← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100129.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100129.7 Rolnummer: 2008/AA/315 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 161 - laatst gezien 2026-07-02 21:18 Fiches 1 - 2 In deze zaak plaatst het vermeende slachtoffer van pesterijen de zaak in een grondwettelijk perspectief door te beweren dat er sprake is van een ongelijke behandeling tussen werknemers die een met redenen omklede klacht neerleggen en daardoor ontslagbescherming genieten en degenen die dat niet doen en daardoor geen ontslagbescherming genieten, wanneer later blijkt dat de eerste groep werknemers zich ten onrechte het slachtoffer van pesterijen achtte en de tweede groep wel degelijk werd gepest. Het hof is van oordeel dat de betrokkene appelen met citroenen vergelijkt. Immers, werknemers die na eventuele pesterijen een formele klacht neerleggen en zij die dat niet doen behoren tot een andere categorie en zijn in die optiek niet vergelijkbaar in een context van constitutionele schending. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: arbeidsreglementering - welzijn op het werk - pesterijen op het werk - met redenen omklede klacht - ongelijke behandeling Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32ter - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet - 04-08-1996 - 32tredecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Nota: Gerangschikt onder III A B - artikel 32 ter en onder III A B - artikel 32 tredecies. Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Rep. Nr Tweede Kamer Tegensprekelijk eindarrest (arbeidsovereenkomst voor bedienden) Arbeidshof te Antwerpen AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2008/AA/315 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN. In de zaak: APPELLANTE, met burelen te , appellante, verschijnend bij mr. BLEYENBERGH loco mr.VAN DER STRATEN P., advocaat te Antwerpen. tegen : S V D F, wonende te ,doch woonstkeuze doende te, geïntimeerde, verschijnend bij mevr. GABRIELS, vakbondsafgevaardigde, volmachtdrager. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in buitengewone openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 15 december

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 15 september 2008, 25 mei 2009, 17 november 2009 en 15 december
  2. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen gewezen op tegenspraak tussen partijen op 22 januari 2008, en betekend via deurwaarder op 22 mei 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 23 juni 2008; - de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 18 juli 2008; - de conclusies van appellante ontvangen ter griffie op 8 september 2008; - de beschikking d.d. 16 september 2008 overeenkomstig artikel 747 §1 Ger.W.; - de conclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 7 oktober 2008; - de aanvullende beroepsconclusies van appellante neergelegd ter griffie op 23 januari 2009; - de syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 februari 2009; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie d.d. 15 december 2009; - de repliek van geïntimeerde op dit advies, neergelegd ter griffie op 30 december
  3. II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Met een verzoekschrift, op 23 juni 2008 neergelegd ter griffie van dit hof, tekende appellante hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R. 386.760) van 22 januari 2008 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  4. Geïntimeerde S. V. D. F. is op 14 juni 1999 op contractuele basis in dienst getreden bij appellante appellante (hierna verder vernoemd als appellante), in de hoedanigheid van buurttoezichtster. Initieel was S. V. D. F. tewerkgesteld met een contract voor een bepaalde tijd, en vanaf 14 juni 2000 met een contract voor onbepaalde tijd. S. V. D. F. was aanvankelijk buurttoezichtster op het Kiel, en werd vanaf januari 2001 overgeplaatst naar de zone Buurttoezicht West/Linkeroever.
  5. Uit de voorliggende stukken blijkt dat de samenwerking tussen de dienstleiding van Buurttoezicht West en S. V. D. F. niet rimpelloos verliep. Zo kan worden vastgesteld dat S. V. D. F. n.a.l.v. een evaluatie over de periode van 1 april 2002 tot 31 maart 2003 door haar directe overste, J.V.d.B. (lokaal werkleider van Buurttoezicht West), de eindwaardering "onvoldoende" toebedeeld kreeg, evaluatie die nadien werd bevestigd voor de periode van 3 februari 2003 t/m 3 juli 2003 (stukken 1 en 3 appellante). Na het doorlopen van een "verbetertraject" werd S. V. D. F. op 16 januari 2004 opnieuw geëvalueerd, dit maal met een eindwaardering "gunstig" (stuk 10 appellante). In mei 2004 werd de heer V.d.B. als directe chef van S. V. D. F. vervangen door C.W.. Na verbale incidenten tussen S. V. D. F. en deze nieuwe werkleider stelde deze laatste in oktober 2004 twee feitenverslagen op, waarin opmerkingen werden gemaakt over het niet naleven door S. V. D. F. van de afgesproken uurregeling en waarin eveneens het vermoeden werd geuit dat S. V. D. F. met haar fietsvergoedingen zou frauderen (stukken 11 en 12 appellante). In het verslag van het functioneringsgesprek dat daaropvolgend op 14 oktober 2004 plaatsvond (en dat klaarblijkelijk werd opgesteld door L. H., stafmedewerker buurttoezicht), werd melding gemaakt van drie aan S. V. D. F. verweten handelingen : het afscheuren van haar afbeelding van een afprint van een groepsfoto van de buurttoezichters hetgeen op een gebrek aan collegialiteit zou wijzen ; het niet-respecteren van afgesproken werktijden ; het vermoeden van het niet correct invullen van aanvragen voor een fietsvergoeding (stuk 13 appellante). Er volgden nog meer verslagen en briefwisseling over en weer, en daaruit blijkt dat de samenwerking problematisch (conflictueus) bleef verlopen. In een verslag dat op 18 november 2004 door N. H., coördinator buurttoezicht, inzake de werking van S. V. D. F. werd opgesteld en waarin op de moeilijke samenwerking werd gewezen, werd het navolgende besluit geformuleerd (stuk 19 appellante) : "-/- Het blijkt duidelijk dat S.V.d. F. zich niet laat sturen, coachen en (bege)leiden door een directe chef. Ze wil veel te veel haar eigen weg gaan en ze wil steeds en altijd het laatste woord hebben. Bovendien hanteert ze telkens opnieuw het conflictmodel wanneer ze een opmerking of feitenverslag krijgt, waarbij ze geen enkele ruimte laat en geen enkele moeite doet om constructieve of positieve voorstellen te formuleren. Bijgevolg maakt S.een verdere normale, aanvaardbare en werkbare samenwerking onmogelijk. In dit dossier zien we dan ook geen andere mogelijkheden meer dan het beëindigen van deze samenwerking". Via een nota van 18 november 2004 van H.S. verantwoordelijke personeelsbeleid Dienst Wijkwerking, gericht aan Bedrijfsdirecteur Sociale Zaken M. K.en aan Verantwoordelijke personeelszaken Sociale Zaken G. V.T. werd, onder verwijzing naar het verslag van N. H. om het spoedig ontslag van S. V. D. F. verzocht ("-/- lijkt mij een zeer snelle beslissing om een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst, aangewezen") (stuk 20 appellante).
  6. Op 25 november 2004 heeft S. V. D. F. bij de preventieadviseur van appellante een formele klacht ingediend wegens pesterijen tegen de dienstleiding van Buurttoezicht West, met name tegen N.H., L.H. en C.W. (stuk 21 appellante). De in deze klacht vermelde motivatie van S. V. D. F. luidt als volgt (stuk 21 appellante) : "Mij systematisch isoleren van mijn collega's door mij te negeren. Door mijn directe oversten aan mijn lot overgelaten. Onterechte feitenverslagen over hetzij futiliteiten, hetzij beschuldigingen die niet worden bewezen, hetzij helemaal niet op feiten berusten maar op vermoedens. De laatste 2 feitenverslagen toevallig nadat mijn oversten weet hadden van het feit dat ik geslaagd was in de proeven voor hulpagent. Vroeger ongunstige evaluatie gekregen, gevolgd door een verbetertraject met éénzijdige en onvolledige verslagen. Bedreiging met mutatie. Van bij het begin van mijn tewerkstelling op Linkeroever discussie met vorige en huidige lokale werkleider over de berekening van de fietsvergoeding, waarbij door beide de normale procedure van toekenning werd genegeerd en ik rechtmatige fietsvergoeding niet heb ontvangen. Grove beschuldiging van fraude over de fietsvergoeding. Ophangen krantenartikel over een agent die betrapt was op fraude met zijn fietsvergoeding, waardoor op die manier ten aanzien van al mijn collega's mijn vermeende fraude daaraan werd gelinkt. Deze handeling wordt expliciet ook vermeld in één van de feitenverslagen. Ik ervaar dit als laster en eerroof. Als patrouille-collega kreeg ik een chef-waardeerder, terwijl ik voordien voor het overgrote deel alleen moest patrouilleren. Door deze ongewone situatie voel ik mij geviseerd. Door dit alles wordt de waardigheid van mijn persoon aangetast en wordt mijn werkomgeving bedreigend, beledigend en komt mijn huidige betrekking en mijn kandidatuur van hulpagent in gevaar. Over al deze feiten bestaat correspondentie met de dienstleiding, ondermeer mijn schriftelijke reactie op de feitenverslagen, correspondentie die ik u, indien u dit nodig acht, graag wil overmaken. Ook heb ik regelmatig beroep gedaan op de bedrijfspsycholoog J. Hermans en de S.T.O.P. omdat ik geen gehoor kreeg bij mijn dienstleiding. Uiteindelijk gaat mijn klacht over pestgedrag onder allerlei vormen die uitmondden in grove en officiële beschuldigingen van fraude, die ik beschouw als laster en eerroof en is ze gericht tegen de ganse dienstleiding van Buurttoezicht, zowel de lokale oversten als de coördinator".
  7. Verwijzend naar de nota van H.S. van 18 november 2004 en het verslag van 18 november 2004 van N.H., verzocht de Bedrijfsdirecteur van Sociale Zaken op 26 november 2004 van appellante om over te gaan tot het ontslag van S. V. D. F. (stuk 22 appellante). De STAD trof daarop de beslissing om S. V. D. F. over te plaatsen naar een recyclagepark, beslissing waartegen door S. V. D. F., verwijzend naar het Reglement op de Mobiliteit van de Statutaire en Contractuele Personeelsleden, op 9 december 2004 beroep werd ingesteld t.a.v. appellante (stuk 23 appellante). Sinds december 2004 werd S. V. D. F. gemuteerd naar de milieudienst van appellante, alwaar zij als administratief medewerkster tewerkgesteld bleef tot aan haar ontslag op 27 mei 2005 (zie verder, sub III.8.).
  8. In opvolging van de door S. V. D. F. ingediende klacht wegens pesterijen formuleerde preventieadviseur D.D.V. op 11 maart 2005 een advies (stuk 24 appellante). In dit advies kwam de preventieadviseur tot de besluitvorming dat de door S. V. D. F. in haar klacht vermelde feiten geen pesterijen zouden uitmaken in de zin van de toepasselijke regelgeving. In dit advies werd het als volgt geformuleerd : "-/- Samenvatting onderzoek: Het conflict draait tussen S.V.D.F. en haar dienstleiding rond haar functioneren. De pogingen van de dienstleiding om S.bij te sturen via gesprekken, waardering, overplaatsing, feitenverslagen worden door haar ervaren als pesten. De feiten dateren van 2001 tot heden. Het conflict escaleerde waardoor het onderlinge vertrouwen verdween en de samenwerking zo goed als onmogelijk werd. S.V.D.F. komt over als een plichtsbewust persoon die assertief optreedt tegenover collega's en dienstleiding. Zij komt op voor haar rechten en voor collega's en wenst verduidelijking en afspraken op papier. Als de conflicten binnen de dienst niet tot een oplossing kwamen deed zij beroep op andere instanties. Zo contacteerde zij de STOP-cel (Steunpunt Tegen Ongewenst gedrag en Pesterijen op het werk) en mede door hun bemiddeling werden tijdelijk gunstige resultaten bereikt. Zo ging de mutatie van Linkeroever naar Antwerpen-Noord niet door en werd een onvoldoende waardering via verbetertraject omgebogen tot een gunstige waardering. De dienstleiding heeft steeds geprobeerd de conflicten met S. op te lossen. Hun gedrag was soms onheus en geïrriteerd. De houding van S. maakte het hen niet gemakkelijk. Het optreden via feitenverslagen was niet enkel naar S. gericht. Ook collega's kregen feitenverslagen. Tussen de verschillende feiten, die door S. als pesten werden aangehaald, was geen systematiek terug te vinden. De klachten werden door de dienstleiding grondig weerlegd. Er werden meerdere pogingen ondernomen om de conflicten op te lossen. Om te kunnen oordelen of het hier over effectief pestgedrag gaat, moeten we de definitie van pesten bij de hand namen. De regelgeving rond OGW definiëert "Pesterijen op het werk" als elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren en eenzijdige geschriften en dat tot doel heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of andere personen waarop de bepalingen van de wet van toepassing zijn, bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. BESLUIT: Door dit formeel onderzoek kom ik tot het besluit dat het hier NIET gaat om pesterijen op het werk. Het soms geïrriteerd gedrag van de dienstleiding was niet onrechtmatig maar eerder ingegeven door verantwoordelijkheidszin en beroepsernst. Soms hadden emoties de bovenhand. Er werd tussen de aangehaalde feiten geen systematiek gevonden. Het evalueren en bijsturen van medewerkers hoort nu eenmaal bij het leidinggeven. Ik word hierin bijgetreden door de commissie ad hoc. AANBEVELINGEN/ Een verdere samenwerking tussen de dienstleiding en S.V.D.F. lijkt mij -mede door deze formele klacht- onmogelijk. Het vertrouwen is zwaar geschaad. Wel kan bekeken worden of er nog andere tewerkstelling mogelijk is. Haar huidige job (administratieve ondersteuning) wordt geapprecieerd. (ondertekend)" Dit advies werd aan S. V. D. F. ter kennis gebracht, waarna deze het advies contesteerde middels een aan de preventieadviseur gerichte brief van 7 april 2005 (stuk 25 appellante).
  9. Met een brief van 7 april 2005 meldde de vakbond aan appellante (aan M.K.) dat S. V. D. F. effectief lid was van de ACOD-delegatie binnen het basisoverlegcomité/Sociale Zaken (stuk 26 appellante)
  10. Middels een vertrouwelijke nota d.d. 18 april 2005 van preventieadviseur D.V., nam appellante kennis van het advies van de preventieadviseur, en van de opmerkingen die daarop door S. V. D. F. werden geformuleerd. In deze nota werd tevens vermeld (stuk 27 appellante) : "Artikel 4 Het college geeft opdracht aan : Dienst SZ Taak Te bekijken of er nog andere tewerkstelling mogelijk is".
  11. In zijn vergadering/zitting van 27 mei 2005 trof appellante de beslissing om S. V. D. F. met ingang van die dag (27/5/05) te ontslaan, mits uitbetaling van een verbrekingsvergoeding van 6 maanden loon(stuk 29 appellante). Deze ontslagbeslissing werd aan S. V. D. F. ter kennis gebracht met een brief van 27 mei 2005 (stuk 28 appellante). 9 S. V. D. F. betwistte het haar gegeven ontslag middels een aan appellante gerichte aangetekende brief van 15 juni 2005, en zij verzocht om haar reïntegratie (stuk 31 appellante). Ook de vakbond van S.V.D.F. (ABVV) verzocht in een brief van 21 juni 2005 appellante om een reïntegratie, erop wijzend dat er geen rekening werd gehouden met de ontslagbescherming die betrokkene genoot ingevolge de door haar ingediende klacht wegens pesterijen, en er eveneens op wijzend dat de richtlijnen bij afdanking van een vakbondsafgevaardigde in contractueel dienstverband niet werden nageleefd (stuk 33 appellante). Middels een aan de vakbond gerichte brief van 29 juli 2005 liet appellante weten niet in te gaan op het verzoek van S. V. D. F. tot reïntegratie (stuk 34 appellante).
  12. Met een brief van 30 augustus 2005 verzocht de vakbond van S. V. D. F. appellante om de betaling van een beschermingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon (9.899,00 EUR) wegens beweerde miskenning van de ontslagbescherming voorzien bij wet van 11 juni
  13. Tevens werd een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik gevorderd, ten belope van 5.000 EUR (stuk 35 appellante). Appellante betaalde het gevorderde niet, en een regeling of genoegdoening werd niet bereikt.
  14. Op 7 februari 2006 ging S. V. D. F. over tot dagvaarding van appellante bij de arbeidsrechtbank van Antwerpen, erop gericht om appellante te horen veroordelen tot: - de betaling van : - een bedrag van 9.899 EUR aan beschermingsvergoeding; - een bedrag van 5.000 EUR aan vergoeding rechtsmisbruik; - de wettelijke, de verwijl - minstens de vergoedende intresten en de gerechtelijke intresten; - de kosten van het geding. Tevens werd de uitvoerbaarheid bij voorraad van het uit te spreken vonnis gevorderd. Bij vonnis van 22 januari 2008 van de arbeidsrechtbank van Antwerpen werd: - de vordering van S. V. D. F. ontvankelijk en deels gegrond verklaard; - appellante veroordeeld tot betaling van een bedrag van 9.899 EUR als forfaitaire vergoeding gelijk aan zes maanden loon wegens inbreuk op de ontslagbescherming pesterijen op het werk, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre deze verschuldigd zijn, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 27 mei 2005 en met de gerechtelijke intrest vanaf 7 februari 2006 (deze intresten te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van het bruto toegekende bedrag); - de vordering van S. V. D. F. die ertoe strekte betaling te bekomen van een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht als zijnde ongegrond afgewezen; - appellante in de kosten verwezen; - de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis niet uitgesproken.
  15. Tegen dit vonnis van de arbeidsrechtbank van Antwerpen stelde appellante hoger beroep in bij dit hof. IV. EISEN IN HOGER BEROEP
  16. Appellante (appellante) vraagt om: In hoofdorde: - het beperkt hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - de vordering van S. V. D. F. ongegrond te verklaren; - het vonnis a quo te vernietigen voor zover de arbeidsrechtbank appellante veroordeeld heeft tot betaling van een vergoeding van 9.899 EUR, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 27 mei 2005 en met de gerechtelijke intrest vanaf 7 februari 2006 (intresten te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van het toegekende bedrag); - het vonnis a quo te bevestigen voor zover de vordering van S. V. D. F., ertoe strekkende betaling te bekomen van een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, af te wijzen; - S. V. D. F. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen; In ondergeschikte orde machtiging te bekomen om met alle middelen van recht te mogen bewijzen dat: - S. V. D. F. kennis had van ontslag vooraleer zij haar klacht indiende. Minstens alvorens recht te doen, aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vragen te stellen m.b.t. artikel 32 tredecies van de wet van 4 augustus 1996 en de verzoenbaarheid met de Grondwet, meer in het bijzonder de artikelen 10 en
  17. • Schendt artikel 32 tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de werknemers, dewelke een met redenen omklede formele klacht neerleggen vóór hun ontslag, doch waarna blijkt dat de feiten aangehaald niet bewezen zijn, minstens geen pesterijen uitmaken, recht hebben op de in artikel 32 tredecies voorziene ontslagbescherming (en ontslagvergoeding), terwijl de werknemers, die het slachtoffer zijn van pesterijen, doch die geen met redenen omklede formele klacht hebben kunnen neerleggen naar aanleiding van later bewezen pesterijen, geen aanspraak kunnen maken op de in artikel 32 tredecies voorziene ontslagbescherming en dit ondanks het feit dat zij wel degelijk gepest werden. • Schendt artikel 32 tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de werkgever die een werknemer ontslaat binnen de 12 maanden nadat laatstgenoemde een formele klacht indiende, gehouden is tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding begroot op 6 maanden bruto loon (behalve in het geval de werkgever kan aantonen dat er sprake is van misbruik van de procedure of dat het ontslag vreemd is aan de redenen zoals vermeld in de formele klacht) terwijl een gepeste werknemer, die de kans niet heeft gehad om een met redenen omklede klacht neer te leggen alvorens ontslagen te worden, geen recht heeft op de betaling van een forfaitaire schadevergoeding, begroot op 6 maanden bruto loon.
  18. Geïntimeerde (S. V. D. F.) vraagt om: In hoofdorde: - het hoger beroep van ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het vonnis a quo te bevestigen; - appellante te veroordelen tot betaling van een bedrag van 9.899 EUR aan beschermingsvergoeding wegens inbreuk op de ontslagbescherming, meer de wettelijke , de gerechtelijke - en de verwijl - minstens de vergoedende intresten vanaf 27 mei 2005; - appellante te veroordelen tot betaling van een bedrag van 555,6 EUR als vergoeding voor de door S. V. D. F. noodzakelijk gedragen lasten teneinde bijstand van de vakbondsafgevaardigde te kunnen bekomen, meer de gerechtelijke intresten; In ondergeschikte orde vraagt S. V. D. F. om overeenkomstig 877 Ger.W. alle verslagen en evaluaties van S. V. D. F. in het kader van haar tewerkstelling bij buurttoezicht bij te brengen . In uiterste ondergeschikte orde en voor zover S. V. D. F. wordt veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding deze te beperken tot het minimumbedrag van 500 EUR. V. BEOORDELING
  19. Inzake de door S. V. D. F. initieel opzichtens appellante ingestelde vordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, en de afwijzing van deze eis door de arbeidsrechtbank in het vonnis a quo, werd geen hoger beroep ingesteld, zodat dit aspect van de initiële vordering van S. V. D. F. thans in het kader van onderhavige beroepsprocedure uiteraard buiten beschouwing moet worden gelaten. In graad van beroep blijft de betwisting beperkt tot de door S. V. D. F. opzichtens appellante ingestelde vordering tot het bekomen van een schadevergoeding, wegens een aan appellante verweten schending van de ontslagbescherming die vervat ligt in de zogenaamde 'Pestwet'.
  20. Met 'Pestwet' wordt bedoeld, de bepalingen van de wet van 11 juni 2002 'betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk' (B.S. 22 juni 2002), waardoor een nieuw hoofdstuk 5bis (met als titel : "Bijzondere bepalingen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk") toegevoegd werd aan de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (de 'Welzijnswet'). Deze wet (en het erbij horende uitvoerings-K.B. van 11 juli 2002) is in werking getreden op 1 juli
  21. Na een evaluatie van de Pestwet achtte de wetgever het nadien nodig om bedoelde regelgeving op bepaalde punten, waaronder die van de formulering van wat als pesterijen op het werk wordt beschouwd, aan te passen, hetgeen gebeurde bij wetten van 10 januari 2007 en 6 februari 2007, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 juni
  22. Nu de datum van inwerkingtreding van deze gewijzigde bepalingen te situeren is na de feitelijkheden die aan de grondslag liggen van de rechtsvordering die door S. V. D. F. in onderhavige zaak werd ingesteld, dient de zaak te worden onderzocht in het licht van de vigerende wettelijke bepalingen zoals deze van toepassing waren vóór de vermelde wetswijzigingen. De alsdan relevante wettelijke bepalingen zijn de navolgende. Artikel 32ter van de Welzijnswet definieert pesterijen op het werk als volgt: "elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden en bedreigingen, handelingen en gebaren, en eenzijdige geschriften dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een ander persoon, waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd." Artikel 32terdecies van de Welzijnswet bevat bepalingen ter bescherming van de werknemer die een met redenen omklede klacht heeft ingediend bij de bevoegde instanties of die ondertussen een rechtsvordering heeft ingesteld: "§
  23. De werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het toezicht belaste ambtenaren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op grond van dit hoofdstuk, mag de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering. §
  24. De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht of het afleggen van de getuigenverklaring. Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever in geval van ontslag of eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. §
  25. Wanneer de werkgever de arbeidsverhouding beëindigt of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigt in strijd met de bepalingen van § 1, kan de werknemer, of de werknemersorganisatie waarbij hij is aangesloten, verzoeken hem opnieuw in de onderneming of de instelling op te nemen onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven. Het verzoek moet met een aangetekende brief gebeuren binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging zonder opzegging of van de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De werkgever moet zich binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving van de brief over het verzoek uitspreken. De werkgever die de werknemer opnieuw in de onderneming of de instelling opneemt of hem zijn functie onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven laat uitoefenen, moet het wegens ontslag of wijziging van de arbeidsvoorwaarden gederfde loon betalen alsmede de werkgevers - en werknemersbijdragen op dat loon storten. §
  26. Wanneer de werknemer na het in § 3, eerste lid bedoelde verzoek niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven kan uitoefenen en de rechter geoordeeld heeft dat het ontslag of de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van § 1, moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze van de werknemer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade; in laatstgenoemd geval moet de werknemer de omvang van de geleden schade bewijzen." Het (al dan niet vermeende) slachtoffer van pesterijen had krachtens de vigerende toepasselijke wettelijke bepalingen verschillende actiemogelijkheden (cf. artikelen 32nonies en 32decies Welzijnswet), met name : - het intern indienen van een klacht bij de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur; - het indienen van een klacht bij de politie, het Openbaar Ministerie of de Arbeidsauditeur ; - het instellen van een vordering tot staken voor de arbeidsrechtbank ; - het instellen van een vordering tot schadevergoeding. S. V. D. F. heeft gebruik gemaakt van de eerste en, nadat zij door appellante ontslagen werd, van de laatste van de aldus voorziene mogelijkheden. S. V. D. F. eist een forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden loon, op grond van de afweging dat appellante haar toch na haar klachtindiening ('Pestwet-klacht') in de beschermingsperiode ontslagen heeft, zonder dat door appellante werd aangetoond dat dit ontslag vreemd is aan de door S. V. D. F. ingediende klacht.
  27. Dat het ontslag gegeven werd in de 'beschermde periode' van één jaar na de klachtindiening staat hier onomstootbaar vast. S. V. D. F. diende een klacht wegens 'pesterijen op het werk' in bij de preventieadviseur op 25 november 2004, en werd door appellante ontslagen op 27 mei 2005 (waarna eveneens nog op 29 juli 2005 het verzoek tot reïntegratie verworpen werd door appellante), zijnde dus binnen de periode van één jaar na de klachtindiening.
  28. Appellante heeft aangevoerd dat de bedoelde ontslagbescherming hier niet van toepassing zou zijn omdat het niet ging om een "met redenen omklede klacht" in de zin van artikel 32terdecies § 1 van de Welzijnswet. Volgens appellante zouden de feiten die door S. V. D. F. in de formele klacht werden aangehaald niet bestaan, minstens niet als pesterijen kunnen worden gekwalificeerd, en zou er derhalve sprake zijn van een niet afdoende gemotiveerde klacht die van aard was aanleiding te geven tot de bescherming voorzien in de Welzijnwet. Het hof volgt dit standpunt van appellante niet. Artikel 32 terdecies van de Welzijnswet voorziet in een bescherming tegen represaille-ontslag. De ontslagbescherming vangt aan op het ogenblik dat de werknemer overeenkomstig de vigerende wetgeving "een met redenen omklede klacht" heeft ingediend. Het begrip "met redenen omklede klacht" stond aanvankelijk, vóór de wetswijziging in 2007, niet nader omschreven in de Pestwet. Hieruit kan echter bezwaarlijk worden afgeleid dat het irrelevant zou zijn dat de ingediende klacht al dan niet verband houdt met het begrip 'pesterijen op het werk' zoals omschreven in artikel 32ter van de Welzijnswet. Het indienen van een louter 'formele' klacht, zonder afdoende inhoudelijke redengeving, volstaat om evidente redenen niet. De omgekeerde stellingname zou de poort tot eventuele misbruiken van het beschermingssysteem openzetten. Dat een 'Pestwet-klacht' "met redenen omkleed" moet zijn, werd overigens niet toevallig in de wet opgenomen. Tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de commissie voor sociale zaken in de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd ook reeds gesteld dat de ingediende klacht gemotiveerd moet zijn (Parl. St. Kamer, 2001-2002, 50-1583/005, P. 24 en 36). Indien men zich als werknemer op een wettelijk bepaald ontslagbeschermingssysteem wil beroepen, dan dienen in hoofde van deze werknemer uiteraard minimaal de initiële voorwaarden voor de toepasselijkheid van het beoogde beschermingssysteem gerealiseerd te zijn (vgl. Arbh. Antwerpen afd. Hasselt, 4 november 2008, O t/ T. VZW, A.R. nr. 2070281, onuitgegeven). Dit principe geldt uiteraard ook wanneer in het kader van de 'Pestwet' een klacht door de werknemer wordt ingediend. Ook dan moeten de initiële toepassingsvoorwaarden gerealiseerd zijn vooraleer het wettelijk beschermingsmechanisme in werking kan treden. In het licht van de door de 'Pestwet' beoogde doelstelling(en) is het begrip zelf van een "met redenen omklede klacht" vrij duidelijk. De met redenen omklede klacht is de klacht waarin een persoon verklaart dat hij het slachtoffer is van bepaalde feiten en waarbij hij vraagt dat een formele procedure wordt opgestart. Bij de aanduiding van de feiten moet het alsdan gaan om inhoudelijk afdoende geconcretiseerde gegevens. Het hof is van oordeel dat de formele klacht die op 25 november 2004 door S. V. D. F. werd ingediend, hieraan beantwoordt. Het hof verwijst hier op dienende wijze naar het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie, waarin dit op dezelfde wijze werd opgevat. Het hof treedt de aangewende overwegingen bij en maakt ze tot de zijne (cf. het advies, blz. 9- 10). De klacht van S. V. D. F. werd gericht aan de juiste persoon, namelijk de preventieadviseur en heeft deze ook bereikt. De preventieadviseur die wettelijk gezien over een specifieke beroepsbekwaamheid beschikt ten aanzien van deze problematiek, bevestigde zelf meerdere malen het formele karakter van de klacht van S. V. D. F.. De preventieadviseur spreekt met kennis van zaken aangezien hij gespecialiseerd is in de psycho-sociale aspecten van het werk en over de vaardigheden en de deskundigheid beschikt om de feiten die het voorwerp uitmaken van de klacht te beoordelen. De preventieadviseur nam tevens, samen met S. V. D. F., het initiatief om haar individueel klachtendossier samen te stellen. De klacht werd opgenomen in een document ad hoc zoals voorzien door artikel 13 lid 1 van het KB van 11 juni 2002, werd gedateerd en ondertekend door S. V. D. F. en de preventieadviseur, de heer D. De Voegt. In de bijlage van het document ad hoc werden de feitelijkheden aangevoerd die voldoende in tijd en ruimte omschreven zijn, en welke van die feiten kunnen worden toegeschreven aan welbepaalde personen. Die personen werden expliciet vermeld op het document ad hoc. Eén van die feitelijkheden wordt omschreven als de grove beschuldiging van fraude over de fietsvergoeding, een beschuldiging die ten onrechte werd geuit ten laste van S. V. D. F., wat trouwens niet wordt ontkend door APPELLANTE. Uit de formele klacht blijkt dat S. V. D. F. bereid was alle nuttige informatie te verschaffen die dienstig kon zijn bij de verdere afhandeling. Zij stelde uitdrukkelijk in haar geschreven klacht dat over al deze feiten correspondentie bestaat met de dienstleiding, onder meer de schriftelijke reactie van S. V. D. F. op de feitenverslagen. S. V. D. F. verwees tevens naar haar consultatie van de bedrijfspsycholoog, J. Hermans en S.T.O.P. De bemiddelingspogingen blijken tevens uit het advies van de preventieadviseur naar aanleiding van de klacht. Dit laatste is belangrijk, ook bij de beoordeling hieronder over het zogenaamde oneigenlijk gebruik van de klachtenprocedure. S. V. D. F. is niet over één nacht ijs gegaan toen ze klacht neerlegde. Met andere woorden, haar klacht is niet het eerste wapenfeit. In de sfeer van onbegrip die groeide en waarin door de werkgever veronderstellingen voor zekerheden werden genomen en sommige feiten steeds selectiever werden waargenomen, heeft S. V. D. F. toch pogingen ondernomen om eerst via bemiddeling opnieuw evenwicht te brengen binnen de stuk gelopen menselijke relaties, hetgeen de prioritaire bekommernis was van de wetgever bij het tot stand komen van de Pestwet. Er kan bezwaarlijk worden beweerd dat in de gegeven omstandigheden de klacht van S. V. D. F. zou verzanden in algemeenheden en dat zij hierdoor zou falen in haar aanvoeringslast die chronologisch de bewijslast voorafgaat. Kortom : de door S. V. D. F. op 25 november 2004 bij de preventieadviseur ingediende klacht wegens pesterijen op het werk is te bestempelen als een met redenen omklede klacht in de zin van artikel 32terdecies § 1 van de Welzijnswet, ten gevolge waarvan de in bedoelde wet voorziene ontslagbescherming begon te lopen. De andersluidende argumentatie van appellante faalt en wordt door het hof verworpen.
  29. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de door S. V. D. F. aangevoerde gegevens geen pesterijen uitmaken in de zin van artikel 32ter van de Welzijnswet, en dat S. V. D. F. bijgevolg niet zou kunnen genieten van de voorziene ontslagbeschermingsregeling en/of van de in artikel 32terdecies van de Welzijnswet voorziene forfaitaire ontslagvergoeding. Deze argumentatie faalt manifest. Artikel 32terdecies, § 1 van de Welzijnswet stelt letterlijk als principe voorop dat de werkgever de werknemer die een met redenen omklede klacht heeft ingediend (onder meer) de arbeidsverhouding niet mag beëindigen (behalve om redenen vreemd aan bedoelde klacht). De wet verbindt derhalve expliciet bedoelde ontslagbescherming aan het gegeven van het indienen van de klacht, zonder dat er daarbij dan op enigerlei wijze melding wordt gemaakt van het eventuele resultaat van de klachtopvolging. De werknemer geniet van de ontslagbescherming die hem wordt toegekend in het kader van de Welzijnswet, ongeacht het resultaat van de procedure die op basis van die klacht wordt gevoerd (cf. de Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst sexueel gedrag op het werk, Parl. St., Kamer, 50-1583/003, p. 10). De omstandigheid dat de preventieadviseur hier de feiten naderhand niet als pesterijen heeft weerhouden, is derhalve volstrekt irrelevant m.b.t. de ontslagbescherming die in het voordeel van de werknemer speelt en m.b.t. de terzake op de werkgever rustende bewijslast dat het ontslag vreemd zou zijn aan de klacht. Door te stellen dat vooreerst dient uitgemaakt te worden of er wel pesterijen zijn voordat de ontslagbeschermingsregeling zou kunnen spelen, voegt appellante een voorwaarde toe aan de wet die in de wet zelf niet is voorzien. Dergelijke door appellante toegevoegde voorwaarde kan niet in aanmerking worden genomen, aangezien het eigenlijke doel van de wettelijk voorziene ontslagbeschermingsregeling er juist door zou worden uitgehold. Het doel van de wettelijk voorgeschreven beschermingsperiode is er precies op gericht de sereniteit te behouden binnen het conflict en om te vermijden dat de werkgever zich bij wijze van represaille-maatregel (als reactie op de klachtindiening) wil ontdoen van de klachtindiener. Dat er door de preventieadviseur of, eventueel later, door de geadieerde rechter, mogelijk geen pesterijen worden weerhouden, neutraliseert op geen enkele wijze de bescherming en de beschermingsperiode, die voortvloeit uit de klachtindiening zelf. In de interpretatie van appellante wordt bedoelde bescherming en beschermingsperiode op onrealistische wijze verengd tot een marginaal fenomeen waarbij verkeerdelijk wordt voorbijgegaan aan de door de wetgever beoogde doelstelling, die erop gericht is om na de klachtindiening een serene afhandeling en opvolging van de pestwetklacht mogelijk te maken. Het andersluidende standpunt van appellante faalt en wordt verworpen.
  30. Om te kunnen ontsnappen aan de betaling van de door S. V. D. F. geëiste forfaitaire schadevergoeding, diende appellante hier aan te tonen dat het ontslag dat gegeven werd binnen de beschermde periode van één jaar na de klachtindiening, opgelegd werd om "redenen die vreemd zijn aan die klacht". Samen met de eerste rechter en het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat het bewijs daarvan niet geleverd werd door appellante. Het hof verwijst hier op dienende wijze naar de door het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijke advies daaromtrent vermelde redengeving, luidend als volgt (cf. het advies, blz. 12-13-14) (met appellante wordt appellante bedoeld ; met geïntimeerde wordt S. V. D. F. bedoeld) : "Het behoort tot de algemene regels van de civiele bewijsvoering dat partijen de elementen die ze tot staving van hun eis of van hun verweer inroepen, aanvoeren en bewijzen. De bewijslast kan omschreven worden als de op de procespartij rustende taak om de rechter zodanige bewijzen te verschaffen als nodig en voldoende zijn om tot een gefundeerd oordeel te komen over de feitelijke ondergrond van het geschil (Buyssens H., bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht, in, Actuele Problemen van het Arbeidsrecht, Maklu Uitgevers, Antwerpen, 1993, pag. 206). Appellante heeft derhalve de bewijslast van de feitelijke elementen die zij aanvoert, namelijk dat zij geïntimeerde heeft ontslagen om redenen vreemd aan de klacht. De bewijslast van appellante is de last die op haar rust om het bewijs van de betwiste feiten te leveren, wil zij niet afgewezen worden door de rechter (subjectieve bewijslast). Of de rechter het bewijs van de feiten (redenen vreemd aan de klacht) aanvaardt zal afhangen van het antwoord op de vraag of de door geïntimeerde betwiste feiten (redenen vreemd aan de klacht) voldoende vaststaan (objectieve bewijslast). Appellante bewijst in geen enkel opzicht dat het ontslag niets te maken heeft met de klacht van geïntimeerde. Integendeel zelfs, uit de beslissing tot ontslag (zitting 27 mei 2005 van het College van burgemeester en schepenen) blijkt dat de motivering van de beslissing gerelateerd is met de informele procedure en de formele klacht van geïntimeerde met betrekking tot de pesterijen. In de beslissing staat letterlijk: door het gebruik van de informele en formele klachtprocedure heeft S.V.D.F. de psychische integriteit van de betrokken leidinggevenden aangetast bij de uitvoering van hun werk. Die overweging spreekt voor zich en het getuigt van weinig intellectuele eerlijkheid om thans te beweren dat het één niets te maken heeft met het ander. Appellante zegt bijna letterlijk dat geïntimeerde obstructie pleegt door de weg van de bemiddeling en de formele klacht te bewandelen. Appellante doet vergeefse pogingen om het ontslag van geïtimeerde thans in een ander perspectief te willen plaatsen. Het blijft overigens gissen naar die zogenaamde feiten, vreemd aan de klacht. Op het formulier C 4 van 30 mei 2005 staat als juiste oorzaak van de werkloosheid: schenkt geen voldoening. De opgegeven reden is zo vaag dat appellante zich hierop bezwaarlijk kan steunen om aan te tonen dat de redenen van het ontslag vreemd zijn aan de klacht. De ongunstige evaluatie van geïntimeerde dateert van de periode 2002-2003 en kan dus niet in aanmerking komen voor de "onvoldoende" die zij krijgt op haar formulier C 4 van 30 mei
  31. Bovendien volgt er, later, in januari 2004 wel een gunstige beoordeling die vóór het tijdstip van het ontslag niet meer wordt gevolgd door een ongunstige evaluatie. Bovendien zijn er sedert haar mutatie naar de milieudiensten eind 2004 geen negatieve elementen meer bekend. Nochthans dateert het ontslag van één jaar en een half na die overplaatsing. De redenen vreemd aan de klacht kunnen dus hoogstens betrekking hebben op oude feiten waarvan het recentste dateert van oktober 2004: de zogenaamde fraude met de fietsvergoedingen, feiten die niet bewezen zijn en die, onder meer omwille van hun lasterlijke karakter doorslaggevend waren voor het initiatief van geïntimeerde om eerst de informele en later de formele procedure op te starten. Met andere woorden, sedert de laatste ongunstige evaluatie die betrekking heeft op de periode 2002-2003 en die begin 2004 wordt gevolgd door een gunstige evaluatie, zijn er geen bewezen ongunstige feiten bekend. De "oude" feiten kunnen bezwaarlijk ingeroepen worden door de werkgever als redenen voor het ontslag, vreemd aan de klacht: ze zijn overjaars en/of niet bewezen en hebben bovendien aanleiding gegeven tot valse beschuldiging en een misplaatste roddelcampagne. Bovendien hebben deze feiten wel degelijk verband met de klacht van geïntimeerde, meer nog, ze zijn er de oorzaak van dat er een klacht werd ingediend. Als het ontslag met die feiten verband houdt, dan kan men niet beweren dat ze vreemd zijn aan de klacht." Het hof treedt deze redengeving volledig bij, neemt ze over, en maakt ze tot de zijne. Verwijzend naar het voorgaande komt het hof tot de bevinding dat appellante niet slaagt in de op haar rustende bewijslast van haar stelling dat het aan S. V. D. F. gegeven ontslag (en de weigering tot reïntegratie) opgelegd werd om redenen die vreemd waren aan de 'pestwet-klacht'.
  32. Appellante heeft nog aangevoerd dat S. V. D. F. misbruik zou hebben gemaakt van de klachtprocedure, op de wijze zoals bepaald in artikel 6,7( van de Welzijnwet. De aanvoering door appellante dat bedoelde klacht door de preventieadviseur ongegrond werd verklaard, is echter geen element dat tot dergelijke conclusie vermag te leiden. Het uiteindelijke resultaat van de opvolging van de klacht is t.a.v. het feit van de klachtindiening zelf namelijk een posterieur gegeven dat niet van aard is om met terugwerkende kracht aan de klachtindiening een foutief karakter (in de zin van eventueel misbruik) te verlenen. De stelling van appellante dat er in hoofde van S. V. D. F. sprake zou zijn van een misbruik omdat zij wist dat zij zou worden ontslagen en via de klachtindiening zichzelf een beschermd statuut probeerde te verwerven, wordt niet door objectieve en/of objectiveerbare gegevens onderbouwd. Zoals hoger reeds werd vermeld (zie hiervoren, sub V.4.), is de formele klacht van S. V. D. F. niet uit de lucht komen vallen en heeft betrokkene ook reeds voorafgaand aan de klachtindiening structureel gezocht naar een oplossing van het conflict via bemiddeling (bedrijfspsycholoog en S.T.O.P.) zonder dat zulks het gewenste resultaat opleverde. De formele klachtindiening kadert in het geheel van deze voorgaanden en was/is als zodanig niets meer dan een volgende (niet onlogische) stap in het geheel der voorafgaande gebeurtenissen. In tegenstelling tot hetgeen appellante poneert, is het geenszins bewezen dat S. V. D. F. met haar klachtindiening geanticipeerd zou hebben op een nakend ontslag. Appellante beweert zulks wel, doch bewijst dit niet. De chronologie van de feiten spreekt overigens het standpunt van appellante tegen. De formele klachtindiening door S. V. D. F. vond plaats op 25 november
  33. Het is pas daags nadien, op 26 november 2004, dat Bedrijfsdirecteur van Sociale Zaken M.K. appellante verzocht om over te gaan tot het ontslag van S. V. D. F. (stuk 22 appellante). Het is niet gebleken dat S. V. D. F. voorafgaand aan haar klachtindiening op één of andere wijze van een beweerd voornemen van appellante om haar te ontslaan in kennis zou zijn gesteld. Dit is overigens niet mogelijk omdat op dat ogenblik (25 november 2004) de aanvraag daartoe zelfs nog niet was gedaan (deze aanvraag dateert, zoals gezegd, van 26 november 2004). De finale beslissing van appellante waarbij S. V. D. F. ontslagen werd, dateert van 27 mei 2005, en tussen de klachtindiening en het eigenlijke ontslag verliepen dus meer dan 7 maanden, periode gedurende dewelke S. V. D. F. nog overgeplaatst werd naar de milieudiensten van appellante waar zij alsdan nog 6 maanden (en klaarblijkelijk zonder noemenswaardige problemen) actief was. In het licht van deze gegevens komt het naar het oordeel van het hof op generlei wijze bewezen voor dat S. V. D. F. misbruik zou hebben gemaakt van de wettelijk gereglementeerde klachtprocedure en/of van de ermee samengaande beschermingsregeling. Het andersluidende standpunt van appellante wordt niet door bewijskrachtige gegevens onderbouwd, komt het hof onjuist voor, en wordt bijgevolg verworpen. In dit verband kan nog worden vermeld dat het daaromtrent door appellante geformuleerde (getuigen)bewijsaanbod, erop gericht "appellante toe te laten dit feit aan te tonen met alle middelen van recht", waarmee met "dit feit" dan bedoeld wordt "het feit dat Mevr. V. D. F. kennis had van ontslag vooraleer zij haar klacht indiende", niet voldoet aan de door artikel 915 Ger.W. vooropgestelde voorwaarden. Het door appellante vooropgestelde "te bewijzen feit" betreft op zich namelijk een mogelijke interpretatie die uit welbepaalde feitelijke gegevens zou kunnen worden afgeleid, maar slaat als zodanig niet op concrete feitelijke gegevens die via de zintuiglijke waarneming van eventuele getuigen zouden kunnen worden bevestigd. Het komt niet aan derden toe om zich over een eventuele interpretatie van mogelijke gegevens uit te spreken, appreciatie die enkel aan de geadieerde rechter toekomt. Op de wijze zoals door appellante geformuleerd, is bedoeld bewijsaanbod derhalve niet gericht op "bepaalde en ter zake dienende feiten" (cf. artikel 915 B.W.), en het hof staat het niet toe. Rest er nog op te merken dat het door appellante in het overwegende gedeelte van haar beroepsbesluiten (niet hernomen in het beschikkende gedeelte ervan) geformuleerde "voorbehoud tot het instellen van een vordering tot het bekomen van een schadevergoeding voor de schade die zij leed ingevolge de ten onrechte neergelegde klacht" (aanvullende beroepsconclusies van appellante, blz. 21), in genendele in aanmerking kan worden genomen als een via onderhavige procedure voor toewijzing vatbare eis.
  34. Appellante heeft het hof verzocht, "minstens alvorens recht te doen", om aan het Grondwettelijk Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen : 1) "Schendt artikel 32 tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de werknemers, dewelke een met redenen omklede formele klacht neerleggen vóór hun ontslag, doch waarna blijkt dat de feiten aangehaald niet bewezen zijn, minstens geen pesterijen uitmaken, recht hebben op de in artikel 32 tredecies voorziene ontslagbescherming (en ontslagvergoeding), terwijl de werknemers, die het slachtoffer zijn van pesterijen, doch die geen met redenen omklede formele klacht hebben kunnen neerleggen naar aanleiding van later bewezen pesterijen, geen aanspraak kunnen maken op de in artikel 32 tredecies voorziene ontslagbescherming en dit ondanks het feit dat zij wel degelijk gepest werden." 2) "Schendt artikel 32 tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de werkgever die een werknemer ontslaat binnen de 12 maanden nadat laatstgenoemde een formele klacht indiende, gehouden is tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding begroot op 6 maanden bruto loon (behalve in het geval de werkgever kan aantonen dat er sprake is van misbruik van de procedure of dat het ontslag vreemd is aan de redenen zoals vermeld in de formele klacht) terwijl een gepeste werknemer, die de kans niet heeft gehad om een met redenen omklede klacht neer te leggen alvorens ontslagen te worden, geen recht heeft op de betaling van een forfaitaire schadevergoeding, begroot op 6 maanden bruto loon." De inhoud van deze vraagstelling komt het hof niet overtuigend en evenmin terzake dienend voor. Ook hier verwijst het hof naar de door het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijk advies weergegeven redengeving, luidend als volgt (cf. het advies, blz. 16-17) (met appellante wordt appellante bedoeld) : " Volgens appellante is er sprake van een ongelijke behandeling tussen werknemers die een met redenen omklede klacht neerleggen en daardoor ontslagbescherming genieten en degenen die dat niet doen en daardoor geen ontslagbescherming genieten, wanneer later blijkt dat de eerste groep werknemers zich ten onrechte het slachtoffer van pesterijen achtte en de tweede groep wel degelijk werd gepest. Het openbaar ministerie is van oordeel dat het standpunt van appellante om deze zaak in een grondwettelijk perspectief te plaatsen een ongerijmde combinatie is van inventiviteit en irrelevantie. Appellante vergelijkt appelen met citroenen. Werknemers die na eventuele pesterijen een formele klacht neerleggen en zij die dat niet doen behoren tot een andere categorie en zijn in die optiek niet vergelijkbaar in een context van constitutionele schending. Het is een misverstand te denken dat juridische gelijkheid impliceert dat elke rechtsonderhorige in alle opzichten gelijk zal behandeld worden. De burger zelf heeft zijn vrije wil om al dan niet te opteren voor de ontslagbescherming die de Pestwet hem biedt. Dit keuzerecht is er voor elke werknemer die vindt dat hij het slachtoffer is van pesterijen en plaatst dus alle werknemers initieel in dezelfde positie ... van enige ongelijke behandeling is geen sprake. Het onderscheid in behandeling ontstaat maar nadat de werknemer zelf in alle vrijheid een keuze heeft gemaakt ... er is dus geen discriminatie. De toetsing van artikel 32 van de Welzijnswet aan de Grondwet begint met een onderzoek naar de vergelijkbaarheid van de personen die appellante in de door haar beweerde schending van artikel 10 en 11 van de Grondwet betrekt ... op zich al een eigenaardige benadering van de problematiek van de beweerde ongelijke behandeling omdat niet appellante zelf, maar een abstracte groep van werknemers als slachtoffer van de discriminatie wordt beoogd. In casu is het feitelijk aanknopingspunt van de norm, namelijk dat een abstracte groep van werknemers die geen formele klacht neerlegt niet is beschermd, de essentie van de onvergelijkbaarheid. Zelfs indien het hof van mening zou zijn dat de vergelijking toch opgaat en dat een constitutionele toetsing zich opdringt, dan nog kan er geen sprake zijn van een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel omdat de verschillende behandeling gesteund is op een wettig nagestreefde doelstelling van artikel 32, voornoemd, namelijk de bescherming van de werknemer die het aandurft om tegen zijn werkgever een formele klacht in te stellen. Het gemaakte onderscheid tussen de twee groepen van werknemers is bovendien objectief: het is gesteund op concrete elementen (formele klacht of niet) en is niet het resultaat van een persoonlijke (arbitraire) appreciatie. Het onderscheid is ook pertinent want het staat in redelijk verband met het nagestreefde doel: de bescherming van de van zijn werkgever economisch afhankelijke werknemer die door het neerleggen van de formele klacht het voortbestaan van zijn arbeidsbetrekking in het gedrang brengt. De gevolgen van de door de werknemer gemaakte keuze tussen klacht of geen klacht indienen is een onzeker gegeven. Het risico van een onzekere toekomst is nu eenmaal eigen aan het leven. De ongelijkheid die ontstaat door de beslissing al dan niet klacht in te stellen is een feitelijke ongelijkheid die (vrij) bepaald wordt door het gedrag van de werknemer zelf en die door de wet niet kan vermeden worden. Het elimineren van alle feitelijke ongelijkheden is niet alleen onmogelijk (het aantal feitelijke ongelijkheden is oneindig ...), maar ook zinloos en niet des menschen. De bestaande feitelijke ongelijkheden zijn de onafwendbare keerzijde van het respect van de rechtsstaat voor de individuele vrijheid van personen." Het hof treedt deze redengeving van het Openbaar Ministerie volledig bij en maakt ze tot de zijne. De gesuggereerde prejudiciële vraagstelling is hier niet zinvol en/of relevant en het hof gaat er niet op in.
  35. Concluderend : Nu daartoe alle voorwaarden vervuld blijken te zijn, is de door S. V. D. F. opzichtens appellante ingestelde vordering tot het bekomen van forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden loon, gesteund op de bepalingen van artikel 32terdecies van de Welzijnswet, voor toewijzing vatbaar. Op het cijfermatige vlak werd over de vordering van S. V. D. F., door haar in hoofdsom begroot op 9.899,00 EUR, geen betwisting aangevoerd door appellante. De vordering van S. V. D. F., zoals door haar begroot, is gegrond. Het vonnis a quo, waarin er op dezelfde wijze over geoordeeld werd, wordt, in zoverre aangevochten, door het hof bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond.
  36. Rest er in verband met de gerechtskosten op te merken dat appellante de 'in het ongelijk gestelde partij' is die in toepassing van artikel 1017, lid 1 Ger.W. tot de gerechtskosten wordt veroordeeld. S. V. D. F. (haar vertegenwoordiger/vakbondspleiter) heeft ter zitting verklaard afstand te doen van de door haar initieel geëiste vergoeding (555,60 EUR) inzake kosten van vertegenwoordiging door een vakbondspleiter. In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing. O P D I E G R O N D E N, Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, tweede kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn eensluidend schriftelijk advies waarvan door de heer advocaat-generaal P. V D B voorlezing werd gegeven op de openbare terechtzitting van 15 december
  37. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt, in zoverre aangevochten, het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 januari 2008, met inbegrip van de voor die aanleg toegepaste uitspraak over de gerechtskosten. Veroordeelt appellante in toepassing van artikel 1017, lid 1 Ger.W. tot de gerechtskosten van onderhavige beroepsprocedure bij het arbeidshof. Vereffent deze aan de zijde van appellante op 900 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van S. V. D. F. op 147,24 EUR betekeningskosten vonnis arbeidsrechtbank. Aldus gewezen door de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer K. LIPPENS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer L. LAUWERYSEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter par. 2 Ger.W.), en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in de buitengewone openbare terechtzitting van negenentwintig januari tweeduizend en tien. PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100129.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.