id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100125.6 Rolnummer: 2006/AA/401 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 628 - laatst gezien 2026-07-02 21:17 Fiche Uit artikel 241 van het K.B. van 04 november 1963 blijkt dat de verzekeringsinstelling het slachtoffer maar kan vergoeden (prestaties in afwachting) wanneer voldaan is aan alle voorwaarden van dit artikel. Worden er prestaties toegekend zonder dat die voorwaarden vervuld zijn, dan zijn deze onverschuldigd en kan de verzekeringsinstelling zich niet beroepen op haar wettelijk subrogatierecht. De vordering die de gesubrogeerde verzekeringsinstelling instelt kan niet losgekoppeld worden van de persoonlijke vordering van het slachtoffer, maar in diens vordering zelf zodat de verjaringstermijn van drie jaar van artikel 69 van de wet van 10 april 1971 ook geldt voor de verzekeringsinstelling. Krachtens artikel 69 Arbeidsongevallenwet verjaart de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen na drie jaar. Dit artikel is van toepassing op alle vergoedingen ongeacht hun benaming in de Arbeidsongevallenwet en de uitvoeringsbesluiten. De verjaringstermijn van voornoemd artikel is dus ook van toepassing op de vordering tot betaling van de aanpassingsbijslagen, bedoeld in artikel 6 van het K.B. van 21 december 1971. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Procedure Vrije woorden: beroepsrisico's - arbeidsongevallen in de privésector - procedure - verjaring - verboden cumulatie - subrogatierecht - verjaring - aanpassingsbijslagen Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 69 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Koninklijk Besluit - 21-12-1971 - 6 - 04 ELI link Pub nr 1971122109 Tekst van de beslissing Rep. nr. zevende kamer eindarrest op tegenspraak arbeidsongeval ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST AR 2006/AA/401 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak: De LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 121, appellant, verschijnend bij mr. D. Laperre loco mr. G. Delagrange, advocaat te Kortrijk, tegen: Het FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Troonstraat 100, geïntimeerde, verschijnend bij mr. E. Penning, advocaat te Gentbrugge. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 12 juni 2006, 22 januari 2007, 17 november 2008, 27 april 2009, 26 oktober 2009 en 23 november 2009. Gelet op de volgende rechtsplegingsstukken, onder meer: - het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Kortrijk, afdeling Roeselare, d.d. 31 januari 2000; - het op tegenspraak gewezen arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, d.d. 12 september 2002; - het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 7 maart 2005, waarbij het arrest d.d. 12 september 2002 werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar dit hof; - de dagvaarding na cassatie, uitgaande van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (kort: LCM), betekend door L. Ameele, gerechtsdeurwaarder te Gent, aan het Fonds voor Arbeidsongevallen d.d. 18 mei 2006; - de conclusie na cassatie voor het Fonds voor Arbeidsongevallen (kort: FAO), ontvangen ter griffie van dit hof op 11 december 2006; - de beschikking d.d. 19 mei 2008, met toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; - de syntheseconclusie na cassatie voor LCM, ontvangen ter griffie van dit hof op 25 juni 2008; - de tweede en syntheseconclusie na cassatie voor het FAO, ontvangen ter griffie van dit hof op 10 oktober 2008. - de syntheseconclusie na cassatie voor LCM, ontvangen ter griffie van dit hof op 22 april 2009; - de derde en syntheseconclusie na cassatie voor het FAO, ontvangen ter griffie van dit hof op 29 september 2009. Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 17 november 2008 overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, waarop de zaak werd uitgesteld naar de zitting van 27 april 2009 en nogmaals naar de zitting van 26 oktober 2009. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2009 (waarbij de zaak ten gronde werd hernomen) waarna de debatten werden gesloten en de zaak werd meegedeeld aan het openbaar ministerie. Gelet op het schriftelijk advies van de heer P. Van Den Bon, advocaat-generaal, voorgelezen op de openbare terechtzitting van 23 november 2009, dat tevens in het dossier van de rechtspleging werd neergelegd, en dat meegedeeld werd aan partijen overeenkomstig artikel 767, § 3, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek op 23 november 2009. Alleen het Fonds voor Arbeidsongevallen repliceerde op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie bij conclusie ontvangen ter griffie van dit hof op 8 december 2009 en aldus binnen de repliektermijn van 1 maand, waarna het hof de zaak in beraad nam. 1. Ontvankelijkheid. De dagvaarding na cassatie op verzoek van LCM werd regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden. 2. Feiten en voorgaanden. Trifon Vandezande, verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd, werd getroffen op 15 mei 1973 door een arbeidsongeval toen hij in dienst was van de heer Leon Devos uit Kluisbergen als arbeider. De heer Devos was verzekerd voor arbeidsongevallen bij de coöperatieve vennootschap Ster - Algemeen Syndicaat, verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd. Ingevolge voormeld arbeidsongeval keerde de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (kort: LCM) aan het slachtoffer diverse uitkeringen en medische kosten uit. Met brief d.d. 15 maart 1984 deelde het Fonds voor Arbeidsongevallen (kort: FAO) aan het slachtoffer mee dat deze recht had op aanpassingsbijslagen met ingang van 16 december 1974, de consolidatiedatum, zoals vastgelegd bij vonnis d.d. 27 april 1981 van de arbeidsrechtbank van Kortrijk. Dit werd bevestigd bij arrest d.d. 12 januari 1984 van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. De LCM meende hierop aanspraak te kunnen maken op voormelde aanpassingsbijslagen, gelet op het subrogatierecht van LCM, doch het FAO ging niet over tot betaling van voormelde aanpassingsbijslagen. Met dagvaarding d.d. 24 mei 1996 vorderde de LCM de betaling van de medische kosten (19.348 BEF of 479,62 EUR), te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 8 februari 1992 en de gerechtelijke intrest, en de provisionele som van 100.000 BEF (2.478,94 EUR) ten titel van aanpassingsbijslagen, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf de dag van betaling, gemiddeld 1 januari 1987, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met conclusie, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank van Kortrijk op 6 april 1999, deed de LCM enerzijds afstand van de terugvordering betreffende de verstrekte medische kosten en anderzijds breidde zij haar oorspronkelijke vordering tot betaling van de aanpassingsbijslagen vanaf 1 augustus 1983 tot 30 september 1991 uit met de som van de aanpassingsbijslagen betreffende de periode van 16 december 1974 tot 31 juli 1983. Met conclusie, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank van Kortrijk op 26 oktober 1999 vorderde LCM dan: - intresten op medisch kosten: 45.541 BEF of 1.128,93 EUR; - aanpassingsbijslagen: - voor de periode tot 1 april 1984: 577.640 BEF of 14.319, 32 EUR - voor de periode vanaf 1 april 1984: provisioneel: 200.000 BEF of 4.957,87 EUR, in afwachting van de voorlegging van de bedragen en de data van betaling, te vermeerderen met de intresten vanaf 1 maart 1979 en de gerechtelijke interest; - de kosten van het geding. Met vonnis d.d. 31 januari 2000 van de arbeidsrechtbank van Kortrijk verklaarden de eerste rechters de vordering van de LCM deels ongegrond, deels verjaard. Meer bepaald werd met betrekking tot de terugbetaling van de intresten op de medisch kosten geoordeeld dat deze vordering verjaard was, evenals de vordering tot het bekomen van aanpassingsbijslagen voor de periode van 16 december 1974 tot 1 april 1984. De vordering met betrekking tot de aanpassingsbijslagen vanaf 1 april 1984 werd afgewezen als zijnde ongegrond. De eerste rechters waren namelijk van oordeel dat de LCM geen subrogatoire vordering meer had, gezien het FAO vanaf die datum effectief vergoedingen betaalde aan het slachtoffer. Met verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, op 22 mei 2000 stelde de LCM hoger beroep in tegen voormeld vonnis. Met eindarrest d.d. 12 september 2002 hervormde het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, het bestreden vonnis d.d. 31 januari 2000 van de arbeidsrechtbank te Brugge, verklaarde de vordering van LCM ontvankelijk doch wezen ze af als gedeeltelijk verjaard en gedeeltelijk ongegrond en veroordeelde LCM tot betaling van de kosten van het geding. Het arbeidshof te Gent oordeelde als volgt: "4.4. Besluit: - De vordering tot betaling van de aanpassingsbijslagen over de periode van 16 december 1974 tot 1 april 1984 (577.640 frank in hoofdsom) is verjaard. - De vordering tot betaling van de provisie (200.000 frank) met betrekking tot de periode van 1 april 1984 tot en met 31 maart 1991 is eveneens verjaard, wat betreft de periode voorafgaandelijk aan 30 november 1990, terwijl de vordering betreffende de periode van 1 december 1990 tot 30 september 1991 ongegrond is. - De vordering met betrekking tot de intresten is tenslotte eveneens verjaard." Tegen dit arrest van 12 september 2002 tekende LCM cassatieberoep aan. In het eerste onderdeel van het eerste middel tot cassatie voerde LCM aan dat het bestreden arrest de toepasselijke artikelen van de Ziektewet en artikel 241 van het K.B. van 4 november 1963 had geschonden "door te beslissen dat de uitbetaling van de vergoedingen door de ziekteverzekeraar afhankelijk is van de door hem (...) in te winnen voorafgaande informatie of het slachtoffer gerechtigd is op eventuele vergoedingen van onder andere het FAO, zodat de ziekteverzekeraar, zodra hij wist of kon weten dat het slachtoffer gerechtigd was op aanpassingsbijslagen en deze ook effectief ontving, geen uitbetalingen meer mocht doen." In het tweede onderdeel van het eerste middel wierp LCM op dat het arbeidshof haar vordering met betrekking tot de periode van 1 december 1990 tot 30 september 1991 niet wettig gegrond had verklaard. Samengevat argumenteerde de LCM dat de beslissing van het arbeidshof dat geen rechtsgeldige subrogatie plaatsgreep, onwettig is omdat: - het arbeidshof de subrogatie afhankelijk stelt van verplichtingen die zouden bestaan in de verhouding tussen de verzekeringsinstelling en een derde, namelijk het FAO, en ze aldus onderwerpt aan niet in de wet bepaalde voorwaarden; - het arbeidshof niet de nodige vaststellingen doet om te kunnen besluiten tot het niet naleven van artikel 241 van het K.B. van 4 november 1963 in de verhouding tussen de LCM en de rechthebbende, en de vaststellingen van dat hof niet kunnen gelezen worden als de vaststelling van een inbreuk op artikel 70, § 2, eerste lid, van de Ziektewet van 1963. In het tweede subonderdeel van het tweede middel voerde de LCM aan dat het arbeidshof artikel 149 van de Grondwet schendt door noch in rechte noch in feite aan te geven waarom het de vorderingen van eiser met betrekking tot de aanpassingsbijslagen voor de periode tot 30 november 1990 verjaard verklaart. In het derde middel verweet de LCM het arbeidshof artikel 149 van de Grondwet te hebben geschonden door zonder te antwoorden op de middelen die eiser dienaangaande aanvoerde, haar vordering met betrekking tot de intrest op de al terugbetaalde medische kosten verjaard te verklaren. Met arrest d.d. 7 maart 2005 vernietigde het Hof van Cassatie voormeld arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, d.d. 12 september 2002 en verwees de zaak naar dit arbeidshof. De kosten werden aangehouden en de beslissing daaromtrent werd overgelaten aan de feitenrechter. Het Hof van Cassatie overwoog hierbij het volgende: "1. Eerste middel. (...)1.1. Ontvankelijkheid van het tweede onderdeel: Over de door verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid de aangewezen geschonden wettelijke bepalingen zijn onvoldoende nauwkeurig aangeduid: Overwegende dat de aangewezen geschonden wettelijke bepalingen voldoende duidelijk zijn aangegeven om desgevallend tot cassatie te kunnen leiden; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen; 1.2. Het tweede onderdeel zelf Overwegende dat, krachtens het in deze zaak tot 14 december 1978 toepasselijke artikel 70, §2, tweede lid, en het vanaf 14 december 1978 toepasselijke artikel 70, §2, vierde lid, met ingang van 1 januari 1989 vervangen door artikel 7 quater, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats treedt van de rechthebbende; Overwegende dat, overeenkomstig het in deze zaak toepasselijke artikel 241 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de toekenning van de prestaties van de verplichte ziekteverzekering afhankelijk is van de voorwaarde dat degene die, voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, om verzekeringsprestaties verzoekt, zijn verzekeringsinstelling in de mogelijkheid stelt haar recht als indeplaatsgestelde in de rechten van de rechthebbende uit te oefenen en haar de in artikel 241 vermelde mededelingen te doen; Dat artikel 241 van voornoemd koninklijk besluit aldus aan de rechthebbende de verplichting oplegt zijn verzekeringsinstelling in de mogelijkheid te stellen haar subrogatierecht uit te oefenen tegen derden; Dat deze bepaling, noch enige andere wettelijke of reglementaire bepaling, de betaling van de prestaties van de verplichte ziekteverzekering afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de verzekeringsinstelling voorafgaandelijk inlichtingen inwint bij derden, waaronder verweerder, naar hun eventueel voornemen om schadeloosstelling toe te kennen aan de rechthebbende, of van deze derden betaling eist; Overwegende dat het arrest oordeelt dat, 'volgens de inhoud van artikel 241 van het koninklijk besluit van 4 november 1963, (...) het duidelijk (
- is)dat de uitbetaling van de vergoedingen door de ziekteverzekeraar afhankelijk is van de door hem in te winnen voorafgaande informatie of het slachtoffer gerechtigd is op eventuele vergoedingen van onder andere het Fonds voor Arbeidsongevallen'; Overwegende dat het arrest aldus onwettig een andere vereiste stelt dan deze in voormeld artikel 241 bepaald en derhalve zijn beslissing dat eisers vordering, als indeplaatsgestelde in de rechten van zijn verzekerde tot betaling van de aanpassingsbijslagen met rente voor de periode van 1 december 1990 tot 30 september 1991, ongegrond is, niet naar recht verantwoordt Dat het onderdeel gegrond is; 2. Tweede middel Tweede subonderdeel van het tweede onderdeel Overwegende dat het arrest vaststelt dat eiser bij dagvaarding betekend op 24 mei 1996 de betaling vorderde van een provisionele som, vermeerderd met interest, voor aanpassingsbijslagen betreffende de periode van 1 augustus 1983 tot 30 september 1991 en, bij conclusies neergelegd op 6 april 1999, zijn vordering uitbreidde met de som van de aanpassingsbijslagen betreffende de periode van 16 december 1974 tot 31 juli 1983; Dat het arrest oordeelt dat de verjaringstermijn van drie jaar van artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet van toepassing is op eisers vordering met betrekking tot de aanpassingsbijslagen; Dat het overweegt dat de verjaring van de vordering tot betaling gestuit wordt door de schulderkenning ingevolge betaling en dat de maandelijkse betaling door verweerder van de aanpassingsbijslagen aan de verzekerde van eiser de erkenning inhoudt van de maandelijks aan eiser verschuldigde aanpassingsbijslag; Dat het arrest vervolgens oordeelt dat dient te worden besloten dat de vorderingen betreffende de aanpassingsbijslagen voor de periode van 16 december 1974 tot 1 april 1983 en voor de periode van 1 april 1984 tot 30 november 1990 met rente verjaard zijn; Overwegende dat uit de motieven van het arrest niet kan worden afgeleid op welke grond de voormelde vorderingen op 30 november 1990 verjaard zijn waardoor het Hof verhinderd wordt de wettigheid van de beslissing na te gaan; Dat het subonderdeel gegrond is; 3. Derde middel Overwegende dat het middel, in zoverre het aanvoert dat het arrest de beslissing dat de vordering van eiser met betrekking tot de interest op de reeds terugbetaalde medische kosten niet kan worden toegekend ingevolge verjaring, niet wettig verantwoordt, in werkelijkheid geen motiveringsgebrek maar een onwettigheid aanvoert; Dat het middel dat alleen artikel 149 van de Grondwet als geschonden aanwijst, in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep en in zijn "beroepsconclusies" aanvoerde dat de verjaring van de vordering tot betaling van interest op de terugbetaalde medische kosten gestuit werd door de schulderkenning van verweerder, ingevolge de terugbetaling door hem van de gevorderde medische kosten; Dat het arrest dit verweer niet beantwoordt; Dat het middel in zoverre gegrond is;" Met dagvaarding na cassatie d.d. 18 mei 2006 maakt LCM onderhavige zaak aanhangig bij dit arbeidshof teneinde het FAO te horen veroordelen tot betaling van de som van: - 1.128,93 EUR ten titel van intresten op medische kosten; - 14.319,32 EUR ten titel van aanpassingsbijslagen vanaf 16 december 1974 tot 1 april 1984; - 4.957,87 EUR provisioneel ten titel van aanpassingsbijslagen vanaf 1 april 1984; te vermeerderen met de intresten op 14.319,32 EUR vanaf 1 maart 1979, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Bovendien het FAO te bevelen de bedragen en de data van de betalingen mee te delen welke aan het slachtoffer (T. Vandezande) werden gepresteerd in de periode vanaf 1 april 1984 tot en met 30 september 1991. 3. Eisen in hoger beroep. - De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (LCM), appellante, vordert in de syntheseconclusie na cassatie, ontvangen ter griffie van dit hof op 22 april 2009 het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtsprekend:de vordering van LCM zoals ingesteld bij dagvaarding d.d. 24 mei 1996, en uitgebreid respectievelijk bij conclusies neergelegd ter griffie d.d. 6 april 1999, en bij "huidige conclusies" ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren. Het FAO aldus te veroordelen tot betaling aan LCM van de som van respectievelijk: - 1.496,20 EUR ten titel van medische kosten; - 1.128,93 EUR ten titel van intresten op medische kosten; - 14.319,32 EUR ten titel van aanpassingsbijslagen vanaf 16 december 1974 tot 1 april 1984; - 4.957,87 EUR ten titel van aanpassingsbijslagen vanaf 1 april 1984; - te vermeerderen met de intresten op 1.496,20 EUR vanaf 1 januari 1996 (gemiddelde datum uitgaven), met de intresten op 14.319,33 EUR vanaf 1 maart 1979 en de gerechtelijke intresten. LCM vordert daarenboven geïntimeerde te bevelen de bedragen en data van de betalingen mee te delen welke aan het slachtoffer werden verricht voor de periode vanaf 1 april 1984 tot en met 30 september 1991. Tenslotte vordert LCM geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de gedingkosten. - Het Fonds voor Arbeidsongevallen (FAO), geïntimeerde, vraagt de vordering van LCM af te wijzen als vervallen wegens verjaring, minstens als ongegrond en LCM te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding. 4. Beoordeling. 4.1. Standpunt van partijen. Volgens de LCM is de in artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna kortweg: "AOW") bepaalde verjaringstermijn van drie jaar niet van toepassing op de aanvullende bijslagen en de aanpassingsbijslagen. Ter staving van haar stelling steunt de LCM zich voornamelijk op de vaststelling dat de aanpassingsbijslagen van ambtswege toegekend worden door het FAO wat impliceert dat de getroffene of zijn rechthebbende geen vordering moeten stellen tot het bekomen van deze bijslagen. Verder houdt de LCM voor dat wanneer toch zou worden aangenomen dat de aanpassingsbijslagen deel uitmaken van de vergoedingen, bedoeld in voormeld artikel 69, er toch geen sprake kan zijn van verjaring aangezien deze rechtsgeldig werd gestuit door de betaling van de aanpassingsbijslagen door het FAO aan het slachtoffer, wat een erkenning van schuld inhoudt. Ten gronde is de LCM van oordeel dat zij zich kan steunen op haar wettelijk subrogatierecht als gevolg van de betaling door haar aan het slachtoffer van de wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, ten belope waarvan er door het FAO enkel nog geldig kon betaald worden aan de LCM. De LCM verwijt het FAO onder meer slechte communicatie en nalatigheid bij het informeren van eerstgenoemde over de betaling van de aanpassingsbijslagen aan het slachtoffer. Het FAO van zijn kant stelt dat artikel 69 van de AOW van toepassing is op alle vergoedingen in de Arbeidsongevallenwet en de uitvoeringsbesluiten zodat het recht op betaling van de aanpassingsbijslagen, zonder uitzondering, verjaart na drie jaar. Verder stelt het FAO dat de betalingen die het verrichtte aan het slachtoffer een bevrijding van schuld inhouden tegenover het slachtoffer en niet beschouwd kunnen worden door de LCM als een erkenning van schuld tegenover de LCM. Ten gronde meent het FAO dat de LCM geen subrogatoire vordering meer heeft vanaf 1 april 1984 vermits het FAO vanaf die datum effectief vergoedingen betaalde aan het slachtoffer van het arbeidsongeval en de wettelijke voorwaarden voor de wettelijke indeplaatsstelling niet langer vervuld zijn. 4.2. De subrogatoire vordering van de LCM. 4.2.1. De LCM steunt zijn subrogatoire vordering op artikel 136, §2 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994, voorheen artikel 76 quater, §2 van de wet van 9 augustus 1963 en daarvoor artikel 70, § 2 van de wet van 9 augustus 1963. De historisch ongewijzigde tekst van deze bepaling van de verplichte ziekte- en invaliditeitswetgeving luidt als volgt: "(..) De bij deze wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wegving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering. Voor de toepassing van deze paragraaf is het bedrag van de door de andere wetgeving verleende prestaties gelijk aan het brutobedrag verminderd met het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen welke op die prestaties worden ingehouden. De prestaties worden, onder door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht. De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in lid 1 bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden." 4.2.2. In casu staat het vast dat het slachtoffer van het arbeidsongeval door het FAO effectief werd betaald vanaf 1 april 1984. Uit de hierboven geciteerde tekst blijkt dat er een absoluut cumulatieverbod bestaat en dat het slachtoffer geen tweemaal kan worden vergoed. De wetgever heeft willen vermijden dat éénzelfde schade tweemaal zou gedekt worden, een streven dat gesteund is op de fundamentele grondslagen van de sociale zekerheid dat gericht is op het waarborgen van de bestaanszekerheid en dat er dus geen uitkeringen kunnen verleend worden wanneer de bestaanszekerheid verzekerd blijft door de verwerving van een andere sociale uitkering (of inkomen uit arbeid). Vanaf de betaling (1 april 1984) treedt het verbod op cumulatie in werking en kon het slachtoffer niet langer aanspraak maken op ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die een residuair karakter hebben, hetgeen impliceert dat het subrogatierecht van de verzekeringsinstelling op dat ogenblik vervalt. Het residuair karakter van de ziekte- en invaliditeitswetgeving wordt geconcretiseerd door het cumulatieverbod en het subrogatierecht. Het slachtoffer heeft terzake geen optierecht (Cass., 5 februari 1975, Inf. RIZIV, 1979, 303). Hij moet de vergoedingsplichtige, in dit geval het FAO, aanspreken op de prestaties waarop hij recht heeft. Het ziekenfonds is slechts gehouden tussen te komen zolang geen schadeloosstelling is verleend krachtens een andere wetgeving, waarmee de wetgever heeft willen verhinderen dat het slachtoffer tijdelijk zonder bestaanszekerheid zou vallen. De uitkeringen die de LCM parallel met de betalingen voor dezelfde schade heeft gedaan aan het slachtoffer van het arbeidsongeval zijn dus geen "prestaties in afwachting" en maken ten aanzien van laatstgenoemde dan ook onverschuldigde betalingen uit die met toepassing van artikel 97 van de oude ZIV-wet (artikel 164 van de nieuwe ZIV-wet) kunnen worden teruggevorderd. 4.2.3. De LCM meent nochtans ook voor de vergoedingen die zij vóór 1 april 1984 aan getroffene betaalde over een subrogatoire vordering te beschikken, door zich te baseren op het ogenblik van betaling van de ZIV-prestaties. Volgens de redenering van de LCM zou er aan het subrogatoir karakter van hun vordering geen einde komen, gezien zij de betaling van de vergoedingen aan getroffene deden vóór de betalingen door het FAO. Als men deze redenering doortrekt dan zou de ziekteverzekeraar, zelfs na mededeling van het FAO dat er effectief zal worden overgegaan tot schadeloosstelling - aangezien deze mededeling op zich volgens de LCM niet volstaat - getroffene moeten blijven vergoeden zolang het FAO niet effectief heeft betaald. En indien deze betaling plaatsvindt vóór de betaling door het FAO, zou het FAO niet meer aan de getroffene mogen betalen maar zou de betaling moeten gebeuren aan de ziekteverzekeraar. Een dergelijk standpunt gaat volkomen voorbij aan het residuair karakter van de ZIV-prestaties. Vanaf april 1984 heeft het FAO wel degelijk effectief betaald aan getroffene, zodat de ziekteverzekeraar, gelet op het residuair karakter van de ZIV-prestaties, niet meer diende te betalen aan de getroffene. Vanaf het ogenblik dat het FAO overgaat tot effectieve vergoeding mag de ziekteverzekeraar niet meer betalen voor dezelfde schade, ongeacht het ogenblik waarop de uitbetaling van deze effectieve vergoeding plaatsvindt; immers sommige vergoedingen in de arbeidsongevallenwetgeving worden slechts per kwartaal of jaarlijks betaald. In casu werd de schade door het FAO effectief vergoed krachtens de uitbetalingsregels van de AOW. Namelijk volgens de regels van het K.B. van 24 december 1987 tot uitvoering van artikel 42, 2de lid AOW, betreffende de uitbetaling van de jaarlijkse vergoedingen, van de renten en van de bijslagen, en meer bepaald artikel 5 van voormeld K.B. De schade werd dus effectief vergoed krachtens een andere wetgeving zodat het wettelijk cumulatieverbod van het toen toepasselijke artikel 70, § 2, 1ste lid van de ZIV-wet van 9 augustus 1963 zich verzet tegen verdere uitbetaling door de ziekteverzekeraar van ZIV-prestaties voor dezelfde schade. Het gaat niet op dat de LCM, ondanks het feit dat zij wist of kon weten dat het FAO effectief betaalde aan getroffene, toch nog blijft betalen tot en met september 1991 (tot de datum waarop zijn aangeslotene op rustpensioen gaat), om zich dan op haar subrogatierecht te beroepen t.a.v. het FAO, omdat zij telkens zou betaald hebben vóór de betaling door het FAO. 4.2.4. De LCM verwijt aan het FAO voorts dat het geen rekening heeft gehouden met haar wettelijk subrogatierecht en manifest nalatig bleef in verband met het verstrekken van gegevens over de door hem te betalen aanpassingsbijslagen aan het slachtoffer van het arbeidsongeval. Uit artikel 241 van het K.B. van 4 november 1963 blijkt evenwel dat er geen informatieverplichting rustte op het FAO, maar wel op het slachtoffer van het arbeidsongeval (cfr. Cass., 7 maart 2005, gewezen in onderhavige zaak). Artikel 241 van het K.B. van 4 november 1963 luidt als volgt: " § 1. De in artikel 76 quater, § 2 (voordien artikel 70, § 2) van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde toekenning van prestaties is afhankelijk van de voorwaarden dat degene die, voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, om verzekeringsprestaties verzoekt, zijn verzekeringsinstelling in de mogelijkheid stelt het in dat artikel bedoelde recht uit te oefenen en haar het volgende mededeelt: 1. dat de schade waarvoor dat verzoek wordt gedaan, kan gedekt worden door het gemeen recht of door een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; 2. alle gegevens of omstandigheden waardoor kan worden uitgemaakt of de schadeloosstelling moet geschieden krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving, met inbegrip van de gerechtelijke informaties of handelingen waarvan hijzelf of de personen te zijnen laste in verband met de schade het voorwerp zouden zijn; 3. elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging, voor hem persoonlijk of voor de personen te zijne laste, van de schadeloosstelling krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving. § 2. De in § 1, 1°, bedoelde mededeling kan geschieden met het in artikel 47 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde document wanneer het verzoek om prestaties met name betrekking heeft op de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. De in § 1, 2°, bedoelde mededeling kan geschieden met het formulier dat de verzekeringsinstelling aan de gerechtigde uitreikt zodra ze van deze in § 1, 1 ° bedoelde mededeling heeft ontvangen. Het model van dat formulier wordt vastgesteld door de Dienst voor administratieve controle. (...)" 4.2.5. Uit deze tekst blijkt duidelijk dat de verzekeringsinstelling het slachtoffer maar kon vergoeden ("prestaties verlenen in afwachting") wanneer voldaan is aan de voorwaarden van geciteerd artikel 241. Worden er toch prestaties toegekend zonder dat die voorwaarden vervuld zijn, dan zijn deze onverschuldigd en kan de verzekeringsinstelling zich niet beroepen op haar wettelijk subrogatierecht. Het was dus het slachtoffer van het arbeidsongeval dat een mededelingsverplichting had en niet het FAO. De verzekeringsinstelling was derhalve gehouden, vooraleer over te gaan tot uitkeringen, na te gaan of haar lid aan zijn mededelingsplicht had voldaan. Zonder die inlichtingen kon de LCM niet nagaan of er sprake was van een verboden cumulatie die de toekenning van ziekte- en invaliditeitsuitkeringen verhinderde, evenals de uitoefening van haar subrogatierecht. In een arrest van 23 september 1991 preciseerde het Hof van Cassatie dat de toekenning van de verzekeringsprestaties geweigerd wordt als de voorwaarden van artikel 241 van het K.B. van 4 november 1963 niet vervuld zijn. In dat geval zijn de prestaties onverschuldigd, wat niet impliceert dat de rechthebbenden reeds een schadeloosstelling krachtens een andere wetgeving hebben ontvangen (Cass., 23 september 1991, AR nr. 9172, A.C., 1991-92, p. 80; J.T.T., 1992, p. 9, met noot; R.W., 1991-92, p. 933). 4.2.6. Het openbaar ministerie merkt voorts terecht op dat, behalve het slachtoffer van het arbeidsongeval, de LCM onzorgvuldig is geweest, door het verloop van de gebeurtenissen in het dossier van de betrokkene niet nauwkeurig op te volgen. Een en ander blijkt uit de correspondentie die werd gevoerd tussen het FAO en de LCM en Trifon Vandezande: - Bij brief van 21 december 1983 schrijft het FAO naar de raadsman van de mutualiteit dat het dossier in onderzoek is in verband met de rechten van het slachtoffer op een bijslag overeenkomstig de bepalingen van het K.B. van 21 december 1971. In deze brief wordt het volgende gesteld: "Bij toekenning ontvangt de betrokkene hieraangaande bericht. De verschuldigde achterstallen worden doorgaans uitgekeerd in de loop van de drie maanden die volgen op de ontvangst van het toekenningsbericht." - Bij brief van 15 maart 1984 werd Trifon Vandezande in kennis gesteld van de toekenning van de aanpassingsbijslag vanaf 16 december 1974, dat de verschuldigde achterstallen met betrekking tot de periode vanaf 16 december 1974 tot 31 maart 1984 zullen gestort worden, en dat de bijslagen op het einde van iedere maand uitbetaald zullen worden. - Bij brief van 11 april 1984, uitgaande van de mutualiteit en gericht aan het FAO, wordt het volgende meegedeeld: "betrokkene zal van uw diensten bijslagen ontvangen tot aanvulling van zijn arbeidsongeval. Mogen wij u vragen aan onze dienst de brutomaandbedragen ( ..) bekend te maken (...). Deze gegevens zijn voor ons noodzakelijk opdat wij artikel 70 § 2 van de wet van 9.8.63 korrekt zouden kunnen toepassen ". .2.7. Het hof besluit dat de LCM na 1 april 1984 onverschuldigde betalingen heeft gedaan aan Trifon Vandezande waarvoor zij geen aanspraak kan maken op haar subrogatierecht. De LCM heeft bedoelde uitgaven voor haar rekening genomen met schending van de bepalingen van artikel 241 van het K.B. van 4 november 1963 nu zij van haar verzekerde niet alle in dit artikel bedoelde mededelingen had geëist zodat de toekenning van de prestaties na 1 april 1984 niet gerechtvaardigd was ten aanzien van de uitgaven van de ziekte-en invaliditeitsverzekering (cfr. Cass., 23 september 1991, AR nr. 9172, A.C., 1991-92, p. 80; J.T.T., 1992, p. 9, met noot; R.W., 1991-92, p. 933). Uit het voorgaande volgt dat de LCM enkel voor de periode vóór 1 april 1984 gesubrogeerd was in de rechten van haar verzekerde Trifon Vandezande, zodat de vordering van de LCM tot betaling van aanpassingsbijslagen voor de periode vanaf 1 april 1984 op die grond moet worden verworpen. 4.3. De verjaring. 4.3.1. Het hof dient te onderzoeken of de subrogatoire vordering van de LCM inzake aanpassingsbijslagen voor wat betreft de periode van 16 december 1974 tot 1 april 1984 al dan niet verjaard is ingevolge de door het FAO terzake opgeworpen exceptie. Artikel 69 van de wet van 10 april 1971 bepaalt dat de rechtsvordering tot betaling van vergoedingen verjaart na drie jaar. Indien de mutualiteit niet optreedt op grond van haar rechtstreekse vordering zoals voorzien in artikel 63 van de AOW, maar de vordering van haar verzekerde uitoefent tegen de arbeidsongevallenverzekeraar, dan steunt zij zich op haar subrogatoir vorderingsrecht en kan de arbeidsongevallenverzekeraar tegen de mutualiteit de driejarige verjaring van artikel 69 van de AOW inroepen. Immers, de vordering die de gesubrogeerde verzekeringsinstelling instelt kan niet losgekoppeld worden van de persoonlijke vordering van het slachtoffer van het arbeidsongeval, maar is diens vordering zelf zodat de verjaringstermijn van drie jaar van voormeld artikel 69 ook geldt voor de verzekeringsinstelling. De vordering van de ziekteverzekeraar op grond van de wettelijke subrogatie tegen de arbeidsongevallenverzekeraar is geen eigen vordering maar wel een vordering van het slachtoffer zelf die door de ziekteverzekeraar wordt uitgeoefend. De gesubrogeerde verzekeringsinstelling neemt aldus de vordering van het slachtoffer (oorspronkelijk schuldeiser) over ten opzichte van de arbeidsongevallenverzekeraar. De betaling met indeplaatsstelling door de verzekeringsinstelling heeft tot gevolg dat de schuld wordt uitgedoofd tegen de oorspronkelijke schuldeiser, m.n. het slachtoffer van het arbeidsongeval, ten belope van het bedrag dat werd betaald. Subrogatie draagt, tot beloop van wat werd betaald, de schuldvordering over op de derde die de betaling heeft verricht. Dit geldt voor de schuldvordering en al haar accessoria. De excepties die door de schuldenaar (FAO) konden worden ingeroepen tegen de aanvankelijke schuldeiser (slachtoffer) kunnen verder tegen de gesubrogeerde schuldeiser (LCM) worden ingeroepen. De exceptie van de driejarige verjaringstermijn van de AOW die het FAO als debiteur van de arbeidsongevallenvergoedingen, verschuldigd aan het slachtoffer van het arbeidsongeval, kan inroepen tegen laatstgenoemde kan dus eveneens ingeroepen worden tegenover de LCM die van oordeel is gesubrogeerd te zijn in de rechten van zijn lid. 4.3.2. De LCM houdt voor dat artikel 69 van de AOW niet van toepassing is op de door haar gevorderde aanpassingsbijslagen, gezien deze aanpassingsbijslagen van rechtswege worden toegekend en daardoor niet onder de vergoedingen bedoeld in artikel 69 AOW zouden vallen. Deze redenering kan niet gevolgd worden. Krachtens artikel 69 AOW verjaart de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen na drie jaar. Dit artikel is van toepassing op alle vergoedingen ongeacht hun benaming (bijslag, rente, vergoeding ...) in de AOW en de uitvoeringsbesluiten. Het is niet omdat het recht op aanpassingsbijslagen ambtshalve wordt toegekend dat de rechtsvordering tot betaling ervan onverjaarbaar zou zijn. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen het recht op bijslag en het recht op betaling ervan. De verjaringstermijn van artikel 69 AOW is wel degelijk van toepassing op de vordering tot betaling van de aanpassingsbijslagen bedoeld in artikel 6 van het K.B. van 21 december 1971. Het feit dat deze bijslagen krachtens artikel 9 van dit K.B. ambtshalve worden toegekend doet hieraan geen afbreuk. Er moet immers een onderscheid gemaakt worden tussen het recht als zodanig op prestaties en het recht op de betaling ervan (Cass., 28 mei 1961, Pas., 1961, I, 1003; Cass., 23 november 1961, Pas., 1962, I, 363). Dit betekent dat het recht op de bijslag niet verjaart, omdat het ambtshalve wordt toegekend (d.i. zonder aanvraag vanwege getroffene) en dat het recht op betaling van de bijslag verjaart overeenkomstig de driejarige verjaringstermijn van artikel 69 AOW (Arbh. Antwerpen, 15 november 1989, onuitg., AR nr. 387/87). Wanneer de mutualiteit optreedt als gesubrogeerde in de rechten van getroffene is de verjaringstermijn van artikel 69 AOW van toepassing. (Cass., 12 juni 1986, R.G.A.R., 1987, 11.317; MOMMAERTS, J., Procedure, in ARON, Deel I, Hfdst. 5,4 - 300) Aangezien de verjaringstermijn van artikel 69 AOW van toepassing is op de vordering tot betaling van aanpassingsbijslagen, en de LCM als gesubrogeerde in de rechten van getroffene, bij wijze van een afzonderlijk verhaal diens vordering tot betaling van aanpassingsbijslagen uitoefent, dient in casu de driejarige verjaringstermijn van artikel 69 AOW toegepast te worden. De subrogatoire vordering staat, zoals gezegd, niet los van de persoonlijke vordering van het slachtoffer, maar is diens rechtsvordering zelf (Cass., 12 juni 1986, J.T., 1986, 668; Cass., 13 januari 1989, Pas. 1989, I, 518). De verjaringstermijn van drie jaar van artikel 69 AOW is op deze vordering dan ook toepasselijk (Cass., 12 juni 1986, J.T., 1986, 668; Cass., 24 september 1986, Pas., 1987, I, 98). 4.3.3. Het Hof van Cassatie heeft zich inmiddels duidelijk uitgesproken over de gestelde problematiek. In een arrest van 9 december 2002 besliste het Hof van Cassatie dat artikel 69, eerste lid AOW van toepassing is, ongeacht haar benaming of toekenningswijze, op iedere vergoeding die krachtens voornoemde wet of haar uitvoeringsbesluiten verschuldigd is door een verzekeringsinstelling of het FAO (Cass., 9 december 2002, Soc. Kron., 2003, 324). In een arrest van 19 juni 2006 oordeelde het Hof van Cassatie tevens expliciet dat de driejarige verjaringstermijn van artikel 69 eerste lid AOW ook van toepassing is op de aanpassingsbijslagen en de interest die er overeenkomstig artikel 42, derde lid AOW van rechtswege verschuldigd op is: "Krachtens art. 69, eerste lid, Arbeidsongevallenwet, verjaren de rechtsvorderingen tot betaling van de vergoedingen na verloop van drie jaar. Deze bepaling, die de openbare orde raakt, is van toepassing op elke vergoeding, ongeacht de benaming of de wijze van toekenning ervan, die krachtens deze wet verschuldigd is door een verzekeraar of door het Fonds voor Arbeidsongevallen. De aanpassingsbijslagen als bedoeld in art. 58 bis, §1, 2°, van de Arbeidsongevallenwet zijn vergoedingen in de zin van voornoemd art. 69, eerste lid. Krachtens art. 42, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet is op de door de wet bedoelde uitkeringen van rechtswege interest verschuldigd vanaf het ogenblik waarop zij opeisbaar worden. De interest die op de aanpassingsbijslagen verschuldigd is, is eveneens een vergoeding in de zin van voornoemd art. 69, eerste lid, en bijgevolg onderworpen aan de driejarige verjaringstermijn." (Cass., 19 juni 2006, A.R. nr. S050108N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.1, www.cass.be). Gelet op bovenstaande cassatierechtspraak, waar het hof zich bij aansluit, is de verjaringstermijn van artikel 69 AOW wel degelijk van toepassing op de vordering tot betaling van de aanpassingsbijslagen, evenals trouwens op de gevorderde intresten en de bij recente eisuitbreiding gevorderde medische kosten. 4.3.4. Het hof dient verder na te gaan of de verjaring in casu rechtsgeldig werd gestuit. Op grond van artikel 70 AOW kunnen de verjaringen bepaald bij artikel 69 AOW op de gewone wijzen geschorst of gestuit worden. De verjaringen kunnen bovendien gestuit worden door een ter post aangetekende brief of door een rechtsvordering tot betaling wegens arbeidsongeval, gesteund op een andere rechtsgrond. Betreffende de aanpassingsbijslagen dateert de eerste aangetekende brief, die krachtens artikel 70 AOW de verjaring stuit, van 23 november 1993. Gelet op de driejarige verjaringstermijn van artikel 69 AOW is het dus duidelijk dat de vordering tot betaling van aanpassingsbijslagen die dateren van voor 23 november 1990, verjaard is. 4.3.5. De LCM meent dat, zelfs indien artikel 69 AOW van toepassing is, de verjaring van de subrogatoire vordering van de LCM rechtsgeldig gestuit werd door de betaling van aanpassingsbijslagen door het FAO aan de heer Vandezande. In tegenstelling tot wat de LCM voorhoudt, vormen de betalingen van de aanpassingsbijslagen door het FAO aan de getroffene van het arbeidsongeval een bevrijding van schuld. Door de betaling gaat de vordering van getroffene immers teniet. Het FAO gaat er bovendien terecht van uit dat er rechtsgeldig betaald werd aan de heer Vandezande (zie supra). Deze betalingen stuiten de verjaring van de vordering van de LCM dus niet. De betalingen betreffen een bevrijding van schuld. 4.3.6. Gelet ook op het feit dat de LCM na 1 april 1984 geen subrogatoire vordering meer heeft (cfr. supra), kan een eventuele stuiting van de verjaring t.a.v. de getroffene geen effect meer hebben op de (niet-subrogatoire) vordering van de LCM. Het hof besluit dan ook dat de bij conclusie dd. 31 maart 1999 ingeleide vordering van de LCM tot betaling van aanpassingsbijdragen voor wat de periode 16 december 1974 tot 31 juli 1983 betreft, verjaard is. 4.4. De door de LCM gevorderde intresten op aanpassingsbijslagen. In een arrest van 30 januari 1995 oordeelde het Hof van Cassatie dat er op aanpassingsbijslagen van rechtswege intresten verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 42, lid 3 AOW (Cass., 30 januari 1995, R.W., 1995-96, 324). Als accessorium van de hoofdvordering vallen de intresten op aanpassingsbijslagen onder dezelfde driejarige verjaringstermijn van artikel 69 AOW. De schuldeiser kan immers slechts intresten vorderen zolang de vordering van de hoofdsom niet verjaard is (PETIT, J., Interest, in APR, E. Story-Scientia, 1995, nr. 71). Terzake kan nogmaals verwezen worden naar het hoger geciteerd arrest van het Hof van Cassatie van 19 juni 2006 waarin het Hof oordeelde dat de driejarige verjaringstermijn van artikel 69 1ste lid AOW ook van toepassing is op de overeenkomstig artikel 42, 3de lid AOW van rechtswege verschuldigde interesten op de door de wet bedoelde uitkeringen (Cass., 19.06.2006, A.R. nr. S050108N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.1, www.cass.be). Nu het hof oordeelt dat de vordering van aanpassingsbijdragen vanaf 16 december 1974 tot 1 april 1984, wat de hoofdsom betreft, reeds verjaard is (cfr. supra), is de vordering betreffende de intresten op deze aanpassingsbijdragen eveneens verjaard. 4.5. De door de LCM gevorderde intresten op reeds terugbetaalde medische kosten. 4.5.1. Deze vordering, t.b.v. 1.128,93 EUR (45.541 BEF), die werd ingesteld bij conclusie dd. 31 maart 1999, neergelegd ter griffie op 6 april 1999, is eveneens onontvankelijk wegens verjaring. Deze vordering van de LCM betreft de intresten op de medische kosten van de uitgavenstaten 24 t.e.m. 32. Voor wat betreft de uitgavenstaten 24 t.e.m. 26 verwijst het FAO naar zijn brieven d.d. 13 mei 1987 en 29 juni 1987 aan Mr. Delagrange. Deze uitgavenstaten hebben betrekking op medische kosten die dateren van vóór het verstrijken van de herzieningstermijn op 23 juni 1986. Zij vielen dus overeenkomstig artikel 28 bis AOW niet ten laste van het FAO. En aangezien het FAO geen schuldenaar was van de hoofdsom, kan het evenmin schuldenaar zijn van de erop berekende intresten. Desbetreffend is de vordering ten aanzien van het FAO hoe dan ook ongegrond. 4.5.2. De LCM argumenteert dat de - onverschuldigde - betaling van deze medische kosten een schulderkenning door het FAO uitmaakt die de verjaring van de vordering tot betaling van de intresten stuit. Zelfs indien deze betaling een schulderkenning zou zijn, quod non, zou de verjaringstermijn opnieuw beginnen te lopen na deze betaling, zodat men dient vast te stellen dat de verjaring voor het instellen van de vordering door de LCM op 6/4/1999, reeds verkregen was gezien er geen tijdige stuitingsdaden gesteld zijn. 4.5.3. Ook betreffende de uitgavenstaten 27 t.e.m. 32 dient vastgesteld te worden dat de vordering tot betaling van intresten verjaard is. De enige stuitingsdaad betreft een aangetekende brief van 23 november 1993 die dan nog enkel betrekking heeft op uitgavenstaat 32 t.b.v. 17.099 BEF. Bij deze brief wordt de betaling gevraagd van bovenvermelde hoofdsom (dus 17.099 BEF) te vermeerderen met de rente vanaf 1 februari 1992. Vanaf deze stuitingsdaad begint de verjaring van de intresten op de medische kosten van uitgavenstaat 32 opnieuw te lopen. Pas bij conclusie dd. 6 april 1999 stelt de LCM een vordering in. Ondertussen is de verjaring echter al verkregen gezien er ruim meer dan drie jaar verstreken zijn tussen het indienen van de vordering en de aangetekende brief van 23 november 1993. Wat betreft de intresten op de uitgavenstaten 27 t.e.m. 31 werden er evenmin stuitingsdaden gesteld vóór het intreden van de verjaring. Aangezien er geen tijdige stuiting van de verjaring gebeurde, is de eisuitbreiding betreffende de intresten op medische kosten onontvankelijk wegens verjaring. 4.5.4. Bovendien vordert de LCM zowel op de aanpassingsbijslagen als op de terugbetaalde medische kosten vergoedende of compensatoire intresten. Vergoedende intresten maken deel uit van de schadevergoeding die op grond van artikel 1382 B.W. wordt toegekend (Cass., 17 mei 1943, Pas., 1945, I, 178). De schadevergoeding bij arbeidsongevallen heeft echter een forfaitair karakter die vergoedende intresten uitsluit (Arbrb. Gent, 19 februari 1973, R.G.A.R., 1973, 9092). Aldus kan de vordering van het LCM m.b.t. de vergoedende of compensatoire intresten niet worden toegekend. 4.6. De door de LCM bij syntheseconclusie na cassatie dd. 24 juni 2008 gevorderde medische kosten. De LCM heeft zijn vordering bij syntheseconclusie na cassatie dd. 24 juni 2008 uitgebreid tot een bedrag van 1.496,20 EUR uit hoofde van medische kosten. Uit de meegedeelde uitgavenstaat blijkt dat het kosten betreft uit de periode 7 februari 1994 - 21 maart 1997. Nergens wordt voor deze eisuitbreiding enige rechtsgrond aangeduid, noch wordt er meegedeeld op welke wijze de verjaring van deze vordering zou gestuit zijn. Gelet op de toepasselijke verjaringstermijn van drie jaar (artikel 69 AOW) dient deze vordering, bij gebrek aan enige stuitingsdaad, afgewezen te worden wegens verjaring. Bovendien weze opgemerkt dat de LCM na 1 april 1984 over geen subrogatoire vordering meer beschikte ingevolge de betalingen door het FAO verricht aan het slachtoffer, zodat de vordering ook om die reden dient te worden afgewezen. 4.7. De door de LCM gevorderde rechtsplegingsvergoeding. De LCM heeft zijn rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en twee maal in hoger beroep begroot op telkens 2.000,00 EUR, zonder aanduiding van rechtsgrond. Gezien echter huidige betwisting een vordering betreft zoals voorzien in artikel 579, 1° van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk een vordering betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen, is artikel 4 toepasselijk van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Dit artikel 4 bepaalt uitdrukkelijk dat in afwijking van de artikelen 2 en 3 de basis-, minimum-en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor rechtsplegingen bedoeld in de artikelen 579 en 1017, 2de lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vastgesteld worden aan de hand van de in dat artikel opgesomde bedragen. De vordering van de LCM tot het bekomen van een rechtsplegingsvergoeding van 3 x 2.000,00 EUR dient te worden afgewezen. Het hof bevestigt de beslissing van de eerste rechters wat de in eerste aanleg toegekende gerechtskosten betreft. Voor de procedures gevoerd in graad van hoger beroep kent het hof volgende bedragen toe aan partijen: - 267,72 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure arbeidshof Gent; - 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure arbeidshof Antwerpen met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007. Deze kosten vallen ten laste van de LCM met toepassing van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 68 van de AOW is hier niet van toepassing nu het een geschil betreft tussen de ziekteverzekeraar en het FAO. Gelet op het voorgaande bestaat er aanleiding toe het bestreden vonnis te bevestigen, zij het deels op andere gronden, en het hoger beroep van de LCM ongegrond te verklaren. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Rechtsprekend op tegenspraak en na beraadslaging Gelet op het éénsluidend schriftelijk advies van de heer P. VAN DEN BON, advocaat-generaal, voorgelezen en neergelegd op de zitting van 23 november 2009, waarop enkel het Fonds voor Arbeidsongevallen repliceerde. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Kortrijk d.d. 31 januari 2000 (AR 32.731), zij het deels op andere gronden. Verwijst de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in de kosten van het hoger beroep met toepassing van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek. Vereffent deze kosten aan de zijde van beide partijen op: - 267,72 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure arbeidshof Gent en - 291,50 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure arbeidshof Antwerpen met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007. Aldus gewezen door: M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer, M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, L. VAN NESPEN, raadsheer in sociale zaken, als werknemer, bijgestaan door de heer P. DEVOCHT, griffier en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting van 25 januari 2010. PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100125.6 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div