id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100112.12 Rolnummer: 2009-0096 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-12-09 Raadplegingen: 277 - laatst gezien 2026-07-02 21:12 Fiches 1 - 3 Het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding van de werknemer wordt geacht definitief te zijn verworven op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging van de werknemer. De werknemer die overlijdt tijdens de duur van een ontoereikende opzeggingstermijn heeft geen handeling gesteld waarvan hij 'door zijn toedoen' het eerder in zijn hoofd ontstane recht op de vergoeding die de ontoereikende duur van de aangezegde opzeggingstermijn compenseert, zou verliezen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Andere wijzen van beëindiging Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de overeenkomst - dood van de werknemer - II AAN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32, 4° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden Vrije woorden: Arbeidsovereenkomst - bedienden - einde van de overeenkomst - opzeggingstermijn - II CN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT SOCIAAL RECHT - ARBEID Vrije woorden: Arbeidsreglementering - bescherming van het loon - wettelijke interesten - arbeidsrecht - arbeidsovereenkomst - III H Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 32, 4°, II CN - artikel 82, § 3 en onder III H - artikel
- Annotaties Publicaties: Limb. Rechtsl. 2010 - S. Renette en Van Gompel-Renette : Het overlijden van de werknemer doet het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding niet teniet. - 120-130 Limb. Rechtsl. 2010 - S. Renette en Van Gompem-Renette : Het overlijden van de werknemer doet het recht op aanvullende opzeggingsvergoeding niet teniet. - blz. 120-130 Limb. Rechtl. 2010 - S. Renette en Van Gompel-Renette : Het overlijden van de werknemer doet het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding niet teniet. - 120-130 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2090096 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN. In de zaak: V. I. NV, appellante, verschijnend bij mr. DE LEPELAIRE loco mr. PLESSERS L., advocaat te Turnhout, tegen : S. S., geïntimeerde, in haar hoedanigheid van wettige erfgenaam van de heer J.J. S. en vertegenwoordigd door mr. BERGHS H., advocaat te Zonhoven. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 8 december
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 mei 2009 en 8 december
- I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 9 januari 2009 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 24 maart 2009; - de conclusies van appellante ontvangen ter griffie op 20 mei 2009; - de beschikking d.d. 2 juni 2009 overeenkomstig artikel 747 §2 Ger.W.; - de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 11 augustus 2009; - de conclusies van appellante ontvangen ter griffie op 30 september 2009; - de syntheseconclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 20 oktober 2009; - de conclusies van appellante ontvangen ter griffie op 30 oktober 2009; II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP EN HET INCIDENTEEL BEROEP Met een verzoekschrift, op 24 maart 2009 ontvangen ter griffie van dit hof, tekende appellante hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R. 207/1681) van 9 januari 2009 van de arbeidsrechtbank te Hasselt. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
- Wijlen de heer J.J. (JJ.) S. was sedert 1971 als bediende-handelsvertegenwoordiger tewerkgesteld bij appellante NV V. I. (hierna aangeduid als NV V.). Een schriftelijke arbeidsovereenkomst werd niet bijgebracht.
- Met een aangetekende opzeggingsbrief deelde NV V. aan J.J. S. mee dat zij "ontslag door opzegging" gaf, daaraan toevoegend dat de opzeggingstermijn op 21 maanden werd vastgesteld en dat deze termijn aanving op 1 november 2004 (stuk 1 geïntimeerde).
- Klaarblijkelijk werd de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de looptijd van de opzeggingstermijn herhaaldelijk geschorst wegens arbeidsongeschiktheid van J.J. S..
- Op 28 december 2006, zijnde tijdens de looptijd van de opzeggingstermijn, overleed J.J. S..
- Op 8 mei 2007 richtte de Belgische Federatie van Handelsvertegenwoordigers VZW namens de dochter/erfgename van J.J. S., S. S., huidige geïntimeerde, een brief aan NV V. waarbij een aantal betalingen werden gevraagd uit hoofde van de voordien tussen wijlen J.J. S. en NV V. bestaande arbeidsovereenkomst : baremaloontekorten (24.400,72 EUR) + vakantiegeld (3.743,07 EUR) hierop, en een opzeggingsvergoeding van 11 maanden (28.978,51 EUR) (stuk 2 geïntimeerde). Blijkbaar reageerde NV V. niet.
- Op 13 augustus 2007 ging geïntimeerde over tot dagvaarding van appellante bij de arbeidsrechtbank van Hasselt, erop gericht om appellante te horen veroordelen tot de betaling van : - een bedrag van 57.122,30 EUR; - de wettelijke en de gerechtelijke intresten; - de kosten van het geding. Tevens werd de uitvoerbaarheid bij voorraad van het uit te spreken vonnis gevorderd. Het in hoofdsom gevorderde bedrag van 57.122,30 EUR omvat de volgende posten: - een bedrag van 24.400,72 EUR aan niet betaald loon van januari 2001 t.e.m. december 2006; - een bedrag van 3.743,07 EUR aan vakantiegeld einde dienst; - een bedrag van 28.978,51 EUR aan aanvullende verbrekingsvergoeding. Via conclusies d.d. 12 augustus 2008 breidde geïntimeerde haar oorspronkelijke vordering uit tot een bedrag van 57.855,37 EUR, bestaande uit: - een bedrag van 25.036,29 EUR aan niet betaald loon van januari 2001 t.e.m. december 2006; - een bedrag van 3.840,57 EUR aan vakantiegeld einde dienst; - een bedrag van 28.978,51 EUR aan aanvullende verbrekingsvergoeding. Bij vonnis van 9 januari 2009 van de arbeidsrechtbank van Hasselt werd: - de vordering ontvankelijk en reeds gedeeltelijk gegrond verklaard; - appellante veroordeeld tot betaling van een bedrag van 28.978,51 EUR ten titel van aanvullende opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten op het netto bedrag; - gezegd voor recht dat op het toegekende bruto bedrag de sociale en fiscale inhoudingen dienden te geschieden overeenkomstig de wettelijke bepalingen; - de heropening der debatten bevolen teneinde partijen tot te laten standpunt in te nemen m.b.t. de afrekening (inzake achterstallig loon en vakantiegeld hierop).
- Tegen dit vonnis van de arbeidsrechtbank van Hasselt stelde appellante hoger beroep in bij dit hof. IV. EISEN IN HOGER BEROEP
- Appellante vordert om: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te vernietigen in zoverre het recht heeft gedaan over de aanvullende compensatoire opzeggingsvergoeding en opnieuw recht te doen; - de vordering van geïntimeerde m.b.t. de aanvullende compensatoire opzeggingsvergoeding ongegrond te verklaren; - de vordering van geïntimeerde m.b.t. de barematekorten ongegrond te verklaren, minstens de vordering te herleiden tot een bedrag van 12.008,80 EUR, bedrag te vermeerderen met het vertrekvakantiegeld; - te horen zeggen dat t.e.m. juni 2005 er slecht intresten verschuldigd zijn op de nettobedragen; - te horen zeggen voor recht dat de loonachterstallen vanaf 1 juli 2005, te weten het bedrag van 789,53 EUR en het bedrag van 1.610,20 EUR rente zullen dragen tegen de wettelijke rentevoet op de brutobedragen; - geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
- Geïntimeerde verzoekt om: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - akte te verlenen aan de eisherleiding van geïntimeerde aangaande het achterstallig baremaloon tot een bedrag van 12.008,80 EUR in hoofdsom; - de vordering aangaande het achterstallig baremaloon ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis verder te bevestigen in zoverre er aan geïntimeerde een aanvullende opzeggingsvergoeding van 28.978,51 EUR bruto werd toegekend; - het incidenteel beroep van geïntimeerde aangaande de intresten op hoger vermelde bedragen ontvankelijk en gegrond te verklaren; - te horen zeggen voor recht dat op beide hoger vermelde bedragen de wettelijke en gerechtelijke intresten verschuldigd zijn op de bruto sommen; - appellante te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. V. BEOORDELING V.a. Loonachterstallen
- Als zodanig staat het thans niet (meer) ter betwisting dat J.J. S. te weinig loon ontvangen had vanwege NV V.. De arbeidsrechtbank had in het bestreden vonnis van 9 januari 2009 geoordeeld dat de zaak, wat dit aspect betreft, niet in staat van wijzen was en dat er op het vlak van de afrekening nog duidelijkheid moest worden verstrekt (in het kader waarvan de rechtbank dan een heropening der debatten beval). Het hof stelt thans vast dat NV V. een gedetailleerde afrekening inzake de loontekorten heeft gemaakt over de periode van 2001 t/m 2006, hetgeen dan een globaal resultaat oplevert van 12.008,80 EUR aan loontekort (stukken 2 appellante). Uit bedoelde detail-afrekening blijkt onmiskenbaar dat NV V. inderdaad te weinig loon heeft uitbetaald aan J.J. S..
- Anders dan door NV V. werd ingeroepen, is de desbetreffende vordering van S. S. niet verjaard. Nadat NV V. in de procedure in eerste aanleg dit middel heeft ingeroepen, heeft S. S. aangevoerd dat, voor zoveel als nodig, bedoelde vordering op een delictuele grondslag is gesteund. Nu deze vordering niet werd ingesteld op contractuele basis, is niet de toepassing van de burgerrechtelijke verjaringstermijn (artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978) aan de orde, maar wel die van de 'delictuele' verjaringstermijn van artikel 26 Voorafgaande Titel Sv. Het niet betalen van het voorgeschreven loon kan een misdrijf uitmaken, gezien de bepalingen van artikel 42,1( van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 (cf. eveneens artikel 56 van de C.A.O.-wet van 5 december 1968) (vgl. Cass. 28 juni 1982, R.W. 1982-83, 1717). Het materiële element van het aan NV V. verweten misdrijf slaat op het niet correct uitbetalen van het verschuldigde loon aan de betrokken werknemer. Het hof verwijst hier op dienende wijze, en zonder dat zulks herhaling behoeft, naar hetgeen hij daaromtrent hoger reeds heeft gesteld : er is inderdaad sprake van te weinig uitbetaald loon en het is afdoende gebleken dat J.J. S. tijdens zijn tewerkstelling bij NV V. niet volledige correct verloond werd (zie hoger, sub V.a.1.). Het materiële element van het aan NV V. verweten misdrijf staat derhalve vast. Naar het oordeel van de hof is hier ook het bestaan van het morele bestanddeel van het misdrijf gebleken. Bij de inbreuken, strafbaar gesteld door de Loonbeschermingswet, waarvan in de omschrijving ervan in de wet geen melding wordt gemaakt van enig opzet of van onachtzaamheid, bestaat het morele bestanddeel uit de volwaardige wil de materiële handeling of nalatigheid te stellen. Bij dergelijke misdrijven wordt het bewijs van het moreel bestanddeel beheerst door de techniek van het weerlegbaar vermoeden. Dit vermoeden bestaat concreet uit het afleiden van het moreel bestanddeel uit het bestaan van het materiële bestanddeel, en kan door de pleger ervan worden weerlegd door eventuele rechtvaardigingsgronden (vgl. conclusie adv.-gen. Du Jardin bij Cass. 12 mei 1987, R.W. 1987-88, 538 e.v. ; Arbh. Antwerpen, 22 februari 1990, Soc. Kron. 1990, 254 ; Arbh. Antwerpen 10 december 1992, J.T.T. 1994, 411; Arbh. Antwerpen 21 april 1995, J.T.T. 1996, 101 ; Arbh. Antwerpen 23 april 2003, Soc. Kron 2004, 76). Van zodra de door de wet strafbaar gestelde handeling wordt gepleegd, is de dader door het feit van het plegen zelf ervan in fout en heeft bijgevolg schuld, tenzij hij zich zou kunnen beroepen op een rechtvaardigingsgrond. Het kwam hier aan NV V., zijnde de pleger van de materiële inbreuk (zie hiervoren) toe een omstandigheid of rechtvaardiging in te roepen die haar fout zou uitsluiten en die aldus het gecreëerde vermoeden zou weerleggen. NV V. heeft echter geen dienende elementen ingeroepen, laat staan bewezen, die als rechtvaardigingsgrond kunnen worden beschouwd. Het morele bestanddeel van de inbreuken is bijgevolg eveneens verwezenlijkt. Nu zowel het bestaan van het materiële als morele element van het aan NV V. verweten misdrijf gebleken is, dient inzake de verjaringstermijn toepassing te worden gemaakt van artikel 26 Voorafgaande Titel Sv. Artikel 26 Voorafgaande Titel Sv. bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade, zonder dat ze echter kan verjaren vóór de strafvordering. Rekening houdend met de bepalingen van artikel 2262bis B.W. bedraagt de toepasselijke verjaringstermijn alsdan 5 jaren, vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade (-/-). Terzake dient daarbij eveneens rekening te worden gehouden met de aard van het misdrijf. Er is hier naar het oordeel van het hof sprake van een voortgezet misdrijf. Met voortgezet misdrijf wordt gerefereerd aan een door de jurisprudentie ontwikkeld begrip, doelend op een misdrijf dat bestaat uit verschillende strafbare gedragingen die elk op zich een misdrijf uitmaken (door een aflopend of voortdurend misdrijf), maar die samen worden geacht één misdrijf te vormen omdat zij de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet (vgl. VAN DEN WYNGAERT, C., "Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen", Antwerpen, Maklu, 1994, p. 172 ; Spriet, B., noot bij: Cass. 1 maart 1994, R.W., 1994- 95, 467). Dergelijk opzet wordt in hoofde van NV V. afdoende bewezen geacht. In geval van een voortgezet misdrijf begint de verjaring van de burgerlijke vordering voor alle feiten samen pas te lopen wanneer de verjaring begint te lopen voor de vordering die uit het laatste feit voortspruit ; stuiting van deze verjaring geldt dan voor alle feiten die samen het voortgezet misdrijf uitmaken. Bij voortgezette misdrijven is het vertrekpunt van de toepasselijke 5-jarige verjaringstermijn de datum waarop het laatste feit gepleegd werd en dit ongeacht de datum waarop de vorige feiten werden gepleegd, op voorwaarde nochtans dat de tijdspanne tussen de opeenvolgende feiten niet meer bedraagt dan de duur van de wettelijke verjaringstermijn (cf. Cass. 17 juni 1987, Arr. Cass. 1986-87, p. 1437 ; Cass. 23 mei 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1212). Voor de bepaling van de datum van het laatste feit moet worden nagegaan welk het laatste tijdstip is dat NV V. nagelaten heeft om het verschuldigde te betalen. Deze datum kan op 28 december 2006 worden bepaald, zijnde de datum van effectieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en tevens de laatste keer dat er onvolledig loon uitbetaald werd. Op het ogenblik dat S. S. de delictuele grondslag van haar vordering aanvoerde, hetgeen gebeurde middels besluiten die op 12 augustus 2008 bij de griffie van de arbeidsrechtbank werden neergelegd, waren er nog geen 5 jaren verstreken, te rekenen vanaf het laatst gepleegde feit van 28 december
- Het laatst gepleegde feit is dus niet verjaard, en dit geldt dan tevens voor alle strafbare feiten die samen het voortgezette misdrijf uitmaken. Rekening houdend met de voorgaande overwegingen komt het hof tot de beoordeling dat de door S. S. ingestelde vordering inzake het bekomen van loontekort (en/of het equivalent hiervan) niet verjaard is, en dat deze wel degelijk ontvankelijk is. De andersluidende argumentatie van NV V. faalt en wordt verworpen.
- In haar syntheseberoepsbesluiten heeft S. S. in het 'overwegende gedeelte' ervan gesteld (blz. 7) : "-/- om kort proces te maken omtrent de berekeningen als dusdanig, aanvaardt concluante dit bedrag als achterstallig baremaloontekort over de betreffende jaren en herleidt zij haar vordering op dit punt tot dit bedrag van 12.008,80 in hoofdsom". In het 'beschikkende gedeelte' van haar syntheseberoepsconclusies heeft appellante zulks bevestigd, en werd voorts bevestiging van het vonnis gevraagd inzake de aanvullende opzeggingsvergoeding. In het licht van de dienaangaande door partijen kenbaar gemaakte stellingname, is het hof van oordeel dat de vordering van S. S., slaande op de baremaloontekorten, gegrond is ten belope van 12.008,80 EUR in hoofdsom.
- Het hof stelt vast dat S. S. in haar syntheseberoepsconclusies op geen enkele wijze nog melding heeft gemaakt van eventueel vakantiegeld (bij uitdiensttreding). Nu zijzelf verwees naar het in de initiële dagvaarding vervat liggende bedrag aan "baremaloontekorten" ten belope van (aanvankelijk) globaal 28.143,79 EUR, en nu kan worden vastgesteld dat hierin het vakantiegeld bij uitdiensttreding vervat lag, is de logische conclusie dat S. S. met de vermelding dat zij 'haar vordering op dit punt tot het bedrag van 12.008,80 EUR herleidt, zich akkoord heeft verklaard met een globaal bedrag waarin wellicht ook haar initiële vordering inzake vakantiegeld (bij uitdiensttreding) vervat ligt. Nu S. S. geen aparte vordering inzake eventueel vakantiegeld bij uitdiensttreding meer heeft kenbaar gemaakt in haar syntheseberoepsbesluiten, kan uiteraard dienaangaande door het hof niets worden weerhouden (cf. artikelen 748bis en 780, lid 1, 3( Ger.W.). Het hof mag namelijk niet 'ultra petita' statueren, en kan niet toekennen hetgeen niet (meer) wordt gevorderd.
- De intresten zijn in toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, zoals gewijzigd door artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, van toepassing op het brutoloon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005 (cf. het K.B. van 3 juli 2005, bekrachtigd door artikel 69 van Hoofdstuk III, afdeling 3 van de Wet houdende diverse bepalingen van 8 juni 2008). Voor achterstallig loon waarvan hier het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005 zijn slechts intresten aanrekenbaar op het netto bedrag dat overblijft nadat op de brutobedragen van bedoelde loonachterstallen de eventueel verschuldigde wettelijke inhoudingen (SZ + fiscus) werden uitgevoerd. Voor achterstallig loon waarvan hier het recht op betaling is ontstaan na 1 juli 2005 zijn intresten aanrekenbaar op het brutobedrag. V.b. Opzeggingsvergoeding
- S. S. stelt dat wijlen haar vader J.J. S. n.a.l.v. de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd was op een opzeggingstermijn van 32 maanden, daar waar er hem slechts 21 maanden werden toegekend, zodat er nog een tekort is van 11 maanden. S. S. vordert een vergoeding, overeenstemmend met deze 11 maanden, en voert in dit verband aan dat het recht op deze aanvullende opzeggingsvergoeding verworven was op het ogenblik van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, en zonder dat zulks beïnvloed werd door het gegeven dat de arbeidsovereenkomst nadien beëindigd werd ingevolge het overlijden van J.J. S.. NV V. van haar kant bestrijdt deze visie van S. S.. NV V. stelt vooreerst dat er tussen haar en J.J. S. een akkoord was bereikt om de opzeggingstermijn op 21 maanden te bepalen. Wanneer dit standpunt niet zou worden gevolgd door dit hof, dan meent NV V. dat de door haar toegepaste opzeggingstermijn van 21 maanden in de gegeven omstandigheden meer dan voldoende was. En in de veronderstelling dat de opzeggingstermijn van 21 maanden te kort zou worden bevonden, is NV V. de mening toegedaan dat de rechten van wijlen J.J. S. op een opzeggingsvergoeding uitgedoofd zijn ; wanneer de lopende arbeidsovereenkomst wordt beëindigd tijdens de opzeggingstermijn op een andere regelmatige arbeidsrechtelijke wijze, dan kan er volgens NV V. geen aanvullende opzeggingsvergoeding meer worden toegekend.
- Het hof is van oordeel dat de daaromtrent door S. S. ingestelde vordering gegrond kan worden verklaard, en licht deze beoordeling hierna verder toe.
- Rekening houdend met de hoogte van het loon waarop J.J. S. gerechtigd was, was hij te beschouwen als een 'hogere bediende', waarop, inzake de determinatie van de toepasselijke opzeggingstermijn, de bepalingen van artikel 82, § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing waren/zijn. In toepassing van artikel 82, § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt desgevallend de in acht te nemen opzeggingstermijn vastgesteld bij overeenkomst tussen partijen, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven. NV V. beroept zich, tegen de ontkenning daarvan door S. S. in, op het bestaan van een beweerdelijk tussen haar en J.J. S. aangegaan akkoord waarbij een opzeggingstermijn van 21 maanden zou zijn overeengekomen. In het kader van de gemeenrechtelijke regels inzake bewijsvoering (cf. artikel 870 Ger.W. ; art. 1315 B.W. ; 'actori incumbit probatio') kwam het aan NV V. toe om haar desbetreffende beweringen te bewijzen. Dergelijk concreet bewijs is niet voorhanden, en evenmin werd dienaangaande door NV V. een bewijsaanbod geformuleerd. Bij gebrek aan bewijs kan het standpunt van NV V., dat er sprake was van een tussen haar en JJ. S. overeengekomen akkoord inzake een opzeggingstermijn van 21 maanden, niet worden bijgetreden.
- Bij gebrek aan een akkoord tussen partijen komt het in toepassing van artikel 82, § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet aan 'de rechter' (concreet : het arbeidsgerecht) toe om de opzeggingstermijn te bepalen. Conform een constante cassatierechtspraak die door dit hof wordt bijgetreden, wordt deze opzeggingstermijn bepaald, rekening houdend met de mogelijkheid voor de bediende om op het tijdstip van de opzegging een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op de anciënniteit, de leeftijd, het belang van de functie en het bedrag van het loon van betrokkene, naar gelang de elementen eigen aan de zaak (vgl. Cass. 8 september 1980, Arr.Cass. 1981, 16 ; Cass. 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58 ; Cass. 4 februari 1991, R.W. 1990-91, 1407 ; Cass. 9 mei 1994, R.W. 1994-95, 1163 ; Cass. 2 december 2002, nr. S020060N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7, www.juridat.be). Mits toekenning van de juiste waarde aan elk der parameters, in functie van de elementen eigen aan de zaak, diende volgens het hof, gezien de anciënniteit van de betrokken werknemer van 33 jaar en 1 maand (in dienst op 27 september 1971), zijn leeftijd van 55 jaar en 10 maanden (geboren op 23 december 1948), zijn functie van handelsvertegenwoordiger, en het in aanmerking te nemen brutojaarloon van 30.173 EUR, op het ogenblik van de opzegging (26 oktober 2004) normalerwijze rekening te worden gehouden met een (theoretische) opzeggingstermijn van 32 maanden. NV V. heeft gesteld dat er hier in het gedrag van de werknemer factoren te onderkennen waren - er wordt met name gerefereerd aan een alsmaar toenemend alcoholprobleem - waarmee terzake bij het bepalen van de opzeggingstermijn rekening zou moeten worden gehouden. De rechter kan bij de bepaling van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn rekening houden met de gegevens of "elementen eigen aan de zaak", in zoverre het gegevens betreft die, op het ogenblik van het ontslag, de kans van de werknemer om een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden (wezenlijk) beïnvloeden (vgl. Cass. 6 november 1989, J.T.T. 1989, 482 ; Cass. 3 februari 2003, www.juridat.be). Een mogelijk alcoholprobleem van de werknemer, waarvan het bestaan overigens niet werd aangetoond, is niet in aanmerking te nemen als een zodanig gegeven. De door NV V. aangevoerde andersluidende argumentatie is bijgevolg niet van aard de beoordeling van het hof m.b.t. de in aanmerking te nemen duurtijd van de opzeggingstermijn te beïnvloeden, en ze wordt verworpen.
- Vraag is of S. S. aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met het loon van wijlen J.J. S. voor een periode van 11 maanden, zijnde het verschil tussen enerzijds de normalerwijze in aanmerking te nemen opzeggingstermijn van 32 maanden en anderzijds de door de NV V. aangezegde opzeggingstermijn van 21 maanden. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding van de werknemer wordt immers geacht definitief te zijn verworven op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever (vgl. Cass. 19 september 1973, R.W. 1973-74, 2295 ; Cass. 4 juni 1975, T.S.R. 1975, 372 ; Cass. 3 mei 1982, J.T.T. 1984, 202 ; Cass. 6 november 1989, R.W. 1989-9O, 885 ; Cass. 14 april 2003, J.T.T. 2003, 357 ; Cass. 26 februari 2007, J.T.T. 2007, 239). Dit recht is geen virtueel of voorwaardelijk recht, maar wel een recht dat onmiddellijk opeisbaar is, zelfs al blijft de arbeidsovereenkomst in beginsel tot het verstrijken van de te korte opzeggingstermijn voortbestaan (vgl. VOTQUENNE D., "Het recht op de aanvullende opzeggingsvergoeding : de aarzelingen van het Hof van Cassatie", J.T.T. 2009, 225). Waar hem door NV V. een te korte opzeggingstermijn van 21 maanden werd aangezegd op de datum van 26 oktober 2004, is te dezen het recht van de werknemer op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 11 maanden loon ontstaan op dezelfde datum, 26 oktober
- Het gegeven dat de arbeidsovereenkomst ingevolge het overlijden van J.J. S. een einde heeft genomen op 28 december 2006 doet daaraan geen enkele afbreuk. De beëindiging van de lopende arbeidsovereenkomst tijdens de aangezegde opzeggingstermijn vloeit voort uit de toepassing van artikel 32, 4( van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het is echter geen element dat van aard is om het eerder ontstane en alsdan eisbaar geworden recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding, en het daarmee samenhangende vorderingsrecht van de erfgenaam van de overleden werknemer, aan te tasten. De verwijzing van NV V. naar twee cassatie-arresten (van 26 februari 2007 en van 5 januari 2009) is niet van aard om het hof thans tot andere inzichten aan te zetten. In beide cassatie-arresten gaat het om duidelijk andere feiten die aan de grondslag ervan liggen. Het ging specifiek om zaken waarbij de werknemer zich tijdens de lopende opzeggingstermijn schuldig maakte aan een ernstige tekortkoming die aanleiding gaf tot een door de werkgever gegeven ontslag om dringende reden. In het licht van die gegevens oordeelde het Hof van Cassatie dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding, ontstaan vanaf de kennisgeving van een voordien aangezegde te korte opzeggingstermijn, geen bestaansreden meer heeft indien de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt ten gevolge van de opzegging gegeven met een ontoereikende opzeggingstermijn, maar wel van een later door de werkgever terecht gegeven ontslag om dringende reden (Cass. 26 februari 2007, J.T.T. 2007, 239 ; Cass. 5 januari 2009, J.T.T. 2009, 228). Het Hof van Cassatie voegde daaraan de volgende overweging toe (arrest van 5 januari 2009) : "de werknemer die zich gedurende de in acht genomen opzeggingstermijn schuldig maakt aan een ernstige tekortkoming die zijn ontslag om dringende reden rechtvaardigt, verliest door zijn toedoen het recht op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn compenseert". Dergelijke situatie van een terecht aan de werknemer gegeven ontslag om dringende reden, waarbij de eigenlijke reden van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dus aan een foutieve gedraging van de werknemer toeschrijfbaar is en waar de werknemer dientengevolge 'door eigen toedoen' het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding verliest, is duidelijk te onderscheiden van onderhavige zaak, alwaar er sprake is van het overlijden van de werknemer als oorzaak van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, doch niet van een aan de werknemer toeschrijfbare schuldige of foutieve gedraging ten gevolge waarvan de arbeidsovereenkomst zou zijn beëindigd. De werknemer heeft hier geenszins een handeling gesteld ten gevolge waarvan hij 'door zijn toedoen' het eerder in zijnen hoofde ontstane recht op de vergoeding die de ontoereikende duur van de aangezegde opzeggingstermijn compenseert, zou verliezen. Gelet op de duidelijk andere feitelijke gegevens die aan de grondslag van bedoelde cassatie-arresten lagen en die duidelijk afwijken van onderhavige zaak, onderkent het hof te dezen geen valabele redenen om hier dezelfde toepassing te overwegen als door het Hof van Cassatie in bedoelde arresten werd vooropgesteld. Een toepassing 'per analogie' moet hier m.a.w. niet worden overwogen, nu dergelijke analogie niet voorhanden is. De andersluidende argumentatie van NV V. faalt en wordt verworpen. Verwijzend naar het voorgaande, komt het hof tot de bevinding dat de vordering van S. S. in haar hoedanigheid van wettelijke erfgename van J.J. S., gericht op het honoreren van het in hoofde van J.J. S. op 26 oktober 2004 ontstane recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 11 maanden loon, gegrond moet worden verklaard. Op het vlak van de cijfermatige begroting van deze vordering werd er geen discussie gevoerd, en de door S. S. toegepaste begroting (28.978,51 EUR in hoofdsom) kan worden aanvaard. Het vonnis a quo, waarbij er in dezelfde zin uitspraak werd verleend, wordt door het hof bevestigd.
- Inzake de toepasselijke intresten op de aanvullende opzeggingsvergoeding merkt het hof het navolgende op. Zoals hoger door het hof reeds werd gesteld (zie hoger, sub V.a.5), zijn er wettelijke intresten aanrekenbaar op de brutobedragen aan 'loon' (waaronder de opzeggingsvergoeding gerekend wordt) waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli
- De wettelijke intrest op de aanvullende opzeggingsvergoeding is verschuldigd vanaf de kennisgeving van de opzegging (vgl. Cass. 1 april 1985, J.T.T. 1985, 325). Dit ogenblik is hier op 26 oktober 2004 te situeren. Nu de datum van het ontstaan van het recht te situeren is vóór 1 juli 2005, zijn de intresten niet toekenbaar op het brutobedrag. De intresten zijn enkel toerekenbaar op het netto bedrag dat overblijft nadat op het hiervoren vermelde bruto-bedrag aan aanvullende opzeggingsvergoeding de eventueel verschuldigde wettelijke inhoudingen werden uitgevoerd. Het daaromtrent door S. S. tegen het vonnis a quo ingestelde incidenteel beroep is bijgevolg ongegrond. In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing. O P D I E G R O N D E N, Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het door NV V. I. ingestelde hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het door S. S. ingestelde incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt van 9 januari
- In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep verder ten gronde recht doend over het gedeelte waarover door de arbeidsrechtbank in het bestreden vonnis nog geen einduitspraak werd verleend. Veroordeelt NV V. I. tot de betaling aan S. S. van een bedrag van 12.008,80 EUR ten titel van achterstallig loon dat NV V. I. nog aan wijlen J.J. S. verschuldigd was, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de respectieve data van eisbaarheid, met dien verstande dat voor het achterstallig loon waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005 intresten aanrekenbaar op de nettobedragen die overblijven nadat op de brutobedragen van bedoelde loonachterstallen de eventueel verschuldigde wettelijke inhoudingen werden uitgevoerd, en met dien verstande dat voor het achterstallig loon waarvan het recht op betaling is ontstaan na 1 juli 2005 intresten aanrekenbaar zijn op de brutobedragen. Wijst partijen af van het meer of anders gevorderde. Veroordeelt NV V. I. in toepassing van artikel 1017, lid 1 Ger.W. tot de gerechtskosten van beide aanleggen. Vereffent deze aan de zijde van NV V. I., zoals door haar begroot, op 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 149,68 EUR dagvaardingskosten, 2.500 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 2.500 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw N. VANHEES, griffier, en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in de openbare terechtzitting van twaalf januari tweeduizend en tien. PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100112.12 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div