id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100324.11 Rolnummer: 2008/AA/79 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2013-02-04 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-01 12:30 Fiches 1 - 2 De wetgeving betreffende het bestaansminimum, het leefloon en de maatschappelijke dienstverlening is van openbare orde. Het middel van de verjaring beoogt de bescherming van privébelangen waardoor het geen karakter van openbare orde heeft. Bijgevolg kan dit middel niet ambtshalve door het openbaar ministerie opgeworpen worden en dient het beschikkingsbeginsel geëerbiedigd te worden. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Terugbetaling kosten - Algemeen Vrije woorden: Sociale voorzorg - openbare centra voor maatschappelijk welzijn - bestaansminimum, leefloon en maatschappelijke dienstverlening - terugvordering - verjaring - niet ambtshalve in te roepen door het openbaar ministerie. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 102 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Sociale voorzorg - recht op maatschappelijke integratie - bestaansminimum, leefloon en maatschappelijke dienstverlening - terugvordering - verjaring - niet ambtshalve in te roepen door het openbaar ministerie. Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 29 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Nota: Gerangschikt onder X E - artikel 102 en onder X GN - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2012 - - nr. 8, blz. 410-411 Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest bij verstek van geïntimeerde Terugvordering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2008/AA/79 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak van: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MECHELEN, gevestigd te 2800 Mechelen, Lange Schipstraat 27, appellant, vertegenwoordigd door mr. K. G., advocaat te Mechelen, tegen: S. C., geïntimeerde, die niet verschijnt ter zitting, noch iemand voor hem. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 5 maart 2008, 12 november 2008, 24 juni 2009 en 24 februari
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 2 januari 2008 uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger.W., aan het OCMW van Mechelen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 8 januari 2008; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 4 februari 2008 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 9 februari 2008; * de conclusies voor het OCMW van Mechelen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 17 februari
- Mr. G., die toepassing van artikel 802 Ger.W. vorderde en bekwam ter zitting van 5 maart 2008 tegen de niet verschenen partij, werd gehoord op de openbare terechtzitting van 24 februari
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 4 februari 2008, tekende het OCMW van Mechelen, overeenkomstig de machtiging van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 januari 2008, hoger beroep aan tegen een vonnis van 2 januari 2008 (A.R. 91.702) van de arbeidsrechtbank te Mechelen. Het vonnis werd aan het OCMW van Mechelen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 8 januari
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure In de periode van 1998 tot en met 2000 heeft C. verschillende keren bestaansminimum ontvangen. Aangezien dit bestaansminimum onterecht zou uitbetaald zijn, wordt het bestaansminimum voor de periode van 1 november 1998 tot en met 31 juli 1999 en het bestaansminimum dat gestort werd in maart 2000 als betaling van de huishuur, teruggevorderd. Ondanks een hele reeks aanmaningen, betaalde C. deze bedragen niet terug. Bij beschikking van 5 januari 2005 werd C. toegelaten tot het voordeel van de collectieve schuldenregeling. Deze beschikking werd herroepen bij beschikking van 29 december
- Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 14 mei 2007, tekende het OCMW van Mechelen verhaal aan bij de arbeidsrechtbank te Mechelen, daar de raad op 26 maart 2007 had beslist om, in toepassing van artikel 115, §2, van de organieke wet van 8 juli 1976, na vergeefse aangetekende aanmaningen, een terugvordering van schuld ten bedrage van 4127,11 euro, meer de intresten, aanhangig te maken. In het verzoekschrift werd verwezen naar:
- de beslissing van het bijzonder comité sociale zaken van 17 november 1998/27 november 1998, waarbij het bestaansminimum categorie 3 geschorst wordt van 1 november 1998 t/m 5 december 1998, gelet op de niet-bereidheid tot werken van C.;
- de beslissing van het bijzonder comité sociale zaken van 5 januari 1999, waarbij het bestaansminimum categorie 3 verder wordt toegestaan vanaf 6 december 1998, omdat het bewijs van werkbereidheid wordt geleverd;
- de beslissing van het bijzonder comité sociale zaken van 17 augustus 1999/25 augustus 1999, waarbij in hoofde van C. het bestaansminimum categorie 3 wordt opgeheven vanaf 1 augustus 1999 gezien onjuiste aangifte van adres en het uitgekeerde bestaansminimum in de periode van 1 november 1998 t/m 31 juli 1999, t.b.v. 4171,45 euro, wordt teruggevorderd; na afbetaling rest nog een saldo van 3916,40 euro;
- de beslissing van het bijzonder comité sociale zaken van 25 januari 2000, waarbij het bestaansminimum categorie 3 wordt toegestaan, omdat het bewijs van werkbereidheid wordt geleverd en C. in Mechelen verblijft;
- de beslissing van het bijzonder comité sociale zaken van 2 mei 2000/4 mei 2000, waarbij in hoofde van C. het bestaansminimum categorie 3 wordt opgeheven vanaf 1 maart 2000 gelet op de onbevoegdheid van het OCMW gezien de detentie van C. en de ten onrechte gestorte huishuur, t.b.v. 210,71 euro, bij de openstaande schuld wordt gevoegd. In hun vonnis van 2 januari 2008, gewezen bij verstek van C., verklaarden de eerste rechters de vordering onontvankelijk wegens verjaring. Het OCMW van Mechelen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 4 februari
- Eisen in hoger beroep Het OCMW van Mechelen vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te hervormen, te zeggen voor recht dat zijn vordering ontvankelijk is en C. te veroordelen in terugbetaling van de som van 4127,11 euro, meer de verwijlintresten vanaf 4 mei 2000, de gerechtelijke intresten en de kosten. Tegen C. werd ter zitting van 5 maart 2008 toepassing van artikel 802 Ger.W. gevorderd en bekomen.
- Ten gronde Het OCMW vordert een bedrag van 4127,11 euro terug aan ten onrechte verleend bestaansminimum. 4.
- De verjaring Het OCMW werpt op dat het argument van de verjaring in de procedure voor de arbeidsrechtbank ambtshalve ingeroepen werd door het openbaar ministerie en vervolgens door de arbeidsrechtbank. Er kan inderdaad vastgesteld worden dat C. tijdens de ganse procedure niet is verschenen en zich niet heeft laten vertegenwoordigen en dat het argument van de verjaring derhalve ambtshalve werd opgeworpen. Artikel 2223 BW bepaalt evenwel dat de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve mag toepassen. Wanneer dit middel niet ambtshalve mag toegepast worden, kan ook het openbaar ministerie geen middel in het geding brengen dat door partijen niet werd aangebracht en moet het beschikkingsbeginsel eerbiedigd worden. (J. PETIT, Sociaal procesrecht, Brugge, die keure, 2000, p. 128). In een arrest van 23 januari 2006 stelt het Hof van Cassatie dat de verjaring enkel ambtshalve kan ingeroepen worden indien de verjaring van openbare orde is (Cass. 23 januari 2006, nr. S05.0053.N, www.juridat.be.). Evenwel dient vastgesteld dat de verjaring van het recht op maatschappelijke dienstverlening, bestaansminimum en maatschappelijke integratie niet de openbare orde raakt. Uit de toepasselijke wetsbepalingen (artikelen 28 en 29 RMI-Wet, artikel 102 OCMW-Wet en artikel 15 bestaansminimumwet) kan immers niet afgeleid worden dat de wetgever tot doel had om het middel van verjaring voor de aanvrager van de steun van openbare orde te maken. De verjaring van de terugvordering van sociale zekerheidsprestaties heeft immers niet de bescherming van collectieve, maar wel de bescherming van privé-belangen tot doel en is derhalve niet van openbare orde. (A. LINDEMANS, Verjaring in het socialezekerheidsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1994, 33). Het feit dat de wetgeving betreffende het leefloon, het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening wel van openbare orde is, doet hieraan geen afbreuk. Aangezien het middel van de verjaring niet van openbare orde is, mocht het niet ingeroepen worden door de arbeidsrechtbank (Arbh. Antwerpen 8 juni 2006, www.juridat.be). Ook in de procedure voor het arbeidshof wordt dit middel niet ingeroepen, waardoor het arbeidshof niet kan onderzoeken of de vordering van het OCMW verjaard is. 4.
- Terugvordering van een bedrag van 3916,40 euro Bij beslissing van 17 november 1998 wordt het bestaansminimum van C. geschorst en bij beslissing van 5 januari 1999 wordt het bestaansminimum vervolgens terug ingesteld. Vervolgens wordt bij beslissing van 17 augustus 1999 het bestaansminimum opgeheven vanaf 1 augustus 1999 omdat hij niet op het aangeduide adres zou gewoond hebben en wordt tevens het verleende bestaansminimum teruggevorderd voor de periode van 1 november 1998 tot en met 31 juli
- Deze beslissing wordt aangetekend verzonden bij brief van 25 augustus 1999 en hiertegen wordt nooit beroep aangetekend. Nergens wordt enig argument naar voor gebracht waaruit kan blijken dat de beslissing tot terugvordering niet correct werd verstuurd of niet correct werd genomen. 4.
- Terugvordering van een bedrag van 210,71 euro Bij beslissing van 25 januari 2000 kent het OCMW bestaansminimum toe aan C., waarbij niet betwist wordt dat een deel van het bestaansminimum rechtstreeks aan de eigenaar van het appartement waar C. verblijft wordt gestort. Bij beslissing van 2 mei 2000 wordt het bestaansminimum opgeheven vanaf 1 maart 2000 omdat het OCMW niet langer bevoegd zou zijn om steun te verlenen, gelet op de detentie van C., en bovendien werd de huishuur, die rechtstreeks aan de eigenaar gestort werd als deel van het bestaansminimum, teruggevorderd omdat C. vanaf 1 maart 2000 niet langer recht had op een bestaansminimum. Tegen deze beslissing, die bij aangetekend schrijven van 4 mei 2000 ter kennis werd gebracht van C., werd nooit beroep aangetekend en ook in beroep wordt geen enkel argument naar voor gebracht waaruit kan blijken dat de beslissing tot terugvordering niet correct werd verstuurd of niet correct werd genomen. 4.
- De beslissingen tot terugvordering zijn definitief De beslissingen van 17 augustus 1999 en 2 mei 2000 zijn dan ook definitief geworden, waardoor er enkel kan nagegaan worden of het OCMW een wettige beslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 159 Gw. Het arbeidshof dient immers ambtshalve na te gaan of de bestreden beslissing wettig werd genomen. (Cass. 10 september 2007, J.T.T. 2008, 1). Wanneer de rechter nagaat of een bepaalde beslissing van de overheid onwettig is, dient hij zich niet te beperken tot kennelijke onregelmatigheden maar dient hij de externe en interne wettigheid van de beslissing na te gaan. (Cass. 23 oktober 2006, J.T.T. 2007, 1 en Cass. 4 december 2006, Rev. Dr. Etr. 2006, 541). De controle op de externe wettigheid van de beslissing betreft de bevoegdheid en de formele wettigheidsvereisten. Er wordt niet betwist dat het OCMW bevoegd is om een beslissing tot terugvordering te nemen en evenmin wordt een schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en formaliteiten ingeroepen (J. PUT, Administratieve sancties in het socialezekerheidsrecht, Brugge, die keure, 1998, p. 467, nr. 541). De eventuele niet-vermelding van de nodige formaliteiten is immers niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, maar heeft enkel tot gevolg dat de beroepstermijn niet begint te lopen. De controle op de interne wettigheid betreft de motiveringsgebreken, de schending van de wet (van het recht) en de machtsafwending (W. LAMBRECHTS, Geschillen van bestuur, Antwerpen, Kluwer, 1988, 61-85), maar ook hier kan er geen motiveringsgebrek of schending van de wet vastgesteld worden. De beslissing tot terugvordering van het bestaansminimum voor de periode van 1 november 1998 tot en met 31 juli 1999 en de beslissing tot terugvordering van het bestaansminimum dat uitgekeerd werd in maart 2000 zijn dan ook definitief geworden. Het OCMW van Mechelen is dan ook gerechtigd om tot terugvordering over te gaan voor een bedrag van 3916,40 euro en voor een bedrag van 210,71 euro. Op de vraag van het OCMW om intresten toe te kennen vanaf 4 mei 2000 kan niet ingegaan worden. De eis tot het bekomen van de intresten is een eis tot de betaling van geldsommen. In toepassing van artikel 1153 BW zijn dan ook intresten verschuldigd, zij het vanaf de aanmaning tot betaling. De eerste aanmaning tot betaling dateert van 26 februari 2001 en werd aangetekend verzonden op 1 maart 2001 (stuk 6, bundel OCMW), waardoor de intresten vanaf 2 maart 2001 kunnen toegekend worden. 4.
- Gerechtskosten Wat de kosten betreft, toont het OCMW van Mechelen niet aan waarom deze, in afwijking van artikel 1017, tweede lid, Ger.W., ten laste van C. dienen te worden gelegd. Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 24 februari 2010, waarover de aanwezige partij verklaart geen opmerkingen te hebben. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak bij verstek van C. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt: vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 2 januari 2008, behoudens wat de tenlastelegging van de kosten betreft. Opnieuw recht doende, veroordeelt C. tot betaling aan het OCMW van Mechelen van het bedrag van vierduizend honderd zevenentwintig euro en elf cent (4127,11 euro), te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 2 maart 2001 en de gerechtelijke intresten vanaf 14 mei
- Legt de - niet begrote - kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het OCMW van Mechelen. Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer C. AMSSOMS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer E. DE DECKER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door de heer R. SMETS, griffier, PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100324.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div