← België

ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100201.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100201.13 Rolnummer: 2008/AA/545 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2011-06-10 Raadplegingen: 362 - laatst gezien 2026-07-02 21:19 Fiche 1 Wanneer de overheid laattijdig uitvoering geeft aan een wettelijke bepaling, is zij in toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek gehouden tot betaling van schadevergoeding aan de partij die daardoor schade lijdt. De bekrachtiging bij wet met terugwerkende kracht van een koninklijk besluit herstelt de fout niet die bestaat in het laattijdig uitvoeren van de wettelijke bepaling. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - burgerlijk recht - overheidsaansprakelijkheid - bekrachtiging bij wet van een koninklijk besluit - geen herstel van laattijdige uitvoering Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Fiches 2 - 3 Wanneer de wetgever de Koning machtigt om de datum van inwerkingtreding van een wet te bepalen, en wanneer daarvoor geen termijn is bepaald, heeft de Koning in de regel de plicht om de datum van inwerkingtreding binnen een redelijke termijn te laten vallen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Federale uitvoerende macht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Federale uitvoerende macht - Koning - art. 85-95 Vrije woorden: Rechtwetenschap - recht - wetgeving - grondwet - publiek recht - niet tijdige uitvoering van een wettelijke bepaling - wet sluiting ondernemingen - artikel 10 Loonbeschermingswet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 108 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsreglementering - bescherming van het loon - publiek recht - niet tijdige uitvoering van een wettelijke bepaling - wet sluiting ondernemingen - artikel 10 Loonbeschermingswet Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet - 26-06-2002 - 82 - 55 ELI link Pub nr 2002012847 Nota: I B - IJ N - III H Gerangschikt onder I B - artikel 1382, onder I JN - artikel 108 en onder III H - artikel 10 (verschillende korte inhouden). Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 1, blz. 15-19 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2008/AA/545 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TIEN D B S, appellante, vertegenwoordigd door mr. M. Van Reybrouck, advocaat te 1050 Brussel, tegen :

  1. J D, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. P. Bernaerts loco mr. E. Vervaeke, advocaat te 2000 Antwerpen,
  2. NV , mede in hoger beroep opgeroepen partij, met als raadsman mr. J. Van Raemdonck loco mr. P. François, advocaat te 1170 Brussel. Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING - het eensluidend verklaard afschrift van het op 4 april 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het eensluidend verklaard afschrift van het op 10 juli 2006 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het eensluidend verklaard afschrift van het op 2 september 2008 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 oktober 2008, - de beschikking d.d. 2 december 2008, - de conclusie van de heer D, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 januari 2009, - de conclusie van de B S, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 28 mei 2009, - de conclusie van de heer D, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 24 juni 2009, - de verbeterende beschikking d.d. 2 oktober 2009, - de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 1 december 2008 en 4 januari
  3. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 16 november 2004, vorderde de heer D op de inleidingszitting in toepassing van artikel 735 Ger.W. de veroordeling van de NV , hierna genoemd de NV, tot betaling van: - 143.352,44 EUR provisioneel opzegvergoeding - 4.005,75 EUR pro rata dertiende maand - 614,48 EUR vakantiegeld einde dienst hierop - 1.696,17 EUR enkel en dubbel vakantiegeld einde dienst, vakantiejaar 2004 - 8.957,57 EUR enkel en dubbel vakantiegeld einde dienst, (vakantiejaar 2005), vermeerderd met de wettelijke, minstens de verwijl-, allerminst de vergoedende intresten sedert 1 oktober 2004 en met de gerechtelijke intresten vanaf heden tot op de dag der algehele betaling. Tevens vorderde de heer D op de inleidingszitting de NV te veroordelen tot afgifte van de sociale documenten (de fiscale fiche, de loonfiches en een formulier C4) onder verbeurte van een dwangsom van 125,00 EUR per document, per dag vertraging bij gebreke aan vrijwillige afgifte ervan binnen de 8 dagen te rekenen vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis. Om daarna verder te oordelen over de overige posten van de vordering en bijgevolg de NV te veroordelen tot het betalen van: - 332.722,19 EUR opzegvergoeding - 12.000,00 EUR provisioneel bonus 2004 - 1.840,80 EUR vakantiegeld einde dienst hierop, vermeerderd met de wettelijke, verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 1 oktober 2004 en met de gerechtelijke intresten vanaf heden. Ten slotte vorderde de heer D de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 7 maart 2005 vorderde de NV de vordering van de heer D ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. Met vonnis van 4 april 2005 werd de NV veroordeeld tot betaling van: - 121.988,44 EUR provisioneel opzeggingsvergoeding, - 1.696,17 EUR saldo vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2003 - vakantiejaar 2004, - 8.957,57 EUR saldo vakantiegeld voor het vakantiedienstjaar 2004 - vakantiejaar 2005, verminderd met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, in zoverre verschuldigd en vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 1 oktober 2004 en met de gerechtelijke intresten vanaf 16 november 2004, intresten te berekenen op het netto opeisbare gedeelte van de toegekende bedragen. De overige onderdelen van de vordering werden naar de bijzondere rol verzonden in afwachting van verdere instaatstelling door de partijen. De beslissing inzake de kosten werd aangehouden en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Met dagvaarding in gedwongen tussenkomst, betekend op 15 april 2005, vorderde de heer D BS tussen te komen in het geding hangende voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen, tussen de heer D en de NV. De heer D vorderde BS te veroordelen tot het betalen van 10.000,00 EUR provisioneel schadevergoeding. Ten slotte vorderde de heer D BS te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 27 september 2005 vorderde BS de vordering van de heer D ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, de heer D ervan af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 30 september 2005 handhaafde de NV haar vordering, maar vorderde de vordering tot vrijwaring van de NV tegen BS ontvankelijk en gegrond te verklaren, in zoverre de NV veroordeeld zou worden om de intresten op de verschuldigde bedragen te berekenen op het bruto van deze bedragen. Tevens vorderde de NV de heer D te veroordelen tot de helft van de kosten van het geding. Met conclusie van 30 november 2005, herhaald bij conclusie van 1 december 2005, vorderde de heer D met betrekking tot de hoofdvordering de NV te veroordelen tot het betalen van: - 183.063,62 EUR provisioneel saldo opzegvergoeding, - 4.005,75 EUR pro rata eindejaarspremie 2004, - 614,48 EUR vakantiegeld einde dienst hierop, - 12.000,00 EUR provisioneel bonus 2004, minstens schadevergoeding, - 1.840,80 EUR vakantiegeld einde dienst hierop, vermeerderd met de wettelijke, verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 1 oktober 2004 en met de gerechtelijke intresten vanaf 16 november 2004 tot op de dag der algehele betaling. Tevens vorderde de heer D de NV te veroordelen tot het betalen van de verschuldigde intresten: - 1.082,69 EUR op het reeds betaalde saldo opzegvergoeding t.b.v. 26.705,00 EUR - 868,35 EUR op het vakantiegeld einde dienst. Ten slotte vorderde de heer D de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. Met betrekking tot de vordering in gedwongen tussenkomst vorderde de heer D BS te veroordelen tot het betalen van 10.000,00 EUR provisioneel schadevergoeding en BS te veroordelen tot de kosten van het geding. Met conclusie van 30 december 2005 vorderde de NV de vordering van de heer D ontvankelijk, doch slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren. De NV vorderde haar tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens de heer D te veroordelen tot het betalen van 42.602,92 EUR vergoeding. Tevens vorderde de NV de heer D te veroordelen tot het betalen van 1,00 EUR provisioneel terugbetaling in de kosten van het verder gebruik van diverse bedrijfsgoederen. De NV vorderde de vordering tot vrijwaring van de NV tegen BS ontvankelijk en gegrond te verklaren, in zoverre de NV veroordeeld zou worden om de intresten op de verschuldigde bedragen te berekenen op het bruto van deze bedragen en bijgevolg BS te veroordelen tot het betalen van 1,00 EUR provisioneel schadevergoeding. Ten slotte vorderde de NV de heer D te veroordelen tot de helft van de kosten van het geding. Met conclusie van 28 februari 2006 vorderde de heer D met betrekking tot de hoofdvordering: *de NV te veroordelen tot het betalen van: - 180.239,63 EUR provisioneel saldo opzegvergoeding - 614,48 EUR vakantiegeld einde dienst op pro rata eindejaarspremie 2004 - 12.000,00 EUR provisioneel bonus 2004, minstens schadevergoeding - 1.840,80 EUR vakantiegeld einde dienst hierop, vermeerderd met de wettelijke, verwijl-, minstens de vergoedende intresten vanaf 1 oktober 2004 en met de gerechtelijke intresten vanaf 16 november 2004 tot op de dag der algehele betaling *tevens de NV te veroordelen tot betaling van de verschuldigde intresten, becijferd op de reeds uitbetaalde brutobedragen: - 15.915,14 EUR op de reeds betaalde opzegvergoeding - 521,01 EUR op het reeds betaalde vakantiegeld einde dienst - 195,90 EUR op de reeds betaald eindejaarspremie 2004 *minstens de NV te veroordelen tot het betalen van de verschuldigde intresten, becijferd op de reeds uitbetaalde nettobedragen: - 8.658,74 op de reeds betaalde opzegvergoeding - 305,51 EUR op het reeds betaalde vakantiegeld einde dienst - 104,97 EUR op de reeds betaald eindejaarspremie 2004 waarop vervolgens het reeds uitbetaalde nettobedrag van 42.602,92 EUR in mindering mag worden gebracht *de NV te veroordelen tot de kosten van het geding. Met betrekking tot de vordering in gedwongen tussenkomst vorderde de heer D BS te veroordelen tot het betalen van 12.877,22 EUR provisioneel schadevergoeding en BS te veroordelen tot de kosten van het geding. De heer D vorderde de tegenvordering van de NV ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de NV ervan af te wijzen. In ondergeschikte orde vorderde de heer D akte te verleen dat hij zich het recht voorbehoud om verder te concluderen omtrent de cijfers. Met conclusie van 15 maart 2006 handhaafde de NV haar vorderingen, maar preciseerde de vordering tot terugbetaling in de kosten van het verder gebruik van de bedrijfswagen op 9.477,00 EUR. Met vonnis van 10 juli 2006 beslisten de eerste rechters: met betrekking tot de hoofdvordering - dat het resterende gedeelte van de vordering van de heer D ontvankelijk en in volgende mate gegrond is: *de NV werd veroordeeld tot het betalen van : -180.239,62 EUR bruto saldo opzeggingsvergoeding -614,48 EUR bruto vakantiegeld einde dienst op de pro rata eindejaarspremie -2004, verminderd met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 1 oktober 2004 en met de gerechtelijke intresten vanaf 16 november 2004, intresten te berekenen op het netto-opeisbaar gedeelte van de toegekende bedragen *er werd gezegd voor recht dat op voormelde bedragen saldo opzeggingsvergoeding en vakantiegeld einde dienst een reeds betaald bedrag van 42.602,92 EUR netto in mindering mag gebracht worden *de NV werd veroordeeld tot het betalen van de intresten op de reeds uitbetaalde netto bedragen, becijferd als volgt: 3.293,68 EUR intresten op de betaalde opzeggingsvergoeding 40,10 intresten op de betaalde pro rata eindejaarspremie 305,51 EUR intresten op het betaalde vakantiegeld einde dienst *alvorens recht te doen met betrekking tot het resterend gedeelte van de hoofdvordering dat betrekking heeft op de bonus voor het jaar 2004 en het hierop verschuldigde vakantiegeld einde dienst, werd de heropening van de debatten bevolen teneinde de NV toe te laten de bonusregeling, van kracht voor haar werknemers in het jaar 2004, voor te brengen en haar toe te laten aan de hand van cijfermatige gegevens, gestaafd door de nodige stukken, aan te tonen of en in welke mate de heer D de vooropgestelde persoonlijke objectieven voor het jaar 2004 bereikte en desgevallend het bedrag van de verschuldigde premie te berekenen *wat de hoofdvordering betreft de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis, niettegenstaande elke voorziening, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement voor de bedragen die de NV in conclusies erkent verschuldigd te zijn, meer bepaald 118.781,48 EUR bruto aanvullende opzeggingsvergoeding, werd bevolen te verminderen met een reeds betaald bedrag van 42.602,92 EUR netto, 3.294,68 EUR intresten op de betaalde opzeggingsvergoeding, 40,10 EUR intresten op de betaalde pro rata eindejaarspremie en 305,51 EUR intresten op het betaalde vakantiegeld einde dienst. met betrekking tot de tegenvordering - de tegenvordering werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. met betrekking tot de vordering in gedwongen tussenkomst van de heer D ten aanzien van BS - de vordering in gedwongen tussenkomst werd ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaard: *BS werd veroordeeld tot het betalen aan de heer D van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke intresten vanaf 1 oktober 2004 en de gerechtelijke intresten vanaf 16 november 2004 tot op de dag van betaling, intresten te berekenen op de bruto bedragen toegekend ingevolge het tussenvonnis van 4 april 2005 alsmede ingevolge onderhavig vonnis van opzeggingsvergoeding en vakantiegeld einde dienst, alsmede op het bruto bedrag vrijwillig betaald pro rata eindejaarspremie, bedragen verschuldigd door de NV, onder aftrek van het bedrag aan intresten op de met voormelde bruto bedragen overeenstemmende netto bedragen, te betalen door de NV *Er werd 305,51 EUR provisioneel schadevergoeding toegekend. *Vooraleer recht te preken over het definitief bedrag van schadevergoeding gelijk aan de gederfde intresten op de uitbetaalde bedragen van opzeggingsvergoeding en de pro rata eindejaarspremie, werd de heropening der debatten bevolen teneinde de heer D toe te laten een herberekening uit te voeren van de door hem gederfde intresten gelijk aan het verschil tussen de intresten op de bruto bedragen en deze op de netto bedragen, rekening houdend met de opmerkingen ter zake in het motiverend gedeelte van onderhavig vonnis. *er werd voor recht gezegd dat er geen reden bestaat om de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te bevelen wat de vordering in gedwongen tussenkomst betreft. met betrekking tot de vordering in vrijwaring van de NV ten aanzien van BS - deze in ondergeschikte orde geformuleerde vordering in vrijwaring werd zonder voorwerp verklaard. De beslissing betreffende de kosten werd aangehouden. Met conclusie van 5 juni 2007 vorderde de heer D en de NV akte te verlenen van het tussen hen bereikte akkoord aangaande de bonus voor het jaar 2004, het hierop verschuldigde vakantiegeld einde dienst, de intresten op de bonus en aangaande de gerechtskosten en voor recht te zeggen dat deze delen van de vordering van de heer D lastens de NV zonder voorwerp zijn geworden. Met conclusie van 6 juli 2007 handhaafde de heer D zijn vordering van de conclusie van 5 juni 2007, maar vorderde BS te veroordelen tot het betalen van 19.152,01 EUR schadevergoeding vermeerderd met de gerechtelijke intresten sedert 15 april 2005 tot op de dag der algehele betaling en met de kosten van het geding. Met conclusie van 15 januari 2008, herhaald bij conclusie van 16 januari 2008, vorderde BS gelet op het tussenvonnis te zeggen voor recht dat de intresten die de heer D zou hebben gederfd, hoogstens een bedrag kunnen uitmaken van 18.393,95 EUR en kosten als naar recht. Met vonnis van 2 september 2008 beslisten de eerste rechters: met betrekking tot het resterende gedeelte van de hoofdvordering aangaande de bonus voor het jaar 2004 en het hierop verschuldigde vakantiegeld: - er werd akte verleend aan de heer D en de NV van het tussen hen bereikte akkoord aangaande de bonus voor het jaar 2004, het hierop verschuldigde vakantiegeld einde dienst, de intresten op de bonus en de gerechtskosten, dat het voorwerp uitmaakt van een dading die tussen voornoemde partijen werd afgesloten op 7 mei 2007 en waarbij de NV zich ertoe verbonden heeft volgende bedragen te betalen aan de heer D: -7.500,00 EUR bruto bonus voor 2004, onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing -1.150,50 EUR bruto vakantiegeld bij uitdiensttreding op de bonus voor 2004, onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing -468,79 EUR intresten op het nettobedrag van de bonus voor 2004 -129,60 EUR dagvaardingskosten -218,64 EUR rechtsplegingsvergoeding. - er werd gezegd voor recht dat ingevolge voormeld akkoord het resterende gedeelte van de vordering van de heer D ten aanzien van de NV zonder voorwerp is geworden. met betrekking tot de vordering in gedwongen tussenkomst: - BS werd veroordeeld tot betaling aan de heer D van 18.088,44 EUR schadevergoeding vermeerderd met de gerechtelijke intresten sedert 15 april
  4. - de kosten van de vordering in gedwongen tussenkomst werden ten laste van BS gelegd. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met conclusie van 28 mei 2009 vordert BS het hoger beroep ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren en opnieuw rechtsprekend de vordering van de heer D opzichtens BS af te wijzen en hem te veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten. Met conclusie van 24 juni 2009 vordert de heer D het hoger beroep van BS onontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren, BS ervan af te wijzen en te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID De heer D voert aan dat het hoger beroep van BS tegen het vonnis van 10 juli 2006 niet ontvankelijk is, omdat hij in dat vonnis stilzwijgend zou hebben berust. Die berusting zou blijken uit het feit dat BS het principe van zijn gehoudenheid tot betaling van schadevergoeding, zoals vastgelegd in het vonnis van 10 juli 2006, niet meer heeft betwist en haar instemming daarmee zou hebben betuigd. Dit zou blijken uit de omstandigheid dat BS in zijn voor de eerste rechters genomen conclusies van 15 januari 2008 en van 15 april 2008 gevorderd heeft te zeggen voor recht dat de intresten die de heer D zou hebben gederfd hoogstens een bedrag kunnen uitmaken van euro 18.393,95 en ook "kosten als naar recht" (?) heeft gevorderd. Bovendien werd nergens voorbehoud geformuleerd over de principiële veroordeling tot betaling van schadevergoeding aan de heer D, maar er werd enkel geconcludeerd over de hoegrootheid van de aan de heer D toekomende schadevergoeding. Het arbeidshof kan de visie van de heer D evenwel niet delen. De stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing kan immers alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vast en ondubbelzinnig voornemen heeft haar instemming te betuigen met de gewezen beslissing. (Cass.. 18 september 2009, C.08.0038.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090423.5, www.juridat.be, op datum; Cass. 23 april 2009, C.08.0038.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090423.5, www.juridat.be, op datum) Afstand van een recht, met name van het recht om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een gerechtelijke beslissing en van het recht om over het substantiële recht te beschikken dat de grondslag ervan vormt, moet zo strikt mogelijk worden uitgelegd en kan alleen worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn. Er kan geen sprake zijn van een berusting in een vonnis of een arrest indien er nog een andere mogelijke verklaring zou bestaan voor het gedrag van een partij. Er kan in die optiek maar sprake zijn van een vast voornemen om in de uitspraak te berusten indien alternatieve verklaringen kunnen worden uitgesloten. (conclusie adv.-gen. DIRK THIJS, vóór Cass. 22 juni 2007, C.04.0189.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.2, www.juridat.be, op datum. Cass. 25 april 2002, C.00.0373.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8, www.juridat.be, op datum) De door de heer D aangevoerde feiten en omstandigheden doen niet blijken van het vaste en ondubbelzinnige voornemen van BS om zijn instemming met de principiële gehoudenheid tot betaling van schadevergoeding zoals die beslist was door het vonnis van 10 juli
  5. In het vonnis van 10 juli 2006 hadden de eerste rechters immers het debat heropend om de heer D toe te laten het definitief bedrag ten titel van schadevergoeding gelijk aan de gederfde intresten op de uitbetaalde bedragen te laten herberekenen. Wanneer BS in het kader van dit debat verweer heeft gevoerd op de wijze zoals hiervoor omschreven, doet dit niet blijken van zijn ondubbelzinnige instemming met het in dat vonnis uitgesproken principiële veroordeling tot betaling van schadevergoeding. Het hoger beroep tegen voormeld vonnis is dus wel degelijk ontvankelijk. Verder voert de heer D nog aan dat BS geen belang heeft bij het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 2 september 2008, nu dit vonnis BS enkel veroordeelde tot betaling van het door haar niet betwiste bedrag. Ook die visie kan het arbeidshof niet delen. Het is niet omdat BS in zijn conclusies genomen in uitvoering van het vonnis van 10 juli 2006 heeft gevorderd "te zeggen voor recht dat de intresten die de heer D zou hebben gederfd hoogstens een bedrag kunnen uitmaken van euro 18.393,95", dat hij daarmee zou aanvaard hebben dat hij dat bedrag als schadevergoeding verschuldigd was aan de heer D, zodat hij geen belang meer had om nog hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis waarbij hij uiteindelijk tot betaling van dat bedrag werd veroordeeld. De heer D gaat hierbij overigens uit van de door het arbeidshof foutief bevonden premisse dat BS stilzwijgend had berust in het vonnis van 10 juli 2006, waarbij de principiële gehoudenheid van BS tot betaling van schadevergoeding wegens het laattijdig uitvoeren van een wettelijke bepaling was aanvaard. Het hoger beroep tegen het vonnis van 2 september 2008 is derhalve eveneens toelaatbaar. V. TEN GRONDE
  6. De feiten De heer D trad met ingang van 3 mei 1966 in dienst van de NV , de rechtsvoorganger van de NV, ingevolge een geschreven arbeidsovereenkomst dd. 26 april 1966 (stuk 1 van de heer D) Op 1 oktober 2004 werd de heer D ontslagen door de NV. Op 16 november 2004 ging de heer D over tot dagvaarding van de NV in betaling van een opzeggingsvergoeding, een pro rata eindejaarspremie 2004, vakantiegeld einde dienst en een bonus voor het jaar
  7. In een tussenvonnis dd. 4 april 2005 werd de NV veroordeeld tot betaling van een provisionele opzeggingsvergoeding ten belope van 121.988,44 EUR enerzijds en vakantiegeld einde dienst ten belope van 1.696,17 EUR en 8.957,57 EUR anderzijds. Dit tussenvonnis werd op 7 juni 2005 betekend aan de NV (stuk 5 van de heer D) en is inmiddels in kracht van gewijsde getreden. Hoewel intresten gevorderd waren op de brutobedragen, kende de arbeidsrechtbank slechts intresten toe op de toegekende nettobedragen. Op 15 april 2005 ging de heer D dan over tot dagvaarding van BS in gedwongen tussenkomst en betaling van een schadevergoeding provisioneel begroot op 10.000,00 EUR, omdat BS gedurende meer dan twee en een half jaar had nagelaten uitvoering te geven aan de artikelen 81 en 82 van de Wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, ingevolge dewelke, met ingang op een door de Koning te bepalen datum, de verschuldigde intresten conform artikel 10 van de Loonbeschermingswet te berekenen waren op de brutobedragen, in plaats van op de nettobedragen. Hangende deze procedure voor de Arbeidsrechtbank, gaf BS, bij K.B. van 3 juli 2005, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2005, gedeeltelijk uitvoering aan de Wet van 26 juni
  8. Voormeld K.B. bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de Wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli
  9. Deze wijzigende bepalingen zijn van toepassing op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  10. Bij tussenvonnis dd. 10 juli 2006 werd de NV veroordeeld om aan de heer D te betalen: - Opzeggingsvergoeding 180.239,62 EUR - Vakantiegeld einde dienst op pro rata eindejaarspremie 2004 614,48 EUR beide bedragen te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderden met de wettelijke intresten vanaf 1 oktober 2004 en met de gerechtelijke intresten vanaf 16 november 2004, intresten te berekenen op het netto opeisbare gedeelte van de toegekende vorderingen. Tevens zegde de arbeidsrechtbank voor recht dat op bovenvermelde bedragen een reeds betaald bedragen van 42.602,92 EUR netto in mindering moet worden gebracht. Daarnaast werd de NV veroordeeld tot betaling van de intrest op de reeds uitbetaalde nettobedragen, becijferd als volgt: - Intresten op de betaalde opzeggingsvergoeding 3.293,68 EUR - Intresten op de betaalde pro rata eindejaarspremie 40,10 EUR - Intresten op het betaalde vakantiegeld einde dienst 305,51 EUR De arbeidsrechtbank beval tot slot de heropening van de debatten voor wat betreft de bonus voor het jaar 2004 en het hierop verschuldigde vakantiegeld einde dienst. Met betrekking tot de vordering in gedwongen tussenkomst van de heer D ten aanzien van BS veroordeeld de arbeidsrechtbank BS tot betaling aan de heer D van een schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de wettelijke intresten vanaf 1 oktober 2004 en de gerechtelijke intresten vanaf 16 november 2004 tot op de dag van betaling, intresten te berekenen op de brutobedragen toegekend ingevolge tussenvonnis van 4 april 2005 alsmede ingevolge onderhavig vonnis ten titel van opzeggingsvergoeding en vakantiegeld einde dienst, alsmede op het brutobedrag vrijwillig betaald ten titel van pro rata eindejaarspremie, bedragen verschuldigd door de NV, onder aftrek van het bedrag aan intresten op de met voormelde brutobedragen overeenstemmende nettobedragen, te betalen door de NV. Ten provisionele titel werd reeds een schadevergoeding toegekend van 305,51 EUR. Tot slot beval de arbeidsrechtbank, vooraleer recht te spreken aangaande het definitief bedrag ten titel van schadevergoeding, de heropening der debatten teneinde de heer D toe te laten een herberekening uit te voeren van de door hem gederfde intresten gelijk aan het verschil tussen de intrest op de brutobedragen en deze op de nettobedragen, rekeninghoudend met de opmerkingen terzake in het motiveren gedeelte van het bovenvermelde vonnis. In dit vonnis werd berust, zowel door de heer D, de NV, als door BS. Op 7 mei 2007 werd er tussen de heer D en de NV een dading ondertekend waarbij de NV zich ertoe verbond aan de heer D nog te betalen: -7.500,00 EUR ten titel van bruto bonus voor 2004 -1.150,50 EUR ten titel van bruto vakantiegeld einde dienst op de bonus van 2004 -468,79 EUR ten titel van intresten op het nettobedrag van de bonus voor 2004 -129,60 EUR ten titel van dagvaardingskosten -218,64 EUR ten titel van rechtsplegingsvergoeding. Op 5 juni 2007 werd er een conclusie neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank waarbij door de heer D en de NV gevraagd werd akte te verlenen aan het tussen hen bereikte akkoord aangaande de bonus voor het jaar 2004, het hierop verschuldigde vakantiegeld einde dienst, de intresten op deze bonus en aangaande de gerechtskosten en te zeggen voor recht dat deze delen van de vordering van de heer D lastens de NV zonder voorwerp zijn geworden. Met betrekking tot de schadevergoeding lastens BS becijferde de heer D, rekeninghoudende met de opmerkingen van de arbeidsrechtbank vanuit het tussenvonnis dd. 10 juli 2006, in zijn op 6 juli 2007 ter griffie neergelegde conclusie dat het verschil tussen de intresten berekend op de brutobedragen enerzijds en op de nettobedragen anderzijds, 19.152,01 EUR bedroeg. BS concludeerde tot twee maal toe (15 januari en 15 april 2008) dat de intresten die de heer D zou hebben gederfd, hoogstens een bedrag kunnen uitmaken van 18.393,95 EUR in plaats van de door de heer D gevorderde 19.152,01 EUR. In het eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen dd. 2 september 2008 werd er met betrekking tot het resterende gedeelte van de hoofdvordering akte verleend aan het tussen de heer D en de NV bereikte akkoord en werd er voor recht gezegd dat het resterende gedeelte van de vordering van de heer D ten aanzien van de NV zonder voorwerp was geworden. Met betrekking tot de vordering in gedwongen tussenkomst werd BS conform de inhoud van haar eigen conclusies veroordeeld tot betaling aan de heer D van een schadevergoeding ten belope van 18.088,44 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest sedert 15 april 2005 en met de kosten van het geding. BS tekende hoger beroep aan tegen zowel het tussenvonnis dd. 10 juli 2006, als tegen het eindvonnis dd. 2 september
  11. De beoordeling 2.
  12. de aansprakelijkheid van BS voor het laattijdig uitvoeren van een wettelijke bepalingen De heer D vordert betaling van een schadevergoeding, bestaande in het verschil tussen intrest op bruto loonbedragen en netto loonbedragen waarop hij gerechtigd was, omdat BS nagelaten heeft binnen een redelijke termijn uitvoering te geven aan artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. De heer D gaat ervan uit dat, indien BS binnen redelijke termijn uitvoering had gegeven aan artikel 82 van voornoemde wet, hij aanspraak had kunnen maken op de betaling van intrest op het hem toekomende bruto loon in de zin van de Loonbeschermingswet en niet enkel op de daarmee overeenstemmende nettobedragen. Samengevat voert BS aan dat hij niet nalatig geweest is bij het doen in werking treden van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen omdat: * de wetgever zélf geen termijn heeft bepaald binnen dewelke de wet in werking moest treden * de bepalingen van de wet een globale inwerkingtreding veronderstelt, met name in één blok * artikel 82 van de wet slechts een zeer klein onderdeel uitmaakt van de gehele wet, die in een veel ruimer perspectief moet gezien worden * artikel 82 enkel op verzoek van de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad in de wet werd opgenomen * om de wet operationeel te maken een hele reeks uitvoeringsmaatregelen van uiteenlopende aard moeten genomen worden * de wet ingevolge richtlijnen 98/50 EG en 2002/74/EG moet aangepast, bovendien na advies van de Nationale Arbeidsraad. Die omstandigheden maken het volgens BS aanvaardbaar dat er een zekere tijd is overgegaan vooraleer het koninklijk besluit werd genomen waardoor artikel 82 van de wet in werking trad. Verder is BS van mening dat, vermits het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd werd door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008, dat krachtens artikel 70 uitwerking heeft op 1 juli 2005, dit tot gevolg heeft dat de bepalingen van dit koninklijk besluit kracht van wet hebben vanaf 1 juli 2005 en door de rechter moeten worden toegepast en de geldigheid ervan op geen enkele wijze meer in twijfel kan worden getrokken. Het arbeidshof oordeelt als volgt. Tot aan de totstandkoming van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen waren de intresten bedoeld in artikel 10 van de Loonbeschermingswet slechts verschuldigd op de nettobedragen. Bedoeld artikel 10 bepaalde dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het (op)eisbaar wordt. Hiermee werd, volgens de termen en strekking van artikel 10, alleen bedoeld het loon dat de werknemer van de werkgever kan opeisen. Overeenkomstig de ter zake geldende fiscaalrechtelijke en sociaalrechtelijke bepalingen heeft de werknemer immers niet het recht om het bedrag van de door zijn werkgever verschuldigde bedrijfsvoorheffing en het bedrag van zijn bijdrage aan de sociale zekerheid op te eisen van de werkgever, zodat de intresten bedoeld in voormeld artikel 10 slechts konden toegekend worden op de met het brutoloon overeenstemmende netto bedragen. (Cass. 11 december 2006, S.05.0083.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3, www.cass.be, op datum; Cass. 6 februari 2006, S.05.0063.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4, www.cass.be, op datum; Cass. 7 april 2003, S.0013.F, www.cass.be, op datum; Cass., 8 november 1993, J.T.T. 1994, 143; Cass., 10 maart 1986, Soc. Kron. 1986, 101) Artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 heeft in de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers een artikel 3bis ingevoegd, dat als volgt luidt: "Art. 3bis . De werknemer heeft recht op de betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon. Dit recht op de betaling van het loon heeft betrekking op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht." Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 verving artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers door volgende bepaling: "Art.
  13. Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht." Volgens de overgangs- en slotbepalingen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen heeft de wetgever het aan de Koning overgelaten om de datum te bepalen waarop onder meer artikel 81 en 82 in werking zouden treden. Het bestaan van genoemde overgangsbepalingen sluit meteen uit dat bedoeld artikel 82 moet worden beschouwd als een interpretatieve wet, die uit haar aard en automatisch ab initio geldt. (Cass. 6 februari 2006, S.05.0063.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4, www.cass.be, op datum) Op 3 juli 2005 werd het koninklijk besluit uitgevaardigd betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. (B.S. 12 juli 2005, blz. 32.108) Genoemd koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen in werking treden op 1 juli 2005 en van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  14. BS heeft bijgevolg meer dan drie jaar gewacht vooraleer uitvoering te geven aan artikel 81 en 82 van de wet van 26 juni
  15. Bovendien is dit blijkbaar het allereerste koninklijk besluit dat genomen werd in uitvoering van die wet. Het arbeidshof stelt vast dat tussen partijen - terecht - geen betwisting bestaat over het feit dat op de uitvoerende macht de verplichting rust om binnen een redelijke termijn uitvoering te geven aan een wettelijke bepaling, tenzij voor het uitstel ervan een redelijke verantwoording zou bestaan. Dit geldt evenzeer wanneer de wetgever de Koning machtigt om de datum van de inwerkingtreding van een wet te bepalen. Ook wanneer de wetgever hiervoor geen termijn heeft voorgeschreven heeft de Koning de plicht om de datum van inwerkingtreding binnen een redelijke termijn te laten vallen (artikel 108 G.W.). (VANDE LANOTTE, J. en GOEDERTIER, G., Overzicht publiek recht, Die Keure, 2001, nr.1052 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) BS kan in dit kader aansprakelijk worden gesteld voor de schade veroorzaakt door de miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382-1383 B.W. (Cass. 27 oktober 2006, C.03.0584.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1, www.juridat.be, op datum; Cass. 20 juni 1997, C.96.0195.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970620.11, www.juridat.be, op datum; Cass. 23 april 1971, R.W. 1970-71, 1793) Zoals de eerste rechters is ook dit arbeidshof van oordeel dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen teneinde artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in werking te laten treden, op 30 mei 2005 reeds verstreken was en dat hiervoor geen enkele redelijke verantwoording wordt aangetoond, zodat BS foutief heeft gehandeld door laattijdig uitvoering te geven aan artikel 82 voornoemd. BS betwist dat hem een foutieve nalatigheid kan worden verweten, waarbij hij verwijst naar de vermeende noodzaak om alle uitvoeringsmaatregelen in het kader van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen in één globaal besluit te nemen. Zoals terecht wordt opgemerkt door de heer D, hierin gevolgd door de eerste rechters, staan de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen eigenlijk los van de overige bepalingen uit die wet en was en is er hoegenaamd geen noodzaak om de inwerkingtreding van deze bepalingen te koppelen aan de inwerkingtreding van de overige bepalingen van die wet. Het - naar het oordeel van het arbeidshof overigens onwettige koninklijk besluit van 3 juli 2005 (Arbh. Antwerpen 25 april 2007, J.T.T. 2007, 369; VAN PUYVELDE, I., "Intrest op loon - Wetgevend kunst- en vliegwerk", N.J.W. 2008, 758-761, nr. 10, voetnoot 20) - illustreert en bevestigt ten andere dat de uitvoerende macht zélf van oordeel was dat het perfect mogelijk was om deze bepalingen afzonderlijk in werking te laten treden en dat er naar het oordeel van de uitvoerende macht zelf op dat ogenblik geen redelijke verantwoording meer was voor een verder uitstel van de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet. Voor wat betreft het onwettig karakter van dit koninklijk besluit merkt het arbeidshof het volgende op. Artikel 3, §1, eerste lid van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, bepaalt: "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers, de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. Het advies en het voorontwerp worden gehecht aan de memorie van toelichting van de ontwerpen van wet, decreet of ordonnantie. De adviesaanvraag vermeldt de naam van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling wetgeving de dienstige toelichtingen te verstrekken. Het advies wordt gehecht aan de verslagen aan de Koning, aan de Regering, aan het College van de Franse Gemeenschapscommissie en aan het Verenigd College." Ontwerpen van koninklijke besluiten waarbij de Koning optreedt krachtens artikel 105 of 108 van de Grondwet, moeten bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, voor zover zij een reglementair karakter bezitten. Reglementaire besluiten in de zin van genoemd artikel 3, §1, eerste lid zijn besluiten waarbij algemene regels worden uitgevaardigd die toepasselijk zijn op de rechtsonderhorigen in het algemeen of op een bepaalde groep van rechtsonderhorigen, die zich in dezelfde objectieve toestand bevinden en niet alleen op één van hen of op een naar aantal beperkte groep. (M. VAN DAMME, Raad van State Afdeling wetgeving, Die Keure, 1998, 120, en de aldaar geciteerde rechtsleer en rechtspraak) In het verleden werd aangenomen dat een besluit dat de datum van de inwerkingtreding van een wet of van een koninklijk besluit vaststelt niet reglementair is, omdat het geen enkele nieuwe regel zou bevatten die niet reeds besloten ligt in de bepalingen die het in werking stelt. Dit standpunt kan evenwel niet worden bijgetreden vermits de inwerkingtreding een zodanig wezenlijk onderdeel van de nieuwe regeling is, dat bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de vaststelling van de datum van inwerkingtreding geen nieuwe norm toevoegt aan de bestaande rechtsordening. Bovendien kan de inwerkingtreding delicate rechtsvragen doen rijzen op het vlak van bijvoorbeeld een eventueel terugwerkende kracht. (M. VAN DAMME, o.c., 129) Uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt ten andere dat de vroegere zienswijze m.b.t. het niet reglementair karakter van besluiten die de datum van inwerkingtreding van een wet bepalen, reeds geruime tijd werd verlaten en dat geregeld advies werd en wordt verleend over ontwerpen van dergelijke besluiten, waaruit impliciet doch zeker kan worden afgeleid dat de Raad van State zich daartoe bevoegd acht en derhalve van oordeel is dat dergelijke besluiten een reglementair karakter bezitten. (vgl. vermelding van adviezen verleend door de Raad van State in de aanhef van: koninklijk besluit van 17 januari 1997 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet; koninklijk besluit van 26 oktober 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt en van de wet van 4 mei 1999 tot aanvulling van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt met de artikelen 38, § 5, 76, 1°, 78 tot 85 en 95 tot 112 ; koninklijk besluit van 22 maart 2006 houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer; koninklijk besluit van 22 augustus 2006 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken) Het ontwerp van koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen moest bijgevolg voor advies worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, behoudens in geval van "met bijzondere redenen omklede" hoogdringendheid. Wat de mogelijkheid tot het inroepen van hoogdringendheid betreft teneinde geen advies in te winnen, moet erop gewezen worden dat artikel 3,§1, eerste lid van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State voorschrijft dat de hoogdringendheid "met bijzondere redenen moet zijn omkleed". Deze verplichting houdt in dat de aanhef van het betrokken reglementair besluit de redenen moet vermelden waarom de ontworpen regeling zo spoedeisend was dat niet om advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State kon worden gevraagd. (M. VAN DAMME, o.c., 138 e.v. en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Dit arbeidshof kan slechts vaststellen dat het ontwerp van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen niet voorafgaand voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat zelfs geen dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen om het ontbreken van een adviesaanvraag te rechtvaardigen. Het inwinnen van het advies van de Raad van State is een substantiële vormvereiste. Wanneer geen advies werd ingewonnen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State omtrent een reglementair besluit en geen beroep werd gedaan op de dringende noodzakelijkheid of wanneer dit op een onbehoorlijke manier gebeurde, is dit besluit onwettig. Bij toepassing van artikel 159 G.W. moeten de hoven en rechtbanken zich, zo nodig ambtshalve, onthouden van elke toepassing van een reglementair besluit dat werd genomen met miskenning van de wettelijk voorgeschreven raadplegingsvereiste. (M. VAN DAMME, o.c., 156 en de aldaar geciteerde rechtspraak; Cass. 27 februari 2006, S050033F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6; Cass. 9 september 2002, S000125F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7, http://www.cass.be, op datum) De uitvoerende macht heeft dan ook wel degelijk een fout begaan, die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt, door slechts op 3 juli 2005, hetzij meer dan 3 jaar na het uitvaardigen van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen een (bovendien onwettig) koninklijk besluit uit te vaardigen, met als gevolg dat de heer D van zijn werkgever geen intrest kon opeisen op het brutobedrag van de hem verschuldigde lonen, die grotendeels opeisbaar waren op 1 oktober 2004, doch enkel op het nettobedrag. Het oorzakelijk verband tussen die fout en de door de heer D geleden schade staat dan ook vast. Redelijkerwijs had BS op 1 oktober 2004 immers al lang uitvoering moeten gegeven hebben aan artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen. Ook wanneer voornoemd koninklijk besluit om de aangehaalde of andere redenen niet onwettig zou bevonden worden, geldt hetzelfde. Door artikel 69 van de titel VII (Werk), hoofdstuk III (diverse bepalingen), van de wet houdende diverse bepalingen van 8 juni 2008 (I)

(1), werd het KB van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen bekrachtigd. Artikel 70 van die wet bepaalt dat artikel 69 uitwerking heeft met ingang van 1 juli
  1. De bekrachtiging van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008, dat krachtens artikel 70 uitwerking heeft op 1 juli 2005, heeft tot gevolg dat de bepalingen van dit koninklijk besluit kracht van wet hebben vanaf 1 juli 2005 en door de rechter moeten worden toegepast. (Cass. 1 december 2008, S.07.0116.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.1, www.cass.be, op datum) Deze bekrachtiging met terugwerkende kracht van het betwiste koninklijk besluit van 3 juli 2005 repareert naar het oordeel van het arbeidshof voornoemde laattijdigheid echter niet en garandeert dus evenmin dat BS niet meer verplicht zou kunnen worden om schadevergoeding te betalen, zoals hij ten onrechte voorhoudt. (VAN PUYVELDE, I., "Intrest op loon - Wetgevend kunst- en vliegwerk", N.J.W. 2008, 758-761, nr. 21) BS is dan ook gehouden tot betaling van de door de eerste rechters toegekende schadevergoeding, waarvan de becijfering op zich niet wordt betwist. Het hoger beroep is ongegrond. 2.
  2. de kosten van het geding BS is de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij is dan ook gehouden tot betaling van de kosten van het geding voor beide aanleggen. Op de openbare terechtzitting van 4 januari 2010 verklaren beide partijen het basisbedrag te vorderen van de rechtsplegingsvergoeding. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt voor de arbeidsrechtbank 1.100 EUR, nu de vordering van de heer D in zijn laatste conclusie in hoofdsom 19.152,01 EUR bedroeg (vordering tussen 10.000,01 EUR en 20.000,00 EUR). In graad van hoger beroep bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding eveneens 1.100,00 EUR, nu het bedrag van de vordering van de heer D 18.393,95 EUR bedraagt (vordering tussen 10.000,01 EUR en 20.000,00 EUR). In tegenstelling tot wat de heer D voorhoudt komt voor de berekening van het bedrag van de vordering de gerechtelijke intrest niet in aanmerking. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet immers dat voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. Artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Wanneer het bedrag van de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt, wordt er onder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten, alsook van de dwangsommen." BS is dan ook slechts gehouden tot betaling van de hiervoor vermelde rechtsplegingsvergoedingen. BESLISSING De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond. De vonnissen van 10 juli 2006 en van 2 september 2008 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen worden bevestigd, behalve voor wat betreft de uitspraak over de kosten met betrekking tot de vordering van de heer D ten laste van BS. Het arbeidshof oordeelt daarover opnieuw en verwijst BS in de kosten van de rechtspleging van beide aanleggen die als volgt worden vereffend: - voor BS begroot op: 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor de heer D begroot op: 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Het arbeidshof verklaart het arrest verbindend aan de NV Pearl Belgium. Deze beslissing is genomen door de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter, de heer K. MAGERMAN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. LAUWERYSEN, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, bijgestaan door mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 februari 2010 door de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter en in aanwezigheid van mevrouw A. HERTOGS, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2, Ger.W.). PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100201.13 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970620.11 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060206.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060227.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090423.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.