon - recht op maatschappelijke dienstverlening - werkbereidheid Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 2004/38/EG - 29-04-2004 - 24, 2° - 74 Link Justel databank 20040429-74 Nota: X GN - IX D 6 Gerangschikt onder G XN - artikel 3, 3° en onder IX D 6 - artikel 7 en 24, 2°. Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 3, blz. 108-110 Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Maatschappelijke dienstverlening ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2080085 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak van: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door de heer B. C., maatschappelijk werker, volmachtdrager, tegen: Y. S., geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. M. T., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 5 maart 2008, 27 maart 2009 en 2 november
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 9 januari 2008 uitgesproken door de twaalfde kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., aan het OCMW van Antwerpen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 16 januari 2008; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 8 februari 2008 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 11 februari 2008; * de conclusies voor de heer S., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 5 juni 2008; * de conclusies voor het OCMW van Antwerpen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 12 juni
- Partijen werden gehoord op de buitengewone openbare terechtzitting van 27 maart 2009 en 2 november
- Op laatstgenoemde zitting werd de zaak hernomen.
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 8 februari 2008, tekende het OCMW van Antwerpen hoger beroep aan tegen een vonnis van 9 januari 2008 (A.R. 06/398363/A) van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. De machtiging daartoe werd verleend door de raad voor maatschappelijk welzijn op 25 maart
- Het vonnis werd aan het OCMW van Antwerpen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 16 januari
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Bij conclusies van 5 juni 2008 stelde de heer S. incidenteel beroep in. Dit incidenteel beroep is ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure De heer S., 33 jaar, heeft de Bulgaarse nationaliteit en was op 21 augustus 2006 het slachtoffer van een zwaar ongeval. Op dat ogenblik verbleef hij illegaal op het grondgebied. Het OCMW van Antwerpen verleende dringende medische hulp. Op 11 april 2007 deed hij een aanvraag tot het bekomen van financiële steun. Het bijzonder comité voor sociale bijstand besliste op 2 mei 2007 de heer S. het equivalent leefloon te weigeren vanaf 11 april 2007, met als reden: "Uw verblijfsdocumenten zijn niet geldig". Deze beslissing werd hem ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 11 mei
- De heer S. tekende hiertegen verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 11 juni
- In hun vonnis van 9 januari 2008 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en deels gegrond: zij vernietigden de beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 2 mei 2007 en, opnieuw recht doende, zegden voor recht dat de heer S. gerechtigd was op equivalent leefloon voor de periode van 2 juli 2007 tot en met 1 oktober 2007; het anders of meergevorderde werd als ongegrond afgewezen en het OCMW van Antwerpen werd, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger.W., veroordeeld tot de kosten van het geding. Het OCMW van Antwerpen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 8 februari
- Bij conclusies van 5 juni 2008 stelde de heer S. incidenteel beroep in.
- Eisen in hoger beroep Het OCMW van Antwerpen vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 2 mei 2007 te bevestigen. De heer S. vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren, het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat hij ge-rechtigd is op een equivalent leefloon vanaf 11 april 2007; het OCMW van Antwerpen te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, begroot op 145,78 euro rechtsplegingvergoeding.
- Ten gronde De heer S. meent dat hij legaal op het grondgebied verblijft en dus recht heeft op maatschappelijke dienstverlening. Het OCMW van Antwerpen stelt dat de heer S. door zijn illegaal verblijf geen recht heeft op steun en dat hij, zelfs indien hij een legaal verblijf kan aantonen, niet voldoet aan de voorwaarden van de OCMW-Wet, waardoor hij geen recht heeft op steun. Gelet op het incidenteel beroep van de heer S. dient onderzocht te worden of hij vanaf 11 april 2007 tot heden recht heeft op een equivalent leefloon. De heer S., die de Bulgaarse nationaliteit heeft, vordert geen leefloon. Hij heeft trouwens geen recht op een verblijf van meer dan drie maanden overeenkomstig artikel 3, 3°, wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Er kan dan ook enkel onderzocht worden of hij recht heeft op een equivalent leefloon. De heer S. beriep zich aanvankelijk op medische overmacht en stelt vervolgens legaal op het grondgebied te verblijven. 4.
- Medische overmacht Aanvankelijk stelde de heer S. dat hij, hoewel illegaal op het grondgebied verblijvend, het grondgebied niet kon verlaten wegens medische overmacht, maar in de laatste conclusie gedraagt hij zich desbetreffend naar de wijsheid van het arbeidshof. Indien de heer S. deze medische overmacht zou aantonen, komt hij in aanmerking voor een equivalent leefloon. Het toenmalige Arbitragehof (nu Grondwettelijk Hof) heeft immers in een arrest van 30 juni 1999 erkend dat de artikelen 10 en 11 G.W. zouden geschonden worden indien aan personen, waarvoor het absoluut onmogelijk is om een gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten omwille van medische redenen, geen steun kan toegekend worden. (Arbitragehof nr. 80/99, 30 juni 1999, rolnr. 1330, B.S, 24 november 1999, 2° uitg.). Nochtans legt de heer S. geen enkel stuk voor waaruit blijkt dat hij in de onmogelijkheid was om terug naar Bulgarije te reizen en evenmin toont hij aan dat hij in Bulgarije niet de nodige medische zorg zou krijgen. Er is geen sprake van medische overmacht. 4.
- Legaal verblijf Vervolgens stelt de heer S. dat hij in de ganse periode legaal op het grondgebied heeft verbleven aangezien hij de Bulgaarse nationaliteit bezit en verwijst hiervoor naar Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (P.B. L 229/35 van 9 juni 2004), hierna Verblijfsrichtlijn. Sedert 1 januari 2007 is Bulgarije lid geworden van de Europese Unie, waardoor er toepassing kan gemaakt worden van voormelde Verblijfsrichtlijn. Verwijzend naar punt 11 van de overwegingen die de Verblijfsrichtlijn voorafgaan, stelt hij dat deze Verblijfsrichtlijn een recht op verblijf vaststelt dat niet afhankelijk is van het volgen van administratieve procedures. Er mag immers enkel een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort gevraagd worden voor een verblijf van maximum drie maanden. Bij een verblijf van meer dan drie maanden zou enkel een verplichting tot inschrijving bij de bevoegde autoriteiten kunnen opgelegd worden. 4.2.
- Verblijf van drie maanden Er kan niet betwist worden dat elke EU-onderdaan het recht heeft om maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te mogen verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort (zie artikel 6 Verblijfsrichtlijn). Opdat de termijn van drie maanden kan beginnen lopen, dient de EU-onderdaan zijn aanwezigheid wel te melden, waarna hij een kosteloze melding ontvangt die geen verblijfsdocument uitmaakt (zie artikel 48 KB van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen). Enkele categorieën van EU-onderdanen zijn vrijgesteld van deze verplichting (zie de artikelen 41bis Vreemdelingenwet en artikel 18 KB 8 oktober 1981), maar de heer S. valt hier niet onder. Deze meldingsplicht is geen voorwaarde van verblijf, maar enkel een middel om vast te stellen wanneer de termijn van drie maanden begint te lopen. Op 2 juli 2007 werd door de heer S. een aankomstverklaring afgelegd waardoor de termijn van drie maanden vanaf die datum begint te lopen waardoor hij zijn onvoorwaardelijk recht op verblijf van drie maanden kan uitoefenen. 4.2.
- Verblijf van meer dan drie maanden De Verblijfsrichtlijn voorziet slechts in een onvoorwaardelijk verblijf van ten hoogste drie maanden. Voor een verblijf van langer dan drie maanden dient de EU-burger immers te voldoen aan bijkomende voorwaarden. Zo moet hij werknemer of zelfstandige zijn (artikel 7, 1, a, Verblijfsrichtlijn), maar de heer S. heeft zelfs niet naar werk gezocht. Om na drie maanden toch in een EU-land te mogen verblijven zonder werk te zoeken of te hebben gevonden, moet de EU-onderdaan voldoen aan bijkomende voorwaarden (zie overweging 10 Verblijfsrichtlijn). Zo moet een EU-onderdaan beschikken over voldoende bestaansmiddelen voor zichzelf en voor zijn familieleden om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland en beschikken over een ziekteverzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt of ten laste zijn van familieleden, waardoor hij niet ten laste komt van het gastland (artikel 7 Verblijfsrichtlijn). Het wordt niet betwist dat de heer S. niet voldoet aan één van deze voorwaarden. Aangezien de heer S. niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 Verblijfsrichtlijn, heeft hij geen recht op een verblijf van langer dan drie maanden. Het argument van de heer S. dat om te kunnen genieten van een verblijfsrecht dit niet afhankelijk kan gemaakt worden van het voldaan hebben aan administratieve procedures zoals het instellen van een aanvraag tot vestiging, wijzigt dit niet. Om recht te hebben op verblijf moet de heer S. immers voldoen aan de voorwaarden van artikel 7 Verblijfsrichtlijn, en aangezien hij hieraan niet voldoet is er geen recht op verblijf van langer dan drie maanden. De heer S. toont derhalve enkel een legaal verblijf aan voor de periode van 2 juli 2007 tot en met 2 oktober 2007, en enkel voor deze periode kan er onderzocht worden of er recht is op maatschappelijke dienstverlening. Voor personen die illegaal op het grondgebied verblijven is er immers geen recht op steun overeenkomstig artikel 57, §2, OCMW-Wet. Het incidenteel beroep, in zoverre het maatschappelijke dienstverlening vordert buiten voormelde periode, is dan ook ongegrond. 4.
- Recht op maatschappelijke dienstverlening Artikel 24, 2°, Verblijfsrichtlijn, bepaalt dat het gastland niet verplicht is om een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf. De Belgische wetgeving heeft geen bepaling aangenomen waardoor het recht op maatschappelijke dienstverlening voor EU-onderdanen in de eerste drie maanden van hun verblijf beperkt wordt. Artikel 1 OCMW-Wet maakt immers geen onderscheid naar de aard van het legaal verblijf, waardoor de heer S. recht heeft op een equivalent leefloon als hij zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 1 OCMW-Wet. Weliswaar bepaalt artikel 14, 1°, Verblijfsrichtlijn, dat burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht volgens artikel 6 maar behouden zolang zij geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Opdat er sprake is van een onredelijke belasting, is een beslissing van de bevoegde autoriteiten in het vreemdelingenrecht evenwel noodzakelijk. Een beroep op het socialebijstandsstelsel mag immers niet automatisch aanleiding geven tot een verwijderingsmaatregel, maar het gastland moet onderzoeken of het gaat om tijdelijke problemen en dient rekening te houden met de duur van het verblijf, de persoonlijke omstandigheden en het bedrag van de reeds uitgekeerde steun om te kunnen uitmaken of er sprake is van een onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel (overweging 16 Verblijfsrichtlijn). Aangezien er geen beslissing is waaruit blijkt dat de heer S. een onredelijke belasting vormt voor het socialebijstandsstelsel, behoudt hij een verblijfsrecht voor drie maanden en is er een principieel recht op sociale bijstand voor zover hij voldoet aan de voorwaarden van de OCMW-Wet. Artikel 1 OCMW-Wet bepaalt dat éénieder een leven moet kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het is de aanvrager die moet kunnen aantonen dat hij geen leven kan leiden dat hieraan beantwoordt. (Arbh. Antwerpen 16 mei 2001, Soc. Kron. 2002, 547). In een arrest van 17 december 2007 besliste het Hof van Cassatie dat geen enkele wettelijke bepaling verbiedt dat het recht op maatschappelijke dienstverlening met terugwerkende kracht wordt toegekend voor de periode tussen de aanvraag en de toekenning, op voorwaarde dat de aanvrager aantoont dat hij in die periode geen leven kon leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. (Cass. 17 december 2007, J.T.T. 2008, 112 en www.cass.be). De heer S. moet derhalve aantonen dat hij voor de periode van 2 juli 2007 tot en met 2 oktober 2007 geen menswaardig bestaan kon leiden in de zin van artikel 1 OCMW-Wet. Desbetreffend wordt er geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat hij geen menswaardig bestaan kon leiden. Er kan dan ook geen recht op maatschappelijke dienstverlening vastgesteld worden. De administratieve beslissing dient bevestigd te worden. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 2 november 2009, waarover partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 9 januari 2008, behoudens wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten betreft. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering ongegrond, zegt voor recht dat de heer S. geen recht heeft op maatschappelijke dienstverlening en bevestigt de beslissing van het bijzonder comité voor sociale bijstand van 2 mei
- Legt de kosten van de procedure in hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het OCMW van Antwerpen. Vereffent deze kosten aan de zijde van de heer S. op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door de heer R. SMETS, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend en negen. R. SMETS L. VAN NESPEN M. VAN GORP D. TORFS PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091207.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div