id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091216.11 Rolnummer: 2008-0275 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2012-04-12 Raadplegingen: 158 - laatst gezien 2026-07-02 20:49 Fiches 1 - 2 Bij arresten nr. 25/2007 d.d. 30 januari 2007 en 3/2009 d.d. 15 januari 2009 besliste het Grondwettelijk Hof dat artikelen 35 en 35 bis van de Beroepsziektenwet in strijd zijn met de Grondwet, in zoverre zij een beperking opleggen op de ingangsdatum van het recht op vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid. In toepassing van die arresten, dient de vergoeding toegekend te worden vanaf de aanvang van de arbeidsongeschiktheid; de verjaringstermijnen bepaald in artikelen 2277 of 2262bis Burgerlijk Wetboek kunnen niet worden toegepast. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Beroepsziekte - Fonds voor beroepsziekten Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - BEROEPSZIEKTEN IN DE PRIVE SECTOR - schade en schadeloosstelling - beroepsziekte - blijvende arbeidsongeschiktheid - aanvang vergoedingen - artikel 35 beroepsziektenwet - ongrondwettelijk - gevolgen - geen verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 03-06-1970 - 35 - 02 ELI link Pub nr 1970060309 Gecoordineerde Wetten - 03-06-1970 - 35bis - 02 ELI link Pub nr 1970060309 Nota: VI B Gerangschikt onder VI B - artikel 35 en artikel 35bis. Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 9, blz. 479-480 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Zevende Kamer Tegensprekelijk eindarrest Artikel 579 beroepsziekten. Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2080275 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN In de zaak: FONDS VOOR DE BEROEPSZIEKTEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1210 Sint-Joost-Ten-Noode, Sterrenkundelaan 1, appellante, vertegenwoordigd door mr. R.R., advocaat te , tegen: P.B., wonende te, geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door mevr. P. G., vakbondsafgevaardigde te 3500 Hasselt, volmachtdrager. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgende arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het vonnis van 10 september 2008 uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Hasselt gekend onder A.R. nr. 2053954 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 november 2008 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de conclusies en stavingsstukken van partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het principaal alsmede het incidenteel hoger beroep werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en beide rechtsmiddelen dienen dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 16 november 2009 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN P.B. diende op 6 november 2003 een aanvraag in bij het Fonds voor de Beroepsziekten om vergoedingen te bekomen ingevolge beroepsziekte (code 1.711). Bij administratieve beslissing aan B. betekend op 14 januari 2005 verwierp het Fonds voor Beroepsziekten de aanvraag: "U is niet aangetast door de beroepsziekte waarvoor vergoeding werd gevraagd." P.B. is het hier niet mee eens en bij dagvaarding van 23 december 2005 vordert hij: "In toepassing van het K.B. van 03.06.1970 houdende coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de beroepsziekten: Vanaf 14.01.05 en 120 dagen voorafgaand een jaarlijkse vergoeding op basis van percentage blijvende arbeidsongeschiktheid, te bepalen door een geneesheer deskundige, ingevolge beroepsziekte en 32.748,12 basisloon; In ondergeschikte orde over te gaan tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige, met de gebruikelijk opdracht; Aanleggende partij behoudt zich het recht voor de gevorderde bedragen te verhogen of te verlagen in de loop van het geding, alsook om alle andere bedragen te vorderen die om welke reden dan ook zouden verschuldigd zijn. Hij vordert tevens de veroordeling van gedaagde tot de gerechtelijke intrest op de gevorderde bedragen en in de kosten van het geding." Bij besluiten neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Hasselt breidde P.B. zijn eis uit en verzocht de rechtbank het Fonds voor de Beroepsziekten te horen veroordelen tot de betaling van de wettelijke jaarlijkse vergoedingen voor een blijvende arbeidsongeschiktheid ingevolge beroepsziekte, vanaf 6 november 2003 en 120 dagen voorafgaand, te berekenen op een basisloon van 32.748,12 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het netto-opeisbare bedrag. Bij tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt van 27 februari 2007 verklaarden de eerste rechters de uitgebreide vordering reeds ontvankelijk doch alvorens ten gronde te statueren stelden aan als geneesheer-deskundige dokter L. T. met opdracht: "(...)
- Kennis te nemen van het medisch dossier en van alle stukken en gegevens die de partijen aanbrengen en de eisende partij aan een medisch onderzoek te onderwerpen (doch slechts overgaande tot nieuwe radiologische en andere onderzoekingen zo deze noodzakelijk zijn) - na te gaan of eisende partij aangetast is door de ingeroepen beroepsziekte met code 1.711; - in bevestigend geval de rechtbank te adviseren omrent de periodes van volledige tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid; - te zeggen of de toestand van eisende partij de geregelde hulp van een ander persoon volstrekt noodzakelijk maak;. - te adviseren of het letsel waarvoor de prothese (kruk) nodig is te wijten is aan ops; - te adviseren of een kruk nog verder noodzakelijk blijft. (...)" Het definitief deskundig verslag werd door de geneesheer-deskundige neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 2 oktober
- Dokter T. kwam tot het volgende besluit: "(...) dat gezien de blootstelling gedurende meer dan 10 jaar een bewezen feit is aan solventen, dat er reeds klachten waren tijdens het feit dat patiënt nog aan het werken was, dat stabilisatie hooguit lichte verbetering optrad gedurende al de jaren na werkstop, dat de klachten van motorische stoornissen, niet typerend, maar niet vreemd zijn aan OPS-symptomen, dat de neuropsychologische testonderzoeken, wel de 2 betrouwbaardere onderzoeken van 2003 en 2006 aanwijzingen geven voor stoornissen van het logisch denken, stoornissen van de aandachtsspanwijdte en verwerkingssnelheid vertraagd is evenals het feit dat hierdoor handelingen trager verlopen, waarover 2 onderzoeken van 2003 en 2006 het eens zijn, dat het onderzoek van 2003 wat betreft het geheugen met visuospatiële, we de voorkeur geven aan de twijfel (wel gestoord in het verslag van 2003, niet gestoord in het verslag van 2006), meen ik te mogen stellen advies gevend aan de rechtbank na te gaan of eisende partij aangetast is door de ingeroepen beroepsziekte met code 1711, hierop bevestigend te antwoorden. Wat de tweede vraag betreft, de periodes van tijdelijke en definitieve werkongeschiktheid, hierop kan ik slechts antwoorden dat patiënt sinds 03.02.1992 zijn werk volledig heeft stopgezet en sedertdien blijvend arbeidsongeschikt is. (dit werd destijds ook zo geattesteerd door de adviserend geneesheer van het ziekenfonds) Deze definitieve werkongeschiktheid is uiteraard + 66%, zowel wat het werken in een beschermd of onbeschermd milieu betreft, evenals naar het dragen van familiale verantwoordelijkheid. Om te zeggen of de toestand van eisende partij de geregelde hulp van een andere persoon volstrekt noodzakelijk maakt, hierop dien ik te antwoorden dat Collega V. reeds in haar schrijven van 26.10.05 hulp van derden aanvroeg. Dit is niet zozeer in het kader van lichamelijke verzorging, maar wel voor hulp in het huishouden en mede toezicht op de dochter, gezien betrokkenes partner fulltime werkt (deze is de enige kostwinner binnen het gezin). Baserend op de ELIDA-schaal kan het percentage hulp aan derden op 15% voorgesteld worden. Om advies uit te brengen of het letsel waarvoor de prothese (kruk) nodig is, te wijten is aan OPS, hierop kan bevestigend geantwoord worden, daar ik reeds vroeger gesuggereerd heb in mijn voorlopige conclusies dat motorische stoornissen en gangstoornissen geen typische symptomen zijn van OPS, maar toch beschreven wordt in het artikel hogerop gesuggereerd. (Arch Public Health 2002, 60, 217-232, Overvieuw of the neurotoxic effects in solventexposed workers). Te adviseren of een kruk nog verder noodzakelijk blijkt, stel ik enerzijds vast dat patiënt subjectieve klachten vertoont van een zwakte van de onderste ledematen en een progressief drukkende pijn van distaal naar proximaal. Dat hij bij langdurig stappen of stilstaan door de benen zakt. Dat hij zijn kruk gebruikt als steun en rustmiddel. Hij valt daarom niet steeds, maar vallen kan op die manier voorkomen. Op deze vraag moet dus ook bevestigend geantwoord worden. Objectief bij neurologisch onderzoek werd patiënt onderzocht zonder stok, hij kwam wel binnen met stok, maar hij hield zich toch bij het onderzoek aan de rand van de stoel en de tafel vast. De teen- en de hielgang verliepen normaal, hoewel beiderzijds moeizaam. Romberg was negatief en de Unterberger vertoonde een lichte deviatie naar links, maar slechts 5° op 15 passen wat niet echt als pathologisch kan aanzien worden. Een geïsoleerd segmentair krachtsonderzoek in bovenste en onderste ledematen was normaal, behalve een verzwakte dorsieflexie van de li. Voet. De cerebellaire proeven geïsoleerd vertonen een normale vinger-neus en hiel-knieproef, maar coördinatie, gangstabiliteit hebben uiteraard ook te maken met de posturale tonus, met de gnostische sensibiliteit die mijns inziens normaal was, maar misschien situeren de moeilijkheden zich bij het feit dat bij het onderzoek hij geen loopafstand aflegde en er zich dan ook geen probleem voordoet, wel enkel wanneer hij een tijd gestapt heeft zoals hij in de ananmese aangeeft : bij langdurig stappen zakt hij door de benen en bij langdurig stilstaan zakt hij door de benen. Dit konden wij natuurlijk bij het neurologisch onderzoek zelf niet evalueren. De gebruikte medicatie Nootropil of Piracetam staat natuurlijk in causaal verband met de beroepsziekte. Het valt te voorzien dat de patiënt blijvend noötropica dient in te nemen (Nootropil of Piracetam 120 mg 2 x per dag of andere noötropica zoals Egebex). Wij hopen uiteraard dat er in de toekomst geen verergering van deze cognitieve stoornissen optreedt maar in dat geval moet toch de zaak herzien worden ook naar het gebruik van andere cognitieve medicatie toe zoals cholinesteraseremmers. (...)" Bij eindvonnis van 10 september 2008 namen de eerste rechters akte van de eisuitbreidingen en eisaanpassing. Verklaarden de vordering grotendeels gegrond, zoals hierna bepaald, met afwijzing van het anders en meer gevorderde als ongegrond. Veroordeelden het Fonds voor de Beroepsziekten om aan P.B. te betalen: - de wettelijke jaarlijkse vergoedingen voor een blijvende arbeidsongeschiktheid van 80% ingevolge beroepsziekte vanaf 3 februari 1992, te berekenen op een basisloon van 18.595,91 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten te berekenen op het netto opeisbare bedrag. - de wettelijke vergoedingen voor een periode van volledige blijvende arbeidsongeschiktheid als vergoeding voor definitieve werkverwijdering op 3 februari 1992 en dit gedurende 90 dagen, te berekenen op een basisloon van 18.595,91 EUR te vermeerderen met de gerechtelijke intresten te berekenen op het netto-opeisbare bedrag. - de vergoedingen voor het gebruik van een kruk als prothese na voorlegging van de facturen en te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. - de wettelijke vergoedingen voor de hulp van een halftijdse persoon, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het netto-opeisbare bedrag. - de terugbetaling van het persoonlijk aandeel van P.B. in de medische kosten ten bedrage van 3.589,76 EUR. Verleent voorbehoud voor de terugbetaling van de medicatie ingevolge zijn behandeling van de beroepsziekte OPS door solventen - zijnde in casu Zyrtec, Brufen 400 mg, Biofenac, Inderal, Rivotril, Nootropil, Piracetam. Verleent voorbehoud voor eventuele andere medicatie zoals in het deskundig verslag beschreven. Legden de gedingkosten en de verplaatsingskosten lastens het Fonds voor de Beroepsziekten. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 november 2008 tekent het Fonds voor de Beroepsziekten hoger beroep aan tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert het beperkt hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat:
- De aanvangsdatum voor de vergoedingen van blijvende arbeidsongeschiktheid vast te stellen is op 6 november
- De vordering tot vergoeding voor definitieve verwijdering als verjaard te verklaren.
- De vergoeding voor hulp van derden vast te stellen op basis van 15%. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; dientengevolge het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen; appellante bijkomend te veroordelen in de kosten van het hoger beroep; het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en zodoende appellante bijkomend te veroordelen tot de terugbetaling van het eigen aandeel in de medische kosten, te begroten op 362,89 EUR. Ondergeschikt Indien het Arbeidshof van oordeel zou zijn dat er in casu wel toepassing moet worden gemaakt van artikel 2277 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, verzoekt geïntimeerde het Arbeidshof een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof als volgt: - ‘Schendt de toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek in een beoordeling betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre slachtoffers van een beroepsziekte uit de privésector, wier aanvraag - rekening houdend met artikel 2277 BW - niet langer kan terugwerken dan 5 jaar vóór de datum van aanvraag en de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector, ten aanzien van wie een dergelijke beperking niet geldt? - Schendt de toepassing van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek in een beoordeling betreffende de schadeloosstelling van beroepsziekten ingevolge de definitieve werkverwijdering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre slachtoffers van een beroepsziekte uit de privésector, wier aanvraag - rekening houdend met artikel 2262bis BW - niet langer kan terugwerken dan 10 jaar voor de datum van de aanvraag met betrekking tot de definitieve werkverwijdering en de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector, ten aanzien van wie een dergelijke beperking niet geldt?' - Indien het Hof van oordeel is dat er in casu toch geen sprake kan zijn van een halftijdse hulp van derden is geïntimeerde van oordeel dat het percentage van een vergoeding voor de hulp van een derde moet worden bepaald op 40%, minstens dat Dr. T. opnieuw wordt aangesteld om de bijgebrachte medische verslagen opnieuw te bekijken en een nieuwe uitspraak te doen over het percentage voor de vergoeding hulp van derden. MOTIVERING - BEOORDELING
- AANVANGSDATUM ARBEIDSONGESCHIKTHEID: 3 februari 1992 Appellante stelt enerzijds dat in casu artikel 2277 Burgerlijk Wetboek primeert en dat vergoedingen slechts vergoedbaar zijn vanaf 6 november 1998, zijnde maximum 5 jaar vóór de datum van aanvraag. Geïntimeerde verwijst anderzijds naar de beroepsziektenreglementering, namelijk artikel 4: "De rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan of de beroepsziekte is vastgesteld." Verder bepaalt artikel 35 Beroepsziektenwet: "Wanneer de arbeidsongeschiktheid blijvend is, wordt een jaarlijkse vergoeding toegekend van 100% bepaald naar de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, te rekenen vanaf het begin van de ongeschiktheid, de vergoeding zal evenwel niet vroeger kunnen ingaan dan 120 dagen voor de datum van het indienen van de aanvraag." Het Hof ziet in rechte geen reden om het burgerlijk recht te doen primeren. De beroepsziektewetgeving is immers duidelijk wat betreft de datum waarop vergoedingen ingevolge beroepsziekte kunnen ingaan.
- De arresten van het Grondwettelijk Hof van 30 januari 2007 en 15 januari 2009 stellen vast dat zowel artikel 35, tweede lid, derde lid als artikel 35bis, laatste lid van de wetten betreffende de schadeloosstelling van de beroepsziekten gecoördineerd op 3 juni 1970, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden aangezien er enerzijds in de Beroepsziektewet met betrekking tot de privé sector een beperking wordt opgelegd waarop het recht op vergoedingen kan ingaan, niettegenstaande deze beperking niet geldt voor de openbare sector. Zowel het arrest van 30 januari 2007, als het arrest van 15 januari 2009 motiveren naar het oordeel van het Hof duidelijk waarom de artikelen 35, tweede en derde lid, als artikel 35bis, laatste lid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden:
- door een beperking te leggen op de ingangsdatum waarop het recht op vergoedingen kan ingaan, wordt het aanvangspunt van dat recht vastgelegd op een datum die niet noodzakelijkerwijze overeenstemt met deze waarop de blijvende arbeidsongeschiktheid is begonnen. Deze beperking kan ongunstige gevolgen hebben indien het om een beroepsziekte gaat die slechts zeer langzaam aftekent en slechts uitzonderlijk vanaf de eerste symptomen kan worden herkend als beroepsziekte.
- door een beperking op te leggen op de ingangsdatum waarop het recht op vergoedingen kan ingaan, creëert de wetgever een nadeel voor het slachtoffer aangezien deze - wegens een ziekte waarvan hij de oorsprong niet kende - zonder schadeloosstelling daarvoor de economische en lichamelijke gevolgen van de ongeschiktheid heeft ondergaan. In casu is er duidelijk een ziektepatroon dat zich zeer langzaam aftekent en zeker niet vanaf de eerste symptomen kon worden herkend.
- Geïntimeerde verwijst terecht naar het deskundig verslag van geneesheer-deskundige Dr. T. waarin wordt gesteld dat ook bij geïntimeerde zelf het een aantal jaren heeft geduurd vooraleer de beroepsziekte OPS werd vastgesteld: "...Eind jaren '80 kreeg hij last van diaree. Hij had geen koorts, wel hoofdpijn. Hij kloeg van vermoeidheid en concentratiestoornissen. Aanvankelijk werd gedacht dat hij teveel werkte. Hij is steeds blijven doorwerken. Hij schreef een deel van de klachten toe aan het feit dat hij gestart was met de bouw van zijn woning in
- Verder had de patiënt in die periode last van een droge neus. Verder vertigoklachten. In 1992 had hij een griepaal syndroom, waarbij hij toen gestopt is met werken wegens pijnklachten in de benen, maar ook in de voorarmen, met tevens krachtsvermindering. Feitelijk begon patiënt vanaf '91 toch zeker gradueel last te krijgen van spierpijnen, vermoeidheid, geheugen- en concentratiestoornissen die onophoudelijk aanwezig waren. Deze klachten werden lange tijd toegeschreven aan een chronisch vermoeidheidssyndroom en allerlei externe factoren werden hier aanvankelijk bij betrokken..." Eén en ander bleek ook uit de mondelinge toelichting door geïntimeerde ter openbare terechtzitting van 16 november
- 4.
- Er kan dan ook worden besloten dat indien geïntimeerde in de openbare sector was tewerkgesteld en hij aldus onder toepassing van de Beroepsziektewet openbare sector viel, hij wel degelijk recht zou hebben gehad op een schadevergoeding voor een blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf het ogenblik waarop de beroepsziekte OPS werd vastgesteld, zijnde 3 december
- 4.
- Het Grondwettelijk Hof heeft in haar arresten geoordeeld dat er geen gemotiveerde reden wordt gegeven door het Fonds voor de Beroepsziekten om te kunnen verantwoorden dat er in de privé sector een beperking in de retroactieve ten laste neming van de ongeschiktheid aanwezig moet zijn, niettegenstaande deze beperking in de overheidssector niet wordt toegepast. 4.
- Geïntimeerde is ten deze terecht van oordeel dat hij recht heeft op de schadeloosstelling voor een blijvende arbeidsongeschiktheid van 80% vanaf het ogenblik dat de beroepsziekte OPS bij geïntimeerde werd vastgesteld, namelijk 3 februari 1992 als aanvangsdatum. 5.
- Aangezien appellante van oordeel is dat er uit de arresten van het Grondwettelijk Hof geenszins mag worden afgeleid dat er voor de vergoedbaarheid van schadeloosstellingen onbeperkt in tijd kan worden teruggegaan, verwijst zij naar de artikelen 2277 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek en motiveert de toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek als volgt: "...De schadeloosstelling voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid en blijvende arbeidsongeschiktheid is betaalbaar in termijnen (maandelijks - driemaandelijks naar gelang het bedrag). Deze vallen dan ook onder toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek. De aanvraag tot schadeloosstelling dient dan ook binnen de vijf jaar na het verschuldigd zijn van de vergoedingen ingediend.... Derhalve gelet op de 5 - jarige verjaringstermijn, is de oorspronkelijke eisende partij de heer B. dan ook slechts vergoedbaar vanaf 6 november 1998..." De toepassing van artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gemotiveerd: "...De beroepsziektewetgeving kent geen bijzondere verjaringstermijnen waarbinnen een aanvraag dient te worden ingediend. Dit houdt in dat de termijnen van het gemeen recht van toepassing zijn, in casu de 10 jarige termijn van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. In tegenstelling tot de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid en blijvende arbeidsongeschiktheid gebeurt de uitbetaling éénmalig en niet periodiek, in welk geval artikel 2277B.W. van toepassing zou zijn... De periode van schadeloosstelling situeert zich tussen 03.02.192 t.e.m. 02.05.1992, de aanvraag tot schadeloosstelling dateert van 06.11.
- Tussen beide data ligt meer dan 10 jaar, zodat dit onderdeel van de vordering als verjaard had dienen te worden verklaard..." 5.
- Het Hof is in casu van oordeel dat er geen toepassing kan worden gemaakt van de artikelen 2277 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek aangezien er dan opnieuw een discriminatie wordt gecreëerd tussen de personen die onder de toepassing van de Beroepsziektewet privé sector vallen en deze van de overheidssector... Voor de personen die onder de Beroepsziektewet van de overheidssector vallen wordt immers geen toepassing gemaakt van bovenvermelde artikelen uit het Burgerlijk Wetboek. Voor deze personen geldt artikel 4 van de Beroepsziektewet dat stelt dat er een recht op een rente voor een schadeloosstelling blijvende arbeidsongeschiktheid ingaat op dàt ogenblik dat de beroepsziekte wordt vastgesteld (cf. supra). De toepassing van deze artikelen zou opnieuw in strijd zijn met de uitspraken van het Grondwettelijk Hof van 30 januari 2007 en 15 januari
- VERGOEDING VOOR DEFINITIEVE VERWIJDERING Geïntimeerde is van oordeel dat in casu het arrest van het Grondwettelijk Hof kan worden gevolgd en dat enerzijds de vergoedingen kunnen worden toegekend vanaf het ogenblik dat de ongeschiktheid een blijvend karakter vertoont, met name op 3 februari 1992 doch dat ook anderzijds - met betrekking tot de vordering schadeloosstelling voor definitieve werkverwijdering - geenszins sprake kan zijn van verjaring. Het bestreden vonnis kent de vergoeding voor definitieve verwijdering toe voor de periode van negentig dagen volgend op 3 februari
- Appellante is van oordeel dat in dit geval artikel 2262 Bis van het Burgerlijk Wetboek speelt. De periode van schadeloosstelling situeert zich tussen 3 februari 1992 tot en met 2 mei
- De aanvraag tot schadeloosstelling dateert van 6 november
- Tussen beide data ligt meer dan 10 jaar, zodat dit onderdeel van de vordering als verjaard dient te worden verklaard. Artikel 37 §3 Beroepsziektewet bepaalt: "Zo de persoon instemt met het voorstel van een definitieve stopzetting, dan heeft hij voor de periode van 90 dagen volgend op de dag van de werkelijke stopzetting recht op een forfaitaire uitkering die gelijk is aan de vergoedingen voor volledige blijvende arbeidsongeschiktheid". Geïntimeerde stelt dat er in de beroepsziektewetgeving geen verjaringstermijnen zijn opgenomen. De arbeidsrechtbank heeft dienaangaande geoordeeld dat: "Immers in casu werd duidelijk en onbetwist destijds de definitieve verwijdering uit het werkmilieu voorgesteld, waarmede eisende partij akkoord is gegaan, d.w.z. dat hij nooit nog werk kan aannemen waar hij opnieuw met dezelfde schadelijke stoffen in aanmerking komt - in casu de solventen ingevolge lak- en spuitwerken die een ernstige graad van OPS hebben veroorzaakt. Dientengevolge heeft de wet voorzien, gelet op het gegeven dat de kansen op tewerkstelling ernstig werden verminderd, dat het slachtoffer dat door een beroepsziekte is aangetast een premie ontvangt waarvan het bedrag overeenstemt met een forfaitaire vergoeding voor een blijvende arbeidsongeschiktheid voor een periode van 90 dagen." De arbeidsrechtbank was naar het oordeel van het Hof terecht van oordeel dat dit vorderingsonderdeel volledig gegrond was.
- VERGOEDING HULP VAN DERDEN 7.
- Artikel 35 van de Beroepsziektenwet stelt: "Indien de toestand van de getroffene de geregelde hulp van een andere persoon volstrekt noodzakelijk maakt, kan hij vanaf de dag van de aanvraag aanspraak maken op een bijkomende vergoeding, vastgesteld in functie van de noodzakelijkheid van deze hulp, op basis van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimumloon, zoals voor een voltijds werknemer is vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad en van toepassing is op de datum waarop de bijkomende vergoeding wordt toegekend." Over het recht op een vergoeding bestaat er geen betwisting aangezien de deskundige van oordeel is dat de hulp van een derde persoon noodwendig is. Zoals Dr. C. in zijn medisch verslag van 13 november 2007 adviseert, voorziet het Fonds voor de Beroepsziekten zelf maar in drie mogelijke trappen: "Inzake de beroepsziektewetgeving voor de privésector met betrekking tot ‘hulp van derden' hanteert het FBZ andere criteria dan deze welke gangbaar zijn in zowel het systeem ‘mindervaliden - bejaarden' dan wel de arbeidsongevallenwetgeving en burgerlijk recht. Hierdoor worden slechts 3 trappen voorzien: - ten eerste is er geen nood aan hulp van een ander persoon - ten tweede wordt een (halftijdse) hulp van een ander persoon toegekend - ten derde de voltijdse hulp van een derde De bestaande schalen laten niet toe tussen deze 3 trappen te discrimineren vermits zij telkens deelaspecten scoren en deze dan herleiden naar een procentuele waarde. Deze procentuele waarde reflecteert geenszins de tijdsindeling voor de nood aan hulp van een derde/ander persoon doch raamt enkel de grootheid van de diverse factoren. De opdracht van de deskundige luidde onder andere ‘te zeggen of de toestand van eisende partij de geregelde hulp van een ander persoon volstrekt noodzakelijk maakt'. De deskundige heeft hierop adequaat geantwoord. Hij heeft zelfs door middel van het aangeven van een procentueel cijfer (15%, gebaseerd op de Elida schaal evenals de schaal van Europa) aangegeven dat er inderdaad een reële nood is. En halftijdse of voltijdse hulp van een ander persoon is aldus niet hetzelfde als 50% of 100% hulp van derden." Dit gegeven - dat door Dr. C. wordt vermeld - wordt bevestigd in de eigen brochure van appellant (stuk 11 geïntimeerde). Op pagina 14 van deze brochure wordt vermeld: "Als uw toestand van die aard is dat de geregelde hulp van iemand anders volstrekt noodzakelijk is om normaal te leven, heeft u recht op een bijkomende vergoeding voor hulp van een andere persoon. Deze vergoeding moet u in staat stelen bij een zware aantasting van uw gezondheid toch deel te kunnen nemen aan het normale sociale leven in onze maatschappij. Zij wordt alleen toegekend mits de voorwaarden opgenomen in de vragenlijst van het medisch aanvraagformulier 503 vervuld zijn. De hulp van een andere persoon wordt door het fonds tenzij volledig hetzij gedeeltelijk toegekend en uitgekeerd." Geïntimeerde is van oordeel dat - zoals Dr. C. terecht stelt - hij recht heeft op een vergoeding voor de halftijdse hulp van derden. 7.
- Dr. C. vermeldt in zijn medisch verslag van 13 november 2007 dat het Fonds voor de Beroepsziekten zelf in drie mogelijke trappen voorziet: "Inzake de beroepsziektewetgeving voor de privésector met betrekking tot ‘hulp van derden' hanteert het FBZ andere criteria dan deze welke gangbaar zijn in zowel het systeem ‘mindervaliden - bejaarden' dan wel de arbeidsongevallenwetgeving en burgerlijk recht. Hier worden slechts 3 trappen voorzien: - ten eerste is er geen nood aan hulp van een ander persoon - ten tweede wordt een (halftijdse) hulp van een ander persoon toegekend - ten derde de voltijdse hulp van een derde De bestaande schalen laten niet toe tussen deze 3 trappen te discrimineren vermits zij telkens deelaspecten scoren en deze dan herleiden naar een procentuele waarde. Deze procentuele waarde reflecteert geenszins de tijdsindeling voor de nood aan hulp van een derde/ander persoon doch raamt enkel de grootheid van de diverse factoren. De opdracht van de deskundige luidde onder andere ‘te zeggen of de toestand van eisende partij de geregelde hulp van een ander persoon volstrekt noodzakelijk maakt'. De deskundige heeft hierop adequaat geantwoord. Hij heeft zelfs door middel van het aangeven van een procentueel cijfer (15%, gebaseerd op de Elida schaal evenals de schaal van Europa) aangegeven dat er inderdaad een reële nood is. En halftijdse of voltijdse hulp van een ander persoon is aldus niet hetzelfde als 50% of 100% hulp van derden." 7.
- Het Hof is in casu van oordeel dat - zoals Dr. C. terecht stelt - geïntimeerde recht heeft op een vergoeding voor de halftijdse hulp van derden. Het Hof steunt dit oordeel bovendien op het verslag van Dr. V. van 7 mei 2009 (stuk 12 geïntimeerde). Dr. V. P., specialist arbeids - en verzekeringsgeneeskunde alsook medische expertise stelt: "...In tegenstelling tot wat Dr. A. C. in zijn brief d.d. 13.11.2007 vermeldt, is het niet zo dat het Fonds voor de Beroepsziekten slechts drie trappen voorziet met betrekking tot "hulp van een ander persoon": geen hulp, halftijdse hulp en voltijdse hulp. Dit is een algemene misvatting die nog dateert uit de beginperiode voor het Fonds voor de Beroepsziekten, toen zij voor pneumoconiosen (de stoflong) in praktijk enkel deze drie trappen hanteerde. Er is geen enkele Wet of KB die het Fonds limiteert tot de drie trappen... Voor de bepaling van het percentage met betrekking tot "hulp van een andere persoon" worden door de Rechtbanken drie systemen gebruikt: de Elida-schaal, de 18-punten schaal en de effectieve uren nood aan hulp van derden. Dr. C. hanteerde de Elida-schaal en deze werd integraal overgenomen door de gerechtsdeskundige in eerste aanleg. Alhoewel deze schaal, ontworpen door Prof. Brusselmans van RUGent, oorspronkelijk enkel bedoeld en gevalideerd was voor mensen, getroffen door een paraplegie, wordt zij in Vlaanderen ook gebruikt voor patiënten met zeer verscheidene medische problemen. De dichotome manier om een item te evalueren levert echter in de praktijk vaak een probleem op. Volgens de instructies in de handleiding is een negatieve score toe te kennen op het moment dat een handeling niet autonoom kan uitgevoerd worden. Vaak echter is een antwoord niet zonder meer op de bedoelde ‘binaire' manier te geven en ontstaat in de beoordeling het antwoord verstrekkende vanuit: ‘dat hangt af van ...'. Strikt genomen is elke twijfel die aanleiding geeft om een ‘ja' te scoren dus een reden om een ‘neen' in te vullen, wat voorbij gaat aan ‘het kan' maar met moeite'. De scores komen tot stand op basis van de bevraging van de patiënt zelf en/of zijn nabestaanden. Belangrijk voordeel aan de schaal is dat het instrument de beoordelaar in staat stelt om een ‘vertaling' te maken van de zorgbehoefte van de betrokken patiënt naar het aantal uren zorg dat daarvoor dan zou moeten voorzien worden. We kunnen besluiten dat de Elida-schaal een vrij goed instrument is, maar de score toegekend door Dr. C. is mijn inziens veel te laag. Ik zie bvb niet in hoe Mr. B. een lamp kan indraaien op een ladder of stoel staande, het gras kan afrijden, stofzuigen enz. In bijlage kan u onze beoordeling vinden, die op een totale score van 36/100 komt. Nogmaals, dit is geen exacte wetenschap en hier en daar kan ze voor commentaar vatbaar zijn, maar in ieder geval is ze sterk richtinggevend. Het tweede systeem is de '18-punten schaal' (zie hieronder). Het nadeel is dat deze niet rechtstreeks vertaald kan worden naar percenten. ... De totale score bedraagt 11 punten op
- Vertaald naar percenten: rond de 40%. Het derde en laatste systeem is de bepaling van het aantal effectieve hulp per dag en dat delen door 5.
- Dit systeem vindt meer en meer ingang omdat het zo concreet is. Voor uw lid kom ik zo aan: 2/5.26 = 38%. Samenvattend kunnen we dus stellen dat een percentage van rond de 40% vrij correct de nood aan hulp van derden weergeeft voor uw lid." Enerzijds is er derhalve het feit dat volgens de eigen criteria van appellante, er een recht zou zijn op een halftijdse hulp van derden. Dr. C. bevestigt het gegeven dat geïntimeerde - op basis van de criteria van appellante zoals duidelijk vermeld in haar brochure - recht heeft op een halftijdse vergoeding hulp van derden. Anderzijds heeft geïntimeerde, aangezien appellante in casu van oordeel is dat er geen rekening meer moet worden gehouden met de eigen criteria specifiek een medisch advies gevraagd rond de vergoedingen hulp van derden en adviseert vervolgens Dr. V. dat het percentage moet worden bepaald op 40%. Gelet op de voorliggende gegevens in concreto gebruikt het Hof zijn rechtsmacht in deze materie die de openbare orde raakt en oordeelt dat er in casu sprake is van een halftijdse hulp van derden gelet op de nood aan toezicht bij afwezigheid van de werkende echtgenote.
- Bij vonnis van de eerste rechter werden een deel van de medische kosten reeds toegekend, met name een bedrag van 3.589,76 EUR. Geïntimeerde heeft nog bijkomende medische kosten ten bedrage van 362,89 EUR (stuk 13 geïntimeerde) en geïntimeerde stelt dienaangaande incidenteel hoger beroep in en verzoekt appellante te horen veroordelen tot de terugbetaling van het eigen aandeel van de medische kosten, te begroten op 362,89 EUR. Gelet op de voorliggende gegevens en de houding van appellante is het Hof van oordeel dat het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond is en deze vordering dient toegekend te worden. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond en veroordeelt appellante bijkomend tot de betaling van het eigen aandeel in de medische kosten, te begroten op 362,89 EUR. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt van 10 september 2008, gekend onder het A.R. nr. 205/3954 voor het overige. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep. Laat de kosten aan de zijde van beide partijen onvereffend wegens de niet-indiening van een omstandige onkostenstaat. Aldus gewezen door: dhr. J. M., dhr. J. M., dhr. R.U, bijgestaan door dhr. E. N. en uitgesproken door voormelde Voorzitter van de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in buitengewone openbare terechtzitting van negentien december tweeduizend en negen. PDF document ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20091216.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div