id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100428.7 Rolnummer: 2008/AA/297 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2011-12-01 Raadplegingen: 146 - laatst gezien 2026-07-01 12:47 Fiches 1 - 3 Wanneer het OCMW bestaansminimum, leefloon of maatschappelijke dienstverlening ten laste van de rechthebbende wil terugvorderen, beschikt het over een termijn van vijf jaar. Deze termijn loopt vanaf de verlening en eindigt op het ogenblik dat het OCMW de beslissing tot terugvordering neemt. Na het nemen van deze beslissing loopt er een nieuwe termijn, met name 10 jaar, waarbinnen het OCMW de zaak voor de arbeidsrechtbank moet brengen ten einde een uitvoerbare titel te bekomen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - leefloon of maatschappelijke dienstverlening - terugvordering - verjaring - termijn - na definitieve beslissing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1805 - 2262bis, § 1, lid 1 - 35 Link Justel databank 18050321-35 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2277 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Terugbetaling kosten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Terugbetaling kosten - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - leefloon of maatschappelijke dienstverlening - terugvordering - verjaring - termijn - na definitieve beslissing Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 102 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: I B - X E Gerangschikt onder I B - artikel 2277 en artikel 2262bis, § 1, lid 1 en onder X E - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2011 - - nr. 3, blz. 147-149 Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Bestaansminimum -terugvordering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2008/AA/297 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN In de zaak van: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MECHELEN, gevestigd te 2800 Mechelen, Lange Schipstraat 27, appellant, vertegenwoordigd door mr. K. G., advocaat te Mechelen, tegen: A. V., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. B.-N. J. loco mr. T. L., advocaat te Leuven. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 3 september 2008, 6 mei 2009 en 24 maart
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: * het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 14 mei 2008 uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen, overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger.W., aan het OCMW van Mechelen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 21 mei 2008; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 16 juni 2008 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger.W. op 18 juni 2008; * de conclusies voor mevrouw V., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 15 oktober 2008; * de conclusies voor het OCMW van Mechelen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 30 oktober
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 24 maart
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 16 juni 2008, tekende het OCMW van Mechelen, overeenkomstig de machtiging van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 juli 2008, hoger beroep aan tegen een vonnis van 14 mei 2008 (A.R. 07/91645/A) van de arbeidsrechtbank te Mechelen. Het vonnis werd aan het OCMW van Mechelen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 21 mei
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure Mevrouw V. ontving vanwege het OCMW van Mechelen sedert 1 december 1996 bestaansminimum categorie 4 (categorie 2 vanaf 1 januari 1997); er werd geoordeeld dat zij het bewijs leverde bereid te zijn om te werken. Bij beslissing van 1 februari 1997 werd tevens beslist om voorschotten te verlenen op onderhoudsgeld. Het bijzonder comité voor sociale zaken nam op 16 maart 1999 een herzieningsbeslissing tot opheffing vanaf 1 december 1998 van het recht op bestaansminimum categorie alleenstaande personen met minstens één minderjarig kind ten laste, besliste over te gaan tot terugvordering van het bestaansminimum over de periode van 30 november 1997 tot en met 30 november 1998, t.b.v. 257.874 frank, à rato van 5.000 frank per maand vanaf 1 april 1999, ("na vastgesteld te hebben dat betrokkene sinds 30/11/1997 samenwoont met dhr. B. P. en zij heeft verzuimd deze wijziging in haar gezinssituatie te verklaren met bedrieglijk opzet; dhr. B. tewerkgesteld is waardoor het gezinsinkomen hoger ligt dan het recht bestaansminimum en betrokkene aldus geen verdere aanspraak kan maken op het recht bestaansminimum vanaf 30/11/1997; betrokkene heeft verzuimd deze wijziging in haar financiële situatie te verklaren met bedrieglijk opzet; betrokkene over de periode van 30/11/1997 tot en met 30/11/1998 ten onrechte bestaansminimum heeft ontvangen") en tot terugvordering van de ontvangen financiële hulp t.b.v. 4.200 frank in voornoemde periode ("gezien U vanaf 30/11/1998 samenwoont met dhr. B. P. en uw gezinsinkomen hierdoor toereikend wordt geacht (loon concubinaris). U heeft verzuimd deze wijzigingen in uw gezinssituatie en in uw financiële situatie te verklaren met bedrieglijk opzet"). Deze beslissingen werden mevrouw V. ter kennis gebracht bij aangetekende brieven van 2 april
- Zij tekende hiertegen geen beroep aan. Op 16 januari 2006 werd mevrouw V. aangemaand bij aangetekende brief. Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 2 mei 2007, maakte het OCMW van Mechelen, na beslissing van de raad van 26 april 2006, in toepassing van artikel 115, §2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna OCMW-Wet), een terugvordering van schuld ten bedrage van 6496,65 euro, meer de verwijlintresten, de gerechtelijke intresten en de kosten, aanhangig aan mevrouw V. In hun vonnis van 14 mei 2008 verklaarden de eerste rechters de terugvordering onontvankelijk wegens verjaring; het OCMW van Mechelen werd, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger.W., veroordeeld tot de kosten van het geding. Het OCMW van Mechelen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 16 juni
- Eisen in hoger beroep Het OCMW van Mechelen vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te hervormen en mevrouw V. te veroordelen in terugbetaling van de som van 6496,65 euro, meer de verwijlintresten vanaf 16 januari 2006, de gerechtelijke intresten en de kosten; het te vellen arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, ondanks alle verhaal of verzet, zonder borgstelling en zonder recht op kantonnement. Mevrouw V. vraagt het hoger beroep onontvankelijk te verklaren wegens verjaring en het vonnis a quo te bevestigen; in ondergeschikte orde, de vordering, indien ontvankelijk, ongegrond te verklaren en deze af te wijzen omwille van billijkheidsredenen; het OCMW van Mechelen te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 218,54 euro.
- Ten gronde Mevrouw V. stelt dat de vordering verjaard is en dat er minstens wegens billijkheidsredenen van terugvordering dient afgezien te worden. 4.
- Verjaring Er moet nagegaan worden of de vordering tot terugvordering inzake het bestaansminimum en inzake de verleende financiële hulp verjaard is. Terugvordering van het bestaansminimum Uit het administratief dossier blijkt dat het OCMW bij beslissing van 16 maart 1999 een beslissing tot terugvordering heeft genomen inzake de terugvordering van het bestaansminimum overeenkomstig artikel 13 bestaansminimumwet (wet van 7 augustus 1974 tot instelling van een recht op een bestaansminimum), aangezien mevrouw V. verweten werd verzuimd te hebben aangifte te doen van het feit dat ze samenwoonde en dus verzuimd heeft om bestaansmiddelen van de persoon waarmee ze samenwoonde aan te geven. Aangezien het teruggevorderde bestaansminimum verleend werd vanaf 1996 en de bestaansminimumwet voorzag in een verjaringstermijn van vijf jaar, werd de beslissing tot terugvordering tijdig genomen. Artikel 15 bestaansminimumwet bepaalt immers dat de vordering tot terugbetaling, bedoeld in de artikelen 12 en 13 bestaansminimumwet, verjaart overeenkomstig artikel 2277 BW, dat voorziet in een verjaringstermijn van vijf jaar. Het OCMW heeft de beslissing tot terugvordering dan ook tijdig genomen, want binnen de verjaringstermijn van vijf jaar. Tegen deze beslissing werd geen beroep ingesteld tot op het ogenblik van de sluiting van de debatten en ze is dus definitief geworden. Mevrouw V. brengt trouwens geen enkel argument naar voor waarom de beslissing tot terugvordering niet correct werd genomen. Terugvordering maatschappelijke dienstverlening Aangezien ook de beslissing tot terugvordering inzake de maatschappelijke dienstverlening werd genomen binnen de vijf jaar, is ook deze beslissing binnen de verjaringstermijn genomen. Artikel 102 OCMW-Wet bepaalt immers dat de vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 OCMW-Wet verjaart overeenkomstig artikel 2277 BW, en dat deze vorderingen gestuit kunnen worden door een aanmaning gedaan bij hetzij een aangetekend schrijven, hetzij een ontvangstbewijs. Artikel 2277 BW voorziet een verjaringstermijn van vijf jaar. Aangezien mevrouw V. bij beslissing van 16 maart 1999 op de hoogte werd gebracht van de terugvordering van de verleende steun in de periode van november 1997 tot november 1998 en deze terugvordering een toepassing was van artikel 98 OCMW-Wet, met name het afleggen van een vrijwillig onjuiste aangifte, werd ook de beslissing tot terugvordering inzake de maatschappelijke dienstverlening binnen de verjaringstermijn genomen. Geen verjaring De termijn van vijf jaar dient beschouwd te worden als de termijn waarbinnen het OCMW een beslissing tot terugvordering moet nemen, waardoor de sociaal verzekerde weet dat er een bedrag dient terugbetaald te worden. Dit betekent evenwel niet dat deze beslissing tot terugvordering ook binnen de vijf jaar moet voorgelegd worden aan de rechter ten einde een titel te verwerven om tot uitvoering ervan te kunnen overgaan. De rechtsvorderingen van het OCMW tot het uitvoeren van de beslissing tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde zijn immers niet onderworpen aan een specifieke verjaringstermijn, waardoor toepassing gemaakt moet worden van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Krachtens artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat op 27 juli 1998 in werking is getreden, is de verjaringstermijn van alle persoonlijke rechtsvorderingen tien jaar. Die verjaring is van toepassing op alle persoonlijke rechtsvorderingen die niet aan bijzondere verjaringen zijn onderworpen. Het OCMW kan dan ook tot uitvoering overgaan binnen de verjaringstermijnen van het Burgerlijk Wetboek en deze termijn is tien jaar. (In dezelfde zin inzake werkloosheid: Cass. 27 maart 2006, R.W. 2009-10, 30). Dit is ook de stelling van het Grondwettelijk Hof, dat in antwoord op een prejudiciële vraag overwoog dat de bepalingen van de verschillende stelsels van sociale zekerheid en sociale bijstand telkens betrekking hebben op de vordering die voor een rechter wordt ingesteld teneinde ten onrechte uitbetaalde prestaties terug te vorderen. Door een korte termijn vast te stellen voor de vordering tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde sommen, beperken de verjaringstermijnen in de wetten van sociale zekerheid en sociale bijstand de periode tijdens welke de ten onrechte uitbetaalde prestaties kunnen worden teruggevorderd, teneinde een opeenstapeling van periodieke schulden over een te lange periode te voorkomen, die de sociaal verzekerde zou kunnen ruïneren. (GwH 20 oktober 2009, nr. 162/2009, overweging B.10.2.). Het Grondwettelijk Hof vervolgt dat er dus een korte verjaringstermijn is om ten onrechte toegekende uitkeringen terug te vorderen, terwijl de tienjarige verjaringstermijn, toegepast op de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen, betrekking heeft op de uitvoering van de door de instelling van sociale zekerheid verleende uitvoerbare titel. Aangezien het OCMW bij verzoekschrift van 2 mei 2007, en dus binnen de tien jaar na het nemen van een terugvorderingsbeslissing die een uitvoerbare titel inhoudt, de zaak voor de arbeidsrechtbank heeft gebracht, waardoor de verjaring gestuit wordt (artikel 2244 BW), werd er dan ook tijdig een vordering gesteld en is deze niet verjaard. 4.
- Het OCMW mag terugvorderen Nu uitgemaakt werd dat de terugvordering niet verjaard is, moet nagegaan worden of het OCMW wel mocht terugvorderen. Hierbij dient opgemerkt dat de beslissing tot terugvordering definitief is geworden en dat er geen beroep tegen werd aangetekend. Er kan enkel nagegaan worden of het OCMW een wettige beslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 159 Gw. Het arbeidshof dient immers ambtshalve na te gaan of de bestreden beslissing wettig werd genomen. (Cass. 10 september 2007, J.T.T. 2008, 1). Wanneer de rechter nagaat of een bepaalde beslissing van de overheid onwettig is, dient hij zich niet te beperken tot kennelijke onregelmatigheden, maar dient hij de externe en interne wettigheid van de beslissing na te gaan. (Cass. 23 oktober 2006, J.T.T. 2007, 1 en Cass. 4 december 2006, Rev. Dr. Etr. 2006, 541). De controle op de externe wettigheid van de beslissing betreft de bevoegdheid en de formele wettigheidsvereisten. Er wordt niet betwist dat het OCMW bevoegd is om een beslissing tot terugvordering te nemen en evenmin wordt een schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en formaliteiten ingeroepen. (J. PUT, Administratieve sancties in het socialezekerheidsrecht, Brugge, die keure, 1998, p. 467, nr. 541). De niet-vermelding van de nodige formaliteiten is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, maar heeft enkel tot gevolg dat de beroepstermijn niet begint te lopen. De controle op de interne wettigheid betreft de motiveringsgebreken, de schending van de wet (van het recht) en de machtsafwending (W. LAMBRECHTS, Geschillen van bestuur, Antwerpen, Kluwer, 1988, 61-85), maar ook hier kan er geen motiveringsgebrek of schending van de wet vastgesteld worden. Mevrouw V. laat gelden dat het OCMW zijn beslissing zou motiveren als volgt: "omwille van verzuim van verklaring in zake bestaansmiddelen met bedrieglijk opzet, verzwegen samenwoonst en mogelijkheid om zich voldoende bestaansmiddelen te verschaffen." Nochtans heeft mevrouw V. de plicht om elke nuttige inlichting nopens haar toestand te geven (artikel 60 OCMW-Wet en artikel 7, §2, bestaansminimumwet) en heeft het verzwijgen van samenwoonst en de onmogelijkheid voor het OCMW om een sociaal onderzoek te voeren onmiddellijke gevolgen op het bedrag van de verleende steun, waardoor het OCMW zijn beslissing voldoende gemotiveerd heeft en uit voormelde gegevens wettig kon afleiden dat er onterecht bestaansminimum werd betaald. Het loutere feit dat de heer B. een inkomen zou gehad hebben van 500,00 euro per maand is een loutere bewering waarvan het OCMW na verloop van meer dan tien jaar niet meer kan nagaan of deze met de werkelijkheid overeenstemt en dus niet langer kan nagaan of er al dan niet recht was op bestaansminimum en financiële steun. Bovendien tast deze bewering de wettigheid van de beslissing niet aan en aangezien de beslissing definitief is geworden, dient met dit argument geen rekening gehouden te worden. Aangezien het OCMW bovendien verplicht is om ten onrechte uitbetaalde uitkeringen terug te vorderen, kan om redenen van billijkheid, die trouwens niet aangetoond worden, en gelet op het definitief karakter van de beslissing, niet meer afgezien worden van de terugvordering. Ten aanzien van de intresten dient vastgesteld dat het OCMW slechts intresten vordert vanaf 16 januari 2006 (aangetekende aanmaning) en vanaf die datum de zaak heeft benaarstigd en binnen een redelijke termijn voor de rechter heeft gebracht. Hierdoor kan niet ingegaan worden op de vraag van mevrouw V. om de intresten niet ten haren laste te leggen. Dit had wel het geval geweest indien het OCMW ook vóór deze datum intresten had gevorderd. Het OCMW verzet zich tegen de vraag tot het bekomen van afbetalingen met een bedrag van 150,00 euro per maand aangezien hierdoor de termijn tot afbetaling meer dan vier jaar zou bedragen. Bovendien worden er geen stukken neergelegd waaruit zou blijken dat mevrouw V. financiële problemen heeft of dit bedrag niet op een redelijke termijn zou kunnen betalen. Er worden geen afbetalingsfaciliteiten toegestaan. Het OCMW toont niet aan waarom de kosten, in afwijking van artikel 1017, tweede lid, Ger.W., ten laste van mevrouw V. dienen te worden gelegd. Op de vraag om het arrest uitvoerbaar te verklaren wordt niet ingegaan aangezien bij een op tegenspraak geveld arrest dit overbodig is daar de voorziening in cassatie, noch de termijn voor cassatie, een schorsende werking hebben. (Arbh. Bergen 9 oktober 1992, J.T. 162). Op die gronden, het hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 24 maart
- Mr. J. wordt gehoord in haar opmerkingen over het advies. Mr. G. verklaart geen opmerkingen te hebben over het advies. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 14 mei 2008, behoudens wat de kosten betreft. Opnieuw recht doende, verklaart de vordering ontvankelijk en veroordeelt mevrouw V. tot betaling aan het OCMW van Mechelen van het bedrag van zesduizend vierhonderd zesennegentig euro en vijfenzestig cent (6496,65 euro), te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 16 januari 2006 en de gerechtelijke intresten vanaf 2 mei
- Het meergevorderde wordt afgewezen. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het OCMW van Mechelen. Vereffent deze kosten aan de zijde van mevrouw V. op 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag vordering boven 2500,00 euro). Aldus gewezen door: de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer C. AMSSOMS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer E. DE DECKER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, bijgestaan door de heer R. SMETS, griffier, R. SMETS E. DE DECKER C. AMSSOMS D. TORFS en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van achtentwintig april tweeduizend en tien. R. SMETS D. TORFS PDF document ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100428.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div