id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091208.8 Rolnummer: 2007-0598 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 20:45 Fiche Aangezien er een doorlopend tijdvat van meer dan 30 dagen is verlopen tussen de aanvangsdag van de arbeidsongeschiktheid en de laatste dag van een tijdvak waarin de betrokkene de hoedangheid van gerechtigde had, kan de betrokkene overeenkomstig artikel 131 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 geen aanspraak maken op prestaties van de uitkeringsverzekering. Het debat over het bestaan van een arbeidsovereenkomst dat door de betrokkene nooit werd uitgeput wordt in dit geschil gevoerd op het verkeerde tijdstip, tussen de verkeerde partijen en kan niet als passe partout gebruikt worden om contra legem binnen te dringen in het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - coördinatie ziekte- en invaliditeitsverzekering - arbeidsongeschiktheid - geen bijdragen betaald - verlies van hoedanigheid van gerechtigde - VII DN Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 131 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2070598 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT DECEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: P. P., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. K. V. C., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen:
- LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALI-TEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. D., advocaat te 2050 Antwerpen,
- RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, tweede geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. N. V. S., loco mr. L. H., advocaat te 2100 Deurne. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 december 2007, 12 mei 2009, 13 oktober 2009 en 27 oktober 2009; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, gewezen bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde en op tegenspraak t.o.v. appellant en eerste geïntimeerde, en uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 oktober 2007 (A.R. 06/341.319/A); - de akte van hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 november 2007; - de 'conclusie' voor appellant, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 31 maart 2008; - de 'beroepsconclusie' voor eerste geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 5 mei 2008; - de 'beroepsconclusies' voor tweede geïntimeerde, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 17 oktober 2008; - de 'conclusie' voor appellant die de eerdere conclusie vervangt en vervolledigt, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 8 oktober 2009; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2009, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 27 oktober
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van: - het administratief dossier van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (stuk 4 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen); - het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (stuk 10 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen); - het faxbericht van het RIZIV aan het auditoraat-generaal bij het arbeidshof Antwerpen d.d. 8.5.2009, waarbij wordt meegedeeld dat er inzake geen proces-verbaal van vaststelling werd opgemaakt, noch een verhoor werd afgenomen, met als bijlage een kopie van het inlichtingsblad (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen); - de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit 6 genummerde stukken, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 november 2008; - de bundel van de raadsman van eerste geïntimeerde, neergelegd ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2009 en bestaande uit een kopie van een schrijven d.d. 10.8.1999 van ECS waarbij aan appellant zijn ontslag wordt gegeven + een kopie van een schrijven d.d. 19.8.1999 van ECS waarbij aan appellant wordt meegedeeld dat zijn contract als bediende wettelijk nietig is; - de bundel van de raadsman van tweede geïntimeerde bestaande uit 2 genummerde stukken, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 29 april
- Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzitting van 13 oktober
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2009 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn van 10 dagen, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 november 2007, tekende P. P. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 16 oktober 2007 (A.R. nr. 06/341.319/A). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 18 oktober
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Met conclusies ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 17 oktober 2008 stelt het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits-verzekering (impliciet) incidenteel beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 oktober
- Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De heer P. P. was vanaf 12 maart 1998 werkzaam als bediende bij de bvba D. met zetel te ............. Hij werd arbeidsongeschikt op 30 december 1998 en genoot gewaarborgd loon van 30 december 1998 tot en met 28 januari 1999 en vervolgens uitkeringen in primaire arbeidsongeschiktheid van 29 januari 1999 tot 31 mei
- Op het inlichtingenblad 'uitkeringen', ondertekend door P. P. op 15 februari 1999, verklaarde betrokkene dat hij werkloze was ingevolge een ontslag door de werkgever op 21 januari 1999, zonder betaling van een verbrekingsvergoeding (of recht op werkloosheidsuitkeringen). In een buitengewone algemene vergadering van de bvba E. C. S. van 28 mei 1999 werd de heer P. P. benoemd tot onbezoldigd (mede)zaakvoerder (stuk 1 bundel appellant: oprichtingsakte bvba E. C. S.). Het attest van arbeidshervatting op 1 juni 1999 werd ingevuld en ondertekend door de heer P. P. als 'zaakvoerder'. Identificatie van de werkgever: bvba ECS - .............. Appellant deed op 23 augustus 1999 aangifte van een arbeidsongeschiktheid sedert 13 augustus
- Na erkenning van de arbeidsongeschiktheid werden door de Christelijke Mutualiteit van het arrondissement Antwerpen ziektevergoedingen uitbetaald aan de heer P.: * in primaire arbeidsongeschiktheid: van 13 augustus 1999 t/m 12 augustus 2000 ten bedrage van 7.493,28 euro [302.278 BEF]; * in invaliditeit: van 13 augustus 2000 t/m 31 juli 2001: 7.375,33 euro [297.520 BEF]. Naar aanleiding van een controlebezoek van 17 en 18 april 2001 aan de Christelijke Mutualiteit van het arrondissement Antwerpen
(101)te Antwerpen stelde de dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering vast dat er vanaf 13 augustus 1999 geen uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid mochten betaald worden aan P. P., op grond van artikel 131 van de gecoördineerde wet van 14 juli
- Met een aangetekend schrijven van 18 mei 2001 uitgaande van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering werd de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten aangemaand het dossier van de heer P. P. te regulariseren overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. (stuk 4 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen: schrijven directeur juridisch departement LCM van 4 maart 2002 aan de auditeur bij de arbeidsrechtbank van Antwerpen met aangehecht de vaststellingen gedaan tijdens controlebezoek van 17.04.2001 tot 18.04.2001 uitgevoerd door de dienst voor administratieve controle van het Riziv). Met een aangetekende schrijven van 7 september 2001 betekende de Christelijke Mutualiteit van het arrondissement Antwerpen aan P. P. de terugvordering van de ziekteuitkeringen over de periode van 13 augustus 1999 tot 31 maart 2001 voor een totaal bedrag van 14.868,60 euro. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 december 2001, tekende P. P. verhaal aan tegen voormelde terugvorderingsbeslissing. Met besluiten, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 2 maart 2006, stelde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een tegenvordering in welke ertoe strekte P. P. te veroordelen om tot terugbetaling over te gaan van het bedrag van 14.868,60 euro ten titel van ten onrechte genoten uitkeringen over de periode van 13 augustus 1999 tot en met 31 juli 2001, te vermeerderen met de intresten vanaf 7 september 2001 en de gerechtelijke intresten. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 oktober 2007 werd: - de hoofdvordering van P. P. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de beslissing van 7 september 2001 van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten bevestigd; - de tegenvordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten ontvankelijk en gegrond verklaard en de heer P. P. veroordeeld tot betaling aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van 14.868,60 euro, meer de intresten vanaf 7 september 2001; - de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de zijde van P. P. begroot op 111,15 euro rechtsplegingsvergoeding; aan de zijde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering werden de kosten niet begroot. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 november 2007, tekende P. P. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis.
- Eisen in hoger beroep P. P. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende: * de oorspronkelijke vordering op hoofdeis ontvankelijk en gegrond te verklaren; * de oorspronkelijke vordering op tegeneis ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; * de beslissing tot terugvordering van 7 september 2001 van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten te vernietigen; * voor recht te zeggen dat de heer P. gerechtigd is op de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen vanaf 13 augustus 1999 tot op heden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten; * voor recht te zeggen dat de heer P. gerechtigd is op een schadevergoeding t.b.v. 200 euro/maand vanaf 1 april 2001, gelet op het financiële en psychische leed, door een fout van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, en zij hiertoe, in solidum, te veroordelen; - in ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat de tegenvordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten als gegrond zou voorkomen, quod certe non, de heer P. toe te laten tot afbetalingsfaciliteiten a rato van 100 euro per maand; - geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van appellant begroot op 111,15 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (eerste geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - de bestreden beslissing te bevestigen en appellant te veroordelen om tot terugbetaling over te gaan van 14.868,60 euro, meer de intresten vanaf 7 september 2001, de gerechtelijke intresten en de kosten. Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (tweede geïntimeerde) vordert: - dat zij buiten zaken dienen gesteld te worden zonder kosten; - minstens in ondergeschikte orde, het beroep ongegrond te verklaren.
- In rechte 5.
- Hoofdberoep 5.1.
- Terugvordering In toepassing van artikel 164, eerste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, is hij die, ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de uitkeringsverzekering, verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. Alle ten onrechte betaalde prestaties worden teruggevorderd door de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend binnen de door de Koning bepaalde termijnen en met alle middelen, de gerechtelijke inbegrepen (artikel 164, vierde lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). In huidig geschil heeft eerste geïntimeerde op 7 september 2001 een terugvordering betekend aan appellant wegens ten onrechte ontvangen prestaties van de uitkeringsverzekering vanaf 13 augustus
- De terugvordering is gesteund op artikel 131 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 hetwelk bepaalt: "De uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid zijn slechts verschuldigd aan de gerechtigden op voorwaarde dat er geen doorlopend tijdvak van meer dan 30 dagen is verlopen tussen de aanvangsdag van hun arbeidsongeschiktheid en de laatste dag van het tijdvak waarover zij in artikel 86, §1 bedoelde hoedanigheid van gerechtigde hadden, of als arbeidsongeschikt erkend waren in de zin van deze gecoördineerde wet". De terugvordering is niet gesteund op een medische grond maar wel op grond van het feit dat appellant niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden, meer in het bijzonder de 'bijdragebetaling'. Naast de aansluiting of de inschrijving bij een verzekeringsinstelling en het doormaken van een wachttijd is de bijdragebetaling een derde fundamentele voorwaarde om prestaties van de ziekteverzekering, zowel in de sector van de geneeskundige verzorging als in die van de arbeidsongeschiktheids-uitkeringen, toegekend te krijgen. Het bewijs van deze bijdragebetaling moet in beginsel worden geleverd door aan het ziekenfonds (of de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering) bijdragebescheiden- of bons te bezorgen. De verzekeringsinstelling kan alleen op die manier weten of er voldoende bijdragen zijn betaald aangezien de bijdragen niet aan haar, maar aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) worden betaald. De RSZ deelt voor elk referentiejaar de gegevens mee aan de verzekeringsinstellingen. Deze bijdragebon vermeldt voor elk kwartaal van het referentiejaar, het loon waarop de bijdrage voor de uitkeringsverzekering en/of de bijdrage voor de geneeskundige verzorgingsverzekering moet worden ingehouden, het tijdvak waarop dit loon betrekking heeft, het aantal arbeidsdagen enz. In huidig geschil werden voor het jaar 1999 slechts volgende bijdragebescheiden op naam van appellant geregistreerd: 1.225,68 euro [49.444 BEF] voor 15 dagen (in vijfdagenweek) voor de periode van 1 januari 1999 tot 21 januari 1999 - werkgever D. te L.). Appellant houdt voor maar bewijst geenszins dat hij ná de periode van erkende arbeidsongeschiktheid van 30 december 1998 tot 31 mei 1999, de hoedanigheid van 'gerechtigde' in de zin van artikel 86, §1 van de gecoördineerde wet heeft behouden. Er is alleszins geen bewijs van bijdragebetaling vanaf 1 juni 1999 (door bvba ECS). Het arbeidshof sluit zich aan bij volgende overweging van het openbaar ministerie (stuk 16 dossier rechtspleging arbeidshof: schriftelijk advies van advocaat-generaal de heer P. Van Den Bon): "Het debat over het bestaan van een arbeidsovereenkomst met de bvba ECS wordt thans gevoerd op het verkeerde tijdstip, tussen de verkeerde partijen en kan niet als een passe partout gehanteerd worden om contra legem binnen te dringen in het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen." Vermits er een doorlopend tijdvak van meer dan dertig dagen is verlopen tussen de aanvangsdag van de arbeidsongeschiktheid, zijnde 13 augustus 1999, en de laatste dag van een tijdvak waarover appellant de hoedanigheid van 'gerechtigde' had, zijnde 30 mei 1999, kon appellant vanaf 13 augustus 1999 geen aanspraak maken op de prestaties van de uitkeringsverzekering en dit op grond van artikel 131 van de van de gecoördineerde wet van 14 juli
- Het hoofdberoep van appellant is ongegrond. 5.1.
- Afkortingen In beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 8 oktober 2009, verzoekt appellant in ondergeschikte orde om de schuld te mogen aflossen met afkortingen ten bedrag van 100 euro per maand. Op grond van artikel 1244, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, kan de schuldenaar de schuldeiser niet verplichten betaling te ontvangen van een gedeelte van de schuld, al is die schuld deelbaar. Maar de rechter kan, met inachtneming van de toestand der partijen, gebruik makend van deze bevoegdheid met grote omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten, gematigd uitstel verlenen voor de betaling en de vervolgingen doen schorsen. In huidig geschil stelt het hof vast: - dat appellant reeds een ruime termijn van respijt heeft genoten vermits de terugvordering betrekking heeft op prestaties van de uitkeringsverzekering van 13 augustus 1999 tot en met 3 juli 2001; - dat het door appellant geformuleerde bedrag van de afkorting - meer bepaald 100 euro per maand - ontoereikend is gelet op de omvang van de schuld, zijnde 14.868,60 euro in hoofdsom te vermeerderen met de intresten vanaf 7 september 2001; appellant zou immers, zonder nog rekening te houden met de verschuldigde intresten, slechts na 148 maanden de hoofdschuld aangezuiverd hebben hetgeen bezwaarlijk als een 'gematigd uitstel' van betaling kan beschouwd worden; - dat appellant geen enkel gegeven verstrekt en/of stukken voorbrengt omtrent zijn actuele inkomsten en vermogenstoestand. Gelet op voormelde vaststellingen kan het verzoek om betalingsuitstel niet ingewilligd worden. 5.1.
- Vordering tot schadevergoeding De vordering van appellant tot het bekomen van een schadevergoeding is ongegrond bij gebreke aan objectieve elementen op basis waarvan het arbeidshof zou kunnen besluiten tot een miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm, een foutief gedrag of nalatig verzuim door geïntimeerden. 5.
- Incidenteel beroep Over het initiële verzoek van tweede geïntimeerde (stuk 4 dossier rechtspleging arbeidsrechtbank: schrijven van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 12 september 2002) om zonder kosten buiten de zaak te worden gesteld werd geen uitspraak gedaan door de arbeidsrechtbank. Tweede geïntimeerde betekent aan de verzekeringsinstellingen de door de inspecteurs gedane vaststellingen en de daaruit voortvloeiende terugvorderingen. Met de kennisgeving nr. 31101CE171300 van 18 mei 2001 zond tweede geïntimeerde - dienst voor administratieve controle - de vaststelling aan eerste geïntimeerde waarin een terugvordering werd opgelegd op grond van artikel 131 van de van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (stuk 10 dossier auditoraat arbeidsrechtbank te Antwerpen: vaststellingen gedaan tijdens controlebezoek afgelegd op 17.04.2001 en 18.04.2001 aan Christelijke Mutualiteit van het arrondissement Antwerpen). Hoewel tweede geïntimeerde weliswaar aan de basis ligt van deze vaststelling is zij strikt beschouwd geen procespartij aangezien de terugvordering van prestaties van de uitkeringsverzekering een administratieve beslissing is van de verzekeringsinstelling ten opzichte van haar verzekerde en dit in toepassing van artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli
- In huidig geschil heeft appellant echter, naast een verzoek tot vernietiging van de terugvorderingsbeslissing van 7 september 2001, tevens een vordering tot schadevergoeding ingesteld ten overstaan van beide geïntimeerden zodat het verzoek van tweede geïntimeerde om buiten de zaak te worden gesteld, niet kan ingewilligd worden. Het incidenteel beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 27 oktober
- Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis gewezen en uitgesproken op 16 oktober 2007 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 06/341.319/A). Verwijst overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van P. P. op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen door: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, bijgestaan door J. VERELST, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van acht december tweeduizend en negen. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091208.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div