← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100108.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100108.11 Rolnummer: 2007/AA/187 Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 21:11 Fiche De aanvullende vergoedingen brugpensioen zijn te beschouwen als sociale voordelen in de zin van artikel 7 van de verordening 1612/

  1. Het uitsluiten van de grensarbeiders van het voordeel van de aanvullende vergoedingen brugpensioen is in het licht van voornoemde verordening niet objectief gerechtvaardigd en niet evenredig met het nagestreefde doel. Bij de berekening van de aanvullende vergoedingen mag geen rekening gehouden worden met de werkloosheidsuitkeringen die de betrokkene heeft genoten in Nederland. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - EUROPEES SOCIAAL RECHT - Verordening EG nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 - Vrij verkeer van werknemers Vrije woorden: internationale verdragen en verordeningen - europese economische gemeenschap - abeidsovereenkomsten - ontslag - brugpensioen - aanvullende vergoedingen Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 1612/68 - 15-10-1968 - 7 - 01 Link Justel databank 19681015-01 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2007/AA/187 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN NV , met maatschappelijke zetel te , appellante, vertegenwoordigd door mr. K. Wille, advocaat te 2930 Brasschaat, tegen : A V D, wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. Van Der Hallen loco mr. S. Gibens, advocaat te 2060 Antwerpen. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 17 januari 2007 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 26 maart 2007, - de conclusie van de heer V.D., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 16 april 2007, - de beschikking d.d. 8 december 2008, - de conclusie van de NV, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 maart 2009, - de conclusie van de heer V.D., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 10 juni 2009, - het advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 3 december 2009, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 16 april 2007 en 13 november
  2. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 25 april 2005, vorderde de heer V.D. te horen zeggen voor recht dat hij met ingang van de maand november 2004 recht heeft op de aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen, op een zelfde wijze als de bruggepensioneerden woonachtig in België. Tevens vorderde de heer V.D. de veroordeling van de NV, hierna genoemd de NV, tot het betalen van 1,00 EUR provisioneel vervallen achterstallen, vermeerderd met de verwijlsintresten vanaf de datum der eisbaarheid, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Ten slotte vorderde de heer V.D. de NV te veroordelen tot afgifte van de sociale bescheiden in verband met bovenvermelde achterstallen zoals loonfiche en individuele rekening. Met conclusie van 20 september 2005 vorderde de NV de vordering van de heer V.D., inzover ontvankelijk en toelaatbaar, zowel principieel als cijfermatig ongegrond te verklaren, hem er volledig van af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van geding. Met vonnis van 17 januari 2007 werd de vordering van de heer V.D. ontvankelijk en gegrond verklaard zoals hierna bepaald: - zegt voor recht dat de heer V.D. met ingang van de maand november 2004 aanspraak maakt op een aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen op een zelfde wijze als een bruggepensioneerden woonachtig in België - veroordeelt de NV tot betaling van de vervallen achterstallen, provisioneel begroot op 1,00 EUR. Er was geen reden om het vonnis uitvoerbaar te verklaren en de NV werd verwezen in de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 10 maart 2009 vordert de NV de oorspronkelijke vordering van de heer V.D. ongegrond te verklaren en hem er van af te wijzen. Ondergeschikt en volledigheidshalve, onverminderd en onverkort mogelijke voorziening in cassatie, indien aan de heer V.D. principieel het recht toegezegd wordt/blijft op een aanvullende werkgeversvergoeding, vordert de NV alsdan voor recht te zeggen dat die aanvullende werkgeversvergoeding dient berekend te worden op de Nederlandse bruto- werkloosheidsuitkering en niet op een theoretische, fictieve of virtuele Belgische werkloosheidsuitkering. Ten slotte vordert de NV de heer V.D. te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Met conclusie van 10 juni 2009 vordert de heer V.D. het hoofdberoep af te wijzen als zijnde toelaatbaar doch ongegrond. De heer V.D. stelt incidenteel beroep in strekkende tot het bekomen van de verwijlintresten en de gerechtelijke intresten en wat betreft de afgifte van de sociale documenten. Dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen en te zeggen voor recht dat de heer V.D. met ingang van de maand november 2004 recht heeft op de aanvullende werkgeversvergoeding brugpensioen, op een zelfde wijze als de bruggepensioneerden woonachtig in België. Tevens vordert de heer V.D. de veroordeling van de NV tot het betalen van 1,00 EUR provisioneel vervallen achterstallen, vermeerderd met de verwijlsintresten vanaf de datum der eisbaarheid, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Ten slotte vordert de heer V.D. de NV te veroordelen tot afgifte van de sociale bescheiden in verband met de toe te kennen achterstallen, zoals loonfiche en individuele rekening. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  3. De feiten De heer V.D., die de Belgische nationaliteit bezit, was als bediende in dienst van de NV en had zijn woonplaats in Domburg, Nederland. Met aangetekende brief van 17 november 2002 betekende de NV opzegging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een termijn van 21 maanden, ingaande op 1 december
  4. Daarin werd meegedeeld dat na het einde van de opzeggingstermijn hij in principe onder het stelsel van de Nederlandse werkloosheid viel. (stuk 1 van de heer V.D.) Met brief van 21 november 2002 deelde de NV aan de heer V.D. het volgende mee: "Addendum bij de brief "Ontslag door de werkgever" dd. 17 november
  5. Geachte Heer V. D., Hierbij bevestigen wij de volgende voorwaarden die in het kader van Uw ontslag van toepassing zijn. Uit het oogpunt van interne rechtmatigheid zullen wij, indien het bruto-bedrag van de Nederlandse werkloosheidsuitkering onder dat van het Belgisch bruto-brugpensioen zou liggen, het verschil bijpassen tot het niveau van het Belgische Brugpensioen. Of u al dan niet recht heeft op een aanvullende vergoeding, zal bepaald worden op het ogenblik dat Uw tewerkstelling eindigt. U dient er wel rekening mee te houden dat de eventuele betaling van deze aanvullende vergoeding slechts zal plaats vinden voor zover u werkloosheidsvergoedingen ontvangt. Volgens onze berekening zou U op datum van 1 september 2002 als Belgisch brugpensioen een bedrag van 1.749,40 EUR ontvangen. Op basis van de Nederlandse werkloosheidswetgeving zou U, volgens onze gegevens, recht hebben op de maximum vergoeding die overeenstemt met 2.255,41 EUR (bruto-maandbedrag loongerelateerde uitkering). Op grond van deze gegevens zal U dus geen aanvullende vergoeding ontvangen. Een berekening op basis van Uw salaris van de maand voor de datum ingang uitdiensttreding, zal U te gepasten tijde schriftelijk meegedeeld worden. Volgens onze interne regelingen komt U in aanmerking voor een afscheidslunch. Gelieve ons te laten weten of U aan de lunch wenst deel te nemen. In bevestigend geval ontvangt U later een uitnodiging per brief. Wij danken U voor de toewijding in de afgelopen jaren en wensen U tenslotte verder nog het allerbeste voor de toekomst. Opgemaakt te Antwerpen op 21 november 2002, in twee exemplaren, waarvan elke partij verklaart één exemplaar te hebben ontvangen. NV de werknemer G. P. B. W. A. V. D. Hoofdafdelingsleider Administratief en Personeelsrelaties Financieel Directeur" (stuk 2 van de heer V.D.) Diezelfde dag sloten partijen een akkoord over de duur van de opzeggingstermijn, die op 21 maanden werd vastgesteld. (stuk 3 van de heer V.D.) Met brief van 26 april 2004 maakte de heer V.D. bezwaar tegen het feit dat hij ontslagen was omdat daarvoor geen reden was opgegeven. (stuk 5 van de heer V.D.) In antwoord daarop verwees de NV naar de CAO 17 volgens de welke het mogelijk is om oudere werknemers te ontslaan, op voorwaarde dat zij worden vervangen door een jonge werknemer. (stuk 6 van de heer V.D.) Met brief van 25 mei 2004 verwees de heer V.D. naar de CAO 17 vicies sexies van 7 oktober 2003, bekrachtigd bij KB van 23 december 2003, die in werking trad op 1 december 2003, en hij deelde aan de NV mee dat de aanvullende vergoeding brugpensioen voor een grensarbeider berekend moest worden op basis van de Belgische wetgeving. (stuk 7 van de heer V.D.) Met brief van 10 juni 2004 deelde de NV mee dat, vermits de betreffende CAO pas in werking was getreden op 1 december 2003 en het ontslag dateerde van november 2002, deze CAO niet van toepassing was. Na verdere uitvoerige briefwisseling tussen partijen en hun respectieve advocaten, bleven partijen bij het door hen ingenomen standpunt. Op 25 april 2005 dagvaardde de heer V.D. de NV voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderde hetgeen hiervoor sub II is vermeld. Met vonnis van 17 januari 2007 verklaarden de eerste rechters de eis van de heer V.D. ontvankelijk en gegrond. Tegen dit vonnis tekende de NV op 26 maart 2007 hoger beroep aan.
  6. De beoordeling 2.
  7. Is de door de werkgever te betalen aanvullende vergoeding brugpensioen een sociaal voordeel in de zin van de EG Verordening 1642/68? Door artikel 1 van de CAO 17 vicies sexies van 7 oktober 2003, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, werd artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, als gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 vicies van 17 december 1997, aangevuld met de volgende alinea's : "In afwijking van de eerste alinea hebben de in artikel 3 bedoelde werknemers die hun hoofdverblijfplaats hebben in een land van de Europese Economische Ruimte, ook recht op een aanvullende vergoeding ten laste van hun laatste werkgever voorzover zij geen werkloosheidsuitkeringen kunnen genieten of kunnen blijven genieten in het kader van de regelgeving inzake conventioneel brugpensioen, alleen omdat zij hun hoofdverblijfplaats niet of niet meer in België hebben in de zin van artikel 66 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en voorzover zij werkloosheidsuitkeringen genieten krachtens de wetgeving van hun woonland. Die vergoeding moet berekend worden alsof die werknemers werkloosheidsuitkeringen genieten op basis van de Belgische wetgeving." Volgens artikel 2 van die CAO treedt die overeenkomst in werking op 1 december 2003 en is ze van toepassing op alle ontslagen die vanaf die datum worden betekend aan de in artikel 1 bedoelde werknemers. Volgens de bijlage gehecht aan die CAO hebben de werkgevers- en werknemersorganisaties het ook nodig geacht de laatste alinea van de commentaar bij artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 als volgt te wijzigen: " (...) De derde alinea van dit artikel voorziet in een recht op de aanvullende vergoeding voor de grensarbeiders die in België tewerkgesteld zijn geweest, op voorwaarde dat zij werkloosheidsuitkeringen genieten krachtens de wetgeving van hun woonland. Op basis van diezelfde alinea kunnen de migrantenwerknemers die in België tewerkgesteld zijn geweest ook hun recht op de aanvullende vergoeding doen gelden op voorwaarde dat zij werkloosheidsuitkeringen genieten krachtens de wetgeving van hun binnen de Europese Economische Ruimte gelegen woonland." Die bepalingen waren op het ontslag van de heer V.D. echter nog niet van toepassing, nu hij werd ontslagen op 17 november 2002, hetzij vóór de inwerkingtreding van voormelde CAO. In deze is de vraag aan de orde of de heer V.D., die in Nederland woont, als gewezen grensarbeider na zijn ontslag ten laste van zijn gewezen werkgever niettemin gerechtigd is op dezelfde aanvullende vergoedingen als een in België wonende werknemer. Volgens het nationale recht kan de heer V.D. geen aanspraak maken op de betaling van die vergoedingen, nu de CAO vicies sexies op hem niet van toepassing is. De heer V.D. beroept zich echter op de EG Verordening 1612/68 om zijn aanspraken op de betaling van aanvullende vergoedingen zoals bedoeld in de CAO nr. 17 ten laste van zijn werkgever te rechtvaardigen. Tussen partijen wordt niet betwist dat de heer V.D. in Nederland na zijn ontslag steeds werkloosheidsuitkeringen heeft ontvangen tot aan de datum waarop hij gepensioneerd werd (1 april 2009) en hij thans dus niet langer bruggepensioneerde is in de zin van voormelde CAO nr.
  8. Het arbeidshof oordeelt als volgt. Volgens de CAO nr. 17 hebben de in artikel 3 bedoelde werknemers, voor zover zij werkloosheidsuitkeringen ontvangen, recht op een aanvullende vergoeding ten laste van hun laatste werkgever, behalve indien de betaalplicht van de werkgever bij een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve overeenkomst aan een fonds voor bestaanszekerheid of aan een andere instantie werd overgedragen. Zij ontvangen deze vergoeding tot op de datum dat zij de leeftijd bereiken waarop hun rustpensioen ingaat. Bovenop hun werkloosheidsuitkering genieten zij dus ten laste van hun gewezen werkgever van een aanvulling op die uitkering. Artikel 7 van Verordening nr. 1612/68 bepaalt: "
  9. Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
  10. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers." De vraag rijst of de door de werkgever te betalen aanvullende vergoedingen brugpensioen te aanzien zijn als "sociale voordelen" in de zin van artikel 7 van de Verordening 1612/
  11. Er moet vooreerst aan worden herinnerd dat de verwijzing naar de "sociale voordelen" in artikel 7, lid 2, van genoemde verordening niet limitatief mag worden uitgelegd. (arrest van 30 september 1975, zaak 32/75, Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085, r.o. 12) Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie zijn onder "sociale voordelen" te verstaan alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere Lid-Staten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken. (arrest van 27 mei 1993, zaak C-310/91, Schmid, Jurispr. 1993, blz. I-3011, r.o. 18; arrest 31 mei 1979, zaak 207/78, Even, Jurispr. blz. 2019, punt 22) Zoals het Hof van Justitie bovendien heeft vastgesteld in het arrest van 21 juni 1988 (zaak 39/86, Lair, Jurispr. 1988, blz. 3161, r.o. 36), worden bepaalde met de hoedanigheid van werknemer samenhangende rechten aan migrerende werknemers ook gewaarborgd indien zij geen arbeidsverhouding meer hebben. Een uitkering als de in geding zijnde, die kan worden toegekend indien een arbeidsverhouding die voorheen bestond is geëindigd, voldoet aan deze voorwaarden. Het recht op de uitkering is immers onlosmakelijk verbonden met de objectieve hoedanigheid van werknemer van de uitkeringsgerechtigden. De aanvullende vergoedingen brugpensioen zijn naar het oordeel van het arbeidshof wel degelijk te aanzien als "sociale voordelen" in de zin van artikel 7 van de Verordening 1612/
  12. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie verbiedt het in artikel 48 EG-Verdrag zowel als het in artikel 7 van verordening nr. 1612/68 neergelegde beginsel van gelijke behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (arrest van 27 november 1996, zaak C-57/96, Meintz, Jurispr. 1997, I-06689, r.o. 44; arrest van 23 mei 1996, zaak C-237/94, O'Flynn, Jurispr. 1996, blz. I-2617, r.o. 17). Tenzij zij objectief gerechtvaardigd is en evenredig aan het nagestreefde doel, moet een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend worden beschouwd, wanneer zij naar haar aard migrerende werknemers eerder kan treffen dan nationale werknemers en derhalve meer in het bijzonder migrerende werknemers dreigt te benadelen (arrest Meintz, reeds aangehaald, r.o. 45; arrest O'Flynn, reeds aangehaald, r.o. 20). Om na te gaan of een eventuele discriminatie objectief gerechtvaardigd is en evenredig met het nagestreefde doel, is in deze de door de NV aangevoerde omstandigheid dat de Nederlandse werkloosheidsuitkering hoger is dan het Belgisch brugpensioen niet relevant, nu de eventuele discriminatie enkel moet worden beoordeeld vanuit het ontberen van een aanvullende vergoeding brugpensioen. Dat is immers het sociaal voordeel in de zin van artikel 7 van de Verordening 1612/
  13. De daadwerkelijk in Nederland genoten werkloosheidsuitkeringen mogen daarbij niet betrokken worden. De aanvullende vergoeding brugpensioen toegekend op grond van de CAO nr. 17 gesloten in de Nationale Arbeidsraad van 19 december 1974 is in die zin discriminerend dat de in België wonende bruggepensioneerden ten laste van hun werkgever aanspraak kunnen maken op de betaling van een aanvullende vergoeding, terwijl de in Nederland wonende bruggepensioneerden van dit voordeel verstoken blijven. Het zet bovendien de werkgevers aan om ingeval van ontslag eerder de in andere Lidstaten wonende werknemers te ontslaan dan de in België wonende werknemers die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, wat het vrij verkeer van werknemers in de Gemeenschap beperkt. Het arbeidshof stelt vast dat het uitsluiten van grensarbeiders van het voordeel van de aanvullende vergoedingen brugpensioen in het licht van de Verordening 1612/68 niet objectief gerechtvaardigd is en evenredig is met het nagestreefde doel. Vermits de Verordening directe werking heeft en onmiddellijk en rechtstreeks bindend is zonder dat een tussenkomst van de overheid vereist is, en deze reeds lang in voege was nog vóór de heer V.D. ontslagen werd, kan hij aanspraak maken op aanvullende vergoedingen brugpensioen. Bij de berekening van de aanvullende vergoedingen mag geen rekening gehouden worden met de daadwerkelijk door de heer V.D. in Nederland genoten werkloosheidsuitkeringen. Op het vlak van werkloosheid hebben België en Nederland immers een fundamenteel verschillend en niet vergelijkbaar regime met een van elkaar afwijkende sociale bescherming. Zoals terecht wordt opgemerkt door het openbaar ministerie dient de berekening van de door de NV verschuldigde aanvullende vergoedingen brugpensioen te gebeuren alsof de heer V.D. op grond van de Belgische wetgeving werkloosheidsuitkeringen zou genieten. Het hoger beroep is voor wat dit onderdeel betreft ongegrond. 2.
  14. het incidenteel hoger beroep Met conclusie van 16 april 2007 heeft de heer V.D. incidenteel hoger beroep ingesteld, voor wat de vordering strekkend tot betaling van de gevorderde intresten en de sociale documenten betreft, waarover de eerste rechters geen uitspraak hebben gedaan. 2.2.
  15. de intresten Intrest is verschuldigd op de door de NV verschuldigde aanvullende vergoedingen brugpensioen vanaf het tijdstip van hun opeisbaarheid. 2.2.
  16. de sociale documenten De NV is tevens gehouden tot betaling van een loonfiche en een individuele rekening overeenstemmend met de achterstallige aanvullende vergoedingen brugpensioen. 2.
  17. de rechtsplegingsvergoeding Op de openbare terechtzitting van 13 november 2009 verklaren partijen dat zij in toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek een rechtsplegingsvergoeding vorderen van euro 1.200,
  18. BESLISSING De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Gelet op het advies van P. V D B neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 3 december
  19. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ontvankelijk. Het vonnis van 17 januari 2007 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen wordt bevestigd. Het incidenteel hoger beroep is als volgt gegrond: - de NV wordt veroordeeld om aan de heer V.D. verwijlintrest te betalen op de vervallen achterstallen vanaf het tijdstip opeisbaarheid ervan en met de gerechtelijke intrest. - de NV wordt veroordeeld tot afgifte aan de heer V.D. van een loonfiche en een individuele rekening met betrekking tot de achterstallige vergoedingen brugpensioen. De NV wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep die als volgt worden vereffend: - voor de NV begroot op: 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor de heer V.D. begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer R. BRUYNSERAEDE, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 januari 2010 door de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100108.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.